VOORWOORD VOOR DEN EERSTEN DRUK.

In den avond van den 4den Februari 1885, had de schrijver dezer

bladzijden in eene buitengewone vergadering van de Indologische

Vereeniging te Delft eene lezing gehouden over »de opium in Ned.

Indië.” [1] Bij terugkeer naar ’s-Gravenhage evenwel betuigde een der

hoorders zijn leedwezen, dat het onderwerp in zoo’n droog kleed

gestoken was, en beweerde, dat die behandeling, zooals zij voorgedragen

was, ongenietbaar voor het groote publiek genoemd moest worden, wat z.

i. jammer was.

Dat ik bij het vernemen van die woorden, die niets van eene loftuiting,

wel het tegendeel daarvan hadden, vreemd opkeek, zal wel niet betuigd

behoeven te worden.

»Gij moet mij niet verkeerd verstaan,” beantwoordde de criticus dien

blik. »Mijne meening is niet, iets op de verdiensten van die

verhandeling af te dingen. Voor een gezelschap hoogleeraren, maar

vooral voor de jongelingschap, die daar zat te luisteren, was zij m. i.

onverbeterlijk en was de toon, die aangeslagen was, de juiste, om die

jeugdige harten te doen ontvonken; maar de aanhaling van de wettelijke

bepalingen, waarop het geheele monopolie gegrondvest is, en van de

fragmenten uit Kamerspeeches, uit rapporten, uit adviezen, enz., enz.,

die medegedeeld moesten worden, verleenden aan den arbeid iets

boekerigs, iets je ne sais quoi, waartegen een Nederlandsch publiek

niet kan. Ware zij anders uitgevallen, dan zou ik u voorgesteld hebben,

die verhandeling bij uwen uitgever te brengen en haar door den druk te

laten verspreiden. Zooals zij thans is, zou zij evenwel geen koopers

vinden en de weinigen, die haar zouden koopen, zouden haar niet ten

einde brengen. En... toch ware het wenschelijk, dat die woorden, die

daar weerklonken hebben, de ooren van velen, van duizenden bereikten...

Ware het niet mogelijk...?”

Ja, ware het niet mogelijk...? Dat was de laatste galm, dien ik nog

opving. De criticus mocht verder praten, zooveel hij wilde. Ik zat in

een hoek van het coupé, en... Ja, ware het niet mogelijk?... Dat was de

gedachte, die mij uitsluitend bezighield, terwijl de trein in het

sombere duister van een zwarten februari-nacht voortijlde; ... en nog

stond het stoomgevaarte in het station te ’s-Hage niet stil, toen reeds

het gronddenkbeeld zich in mijn brein geworteld had van het boek,

hetwelk het lezend publiek hierbij aangeboden wordt.

Ben ik geslaagd in mijne poging?... Die poging was, om hetgeen op het

gebied van het opium-monopolie in Nederlandsch-Indië voorvalt, onder

het bereik van ieders bevatting te brengen, en het in zoo’n kleed te

steken, dat tot voortlezen zoude aanmoedigen. O, ik heb mij niet

ontveinsd: de moeielijkheden, die gelegen waren in het hullen van droge

reglementen en bepalingen in een romantisch gewaad, de moeielijkheden

om de maatregelen tot uitvoering dier gedrochtelijke

bestuursordonnantiën in een verhaaltrant voor te dragen, die tot lezen

zouden nopen. Toch meen ik van het mij gestelde doel niet te ver

verwijderd gebleven te zijn. Ga ik af op het oordeel van ettelijke

mijner vrienden, wien ik mijn manuscript liet inzien, dan meen ik mijn

onderwerp zoodanig behandeld te hebben, dat de lezer zich genoopt zal

voelen mijn boek, in weerwil van de vele feilen, die het op vindings-

en litterarisch gebied aankleven, ten einde toe te lezen. En mocht die

uitslag verkregen, mocht die hoop vervuld zijn, dan vertrouw ik, dat ik

den lezer aan het einde tot den uitroep verlokt zal hebben van:

Onverbiddelijke oorlog! Oorlog à outrance aan den opiumpacht!

In mijn boek komen afschuwelijke tafereelen voor, tafereelen, die mij

genoopt hebben, op den omslag het dicton: la mère en interdira la

lecture à sa fille te plaatsen, om het verwijt te ontgaan, dat het door

onbedacht te laten slingeren in handen van onervaren jeugd mocht

geraken, voor wien, ik erken dat, het geen lectuur is. Ik heb geen

vermaak geschept bij het ontwerpen van die tafereelen, die trouwens

meestal slechts herinneringen zijn. Integendeel, menigmaal heb ik de

pen moeten neerleggen, omdat walging mij belette voort te gaan. Eens

zelfs brak ik den arbeid af, met het bepaalde plan niet voort te gaan.

Maar toen werd mij aan het verstand gebracht, dat bij de behandeling

van een onderwerp als de opium, de immoraliteit niet bij den schrijver,

maar in de maatschappij schuilt. Toen werd er mij op gewezen, dat

evenmin als de geneesheer zal nalaten het een of andere ziektegeval te

onderzoeken, al mocht hij het ook vies of walgelijk vinden, zoo min mag

hij, die zich geroepen gevoelt, bestaande wandrochtelijkheden in onze

Staatsinstellingen aan te toonen, zich door het kwade en vieze van zijn

onderwerp laten weerhouden om het te bestudeeren en aan te toonen.

En ziet, dat is het standpunt, hetwelk ik wensch in te nemen. Ik hoop,

dat de criticus dat eerbiedigen zal.

Overigens, meen ik, het navolgende te moeten aanteekenen: Het geheele

verhaal is fictief. Er heeft geen familie Van Gulpendam bestaan, geen

van Nerekool, geen.... enz. Of evenwel geen residenten zouden bestaan

hebben als Van Gulpendam, geene ambtenaarsvrouwen als de residents-ega,

ziet, dat mag ik niet bevestigen; en ik twijfel er niet aan, of zij,

die Ned. Indië kennen, zullen zich wel personen herinneren, welke die

grondtype nabij komen. Dat er karakters als Van Nerekool, als Grenits,

als Van Beneden, Grashuis bestaan, daaraan valt Goddank niet te

twijfelen. En wie van hen, die in de binnenlanden van Java vertoefden,

zal niet in Baboe Dalima de type erkennen van de toewijdingsvolle

geaardheid der Javaansche bedienden, wanneer zij goed behandeld worden?

En nu,.... mijn boek, treedt de wereld in, verricht het werk, dat ik u

opdroeg; dring, zooals ik hoop, in alle klassen door en dat slechts een

kreet door u ontlokt worde:

Onverbiddelijke oorlog! Oorlog à outrance aan de opiumpacht, die

schandelijke bron van inkomsten van ons Nederlanders!

Den Haag, Mei 1886.

Baboe Dalima · 第 4 / 94 题