VOOR DEN DERDEN DRUK.

In mijn Voorwoord voor den tweeden druk van mijn Opium-Roman „Baboe

Dalima” schreef ik o. a.: „Lezers, ik heb verwaandheid genoeg te

meenen, dat mijn boek aan die beweging, aan die teekenen des tijds

(betreffende de Opiumpacht in Nederlandsch Oost-Indië) niet vreemd

gebleven is.” Dat schreef ik in November 1889. Wij tellen nu bijna

1899. Wat is er in dat klein decennium geschied?

Vooreerst toch kwam de Anti-Opium-Bond tot stand, bestuurd door mannen

van het edelste gehalte, edele figuren, die tot de waardigsten op ieder

gebied der Nederlandsche natie gerekend moeten worden. Die Bond gaf een

tijdschrift uit, getiteld: de Opiumvloek, waarin op merkwaardige wijze

de bestaande kwaal in het hart aangetoond werd.

Daarbij sloten zich artikelen in dagbladen en tijdschriften over het

Opium-pachtstelsel in verschillende richtingen aan, en beijverden zich

mannen als de H.H. Groeneveldt, Bosscher, Van Dedem, Van den Berg, Van

Kesteren, Elout van Soeterwoude, de Waal, Brooshooft, Be-Ik-Sam, Jansz,

Zegers, Groneman, Hora Siccama, Sandick, Kielstra, Sprenger van Eyck,

Bool, enz., enz., enz., ieder van zijn standpunt uit, de

Opium-aangelegenheden toe te lichten. En hoewel daardoor nog al met

elkander afwijkende zienswijzen en adviezen ontstonden, en enkelen zich

voor het behoud van het Opium-pachtstelsel verklaarden, kwam de

Regeering, na lang en grondig beraad, er toch toe een ander stelsel,

namelijk het Régie-stelsel te willen beproeven.

Régie, waarde lezers, is een stelsel, waarbij de Regeering het

debiteeren van Opium in ’t klein aan zich houdt, en door hare beambten

doet uitvoeren. Daardoor vervalt de pacht en wordt de kooper geheel en

al onafhankelijk van de vreeselijke bent dienaren van de Chineesche

Opiumpachters.

Die proef met de Régie werd op 1 September 1894 op het eiland Madoera

begonnen.

Maar, nu geraakte Leiden in nood. Wat werd er al niet bijgebracht om de

Régie te doen mislukken! De een trachtte te betoogen, dat bij de

algemeene invoering der Régie de Opium-sluikhandel onmogelijk zal zijn

te keer te gaan. Een ander beweerde, dat er geene betrouwbare personen

te vinden zouden zijn, om als verkoopers van de bereide Opium (tjandoe)

in ’t klein op te treden. Een derde meende, dat de

Nederlandsch-Indische Regeering niet opgewassen zou zijn tegen de macht

der Chineesche pachters. Van eene andere zijde werd gepoogd de

Afgevaardigden ter Staten-Generaal tegen de Régie in te nemen, door de

Duitenplaag aan de kwestie vast te knoopen.

Evenwel, in weerwil van al die hinderpalen, die men hard, zeer hard

deed klinken, had Z. Exc. de Minister van Koloniën de voldoening in

zijne Memorie van Toelichting op de Indische Begrooting voor 1896 te

kunnen verklaren, dat de proef met de Opium-Régie op Madoera is

geslaagd.

Sedert is die Régie in ettelijke Residentiën op Java ingevoerd, en ik

mag zeggen met evenveel succes. Toch valt niet te ontkennen, dat die

invoering langzaam, uiterst langzaam voortschrijdt. O, ik beaam het ten

volle: er doen zich vele moeielijkheden, vele teleurstellingen voor.

Maar, die zijn niet van dien aard om aan den einduitslag te wanhopen,

òf om maar tot verdaging aanleiding te geven. Daarenboven, dat is het

lot dat alle groote hervormingen wacht. Die zijn nimmer tot stand

gekomen zonder strijd, zonder bezwaren te ondervinden, inzonderheid

wanneer daarmede groote geldelijke belangen gemoeid zijn. Vooral deze

laatste omstandigheid is niet over het hoofd te zien. O, als ik eens

alles kon openbaren, wat mij toevertrouwd werd omtrent hetgeen er al

zoo omgaat in de handelswereld, om toch maar de groote winsten niet te

derven, welke de Opium oplevert. Men denke maar eens aan de Chateau

Lafitte-poging. Dat is eene die faalde; maar, lezer, vraagt u af,

hoevelen slagen. En, hoewel de tegenwoordige Regeering begrijpt, dat

het schande zoude zijn, te verflauwen bij den aangebonden strijd,

schande, driedubbele schande, nu die strijd gevoerd wordt tegen een

algemeen erkend onrecht en het grootsche doel heeft de geheele

bevolking van Insulinde te verlossen van een dwangjuk, dat haar

loodzwaar op de schouders is gelegd, zoo zal zij zich gedwongen zien

zich voor te bereiden op een strijd, die des te vinniger zal zijn,

naarmate de hoeveelheid Mammonschijven daarmede gemoeid zijn.

Ik heb gemeend, daarop te moeten wijzen, nu mijn boek geroepen wordt,

om andermaal voor het voetlicht te treden, nu het geroepen wordt om,

tengevolge van zijn matigen prijs, eene andere klasse der bestaande

maatschappij binnen te dringen, in die klasse, die weldra geroepen zal

worden, ook in die aangelegenheid haren weldadigen invloed uit te

oefenen.

Hoe de Nederlanders lezen kunnen? Ik wensch ter beantwoording van die

vraag het ondervolgende ter neder te stellen. In het Kroningsnummer van

Sociale Stemmen, Orgaan van den Oranje-Bond van Orde liet ik onder den

titel van: Eene stem uit de oude Garde een opstel opnemen, waarin onder

anderen voorkwam: „En zal het onze aanvallige Koningin gelukken het

Opium-monopolie aan gewetenlooze Chineezen te ontrukken en in handen

eener heilaanbrengende Régie doen overgaan, zal het Haar gelukken de

gedwongen cultures en onbetaalde heerendiensten tot het verleden te

doen afdalen, dan zal van daar, uit die honderde eilanden, die, volgens

den dichter, bij den Evenaar den Oceaan een smaragden-krans om het

voorhoofd slaan, een gejuich uit dertig millioen keelen opgaan, die nu:

heil onzer Koningin! roepen; maar dan als een ernstig gebed zullen

prevelen: Allah’s zegen over het hoofd der Vorstin, die ons zooveel

weldeed!” Wat heb ik niet over dien volzin moeten hooren! Alsof ik

daardoor zoo inconsequent mogelijk ware geweest! Alsof ik daardoor het

vooropgestelde beginsel, in Baboe Dalima verkondigd, hadde gebroken!

„Wat!” werd mij toegeroepen: „Gij, die oorlog à outrance aan het

Opium-monopolie verklaard hadt, die dat hard, zeer hard uitgebazuind

hebt, gaat nu de Opium-Régie als heilaanbrengend bewierooken! Alsof die

geen monopolie zou mogen genoemd worden!”

„Met uw verlof, heeren,” luidde mijn antwoord. „Ik heb oorlog à

outrance aan de Opium-pacht verklaard, wat geheel iets anders beteekent

dan gij mij in den mond legt. Vergeef mij, dat ik U die kleinigheid

opmerk.”

„Maar, gij noemt de Opium-Régie heilaanbrengend en verdedigt dus het

Opium-gebruik....”

„Dat doe ik niet!” trachtte ik in het midden te brengen, evenwel te

vergeefs; ik werd overschreeuwd met:

„Dat is geheel en al inconsequent met de strekking van uw’

Opium-roman.”

„Inconsequent met de strekking van mijn Opium-roman?!” kreet ik.

„Zeker, zoolang het Opium-gebruik niet geheel en al zal kunnen gefnuikt

worden, zal ik de Régie, zooals zij ingevoerd zal worden,

heilaanbrengend noemen; want zij zal in de eerste plaats den Inlander

volkomen onafhankelijk maken van de vreeselijke bent, die nog over het

grootste gedeelte van Java in staat is, hem naar de Opium-kit te

drijven. Die onafhankelijkheid dient vooraf gewaarborgd te worden en

dat zal zij zijn bij een loyale tenuitvoerlegging van het

Régie-stelsel. Niemand zal daarbij gedwongen worden Opium te koopen,

nog minder het te gebruiken; en dan zal ontwaard worden, dat de toename

van het aantal Opiumschuivers tot staan zal gebracht zijn. Dan is reeds

een groot doel bereikt en veel gewonnen. Het is dat doel, wat mij voor

oogen zweeft, wanneer ik de Régie als heilaanbrengend roem. Die dus

daarin eene verdediging van mijnentwege van het Opium-gebruik en

derhalve eene zwenking in mijne grondbeginselen ziet, dien antwoord ik

pertinent, dat hij zich deerlijk vergist. Het Opium-gebruik zal in mij

nimmer een verdediger vinden.”

Of ik mijn auditorium overtuigd had?

Ik geef gewonnen, dat een geheel ophouden van het Opiumgebruik wel het

beste voor de Inlandsche bevolking zou zijn. Maar, zou dat zoo

voetstoots te verwachten zijn, nadat er van der blanken zijde sedert

bijna vier eeuwen zooveel gedaan is—ik zal niet zeggen om het vergift

in te voeren—maar om het met alle ten dienste staande middelen te

bevorderen, ja de bevolking tot het gebruik te dwingen en om, zooals de

heer Cremer zich uitliet, door de invoering van de Opiumpacht niet in

eene behoefte te voorzien maar wel om die te scheppen? Neen, zoo iets

is niet te verwachten. Daartoe is het kwaad, na zooveel zorgvuldige

verpleging, te diep ingeworteld. Te velen, ja te velen zijn aan het

gevaarlijke goedje verslaafd geworden om niet beducht te zijn voor de

gevolgen van eene op bevel geheele onthouding. Die geheele onthouding,

thans ingevoerd, zou oneindig grootere rampen in het leven roepen, dan

het „Sluit Schiedam” in onze Nederlandsche gewesten zou te weeg

brengen. Maar, courir au plus pressé; eerst den steeds wassenden

vooruitgang van het Opiumverbruik gestuit. Is dat bereikt, dan is het

tijdstip gekomen om met vaste hand in te grijpen, ten einde het gebruik

langzamerhand te breidelen. Dan zal het tijdstip daar zijn om op de

vanen der ware menschenvrienden de leus te schrijven van: Oorlog à

outrance aan het opium-verbruik!

Ziedaar, mijn grondbeginsel uiteengezet. Ik hoop nu verschoond te

blijven van woordenzifterijen met het doel om mijn karakter aan te

tasten.

Maar, er ligt mij nog iets op het hart met betrekking tot mijn

Opium-roman Baboe Dalima. Ik wensch hier er op te wijzen, hoe dat boek

op allerlei gebied aangevallen, ja gehavend is geworden door H.H.

Critici. Geconstateerd kan echter worden, dat geen hunner, hoe fel

hunne aanvallen ook waren, zich verstout heeft te schrijven, dat de

feiten, in dat boek vermeld, aan de waarheid te kort deden. De heer J.

L. Zegers, zendeling-leeraar van den Nederlandsch-Indischen

Zendingsbond, destijds gestationneerd te Indramajo, merkte die

bijzonderheid op in zijne heerlijke studie: Het Opium-vraagstuk

(Nijmegen, P. J. Milborn, 1890) met de woorden: Wat mij echter in die

kritiek herhaaldelijk getroffen heeft, is dat men om de bijzonderheden

de hoofdzaak uit het oog verloor, en wat men ook tegen de détails had

in te brengen, den grondslag van het geheele betoog onaangeroerd moest

laten. Ja, ik heb dien geheelen volzin met kapitale letters laten

zetten en met reden. Ik was in mijn hart den onpartijdigen

Evangeliedienaar wel dankbaar voor die betuiging. Zij woog bij mij wel

op tegen iedere verguizing, mij aangedaan, omdat ik in den Mammon de

onreine bron aangetast had, waaruit nog altijd met vuilviezen vinger

dubbeltje voor, dubbeltje na tot stijving der staatsinkomsten, te

voorschijn gehaald wordt. Ik vond er de bevestiging in—in de betuiging

van den heer Zegers wel te verstaan,—dat ik bij het ontwikkelen van de

hoofdstrekking van mijn roman, de waarheid, niets dan de waarheid

verkondigd had, en meende dat mijne waarheidsliefde onaangetast was

gebleven.

Ik schijn mij evenwel vergist te hebben. Waaruit ik dat afleid, nu

niemand iets krenkends omtrent die waarheidsliefde geschreven heeft?

Luistert. In April van dit jaar hield een gevierd schrijver eene lezing

in eene bijeenkomst hier te Nijmegen. Hij droeg daarbij een paar

allergezelligste novellen voor. In de pauze liet hij zich aan mij

voorstellen en betuigde mij bij die gelegenheid, dat hij Baboe Dalima

gelezen had; maar dat hij gedurende zijn verblijf op Java geen baboe

Dalima bespeurd had.

Ik hernam lachende:

„Dat spijt mij voor u, ik kan u toch verzekeren, dat Java wel degelijk

op tal van fraaie meisjeskopjes bogen kan, zooals ik dat lieve

kindermeisje geteekend heb.”

„Ja, maar,” antwoordde mijn spreker, „ik bedoel geen kindermeisje, maar

uw Opium-roman, en zeg u, dat ik op Java niets van Opium gemerkt heb.”

Ik keek mijn spreker met verbazing aan. Maar, alvorens ik hem

antwoorden kon, werd op hem, als gevierd persoon beslag gelegd, en

verzochten ettelijke personen aan hem gepresenteerd te worden. Ons

gesprek was dus afgebroken, en mij zou de gelegenheid ontbreken om het

weer op te vatten. Dat heeft mij wel gespeten.

Wat ik hem zou geantwoord hebben? O, eenvoudig dit:

„Gij hebt, mijn waarde heer, bij uwe heen- en terugreis naar en van

Java, telkenmale de Middellandsche zee in hare volle uitgestrektheid

doorstoomd. Voorzeker hebt Gij, met uw open oog voor alles wat schoon

is, Amphitrite in haren zoo reinen blauwen mantel opgetogen en vol

bewondering gade geslagen. Voorzeker hebt Gij gelegenheid gehad, gade

te slaan, wanneer een zoel windje dien mantel in zachte golfjes, in

wegdoezelende kabbellingjes deed opzwellen en de zon of de maan in de

facetten glinsterde en u het geheel als een onmetelijk edelgesteente

voor de oogen flonkerde. Dat was fraai, buitengewoon fraai, nietwaar?

Maar.... hebt gij dan wel eene gedachte gewijd, wat er onder dien

fraaien schitterenden mantel geschiedde, welke ontzettende strijd daar

gestreden, welke afzichtelijke daden van geweld van den machtigen tegen

den zwakkeren gevoerd werd? Hebt Gij Java doorreisd, zonder iets van de

Opiumramp gewaar te worden, dan hebt Gij dat zoo fraaie eiland

doorkruist, zooals Gij de Middellandsche zee doorstoomd hebt, zonder

den fraaien mantel op te tillen, die u het innerlijke leven van de

inboorlingen bedekte.”

Ziet, dat zou ik geantwoord hebben.

Zal nu die man zijne meening omtrent de Opium in breeder kring

openbaren, dan blijft mij niets over te doen dan overluid te

verkondigen, dat wat omtrent den Opium-hartstocht en de schandalen van

de Opiumpacht, door mij in den Opium-roman Baboe Dalima door mij

onthuld is, der waarheid nauwkeurig getrouw gebleven is.

En, na dit gezegd te hebben, herhaal ik, wat ik in mijn Voorwoord van

den eersten en tweeden druk ter neder stelde: „Ga mijn boek, ga en

verricht den arbeid, dien ik u opdraag, dring in alle klassen door en

ontlok den kreet:

Onverbiddelijke oorlog! Oorlog à outrance aan de Opium-pacht, die

schandelijke bron van inkomsten van den Nederlandschen Staat!

Tot herinnering voeg ik hierbij dat 7⁄10 van het eiland Java en al de

Buitenbezittingen nog aan den demoraliseerenden invloed van de

Chineesche Opium-pachters overgeleverd zijn.

De Schrijver.

Nijmegen, October 1898.

Baboe Dalima · 第 9 / 94 题