Ik herhaal heden de vraag, die ik drie jaren geleden, bij het
verschijnen van mijn boek deed: »Ben ik geslaagd?”.... En volmondig
roep ik uit: ja! ja!! ja!!!
Wel is mijn boek weergaloos heftig aangevallen. Met al meer en meer
stijgende verbittering noemde de een het een slecht, een ander een vies
boek, werd de litterarische waarde er van betwist, ja, soms met
knodsslagen verguisd;
..... waar niemand der zoo woeste recensenten verstoutte zich te
zeggen, dat, wat in dat boek stond, onwaar was;
..... maar het boek trok in den vreemde de aandacht; want in het
Engelsch werd het door een Reverend vertaald en had daar alle succes;
in het Duitsch is men druk bezig met vertalen, in het Fransch is men
begonnen;
..... maar het boek beleeft in weerwil van alle kuiperijen en alle
verguizing in Nederland den tweeden druk;
..... maar het boek vond verdedigers in mannen als Gronemann en
Sandick, die hunne meening durfden te onderteekenen, wat voor mij wel
opweegt tegen zooveel naamloos geschrijf;
..... maar eindelijk, het boek heeft school gemaakt. Na de verschijning
hebben mannen als Bool, Kielstra, Brooshooft, Meulenbelt, Struyck,
Zeegers, en nu nog zeer kort geleden Jhr. Elout van Soeterwoude
artikelen geschreven, voordrachten gehouden, die, hoewel in anderen
vorm gegoten, niets anders over de opiumkwestie behelzen, dan in mijn
boek te vinden is. Dezer dagen wordt zelfs gewerkt en hard gewerkt ook
voor de oprichting van een anti-opium-bond. Hoerah!
Had ik ongelijk te beweren, dat ik geslaagd ben?
Lezers, ik heb verwaandheid genoeg te meenen, dat mijn boek aan die
beweging, aan die teekenen des tijds niet vreemd gebleven is. En mocht
ik mij dienaangaande vergissen, dan heb ik toch de overtuiging, dat
door den romanvorm, dien ik koos, om mij tot de menigte te wenden,
gruwelen van de opiumpacht in breederen kring, in die gedeelten der
maatschappij bekend geraakt en doorgedrongen zijn, waar veelal geleerde
verhandelingen weinig toegang hebben.
Nu de uitgevers er toe besloten, het boek binnen het bereik van ieders
beurs te stellen, zal de kring van hen, die bekend zullen raken met
hetgeen er ten opzichte van het verbruik en misbruik van de opium
omgaat, zich al meer en meer uitbreiden; en dat zal aan de menschheid
ten goede komen. Want er is niets, wat meer misdaden, misdrijven,
euveldaden, fiskalischen willekeur verhindert, dan licht, voortdurend
helder licht.
En nu, ik herhaal, wat ik bij de eerste uitgaaf zeide: Ga, mijn boek en
verricht den arbeid, dien ik u opdraag, dring in alle klassen door en
ontlok den kreet:
Onverbiddelijke oorlog! Oorlog à outrance aan de opiumpacht, die
schandelijke bron van inkomsten van den Nederlandschen Staat!
Den Haag, November 1889.