BIJ MOEARA TJATJING.

Het was een sombere Februarinacht van het jaar 188*.

De noordwesten wind spookte met volle kracht langs Java’s noordkust,

joeg, tierde, gilde en huilde, alsof een troep demonen in het in

allerijl voortstuivende zwarte zwerk hun helschen sabbath vierden. Hij

deed de verbolgen wateren der Java-zee in huizenhooge baren

opsteigeren, welke zich kromden en krulden, om eindelijk wild en woest

te breken in machtige kuiven van wit schuim, die met hun raadselachtig

bleek phosphorisch geschemer gedurende een ondeelbaar oogenblik hare

onmiddellijke omgeving verlichtten, dadelijk daarop in een

fantastischen vonkenregen uiteen spatten, om eene duisternis achter te

laten nog zwarter, als het kon, dan te voren heerschte.

Met ontembare kracht zweepten de vertoornde golven den moerassigen

Java-wal. Zij braken in de nabijheid daarvan, liepen voor en na met

haar zwak lichtend schuim langs de flauwe helling op, om

achtereenvolgens een oogenblik later weer met toomelooze vaart

zeewaarts te ijlen, en een nieuwe, aanrollende golf te ontmoeten. Deze,

in haar aandrang vertraagd, gebroken, vormde met de achterwaarts

ijlende eene dwarrelende massa van water en schuim, welke tot eene

donderende branding opstoof en opkookte, om eindelijk te zamen in een

lange keergolf andermaal langs het strand op te loopen en het lagere

gedeelte te overstroomen.

Dat strand vormde ter plaatse, waar de gebeurtenissen, die hier

verhaald worden, een aanvang nemen, als op zoovele andere plekken van

Java’s noordkust, een uitgestrekt moeras, dat, uit vet kleislib

bestaande, onder den invloed der keerkrings-zonnestralen, met zoo een

rijkdom van bizonderen plantengroei getooid was, dat de daardoor

gevormde wildernis schier spookachtig mocht heeten. Allerwege was de

zwak glooiende strandvlakte met Tandjang-soorten [2] overdekt, die

steltloopers uit het plantenrijk, welke de lage zeeoevers tusschen de

keerkringen, door haar omzoomd, in de verte op eene machtige

palissadeering doen gelijken, die met dicht loof gekroond zoude zijn.

Ware het dag geweest bij het begin van dit verhaal, dan zou het oog

duizende en nog eens duizende boomkruinen hebben kunnen ontwaren, die

in elkander smeltende, zich op ongeveer dertig voeten boven den grond

verhieven op korte stammen, die zelf den bodem niet bereikten, maar

gedragen werden door hoog boven den bodem reikende wortels. Deze

splitsten en vertakten zich herhaaldelijk en veelvuldig; zoodat iedere

boom met een veelvoetig wezen te vergelijken was, waarvan de dragers of

beenen met die zijner naburen in en door elkander groeiden en

vergroeiden, en een onuitwarbaar net vormden van wortelstengels en

wortelgeledingen, hetwelk daarenboven doorweven was met de ranken van

wel is waar schaars voorkomende slingerplanten, welke evenwel die

stronken als met festoenen wonderlijk tooiden en hare uitloopers in de

boomkruinen verborgen.

Ware het dag geweest, dan zou den blik toegang onder die kruinen gegund

zijn, waar tusschen die duizende wortelstaken, welke als het ware een

uitgestrekten doolhof vormden, een gewriemel van levende wezens plaats

had, dat den opmerker met een gevoel van walging had moeten vervullen.

Daar lagen toch veelal enkele „boeaja’s” met glurende oogen hare prooi

te bespieden; daar schoten eene menigte „boeloes” en „mimi’s” vooruit,

bij het najagen van hunnen buit; daar wemelden monsterachtige

„kapiting’s” bij duizenden, en „oedang’s” [3] in alle grootten, van den

omvang der Noorsche lobsters tot de onbeduidendheid der nauwelijks waar

te nemen zeespinnen, bij millioentallen binnen een betrekkelijk

beperkten gezichtskring, in den afzichtelijken modder, die door immer

en immer aangevoerden plantendetritus, van dat vreemdsoortige woud

afkomstig, gevormd en gevoed werd. In dien modder, die zich tusschen de

tallooze wortelstengels ophoopte, daardoor weerhouden en zoo onder

gunstige omstandigheden tot voortgaande landaanwinning zeer veel

bijdroeg, wentelden en leefden gewoonlijk die zeedieren, zoo niet

eendrachtelijk, dan toch in eene soort van gewapende overeenkomst, die

hen tot bondgenooten maakte, wanneer het gold eene prooi te

bemachtigen, welker kwaad gesternte haar op die kust aanbracht.

Maar.... halt! Neen; al ware het ook dag geweest, dan nog zoude van al

die gedrochten waarschijnlijk niets te bespeuren zijn geweest,

verscholen als zij zich hielden, nu de noordwester storm zijnen

oppermachtigen scepter zwaaide, nu de oppervlakte der zee in beroering

was, nu de golven met ongewoon geweld den oever zweepten, en den

boschbodem wild en woest overstroomden, in de diepte der zee, waar geen

stormgeweld der wateren rust kon verstoren.

Dicht bij de smalle strook lands, waar niet alleen bij storm, maar ten

alle tijde land en water om het bezitrecht twistten, verscholen te

midden van een groep Saoe-boomen [4] welke tusschen het Tandjang-bosch

als bij uitzondering voorkwamen, stond een hutje, dat van de landzijde,

door het dichte gebladerte als door een ondoordringbaren muur omgeven,

niet te bespeuren was. Aan den anderen kant evenwel gunde het een

ruimen blik op de zee, hoewel het toch zoodanig geplaatst was, dat het

door de loofkruinen, die het omgaven, ook voor den onbescheiden blik

van die zijde gevrijwaard was. Dat hutje, niets anders dan een

wachthuisje en eigenaardig „djaga monjet” (apenwacht) geheeten, was

hoogst oorspronkelijk met „katjang-matten” omwand, met „atappen” [5]

gedekt en op palen hoog boven den grond tusschen de boomkruinen

gebouwd; zoodat de golven, die soms het strand schenen te willen

verzwelgen, er onder door konden stroomen, waarbij zij met een

onheilspellend, doch gevaarloos geraas tegen de hoofdjukken, waarop het

gebouwtje rustte, braken en zich verdeelden. Een boomstam, van

inkervingen voorzien, deed de dienst van trap of ladder, en verleende

toegang tot het hutje, waarin dikke duisternis heerschte, hoewel het

niet ledig was. Een paar stemmen, wier eigenaren zich verbeeldden

fluisterend te spreken, hadden ten gevolge van het gehuil van den storm

langzamerhand zulk eene toonhoogte bereikt, dat het gesprek meer op

gillen dan op praten geleek, hetgeen evenwel zonder hinder of nadeel

kon plaats hebben, daar het niemand in de hersens kon komen in dat weer

en op dat uur op deze plek te verschijnen. De meest ijverige

kustwachter zelfs zou voor zulk eene plichtsopvatting teruggedeinsd

zijn. De stemmen, die vernomen werden, spraken de maleische taal; maar

behoorden klaarblijkelijk aan Chineezen, af te leiden uit de

keelgeluiden, die zij deden hooren, ook uit de omstandigheid, dat zij

de r door de letter l vervingen, hetgeen te zamen aan hunne uitspraak

een hoogst onaangenamen hollen maar tevens weekelijken, ja lispelenden

tongval bijzette. En inderdaad, het waren twee Chineezen, die daar in

het hutje in de omlijsting der deur op den vloer gedoken zaten, en, hoe

zwart de nacht ook was, met loerenden blik het oog over de oppervlakte

der zee lieten waren.

„Neen,” sprak de een, na een lang stilzwijgen, „neen, er is niets te

zien. Met dat weer zou het ook het noodlot tarten zijn. Gij zult zien,

dat de Kiem Ping Hin hare ankerplaats bij Poeloe Karabab met zoo’n

storm niet verlaten heeft.”

„En toch luidden de bevelen van den „babah” [6] stellig”, antwoordde de

andere. „Wij zijn op onzen post, om de bemanning van de Kiem Ping Hin

bij het aan wal brengen harer lading behulpzaam te zijn.”

„Ongetwijfeld, Than Khan, dat zijn wij, en onze betaling zullen wij

niet ontgaan; maar tegen de onmogelijkheid valt niet te strijden. Hoor

den wind huilen, de branding donderen; voel onze djaga monjet schudden!

Zoudt gij thans op zee willen zijn?”

„Ik?” riep Than Khan verschrikt uit, „voor geen schatten der wereld!

Maar.... gij weet, de Arabier Awal Boep Said is een stout zeeman, die

zich door geen noodweer...”

„Wacht.... daar zie ik iets, Than Khan. Daar, daar in die richting.

Kijk, daar.... daar krult een groote golf... Kijk, bij het schijnsel

van het schuim.... Bij Kong!... eene „djoekoeng!” (uitgeholde boomstam)

waarin twee.... weg is ze weer!”

„Ja, Liem King,” antwoordde Than Khan, „ik heb het vaartuigje ook

gezien. Er zaten twee personen in, twee Javanen, een man en eene

vrouw.”

„De man pagaaide hard, de vrouw scheen bevreesd; want zij hield de

handen voor de oogen.”

„De djoekoeng richtte zich naar den wal; maar zij zal nimmer door de

branding geraken.”

„Zij zette koers naar de Moeara Tjatjing. [7] Als zij in die richting

kan blijven voortstevenen, dan is zij gered.”

„Ja, maar in die woeste zee zal het vaartuig omkantelen.”

„Dat zou eerst feest zijn voor de boeaja’s, Than Khan. De djoekoeng

evenwel was eene „prahoe sajab” [8] en ge weet, er moet veel gebeuren,

eer zoo eene zinkt.”

„Om het even, ik ben blij, dat ik niet in die prahoe sajab zit.”

„Kijk.... kijk, daar is het vaartuig weer! Waarachtig het zet koers

naar de Moeara. Als het de „sero’s” [9] bereikt, dan is alle gevaar

geweken.”

„Ja, als het de sero’s bereikt. Maar... maar....”

„Een tweede prahoe!” riep Liem King. „Een barkas! Daar zijn blanken

in!”

Daar knalden eensklaps twee, drie, vier geweerschoten van uit het

laatstbedoelde vaartuig in de richting van de djoekoeng. Maar met

welken uitslag? Dat was onmogelijk na te gaan. De beide vaartuigen

waren een oogenblik elk in het lichtende schuim van eene groote baar

voor het oog onzer beide verspieders verschenen, waarna de zwarte nacht

met volle heerschappij weer ingetreden was, zoodat er niets meer te

bespeuren viel, hoe scherp zij ook uitkeken.

Zoo ging een kwartieruur voorbij, toen Than Khan plotseling uitriep:

„Eene stoomboot!”

En werkelijk, daar heel ver uit den wal schitterde het groene en het

roode licht eener stoomboot, en hoog boven die twee, haar wit toplicht

in den mast.

„Eene kustwachter,” sprak Liem King. „Waarschijnlijk de Matamata [10].

Als de Kiem Ping Hin werkelijk zee gekozen heeft, dan zal zij hare

lichten wel gedoofd, en zich uit de voeten gemaakt hebben. Kom, wij

kunnen wel naar de dèsa terugkeeren. Heden nacht zal wel geen

smokkelwaar aan wal gebracht kunnen worden.”

Een poos keken de Chineezen naar het stoomschip uit. Dat de drie

lichten zichtbaar waren, was het bewijs dat de boot vlak op de kust

aanhield, alsof zij op den wal wilde zetten. Dat duurde evenwel een

korte poos, toen verdween het groene licht plotseling, wat een teeken

was, dat het vaartuig over stuurboord wendde. Een poos bleef het roode

licht nog zichtbaar; maar ook dat verdween, zoodat het witte toplicht

alleen zichtbaar bleef. Daar dit laatste niet van plaats scheen te

veranderen, kwamen de beide gestaarte bewoners van het Hemelsche rijk

tot de gevolgtrekking, dat de boot òf ten anker gegaan was, òf

bijgedraaid lag, en langzaam vooruitstoomde om met den kop in den wind,

zonder te deinzen, den storm het hoofd te kunnen bieden.

„Neen, ge hebt gelijk; door de tegenwoordigheid van dien vervloekten

Matamata zal geene sluikwaar aan den wal te brengen zijn. Kom, laat ons

gaan.”

„Wij zullen eerst eens bij de Tjatjing gaan kijken. Wellicht dat we

daar iets van de djoekoeng vernemen.”

Zij klommen langs den boomstam, die tot trap diende, naar beneden en

stapten, terwijl de wind in de boomtakken en tusschen de steltwortels

van het Rhisophoren-woud huilde, langs een pad, dat zij op den tast in

de dikke duisternis vinden moesten. Dat pad werd bij wijlen door een

golf zeewater overstelpt, zoodat onze twee Chineezen, door het zilte

vocht moesten plassen. Maar dat schrikte hen niet af; zij kenden het

pad zoo goed, dat al ware het weer nog ruwer, al ware de nacht nog

zwarter geweest, zij even zeker voortgestapt zouden hebben. Daarenboven

het pad, dat zij door dat strandbosch af te leggen hadden, was niet

lang. Na weinige minuten hadden zij de kleine rivier Tjatjing bereikt,

die daar in de nabijheid in de Java-zee uitmondde. Daar, waar de beide

Chineezen aankwamen, maakte dat riviertje een elleboog, alsof het,

alvorens zich in de zee te verliezen, zich bedacht, en op zijne

schreden wilde terugkeeren. Daar ter plaatse weken de wortelboomen

terug, en lieten eene vrij breede oeverstrook ontwaren, die met kort

gras bedekt was. Van hier was de blik over de rivier onbeperkt; maar,

of de Chineezen al tuurden, er was in den zwarten nacht niets te

bespeuren.

„Als de djoekoeng de Moeara heeft bereikt, dan zoude zij hier moeten

aangekomen zijn,” bromde Than Khan, „zij kunnen niet verder

stroomopwaarts, daar de Tjatjing tot hier alleen bevaarbaar is, en

verderop door de moerasplanten geheel en al versperd wordt.”

„Stil!” maande Liem King aan. „Ik hoor stemmen.”

En werkelijk, in weerwil van het gefluit van den wind werd een zacht

gekreun gehoord. Onze beide Chineezen spitsten de ooren, oriënteerden

zich, stapten met zachte schreden in de richting van dat geluid voort

en stieten weldra tegen een vaartuig, dat ter halverwege uit het water

met zijn voorste gedeelte op het droge lag.

„De djoekoeng!” fluisterde Than Khan.

Zij schreden, steeds op het gekreun afgaande, langs den uitgeholden

boomstam voort, welks bamboevlerken er naast gedeeltelijk verbrijzeld

lagen, en ontdekten op een korten afstand een paar menschelijke wezens,

die in het gras lagen.

„Wie is daar?” riep Liem King, terwijl hij behoedzaam nader trad.

„Ik,” antwoordde een zwakke stem.

„Wie is ik?”

„Ik, Ardjan.”

„Ardjan, van de Kiem Ping Hin?”

Een lichte kreet ontsnapte bij die vraag uit den mond der

schipbreukelingen.

„Diam!” (stil) fluisterde de andere.

Beide Chineezen bukten zich over hem, die zich Ardjan genoemd had.

Iemand te herkennen, was bij de heerschende duisternis evenwel

onmogelijk. Een hunner haalde een dievenlantaarntje uit den zak, streek

een lucifer aan en ontstak licht. Toen hij het gelaat van den

naastbijzijnde verkend had, riep hij uit:

„Inderdaad, het is Ardjan! Hoe komt gij hier?”

„Ik ben overboord gevallen.”

„Met die djoekoeng?” vroeg Liem King op spottenden toon.

„Die heb ik, terwijl ik rondzwom, in zee aangetroffen.”

„En die vrouw ook? Wie is zij?”

„Dat is Moenah, mijne zuster.”

„Uwe zuster?” vroeg Than Khan met een gemeenen lach in den toon zijner

stem. „Is die ook over boord gevallen?”

En te gelijker tijd liet hij het licht zijner lantaarn op het gelaat

van de beweerde zuster vallen. Onder dien straal vertoonde zich de

lieve gestalte van een bekoorlijke zestienjarige Javaansche maagd,

welke schuchter haar hoofd in haren „slendang” (sjerp), die, evenals

haar geheele kleeding, kletsnat van zeewater was, poogde te

verschuilen.

„Maar, dat is Dalima, de kleine baboe van den toean resident,” zei Than

Khan, haar den slendang van het gelaat trekkende.

Het meisje kromp bij die woorden van schrik ineen.

De beide Chineezen fluisterden elkander wat in het oor, waartusschen de

naam van Lim Ho verstaanbaar klonk. Had men het gelaat van Dalima in

dit oogenblik gade kunnen slaan, dan voorzeker had men bij het hooren

van dien naam de grootste ontsteltenis daarop kunnen lezen. Lim Ho was

de zoon van den opiumpachter te Santjoemeh, die in lichten laaie van

onkuisch minnevuur voor het lieve Javaansche meisje ontvlamd was. Hij

had haar groote sommen geld en rijke geschenken laten aanbieden, echter

te vergeefs. Hij had zich tot haren vader, een eenvoudig landbouwer uit

de dèsa Kaligaweh, nabij de hoofdplaats gelegen, gewend, evenwel met

even ongunstig gevolg. De aterling had gezworen, dat hij de lieve maagd

zou bezitten, al zou hij ook voor dat bezit eene misdaad moeten

bedrijven. Hij was een booswicht, die voor niets terugdeinsde.

Was het wonder, dat het meisje ontstelde bij het hooren van dien

gehaten naam? Zij kende dien persoon, en thans ook de Chineezen, in

wier macht zij zich bevond.

Andermaal fluisterden deze laatsten elkander wat toe, en gebruikten

daarbij nog voorzichtigheidshalve de Chineesche taal, die geen der

beide Javanen, noch Ardjan, noch Dalima, verstonden. En, nog voor dat

de eerstbedoelde zich had kunnen te weer stellen, hadden beide

Chineezen zich op hem geworpen en hem de handen aan de voeten gebonden

met een dun „gemoetoe-touw,” [11] dat Liem King uit den diepen zak

zijner kolossaal wijde broek gehaald had, en wel zoodanig, dat de

Javaan als een hoepel krom gekneveld daar neder lag. Maar al had de

tijd, om zich te verdedigen, niet ontbroken, dan nog ware dat Ardjan

onmogelijk geweest. In de eerste plaats was hij geheel ontwapend. Bij

het ondernemen toch van het zeetochtje, dat hem in de Moeara Tjatjing

bracht, had hem zelfs de gelegenheid ontbroken, om zijn „badeh” (kleine

dolk) mede te nemen. Dàn was hij door het krachtige pagaaien, om de

djoekoeng door de hevige branding te brengen, zoo vermoeid, dat, toen

de Chineezen hem aantroffen, hij daar schier ademloos nederlag, in

ieder geval onbekwaam was eenige krachtsinspanning te kunnen

uitoefenen. Het gekreun, dat vernomen was geworden, had hij geslaakt

bij het zwoegen zijner borst om weer tot adem te komen.

Toen hij gekneveld was, bonden de Chineezen ook Dalima de polsen en de

enkels bij elkander, en legden haar in het gras neder, haar

aanbevelende onbewegelijk te blijven liggen, met bedreiging haar anders

te zullen vermoorden. Als de beide schavuiten het gelaat van het meisje

bij het hooren van die bedreiging hadden kunnen gadeslaan, dan had de

minachtende uitdrukking op de lieve trekken hen niet ontgaan, en

voorzeker had die hun ernstig te denken gegeven.

Toen het meisje gebonden was, grepen zij een stuk bamboe van de prahoe

sajap, staken die onder de armen van Ardjan door, tilden dien

draagstok, met den last daaraan hangende, op hunne schouders, en liepen

op een sukkeldrafje het pad op, dat zij een oogenblik te voren

afgekomen waren. De Javaan schreeuwde het uit bij die beweging. Hij

werd gefolterd door de pijn, welke veroorzaakt werd door de zwaarte

zijns lichaams, die zich geducht op zijne bovenarmen deed gevoelen. Die

ledematen werden daarenboven nog deerlijk gekneusd tengevolge van de

zwiepende beweging van den veerkrachtigen draagstok, door den

sukkeldraf te weeg gebracht. Het was, of de beenderen van de

bovenarmen, waaraan het geheele lijf als een zak hing, gebroken moesten

worden. Maar de twee Chineezen stoorden zich aan dat geschreeuw niet,

en sukkelden maar voort. Te vergeefs smeekte Ardjan hen, hem te willen

dooden, daar de pijn onduldbaar was; te vergeefs trachtte hij, toen dat

niet lukte, door beleedigende uitdrukkingen hen te vertoornen, om hen

zoo tot wraakoefening te verleiden. Maar, voor de smeekbeden hadden de

aterlingen slechts een spottenden schaterlach over; het „aso tjina”

(chineesche hond), dat hen naar het hoofd geslingerd was, zette Than

Khan betaald met een geduchten vuistslag, met de vrijgebleven hand

toegebracht, die het duldeloos lijden van den rampzaligen slechts

vermeerderde.

Eindelijk waren de beide dragers met hun vracht bij de djaga monjet

aangekomen. Daar ontdeden zij de voeten van den geknevelden van de

touwen; maar lieten zijne armen gedeeltelijk gebonden. Toen noodzaakten

zij hem den boomtrap te beklimmen, en lieten hem daarbij de punten

hunner dolken voelen. Hij begreep, dat de geringste weerstand hem het

leven kon kosten. Nu dat pijnlijk dragen geëindigd was, had hij minder

wanhopige opvattingen omtrent het bestaan. Hij voldeed dan ook gedwee

aan den last, en was in een oogwenk boven. Daar werd hij weer gebonden,

en, om iedere poging tot ontvluchting ijdel te maken, werd hem de

bamboe, die tot draagstok gediend had, door de opening der

elleboogsgewrichten, gevormd bij het buigen der armen, achter den rug

gestoken, zoodat hem, daar de handen stijf voor de borst gebonden

waren, de geringste beweging de meest ondragelijke pijnen aan zijne

deerlijk gekneusde armen moest veroorzaken. Toen ook zijne voeten

gekneveld waren, werd hij lang uit op den grond uitgestrekt, en uit

overmaat van voorzorg aan een der hoofdstijlen van het gebouwtje

vastgebonden.

Toen ijlden de beide Chineezen heen, om ook Dalima te halen. Wat zij

met haar voor hadden, was henzelven nog niet duidelijk. Liem King

stelde voor, om het bezit van het meisje tot prijs van eene

dobbelpartij te maken. Than Khan, meer geldzuchtig, rekende zijn makker

voor, wat er van den rijken pachterszoon te wachten was, wanneer hem

het duifje in handen gespeeld werd. Het verschil van gevoelen was nog

niet tot verevening gebracht, toen zij de Tjatjing bereikten, waar zij

het meisje behoorlijk gebonden achtergelaten hadden. Zij zagen alras

in, dat verder twisten overbodig was; want die plek was ledig. Hoe zij

ook zochten, van Dalima was geen spoor te vinden. Geen spoor? ....

Jawel, achter een struik in de nabijheid werden de touwen gevonden,

waarmede het meisje gebonden was geweest. Klaarblijkelijk was het haar

mogelijk geweest, de handen bij den mond te brengen en was zij er in

geslaagd te touwen met hare tanden door te knagen. Toen zij de handen

vrij had gehad, was het verder kinderwerk geweest, om hare voeten van

de boeien te ontslaan.

„Drommels!” riep Liem King uit „Dat „moeka manies” (zoete bekje) is

voor ons verloren!”

„Ja,” antwoordde Than Khan met een zucht, „wij zijn een aardig sommetje

kwijt! Zij zou Lim Ho veel waard geweest zijn.”

„Wij zullen bij de „kongsie” (vennootschap) niet over haar mogen

reppen, denk ik.”

„Zeker niet, van haar gewagen, nu zij ons ontsnapt is, zou gevaarlijk

zijn.”

„Maar, wat met Ardjan thans aan te vangen? Dien moesten wij ook maar

laten loopen. Hij moest eens over Dalima klappen.”

„Dat durft hij niet. Als hij een woord kikte, dat hij met het meisje er

van door geweest is, dan zou Lim Ho hem laten „tombokken.” [12]

„Ik ben van meening hem te laten loopen.”

„Hm!... Waarom?.... Hij moest aan boord van de Kiem Ping Hin zijn...

Hoe komt hij hier thans met die djoekoeng?.... Geloof mij, daar zit

iets achter.... Wellicht heeft de kongsie er belang bij, dat te weten.”

„Hadden wij Dalima maar zoo stevig gebonden, als wij hem gedaan

hebben,” zei Than Khan.

„Och, die lieve polsen en die arme enkels, wat zouden die geleden

hebben, wanneer wij daar een touw zoo strak om gebonden hadden?”

„Om het even, dan hadden wij haar nog. En, nu is zij gevlogen.

Waarheen?”

„Ja, waarheen?.... Kom, laat ons voortmaken, anders ontkomt ons de

andere ook. En, er is iets, hetwelk mij voorspelt, dat wij in hem eene

goede vangst gemaakt hebben.”

Toen de twee Chineezen bij de djaga monjet aangekomen waren, was Ardjan

er nog. Hij lag nog steeds gebonden, zooals zij hem verlaten hadden.

Hij had geen lid kunnen bewegen. Toen hij de Chineezen alleen zag

terugkomen, verhelderde zijn oog.

„Waar is Dalima?” vroeg hij met vuur.

De Chineezen antwoordden niet.

„Is zij ontvlucht?”

Than Khan knikte ja. Die knik scheen bij het schijnsel der

dievenlantaarn zoo droefgeestig, dat Ardjan aan de waarheid dier

bevestiging niet twijfelen kon. Toen voelde hij zich gerust. O, dat hij

toch ook had kunnen ontvluchten! Hij had wel gepoogd die verwenschte

touwen los te maken; maar och, zijne armen deden hem zoo zeer, het was

alsof die gebroken waren. Hij had die poging wel moeten staken. Waar

zou het lieve meisje thans zijn? O, daaromtrent bekommerde hij zich

weinig. Wellicht was zij naar Kaligaweh geloopen. Daar woonden hare

ouders, en dat was het dichtste bij. Die dèsa moest zij dan thans nabij

zijn. Misschien was zij den weg naar Santjoemeh ingeslagen, waar de

residentsfamilie woonde, waarbij zij als baboe diende. Dan zou zij nog

een goed eind weg af te leggen hebben. De dag zou wel aangebroken zijn,

alvorens zij kon aankomen. Als zij dan maar alles dadelijk vertelde...

ja, dan was voor hem nog redding mogelijk.....

Hij werd in zijn overpeinzingen gestoord door Liem King, die hem vroeg,

waar hij zoo in ’t holle van den nacht van daan kwam.

„Wel van Santjoemeh, ik wilde met Dalima naar Sepoetran varen, om van

daar naar hare ouders te Kaligaweh te gaan. Door den westen-wind werden

wij zeewaarts gevoerd. Ik heb geroeid uit alle macht om de Moeara

Tjatjing te bereiken.”

„Om de Moeara Tjatjing te bereiken?” grinnikte Than Khan. „Wat had je

daar te verrichten? Je wist zeker, dat je ons hier zoudt aantreffen? Is

het zoo niet?”

Ardjan huiverde. Hij antwoordde evenwel bedaard:

„Ik kon Sepoetran niet meer bereiken, en werd naar volle zee gedreven.

Ik moest dus trachten de meest nabijzijnde plaats te halen.”

„Maar je werd achtervolgd? Er is zelfs op je geschoten!”

„Dat was de barkas van dien ellendigen Matamata, die mij voor een

smokkelaar aanzag.”

„Had je geen sluikwaren bij je?”

Ardjan antwoordde niet. Als de twee Chineezen zijne omstandigheden

gekend hadden, dan hadden zij voorzeker die vraag niet gedaan.

„Maar, je bent „djoeroemoedi” (stuurman) op de Kiem Ping Hin; moest je

niet aan boord zijn?”

De Javaan aarzelde hier een oogenblik; daarna antwoordde hij:

„Ik had verlof van kapitein Awal Boep Said om twee etmalen aan den wal

door te brengen.”

„Maak dat je „nènèh” (oude moeder) wijs! In dezen tijd? Nu de zaken in

vollen gang zijn?”

„Het is toch zoo.”

„Nu, dat zal de kongsie straks uitmaken.”

Het drietal verviel na die woordenwisseling in een langdurig

stilzwijgen. De Chineezen wikkelden zich in eene soort sprei, en zaten

gedoken op den vloer, met het hoofd op de borst, op het punt van in

eene sluimering te vervallen. Ardjan was nog altijd uiterst pijnlijk

aan de bamboe geregen, en op den rug uitgestrekt liggende. Het was

donker in de hut; de deur en de luiken waren toch gesloten om de kille

morgenlucht zooveel mogelijk buiten te sluiten. Als de Javaan het hoofd

rechts en links wendde, dan kon hij evenwel door de reten der „Niboeng”

[13] latten, die den vloer uitmaakten, bespeuren, dat de dag aanbrak.

Een grauw licht toch schoot onder de ruimte der hut, en bescheen daar

den walgelijken modder, waarin een menigte dieren als alen,

moerasslangen, leguanen, water-hagedissen, enz. reeds rondkrioelden, om

op de onreinheden van allerlei aard die zoo’n hut veelal opleverde, te

azen.

Dat duurde zoo een poos, toen plotseling een schot in de verte

weerklonk, dat de beide Chineezen deed opschrikken. Dat schot was een

sein. Than Khan vloog naar de deur. Toen die geopend werd, was het

buiten volle dag. De zon was op het punt op te komen, en kleurde de

oosterkim met onvergelijkelijke purperpracht.

Baboe Dalima · 第 12 / 94 题