OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:
Gespreid geprinte tekst is gemarkeerd met _liggende streepjes_. Klein
kapitaal is weergegeven met HOOFDLETTERS. De originele spelling en
interpunctie is gehandhaafd. Een lijst met correcties bevindt zich aan
het einde van de tekst. Dit boek bevat een aantal referenties naar
andere delen uit De complete werken van Joost van Vondel, namelijk
Project Gutenberg e-book 21800, 48956 en 49910.
DE COMPLETE WERKEN
VAN
JOOST VAN VONDEL.
OP DE AANKOMSTE VAN DE
KONINGINNE VAN 'T ZUIDEN TE HIERUSALEM.
Klinkert.
Ei! ziet, wat schoonder Zon verlaat de Zuider palen[1],
Opheffend' haar perruik, die op de vorsten smaalt[2]
Met steenen, daar natuur op 't Goddelijkst meê praalt;
Wat ijver perst haar doch zoo wijd te loopen dwalen?
Hoe nu, is 't om een peerl nog aan haar kroon te halen?
Ach! neen, de liefd' die heeft haar eedle borst gewond,
Om smaken, hoe den dauw, uit 's wijzen konings mond,
Veel liefelijker vloeit als honig in de dalen;
Een vrouwe, eene koninginne, en heidene, die komt
Beschamen onzen roem, hoe schoon die is verblomd[3]:
't Licht van dees gouden lamp wischt, met zijn groote klaarheid,
Al onzen luister uit, vermids wij, zwaar gejokt[4],
Ons Kristus' wijsheid nooit zoo wijd heeft uitgelokt:
Dies derven wij het heil van de aangeboden waarheid.
DOOR EEN IS 'T NU VOLDAEN.
[1] _grenzen_, _landen_.
[2] _blinkt_.
[3] _versierd_.
[4] _gejukt_, _belast_; een zoogenoemde afgebroken zin, welks onderwerp
in den volgenden regel voorwerp wordt.
Vier Uitersten[1].
I.
De dood is algemeen; wie is er ooit gebleven?
Hoe arm, hoe rijk van schat, elk loopt haar in 't gemoet,
D' een is zij bitter gal, den andren honig-zoet,
Wel hem, die sterven leert en zoekt een beter leven.
II.
't Verstorven graan verrijst, 't en blijft niet weg gescholen,
Zoo 'n doet de mensch ook niet, diens lichaam van den doôn[2]
Van nieuws bezield, verschijnt voor God en 's menschen Zoon,
Die 't vierschaar zelf bekleedt, en[3] 't vonnis is bevolen.
III.
Wee! wee der boozen rot! hoe wil 't[4] de ziel doorsnijden
Des geens, die als een bok ter slinker zijde staat,
Als Kristus dondren zal met een vergramd gelaat:
"Vermaledijde, gaat! gaat, gij vermaledijden!"
IV.
O driemaal witten dag[5]! wel-zalig die mag hooren
Aan Kristi rechter hand die liefelijke stem:
"Komt hier en erft uw kroon in 't Nieuw Jeruzalem!
Gebenedijde, komt! komt hier, mijn uitverkoren!"
[1] Wij lasschen dit en de volgende gedichten, als waarschijnlijk uit
deze zelfde jaren (1616 en v.v.), hier in; verg. ten overvloede Van
Lennep, I, bl. 603.
[2] _uit den dooden_.
[3] Versta: _en wien_.
[4] _zal 't_.
[5] Latijnsche zegswijs voor _blijde_, _gelukkige dag_.
Uiterste Oordeel.
Den Hemel vierschaar houdt, de graven barsten open,
Het aardrijk knielt alzins[1] van zielen opgekropen[2];
Zijn zoete en felle stem de Rechter hooren laat:
"Gebenedijde, komt! vermaledijde, gaat!"
[1] _alom_.
[2] Nam. _uit het graf_.
JAAR-ZANG,
OP DEN TOON VAN DEN NEGENDEN PSALM.
Nu zegt vaarwel aan 't oude jaar,
Want 't is in Kristus nieuw; en waar
De strenge Mozes derft zijn klaarheid,
Hier schijnt genaad' en enkle waarheid.
't Is nu den dag der zaligheid,
Die God zijn volk heeft toegeleid;
't Jaar der verlossing is gekomen,
Feesteert[1] en juicht nu, Kristen-vromen!
Men predik' en bazuin' alom
Het troost-rijk Evangeliom:
Der zonden duistre zielen-kerker
Is overweldigd van een sterker.
Des herten ooren open-sluit
En gaat het rijk des Duivels uit;
Trek uit, die[2] lust te zijn ontbonden,
Den rook des vleesch, en 't juk der zonden!
Want ziet, in Kristus geldt gewis
Noch voorhuid, noch besnijdenis;
Maar een vernieuwd gemoed warachtig,
En sterk geloof, door liefde krachtig.
Besnijdt dan 't vleesch niet, maar uw hart;
En een verborgen[3] Jode werdt[4].
Den geest kiest voor den dooden letter,
En leeft hoe langs hoe onbesmetter!
Hiertoe Gods zoon, nu opgewekt,
Een heilig levend voorbeeld strekt;
Hierom heeft Kristus vroeg geleden,
En is op d' achtsten dag besneden.
[1] _Viert feest_; verg. vroeger.
[2] Versta: _gij_, _die_.
[3] Min gelukkig voor _geestelijke_, _vleeschelijk onbesneden_.
[4] Voor _wordt_ (verg. vroeger).
HEMELVAART-ZANG,
OP DEN TOON VAN DEN ACHTSTEN PSALM.
Maakt handgeklap, en juicht, gij Kristen-scharen!
Ziet Hemelwaart op zijn triomf-koets varen
Die onlangs daalde in 't graf, na zoo veel smaads,
En heerlijk nu gaat nemen d' hoogste plaats.
Klim op, klim op, gij, God en 's Menschen zone!
Versmaad het kruis, de speer, en doorne-krone:
En 't boos geslacht, dat, met een grimmig oog,
Ontzinnig U in 't heilig aanschijn spoog.
Doet[1] open ons uw vreugdenrijke troonen,
En baant het pad ten leven Adams zonen!
Ontsluit ons weêr 't gesloten Paradijs,
En zaligt ons, door uw naams lof en prijs!
Hoog-Priester, die onsterflijk zijt bevonden,
En hebt uw bloed gestort voor 's werelds zonden,
Klim op, klim op in 't alderheiligst koor!
Gods strengheid kom met uw verdiensten voor!
O, die van God gezalfd zijt tot een Koning!
Aanziet uw Kerk, uw Bruid uit 's Hemels woning,
Die hier verstrooid kent anders troost noch hoofd,
Zend haar den Geest en Trouwring, lang beloofd.
Zoo mag zij steeds in 's Bruigoms liefde blaken;
Zoo mag haar kroon noch zond noch wereld raken;
Zoo blijft haar liefd' veel sterker als de dood,
En erft ten loon haar lieve minnaars schoot.
[1] Waarschijnlijk welluidendheidshalve voor _doe_, daar 't enkelv.
onderwerp blijft; (verg. voor 't overige boven, bladz. 1, aant. 3).
PINXTER-ZANG,
OP DE STEM VAN DEN C PSALM.
Komt, komt, o driemaal Heilge Geest!
Ei, zegent onze Pinxter-feest;
Komt, tortel-duif van 's Hemels dak,
En brengt ons den olijven-tak!
Vertrooster, brengt ons Kristus' vreê,
En neemt in ons geweten steê!
Geest Gods, maakt onzen geest gewis,
Dat God ons aller Vader is.
O vinger Gods, die 't steenen hert
Vermorzelt, dat het wakker[1] werd[2],
En Kristus' wet, die eeuwig blijft,
In ons gemoed en zinnen schrijft!
O gij, die onbegrijplijk zijt!
Ons hert tot uwen tempel wijdt!
Die onze inwendigheid herschept,
En lust bij ons te wonen hebt.
Komt, Hemel-dauw! en overstort
't Gemoed, onvruchtbaar en verdord;
O stroom des levens! o fontein!
Bevochtigt ons en maakt ons rein.
Komt, Godlijk vier! en steekt voortaan
Ons koude ziel met ijver aan!
Komt, heilig vier! verteert, verslindt,
Al wat in ons nog 't vleesch bemint.
Gij, wind des Heeren! leidt doch meê
Des zielen schip in 's werelds zee:
Op dat zij, vrij van schip-breuk, dan
Lande in 't beloofde Canaän!
[1] Wellicht een drukfout voor _weeker_, waarin het bij een later
uitgave veranderd is.
[2] Voor _wordt_.
PINXTER-ZANG,
OP DE STEM VAN MARIA LOF-ZANG.
Na Kristus' Hemelvaart,
De Apostelen, vergaard
Eendrachtelijk te gader,
Verwachtten voor haar hoofd
Den Trooster, die beloofd
Haar was van God den Vader.
De[1] Pinkster-feest verscheen,
Als snellijk viel beneên
De Geest, daar elk op hoopte;
Die, als een winds gedruisch,
Terstond vervulde 't huis,
En met een vier haar[2] doopte.
De Twaalve zag men hier
Omschenen met een vier,
Omstraald met vierge tongen;
Haar sprake zonder tolk
Verbaasde 't uitheemsch volk,
Van alzins ingedrongen.
"O, wonder is 't," zegt de een,
"Dat die van Galileên
Al 's werelds talen konnen!"
Een ander zegt: "zij zijn
Verzopen in den wijn,
En van den drank verwonnen!"
"Neen, neen!" roept Cefas blij,
"'t Is Joëls profecij,
Die God aan ons vervulden;
Ten ende Jakobs huis
Werd kondig[3], wie aan 't kruis
Nam op hem 's werelds schulden."
Den hamer Gods hier sprak,
De steenen harten brak;
Wij zijn vol schuld bevonden
Aan 's Heeren bloed; wat raad?
"Elk een," zegt Peter, "laat'
Afwasschen al zijn zonden!"
Drie duizend zielen daar,
Boetvaardig, wonderbaar,
Zich Kristus niet en schamen;
Zij volgen Jezus' wet,
Zij waken in 't gebed,
En zijn één ziel te zamen.
[1] Thans _het_; maar verg. boven, blz. 2b, aant. 4.
[2] Even als in 't eerste coeplet, voor _hen_.
[3] _Vername_.
Aandachtige Betrachtinge[1]
OVER
KRISTUS' LIJDEN,
UIT DEN HOOGDUITSCHEN VERTAALD DOOR M. L. B.
EN TER LOOPS GERIJMD DOOR
J. V. V., OP DE WIJZE VAN DEN 91 PSALM.
Waak op, mijn ziel! wat slaapt gij, hoe?
Uw Bruigom is voorhanden.
Koop olie: schik uw lampen toe,
Zoo blijft gij niet in schanden;
Wanneer hij in zijn kamerkijn
Te midnacht in zal streven,
Zult gij een dwaze maget zijn,
En in het duister sneven.
Waak[2] op de uur van 't harte dijn,
En tel de klok haar slagen,
Het kan niet ver van twaalven zijn;--
O wee, gij moet vertsagen,
Indien gij niet uw grof aardsch kleed,
Met Jozef[3], wilt verlaten,
En u ten ingang houdt gereed,
Ontbloot van eer en staten.
Een staaltjen[4] neemt aan zijne min,
Die kan zich zelven haten,
Opdat ge, om hem, uw eigen zin
Uit weêrmin zoudt verlaten.
Hij laat zijn rijk en leven wel,
Om uwe liefd' t' erlangen;
Hij daalt ook voor u in de Hel,
Nog laat gij u niet vangen;
Zoo kan des werelds snoode hoer
Door eigenliefde u vleyen.
Doch in het ende breekt het snoer,
En 't spel verkeert in schreyen:
Want zij boeleert, en kan haar echt
Niet ongebroken houden:
Wanneer de dood u ziel bevecht
Moet 's werelds liefd' verkouden.
De wereld dan den rugge keert!
Volg Kristus met verlangen;
Met open armen hij begeert,
U aan het kruis t' ontvangen.
Hij neigt zijn hoofd, om u een kus
Al neigende te geven;
Wat schuwt gij zijne dood aldus?
Ze is oorzaak van ons leven.
Gij vraagt, wat hem aan 't kruise bracht,
Dat zal men u uitleggen:
_Uw_ ontrouw en _Zijn_ liefd' betracht,
Die zullen 't u wel zeggen;
Want als de slang u brocht ten val,
Door 't ooft[5] vol ongelukken,
Wat schepsel was in 't aardsche dal,
Dat u van hem kost rukken?
De Goddelijke liefde most
U wederom verwerven,
En u, die hem het leven kost,
Genieten door zijn sterven.
Hierom, zoo hing[6] het heilig Lam,
Door 't vier der liefd' gebraden[7]
En dorst naar u, aan 't kruishoutsstam:
Nog laat gij u niet raden.
Want hij, die is het eeuwig zoet,
Moet zuren edik drinken;
En bittre gal van wraak, tot boet[8]
Der menschen, zich laat schinken[9].
Gewond is hem, ook na zijn dood,
Het hart met booze daden;
Dies zich de zon verbergt uit nood,
De zonne der genaden.
Uw beurs gij boven Kristus stelt,
En knort, als werd[10] vergoten
Den balsem van der armen geld,
Op 's Heilands hoofd gevloten.
Al ziet gij, met den rijken man,
Aan Lazarus veel zweeren,
Gij neemt u zijnes gants niet an,
Schoon wormen hem verteren.
Beschuldigt Judas noch en schelt
Hem, om zijn valsche daden;
Want gij ook, om 't vervloekte geld,
Zelf Kristus hebt verraden.
Of gij hem met den mond belijdt,
En schijnt den kus te geven,
Om dartig penningen profijt,
Brengt hij[11] Gods Lam om 't leven.
De nacht ook buiten u niet is,
Daar Krist geboeid moet zuchten,
Als, in der zonden duisternis,
De jongers angstig vluchten.
Aldus raakt uw standvastigheid,
Door slaap en vlucht, aan 't glijden:
Gij vlucht van Kristus, wijd verspreid,
Wanneer hij gaat aan 't lijden.
Gij smijt[12] met Petrus in de schaar,
Als 't kruis begint te naken;
Maar dorft, in nood en lijfsgevaar,
Wel driemaal God verzaken,
Eer driewerf kraait gewetens haan,
Ook op een wijfs bedragen[13];
Gij zoudt met Kristus sterven gaan
In vreugd en goede dagen.
De hoogepriesters meer en meer
Ook zelfs in u vergaren;
Dat zijn vernuft en menschenleer,
Die Kristus staâg bezwaren;
Zij roepen: "kruist, ja kruist hem, och!
Laat Barrabas bij 't leven!"
Verschoont den ouden Adam toch,
Den nieuwen vrij laat sneven.
Met stok en spies van uw vernuft,
Gij Kristus wilt bevechten.
Neuswijsheid aandacht heel verbluft,
En weet niet uit te rechten.
Gij schermt al t' ijdel in de lucht,
En Gods en Kristus namen
Zijn blixems-blikkren[14] zonder vrucht;
Met recht moet gij u schamen.
Gij zijt van Malchus' slag[15] gewis,
Wiens recht' oor af gehouwen;
Dus hoort gij niet wat Gods wil is,
Maar laat u zachtkens klouwen,
Door lof, het slinker ezelsoor,
't Welk gij best af liet snijden,
En 't rechter aanzetten daarvoor
Om kwaad geklap te mijden.
Al deedt gij Kristus leed op leed,
Om 's keizers vriendschaps wegen,
En droomt van Duivels spook, alreed'
Gij zoekt uw hand te vegen
Met water, als Pilatus eer,
Met kerkgang God te paayen,
En Doop en Nachtmaal, om den Heer
Een neus dus aan te draayen.
Veel slagen, schimpen, hoon, en nood
Den Heiland heeft geleden;
Der woênden[16] misbruik al te snood
Hem aantrekt andre kleeden:
Dan wit, als bij Herodes' rot,
Dan purperen gewaden:
Zoo maakt gij Kristus tot een spot,
O schande! o kwaad der kwaden!
Uw eerzucht dorf[17] de doornekroon
Hem om zijn voorhoofd drukken;
Uw boosheid is het kruis vol hoon,
Waaronder hij gaat bukken.
Met Simon van Cyrenen woudt
Gij Kristus' kruis niet dragen,
Ten zij men u den rugge touwt[18],
En daartoe drijft met slagen.
Geen smid hier ook aan 't aanbeeld hoort[19],
Die spijkers smeedt van staven,
Terwijl gij Kristus' hand doorboord,
En voeten hebt doorgraven.
Uw doen en wandel maar betracht,
Die nagel maakt kwetsuren:
Het wordt al in dit kruis volbracht,
Op nieuw in u, alle uren.
Gij maakt schriftuurs-rok nadeloos
Een beedlaars rok[20] ten leste;
De letter is de geest te loos,
Als die[21] dient tot uw beste:
Maar houdt de letter niet de proef,
Zoo verft[22] gij schriftgeschillen
Of knijpt die[23], als een valsche boef
Den teerling, naar uw grillen.
De wereld speelt om Kristus' kleed
Met niet dan ijdle vragen:
Men schut, met een bewijs gereed,
Hierop[24] een anders slagen;
Zoo laat men Kristus, 't rechte wit[25],
Zich uit de handen rooven;
Zoo houden wij den dop voor 't pit,
Daar andren vast[26] haarkloven.
Des slinkschen moorders ongeduld
Vertoont gij in uw lijden,
Wanneer het hart u biecht uw schuld
In d' avond van 't[27] verblijden.
Bidt gij niet naar 's bekeerden wijs,
Dat Krist u heil wil geven;
Wanneer hij komt in 't Paradijs,
Uw zonde aan 't kruis blijft kleven.
Van Kristus' graf gij vliedt en scheidt,
Als zijnde sterk bewaket[28]
Van wereldlijke overheid,
Daartoe ook vast vermaket[29]
Door 't zegel des hoogpriesters meest,
Die beî, met ban en vloeken,
Vernielen, die naar Kristus geest
En kracht in 't graf gaan zoeken.
In somma: Kristus' bittre dood
Is maar uw vleeschlijk leven,
Zijn smerten en vijf wonden rood
Uw lust hem overgeven.
Hij sterft en staat niet op in u,
Voor gij uw lust wilt sterven;
Zijn dood is zelf uw leven nu,
Kunt gij zijn liefd' verwerven.
Al roept men: "Heere, Heere!" sterk,
Het is hem een afgrijzen;
Men moet de handen slaan aan 't werk,
Dat zijn kruisbroeders wijzen.
De roos och! onder doornen groeit.
Gij moet den kelk[30] ook nutten,
Dat bloedzweet langs uw aanschijn vloeit,
Zoo help zijn kruisgang stutten.
Het leît ook niet aan wetenschap,
Hoe God om u most sterven;
In 't leven[31] leît de kracht en 't sap,
Al is 't met uw bederven.
Is niet zijn kruis in 't hert gegrond,
Veel weten brengt geen zegen;
Een aasken schulds van duizend pond
Niet eens wordt opgewegen.
De band der liefde in 't algemeen
Is eenen last te dragen,
Daar twee, in liefde en leed nu een,
Malkander onderschragen.
Hoe mint gij God en Kristus trouw,
Dien gij altijd valt tegen,
En daaglijks kruisigt, zonder rouw,
In uw verkeerde wegen.
Maar, wilt gij naar zijn liefde staan,
Zoo kruist uw stijve zinnen,
En laat u naakt aan 't kruise slaan;
Dat 's 't merk van God te minnen[32].
Zoo geeselt u door ware boet,
Met ootmoeds kroon van doren:
Temt hovaardij, dat slanggebroed,
En stopt voor haar uwe ooren!
Ook spijkren hand en voeten aan,
Met kristelijken wandel,
Opdat ze langs geen dwaalweg gaan,
Maar drijven vromen handel.
Ontziet niet eens, of men u al
Wil gal en edik schenken:
Een zoete en koele bronne zal
De dood en 't leed verdrenken.
En of in u de zonneglans
Zou schijnen te verbleeken,
De dood u ook verslinden gansch,
Van 't kruis dient niet geweken:
Want als dan eens de voorhang rijt[33],
Die God en ons komt scheyen:
De Geest uw steenen harte splijt,
Gekweekt door kruis en schreyen.
O, wat een zaalge duisternis,
Die ons het licht kan geven!
Een dood, die zoet en noodig is,
Waarin men vindt het leven!
Maar wee, dat vleeschelijke licht,
Daar nacht in is verborgen;
Wie zich naar 's werelds leven richt,
Zijn eigen ziel zal worgen[34].
Bekeert u fluks, de tijd is reed':
Men zal de klok haast hooren;
Vertrekt gij[35], nu het heden heet,
Zoo gaat uw ziel verloren.
Dan blijkt het eerst, hoe dol en dwaas
De morgen gij in weelde,
En uwen middag ook, helaas!
Met vleesch en bloed verspeelde.
De negenste uur naakt onbewust,
En Kristus is verscheyen.
Loop, loop! hier is geen tijd van rust,
Nu help zijn dood beschreyen.
Gij komt als 't licht verdwijnt in mist,
En moet bij duister dolen,
Gij vindt voor Krist den Antikrist,
Nu is het licht gescholen[36].
[37]O lieve ziel! bedenk toch dat,
En wilt ten kruise loopen.
Volgt Kristus op het rechte pad:
Wilt al uw goed verkoopen.
Gij moogt niet uw gerechtigheid
Op Kristus' kerfstok snijden;
Wilt gij ten leven zijn bereid,
Gij moet eerst met hem lijden!
O lieve ziel! dat is de boom,
Die goed en kwaad kan geven;
In u is Hemel, Hel, en schroom,
De dood en ook het leven.
Het werelds-leven is de dood,
Die Kristus krenkt met smarte;
Maar sterft gij in zijn wonden rood,
Zoo leeft hij in uw harte.
Telt ge u in 't uitverkoren tal,
Zoo merkt u met het teeken:
Het kruis van Kristus overal
In 't voorhoofd zij gestreken.
Wat baat de wolf des lams geween,
Indien hij huilt hier tegen:
Nog min als eenen harden steen
De vruchtbre dauw of regen.
[1] D. i. _practische beschouwing_.
[2] Hier _let_, _geef acht_.
[3] _Even als Jozef_ (Potifarischer gedachtenis).
[4] _voorbeeld_.
[5] _den Eva's-appel_.
[6] Zoo lees ik voor _lang_.
[7] Min gelukkig voor _verbrand_ (gelijk een _brandoffer_).
[8] _schuldvoldoening_.
[9] Voor _schenken_.
[10] Voor _wordt_.
[11] Men zal hier wel _gij_ of drie regels vroeger ook _hij_ moeten
lezen.
[12] Naar de oorspronkelijke beteekenis van 't woord: _slaat_.
[13] _beschuldiging_.
[14] _weêrlicht-flikkering_. De dichter bedoelt blijkbaar, dat het
ijdel Heere, Heere roepen, en bezigen van God en Kristus' naam, geen
baat geeft. Aan een drukfeil (gelijk Van Lennep meent) behoeft men
dus ook niet te denken; het volgende coeplet daarentegen is wel zoo
gewrongen en valsch vernuftig.
[15] _soort_.
[16] Zoo lees ik voor _wonden_, dat (gelijk Van Lennep te recht
opmerkt) geen zin geeft.
[17] Voor _durft_ of liever _dert_ (van 't oude _darren_), door 't
eerstgemelde ten onrechte verdrongen.
[18] _slaat_.
[19] Gelijk steeds nog in de dagelijksche spreektaal voor _behoort_.
[20] Dat is een _rok overvol van naden_.
[21] Nam. die letter.
[22] _kleurt_, _verzint_.
[23] Nam. die letter.
[24] Op het (uitwendige) kleed van Kristus.
[25] _doel_.
[26] _steeds_.
[27] D. i. (gelijk de heilige feestavond) _even voor_.
[28] Thans _bewaakt_.
[29] _vermaakt_ d. i. _bepaald_.
[30] Den (Gethsemaneeschen) _lijdens-kelk_.
[31] Nam. het betrachtende, practische leven, tegenover de uitwendige
wetenschap.
[32] Zoo lees ik voor het minder verklaarbare _winnen_.
[33] Voor _scheurt_.
[34] Germanisme voor _dooden_.
[35] _Stelt gij uit_, _vertraagt gij_.
[36] Voor _schuil gegaan_.
[37] Naar Alb. Thijms juiste opmerking (zie Van Lennep's _Nalezing_)
heb ik dit coeplet voor het volgende geplaatst.
ZEDIG GEDICHT[1]
VAN DE
IJdelheid der Menschen en Wankelbaarheid der Konink-rijken.
1.
Elk heeft gebiedens lust, elk tracht naar hooge staten,
Naar eenen titels glans, naar myters, staf en kroon,
Naar bisdom, graaflijkheid, en rijken boven maten:
Elk wil als aardschen God hier bouwen zijnen troon.
2.
Indien zulks heil aanbrocht, ik wild' ook daarna streven
Om 't ampt eens vorsten, graafs of konings te bekleên,
Maar overmids zulks heil aanbrengen kan noch geven,
Verfoei ik 't al gelijk, en acht van allen geen.
3.
Wat zeg ik, zijn dan niet monarchen, hoog geboren,
Als met den heldren glans eens Godheids aangedaan,
Dien zelden haarsgelijk of niemand komt te voren?
Kan ergens zaligheid dit heil te boven gaan?
4.
't Is waar, ik latet toe, dat z' uiterlijk voor d' oogen
Zijn met een wolk omschaauwd van grooter majesteit:
Maar innerlijk in 't hert is 't niet als waan en logen,
Is 't vol van slavernij, druk, en katijvigheid.
5.
De kroon, al schenkt ze een zon van goud en diamanten,
Is haar[2] een lastig pak: de zijde en purper dracht
't Lijf noopt[3] met ongemak: de dienaars en trawanten
Haar[2] 't harte beven doen en zorgen, dag en nacht.
6.
Den scepter zijn ze moê te handlen[4] en te dragen,
Om dat meer rijken niet staan onder haar gebied:
Is de eene wereld haar, en hooren ze gewagen
Van 't ander werelds rijk, zij huilen van verdriet.
7.
Zijn de onderdanen veel, veel valt er te bestieren:
En naar de volkren zijn in zeden onderscheên,
Zij onderworpen zijn elks zeden en manieren,
Of d' een of d' ander raakt te lichtlijk op de been.
8.
De most haar edik is, hoe zoet en uitgenomen:
Banket noch venezoen haar honger niet verzaadt:
's Nachts, als een ander rust, zoo schiet haar in haar droomen
Dat iemand na[5] haar kroon of na[5] haar leven staat.
9.
De vijanden zijn veel van binnen of van buiten,
Is 't één rumoer geslist, het ander dat ontstaat;
Van buiten staat haar toe[6] des vijands heer te stuiten,
Van binnen toe te zien voor oproer of verraad.
10.
Zoo haar den zegen mist van welgeboorne zonen,
Of is er maar één vrucht, zij zorgen voor misval;
Zijn ook de kindren veel, zij duchten[7], om de kroonen
Een bloedig streng gevecht ten leste volgen zal.
11.
Kort-om, zoo glorie-rijk en heerlijk als ze schijnen
Voor 't uiterlijk gelaat, zoo deerlijk wederom
Haar innerlijk in 't hart doorprikkelen veel pijnen:
Behalve, dat ze op 't laatst verwelken als een blom.
12.
Als de onverwachte dood genaakt tot haar paleizen,
En aan haar poorten klopt, die[8] naauwlijks opgedaan
Een droeve stem ontmoet: "'t is tijd; gij moet verreizen,
Monarchen! maakt u ree; 't is hier met u gedaan."
13.
Daar vangt het zuchten aan, met uitgestorte tranen:
"Adieu, mijn heerlijkheid! adieu, mijn werelds rijk!
Houd van aanbeden[9] op, mijn knielende onderdanen!
Mijn zon is laag gedaald, mijn glorie valt in 't slijk."
14.
Dan zijn ze min noch meer als de armst der bedelaren,
Die om een kruimken broods voor hare tralie bad:
Indien de balsem 't lijk mocht voor 't verrotten sparen,
Dit mocht al 't voordeel zijn, 'tgeen nog een koning had.
15.
Weg dan met de ijdelheid, daar zoo veel duizend menschen
In stellen 't hoogste goed en 't alder-opperst heil!
Wordt vorsten uws gemoeds! wat wildy schoonders wenschen?
Dees deugd is ongemeen, nochtans voor ieder veil[10].
16.
Een machtig koning is 't, die zijn verdorven lusten
Zich onderworpen heeft en over haar gebiedt,
Die zijn gemoed bezit in stilheid en in rusten,
En, willeloos in God, niet anders wil als niet.
17.
De zulke draagt in zich zijn koninkrijk besloten,
De zulke vindt in hem al 't geen hij in God zocht,
Door 't uitgaan van hem zelfs, en door zich zelfs t' ontblooten
Hij als gezegend heel het aardrijk aan zich brocht.
18.
Vermits men zulken heil onwetlijk niet mag erven,
Dat is: ten zij men daalt van 't Goddelijke bloed:
Is 't wonder, dat dan veel dees hoogheid moeten derven,
En dat men zelden vindt een koning naar 't gemoed?
19.
Verliest u zelven dan en wordt uit God geboren,
Indien gij anders haat der zonden slavernij,
En uws ziels vrijheid lieft; gij werdt als uitverkoren,
Gezaligd en gezalfd, tot zulken heerschappij.
Dit zong ik, daar ik lag gerust en onbekommerd,
Van d' uitgestrekten eik beschaduwd en belommerd.
[1] Gallicisme voor _Zede-dicht_.
[2] _hun_; zie ook verder nog telkens.
[3] Min gelukkig voor _kwelt_, of iets derg., daar bij _noopen_ altijd
een doel verondersteld wordt.
[4] Thans _hanteeren_.
[5] Thans _naar_, maar hier welluidendheidshalve gehouden.
[6] _past het hun_.
[7] Versta _duchten_, _dat_.
[8] _haar_ (nam. _de dood_).
[9] Thans _aanbidden_ (verg. echter den herhalingsvorm _bedelen_ en 't
Hoogd. _beten_).
[10] _te koop_, _verkrijgbaar_.
Houwlijk-Zang,
tusschen God en de Geloovige Ziele,
OP DEN TOON VAN DEN 100STEN PSALM DAVIDS.
1.
Zoo lang de ziel, nog onverleid,
Heeft de ingeschaapne zuiverheid,
Gelijkt ze recht een jonge maagd,
Die cierlijk witte kleedren draagt.
2.
Een maagd, die eerbaar, ongetrouwd,
De kuischheid voor haar kleinood houdt,
En die de bloem haars jeugds gewis
Wil gunnen dien, die 't weerdig is.
3.
Twee minnaars spelen in haar zin,
D' een draagt haar _liefde_, en d' ander _min_:
D' een biedt zijn trouwe op deugd en eer,
En d' ander, dat hij haar schoffeer'.
4.
Wat ongelijker vrijers doch!
God en de Wereld, vol bedrog:
De ziele slaat ze beide ga,
En eindlijk gaat bij 't vleesch te râ.
5.
Het vleesch, dien 't zienlijk oog behaagt,
Te weeg brengt, dat de onnooz'le maagd
Den Hemel zijn verzoek ontslaat[1],
En met de wereld boelen[2] gaat.
6.
De wereld, die op 't tijdlijk zaait,
De bloem haars frisschen maagdoms maait.
Den zomer, die zoo vrundlijk bloost,
Volgt fluks een strengen zuren oogst.
7.
Het maagd'lijk bloed ligt nu geschend,
En is een gast-huis vol ellend,
Want als de lust nu is voor-bij
Zoo wordt de boel haar weêr-partij.
8.
Dood-wonden hij zijn bij-wijf slaat,
Berooft haar 't spier-wit, rein gewaad;
Scheidt van haar, laat ze, naakt en bloot,
Verworpen liggen, voor half dood.
9.
Zij klaagt, zij zucht, zij steent, zij kermt,
Tot dat den Hemel haars ontfermt:
En of zij schoon dees straf verdient,
Zoo is hij nog de zelfde vriend.
10.
Ten beste van de aanstaande bruid
Schikt hij een rei van maagden uit,
Die 't arme schepsel, op een kruis,
Gaan dragen in 't behouden huis.
11.
Met wijn en olie hij beleefd[3]
Al haar gezondheid weder geeft;
Zijn hert-wond strekt haar een fontein,
Daarin hij haar laat wasschen rein.
12.
Hij trekt ze purpren kleedren aan,
En laat ze voor zijn aanzicht staan,
En spreekt: "boetvaardige vriendin!
Ik geef u 't hert, en ziel, en zin."
13.
Hij steekt ze een trouw-ring aan haar hand,
Tot eenen zekren onder-pand,
Tot teeken van onfeilbre trouw,
En neemt ze tot zijn echte vrouw.
14.
De bruid bezwijmt en is als stom,
Omdat zoo rijken bruidegom
Bekleedt haar armoede, en haar leid[4],
En spreekt, vervuld met dankbaarheid:
15.
"Wie ben ik? of van wat geslacht,
Dat gij nog op mijn snoodheid acht,
Ziet zoo veel edeler voor-bij,
En voegt mij aan uw rechter zij?"
16.
"Noch tijds, noch oudheids[5] ongeval
't Geheugnis mij ontvreemden zal
Van 't rijk en onweerdeerlijk goed,
Daar gij de onzaalge mede ontmoet."
17.
"Verweerdigt slechts mij, assche en stof,
Dat ik verkondige uwen lof,
Dat steeds mijn mond uw weldaad wekk',
En een trompet uws roems verstrekk'."
18.
De Ziel, met God van Hemelrijk,
Aldus verknocht in 't huwelijk,
Wordt zwanger, en, naar 's bruid'goms beeld,
Veel deugden hem tot kindren teelt.
[1] Voor _afslaat_.
[2] Verouderd voor _boeleeren_.
[3] Gelijk reeds meer voor _minzaam_.
[4] Voor _leed_.
[5] Gelijk reeds herhaaldelijk voor _ouderdom_.
DE HELDEN GODES DES OUDEN VERBONDS.
Aan de Oudvaderen, Priesteren, Koningen, Profeten, en Helden.
Klinkert.
Oudvadren, uit wiens stronk de stammen zijn gesproten:
Aartspriestren, die 't altaar met vuur en vleesch besloegt:
Gekroonde koningen, die d' heil'ge scepters droegt:
Profeten, die den volk' hebt Gods geheim ontsloten,
En strijdbaar' helden, die met schitterende degens
Den vijand 't voorhoofd boodt, en randden Moab aan
En Ammons ridderschap, en t' huis keerde, overlaân,
Met bloedige trofeên, met zoo veel roofs en zegens:
Duldt, dat mijn Zangeres komt met haar herp verbreên,
Hoe gij geteeld, gesmookt[1], geheerscht, geleerd, gestreên,
En overwonnen hebt; duldt, dat ik mij vermake
En spiegel in uw deugd, en andren mede deil[2]
Al 't geen de Geest beschreef tot nut van 's menschen heil
Op dat elk een met mij in 's Hemels liefde blake.
DOOR EEN IS 'T NU VOLDAAN.
DEN WIJZEN, GELEERDEN EN WELERVAREN HEER
JOHAN FONTEYN,
DER ARTSNIJEN DOCTOR, EN LIEFHEBBER VAN ALLE GOEDE KUNSTEN EN
WETENSCHAPPEN.
Al is het zoo, dat de mensche zich met recht bedroeven moet, en
schaamrood zijn aanzicht ter aarden slaan, wanneer hij aanmerkt, hoe
vele zwakheden hij in dit leven onderworpen is, zoo dat men met recht,
voor zoo veel het lichaam aangaat, alle onvernuftige[3] dieren mag
gelukkiger achten, en boven hem stellen: nochtans aanziende, hoe God
almachtig zoo velerhande zaden, wortelen, kruiden en andere dingen
laat opwassen, om zijn gebreken weg te nemen en zijn wonden te zalven,
zoo kan hij wederom moed scheppen, en zich billijk in zijn ellende
troosten, gemerkt hij nog raad voor zijne kwalen vindt. En evenwel of
de nature jaarlijks zoo veel nutte spruiten uit haren schoot en boezem
te voorschijn brengt, zoo waar deze troost nog ijdel, indien God de
eeuwen niet doorgaans[4] zegende met kloeke en verstandige genezers,
die de ziekten kennen en onderscheiden, en de heilzame artsnije den
kranken bekwamelijk toepassen. De oude Heidenen hebben dit, hoewel
niet in zijn rechte mate, erkend, wanneer zij kerken bouwden, en als
Goden eerden den genen, die in deze hemelsche kunst uitmuntig[5] en den
kwijnenden troostlijk waren: gelijk zij, onder andere, Æsculapius als
een God hebben aangeroepen, die zelf te Rome zijnen tempel hadde, en
van wie gezegd wordt, dat hij de bleeke schimmen ter Hellen uit dede
komen. Indien wij hedendaags ook tot die blinde afgoderije geneigd
waren, wij zouden lichtelijk mede in dat gebrek vervallen: want onze
eeuwe is zoo ongelukkig niet, of wij zijn gezegend met uitnemende
verstanden, die in deze Goddelijke wetenschap uitsteken; en zoo het
ons als den Grieken geoorloofd waar, de waarheid met versierde[6]
sprookskens te bewimpelen, en onder de schorse van gedichte fabelen te
verbergen; wij zouden mogen voortbrengen[7], hoe in Holland, omtrent
den Amstel, een Fontein gevonden wordt, die door hare springaderen zoo
heilzame druppelen uitwerpt, dat ontallijke kranken, die ze smaakten,
haar verloren gezondheid weder gevonden hebben. Wat dit gezeid is, kan
een ieder licht vaten[8], die den raad gebruikt en de hulpe genoten
heeft van uwe E., die deze loflijke stad een Fontein van heilzame
artsnije verstrekt, en die billijk moogt gerekend worden onder het
getal van die gene, daar de geleerde Tomas Garzon af getuigt, "che per
invidia de' loro nomi da se stessi chiari e famosi, piu che non sono i
raggi di Febo à mezo giorno[9]." Zoo dat wij, overwegende de ontvangen
diensten en weldaden, ons licht aan uwe E. zouden vergrijpen, ten ware
dat wij God erkenden te wezen de eerste oorzaak en borne[10], van
dewelke alle goede gifte ende alle volmaakte gave is afdalende: die
ook de sterflijke menschen als werktuigen tot zijns naams eere bezigt.
Waarom wij dan naast de Alderhoogste met recht de zulke, om der kunsten
wille, in haar behoorlijke mate eeren, en in weerden houden. Hetwelk
mij ook veroorzaakt, deze mijn Helden Godes uwe E. op te dragen: waar
toe mijn Zangeresse gantsch geneigd is, overmits uwe E. de dichtkunst
met een lieflijk gemoed omhelst, ook somtijds uit lust oeffent: zoo
dat uwe E. zeer gevoegelijk evenaart met[11] de voortreffelijke
Erotimus[12], daar de hoogdravende[13] heer Torquato Tasso, in het
elfde gezang van zijn Gierusalemme Liberata, aldus af[14] zingt:
En d' oude Erotimus[15] alreê van Padus[16] vliet
Zich tot 's gekwetsten troost met vlijt gebruiken liet:
Die van het heilzaam nat, van planten, en van kruiden
't Gebruik verstond, en wist elks krachten te beduiden,
En had de gunste nog der Muzen op zijn zij,
Doch met de minder eer vernoegd was van artsnij;
De kwijnend' hij den dood alleenlijk zocht t' ontschaken,
En veler namen hij onsterfelijk kost maken.
Ontvangt dan, jonstige en konstige Fontein! zulks als ons de Hemelsche
Fonteinader gejond heeft, en blijft zoo genegen om de kranke lichamen
op te helpen, als zij wel ernstig aanhouden, om uwe hulpmiddelen te
genieten, en leeft langer als wij wenschen dorven.
T' Amstelredam, den 11. van Sprokelle[17] 1620.
Uwe E. en A. dienstschuldige
I. V. VONDELEN.
AAN DEN OPMERKENDEN EN VERSTANDIGEN LEZER.
Die, een kwaad voorschrift nabootsende, wat goeds waant te maken, is
verre verdoold. Een goed leerling moet dan noodwendig op een goed
voorbeeld steroogen[18]. Zoo gaat het in menschelijke kunsten en
wetenschappen: zoo ook in heilige en Goddelijke oefeningen. Hier zijn
voor al goede voorgangers van noode, om geen slimme[19] gangen te
gaan. De alderbeste en veiligste zijn schriftuurlijke, en zulke die de
Heilige Geest heeft doorluchtig gemaakt: 'twelk zijn de Heiligen des
ouden en nieuwen verbonds. Die van 't oude verbond brengen wij hier,
als op het tooneel, voor eerst te voorschijn. Geen ware Godgeleerde
zal ons hierom met donkere wijnbrouwen[20] stuurs aanzien: want wij
doen effen[21] het zelfde, dat de Godgeleerde schrijver tot den
Hebreën al over lange dede, als hij (aanmerkende, dat al wat voorhenen
geschreven, ons tot leeringe nagelaten was) de Vaderen des Ouden
Verbonds optelde, en haar heerlijke daden elk in 't bijzonder den
geloovigen Kristenen op het rijkste voor oogen schilderde, en, als
een goed huisheere, niet alleen nieuw, maar ook oud uit zijn trezoor
voortbracht. Hier over was hij zoo weinig te berispen, als Kristus,
zijn Meester, die hem op dusdanige wijze was voorgegaan. Wil men ons
voorwerpen[22], dat men de voorbeelden des ouden en nieuwen verbonds
met onderscheid moet aanmerken: dat wij de Heiligen, die vóór en
onder de wet leefden, moeten navolgen alleen in 'tgene, daarin zij
ons als navolglijke voorbeelden zijn nagelaten: zulks staan wij toe,
en dit heeft ook de gedachte schrijver omzichtig aangemerkt, als
eener[23], die wel verstond, dat de wet door Mozes gegeven, maar
genade en waarheid door Jezus Kristus geworden was: dat de wet de
schaduwe van toekomende goederen, en niet het beeld der dingen zelve
behelsde. Hier most gewisselijk op gepast[24] zijn. Die dat niet
dede, zoude lichtelijk een mengelmoes van de Wet en het Evangelie
maken, en een verboden Mozaïsche, met een geoorloofden Kristelijken
Godsdienst te zamen smelten. Nu in Kristus' dood het voorhangsel des
tempels gescheurd is, weten wij, dat de donkere schaduwen des wets
voor het licht van de Evangelische waarheid wijken moeten: dat de
vergaderinge der geloovigen niet alleen te Jeruzalem, maar aan alle
oorden der wereld heilige handen tot God mag opheffen. Kristus, des
wets einde, jont[25] alle dingen een ander aangezicht[26]. In hem is
het oude vergaan, en het is al nieuw geworden. Zie ik den eersten
aardschen Adam gevallen, ik gedenk aan den anderen hemelschen, die
door zijn volkomen en onbevlekte gerechtigheid den gevallen mensche,
volgens zijn gedane belofte, wederom heeft opgerecht. Zie ik Abraham
al bestorven het mes trekken, om zijnen eenigen Izaäk te offeren:
mij schiet in den zin, hoe God de Vader de wereld alzoo lief gehad
heeft, dat hij zijnen eenigen Zone gaf tot den smadelijken dood des
kruises, en ik verwonder mij beide over Gods vaderlijke liefde tot het
menschelijk geslacht, en Jezus' kinderlijke gehoorzaamheid neffens
zijnen Hemelschen Vader. Verneem ik, hoe Jozef in Egypten op den troon
der eeren[27] zit, om gedurende de gezegende oogsten te voorzien tegen
de aanstaande onvruchtbare tijden: zoo word ik gedachtig, hoe Kristus
ter rechterhand zijns Vaders zittende is verheerlijkt, en tot een
hoofd der gemeenten gezalfd, om te waken over zijn strijdende Kerke.
Leidt de oude Wetgever, Mozes, Israël uit Faro's slavernije: Kristus,
de nieuwe Wetgever, voert zijn volk uit der zonden dienstbaarheid, en
het geweld des Duivels. Gaat Aäron in het alderheiligste wierooken:
Kristus, onze warachtige Hoogepriester, niet door bokken of kalveren,
maar door zijn eigen bloed, offert hem zelven zijnen Vader tot eenen
zoeten reuk, en verschijnt voor ons in den Hemel voor het aanschijn
van Gods onverdraaglijke[28] Majesteit. Zoo de Israëlieten haar van
Jozua, Gedeon, Samson, en andere, als van hare Verlossers roemen:
wij beroemen ons van den Heiland aller menschen, hetwelk[29] Jezus
Kristus is. Keert David al bebloed en zegenrijk, met roof overladen,
van den slag der kinderen Ammon: Kristus, onze geestelijke koning,
met het kruis overwonnen hebbende, vaart met veel heerlijker trofeën
de poorten in van het nieuwe Jeruzalem, en wordt gewillekomd[30] van
veel duizendmaal duizend Engelen en Hemelsche Heerscharen. Verwonderen
haar de Israëlieten over Salomons wijsheid en heerlijkheid: Kristus,
de wijsheid Gods, heeft schoonder luister, en zijn glorie en majesteit
verdonkert de eere van Davids nazaat. Hebben de Joden veel Profeten
tot onderwijzers en leeraars: wij luisteren naar eenen grooten Profeet
en Leeraar, die ons van den Vader uit de wolken bevolen wordt te
hooren, en op wiens brein de driemaal heilige Geest, als een zuiver
duifken, heeft gerust, doen zich den Hemel opende. Wederom vermaant mij
Abel tot oprechtigheid: Melchisedech tot rechtveerdigheid: Loth tot
gastvrijheid: Abraham en Izaäk tot gehoorzaamheid: Jacob tot ootmoed:
Jozef tot kuischheid: Mozes tot zachtmoedigheid en getrouwigheid: Jozua
en Caleb tot standvastigheid: David tot vurigheid en dankbaarheid:
Salomon tot godzaligheid: Micha tot vromigheid: Hiob tot geduld: Tobias
tot godvruchtigheid, &c. Hebben deze Goddelijke helden en Hemelsche
fakkelen eenige deugden met malkanderen gemeen, gelijk zij doen: zij
zijn ook door d' een of d' ander deugd van den ander onderscheiden.
Elk in 't bijzonder munt in iet wat bijzonders uit: gelijk kostelijke
steenen, peerlen, en diamanten, die, alhoewel ze te zamen dierbaar en
van uitnemende weerde zijn, nochtans ergens in, door zekere schoonheid,
verwe, glans, of maaksel onderscheiden worden, en gelijk de sterren
in 't voorhoofd des blinkenden hemels, die, schoon zij te gader licht
en helder zijn, nochtans in glans en klaarheid ook in grootheid
verschillen. Hier hebdy de Vaderen, uit wiens lendenen zoo doorluchtige
stammen gesproten zijn, en die op de Goddelijke beloften gesteund
hebben. Hier ziedy de Priesteren, die God naar zijn eeuwige wijsheid,
als met zijn hand, gekleed en gecierd heeft. Hier aanschouwdy de
helden, wien God zelf het mes heeft op de zijde gegord, en die met
haar vromigheid ons tot den geestelijken strijd opwekken. Hier pronken
de koningen, die, met balsem overstort, het haar met gulde kroonen
dekten, en met de rechterhand de beperelde rijksstaven zwaaiden: en
hier hoordy de Profeten, door wiens mond de Geest des Heeren heeft
getrompettet de komst van de beloofde Messias. Dit zijn de Koningen,
Priesteren, Heiligen, en Profeten, die met gerekten halze hebben
uitgezien, en verlangd naar den grooten Zaligmaker des menschelijken
geslachts. Dit zijn de lichtende tortsen, die van het warachtige licht
getuigden, hetwelk verlichten zoude al, die in de duisternisse en
schaduwe des doods zaten. Zij al te zamen verstrekken ons een groote
wolke van getuigen. Het geloove draagt moed op deze overwinners, die
zoo gelukkig onder haar baniere gekampt hebben. De een is om zijn
Godbehagelijke offerande zijns broeders roof geworden, en heeft, zijn
bloed onnoozel en onschuldig uitstortende, den Hemel de wrake bevolen.
De ander heeft in een godlooze stad, onder een Godvergeten volk zoo
met zijnen wandel gelicht, dat hij alleen met zijn twee dochters
weerdig is geacht, Gods vlammende toorne te ontgaan, en van de Engelen
uit den brand gerukt te worden. De een heeft, God vertrouwende, een
gewillige ballingschap aangenomen, en zijn eenig weerdste pand niet
ontzien den Heere op te offeren. De ander, in zijn bloeyende jeugd,
wilde zich niet ontzuiveren met zijns heeren beddegenoot, al was het
dat ze hem, met haar uitnemende schoonheid en smeekende woorden, daar
toe vleide en aanlokte. De een heeft een weeldig paleis en prachtig
hof, en het goud van de Egyptische kroonen en troonen versmaad, en zijn
dagen pijnelijk in de woestijne met veel ongemaks onder een halstarrig
volk gesleten. De ander heeft, als er veel duizenden wantrouwden,
op Gods toegezeide beloften onwankelbaar gesteund, en eer door het
vertrouwen, als door het zweerd machtige en geweldige koninkrijken
veroverd, en Israël den buit van de verbannen Heidenen uitgedeeld. En
zoo voortgaande van persoon tot persoon zouden wij ten leste blijven
staan, als voor het voorhoofd geslagen, aanmerkende wat het geloove
al in deze helden gewrocht heeft. Maar het zal ons genoeg zijn, dat
wij eenige hebben aangeroerd, op dat de lezer merke, wat nuttigheid
het toebrengt, wanneer men met aandacht overweegt het leven der
heiligen: hetwelk als eenen stok is, zeer gedienstig den genen, die
als pelgrims naar het nieuwe Jeruzalem wandelen: een heilzame artsnije
voor alle flaauwigheid des gemoeds: eenen spiegel om der zielen[31]
vlekken te kennen: eenen onfeilbaren wegwijzer in alle omwegen van
des werelds doolhof: eenen vermakelijken lusthof voor den inwendigen
mensch: een verkwikkende springende borne voor heilgeerige herten: een
schole voor de onervarene: een licht voor alle blinden. Lijdt iemand
onschuldig: hij troostte zich met Abel. Waarschouwt iemand te vergeefs:
hij gedenke aan Noach. Woont iemand onder de godlooze: hij lichte
met zijn leven, als Loth. Is iemand vreemdeling: hij verzel zich bij
Abraham. Wordt iemand van de geblankette wellust aangelokt: hij houde
zich aan Jozefs schouderen. Verlaat iemand noode dees aardsche glorie
en vergankelijke schatten: hij lette op Mozes' voorbeeld. Drukken u
ellenden en rampspoên: zijt geduldig als Hiob. Vervolgen u dienaren van
afgoden en tyrannen: blijft getrouw, als Daniël &c.; ziet eens, hoe
groote rijkdommen en dierbare kleinodiën hier schuilen! Opdat wij ons
dan te beter zouden mogen spiegelen in het leven van de uitstekendste
schriftuurlijke Heiligen des Ouden Verbonds, zoo hebben wij haar
aller wandel kort in rijmen begrepen, en ons zelven zoo vermakelijk
als stichtelijk geoefend: en om zulks te bekwamer voor te stellen,
deden wij haar, als of ze zelve leefden, spreken per prosopopœiam, of
personeerings[32] wijze. Dat ze haar somtijds in een derde persoon
laten hooren, geschiedt om eenige aangename verandering bij te brengen.
Laat ons dit niet euvel afgenomen worden. Gebruiken wij ook somtijds
eenige geoorloofde dertelheid of poëetsche vrijheid: rekent ons zulks
niet tot zonde. Het welk geschiedende, lezer, en zoo wij vernemen, dat
u onze geringe arbeid gevalt, zullen veroorzaakt zijn[33], d' een of
d' ander tijd, de Helden des Nieuwen Verbonds aan den dag te brengen.
Vaart wel.
Klinkert.
Och! of 't geoorloofd waar te dansen met de reyen
Der heil'ge zielen, die der hemellieden spoor
Navolgen en God lof toejuichen, in het koor
Des hoogen Hemels, wijd van droefheid afgescheyen:
Hoe zou de Geest, van 't lijf ontslagen, gaan verbreyen
Des allerhoogsten roem, en, met een heldre stem,
Hem zingen in de kerk van 't nieuw Jeruzalem,
En volgen met zijn keel der Engelen schalmeyen:
Maar overmids ik hier, nog vremdeling, beneên
Moet zuchten, eer ik mag het Heiligdom betreên,
Dat onz' hoogpriester heeft geopend voor ons allen:
Zoo offer ik u, Heer! der gener wandel, die
Ik, in 't gewijd pampier uws Geest[34], uitmunten zie:
Laat u den leegen toon uws dichters doch gevallen!
DOOR EEN IS 'T NU VOLDAEN.
ADAM,
DER VADEREN VADER.
1 _Cor._ 15.
Want gelijk zij alle door Adam sterven: alzoo zullen wij alle
door Kristum levendig worden.
Ziet hier een klomp, gezield naar 's Hemels beeldenissen:
Die, om gehouwd te zijn, most fluks een ribbe missen:
Die, geeuwende uit den droom ontsprongen, d' eerste dag
Zijns levens voor hem staan zijn hertslieve[35] Eva zag.
Hij riep (doen schaamrood zij ontzag te komen nader):
"Mijn bruidjen! treed vrij toe; wij twee zijn doch te gader
Een zelve vleesch en been. Manninne, zijdy daar?
Is 't u te wil? zegt ja; zoo is ons houwlijk klaar."
"Ja, ja!" riep d' eerste maagd, "laat ons de bruiloft vieren,
En de Eng'len noôn ter feest, de voglen, en de dieren."
De bruigom nam zijn bruid, den Schepper zong men prijs,
Men hield er open hof in 't weeldig paradijs.
Maar och! 't en leed niet lang, 't oud Slangevel bezeten[36]
Bekoorde 't jonge Wijf met zotte lust, om t' eten
Van 't korts verboden fruit, om toetsen goed en kwaad,
En Adam, onbedacht, volgt heilloos 's vrouwen raad.
Daar lag een huis!--helaas! uit was 't met al haar weelde,
Zoo fluks begeerlijkheid vernoegd de zonde teelde.
Men weefde 'r vijgeblaân, men school er onder 't lof,
Doen God zijn donderstem liet hooren in den hof.
't Onsterf'lijk boomgroen meer hun haar niet mocht beschimmen[37]:
De gaarde wierd bewaakt van een der Cherubimmen[38]:
Der Vadren bestevaâr[39], in zweet en ongemak,
Most d' akker ploegen, die met doornen van zich stak:
En 's werelds moeder, laas! met duizend smerten tevens
Haar kindren brengen voort in 't bange licht des levens.
Het ongelukkig paar, in d' oogst van zoo veel weên,
Vlood met 't gemoed van de aarde, en bouwde d' hope alleen
Op 't heilig vrouwenzaad, dat haar en haar zaads smetten
Afwasschen zoude, en eens 't Serpent den kop verpletten.
ABEL,
DE EERSTE MARTELAAR.
_Heb._ 11.
Door het geloove offerde Abel Gode een beter offerande als
Caïn, door de welke hij betuigd is rechtveerdig te zijn,
dewijle God over zijne gaven getuigenisse gegeven heeft: ende
door dit zelve spreekt hij nog, hoewel hij gestorven is.
Onnoozel was mijn hert, dies gretig ik beschudde
Voor 's bijtwolfs achterkies, mijn makke, onnoozle kudde,
Terwijle Kaïnbroêr omwroette met den ploeg
Zijn akker, die hem nooit betaalde pachts genoeg.
En wetende, dat ik verplicht was lof te geven
Hem, die mijn vliezen[40] 't gras dede aan de ribben kleven,
Ik Kaïn voorhiel of, als ik mijn lammren-dracht,
Hij d' eerstlingen zijns oogsts ook t' off'ren was bedacht?
Ik had gehoor; wij twee eenmoedig[41] ons verspraken[42],
En deên ons giften op een tweeling-heuvel blaken:
Mijn vuur golfd' hemelwaart, zoo dede ook 's offers smook,
Maar hem bedekte een wolk van neêrgeslagen rook.
Waarom, van gramschaps brand in 't aangezicht ontsteken,
Hij met een stuursch gelaat schiet van mij, zonder spreken.
Ik zuchtte, ik was begaan, en van veel weenens nat,
Omdat ik 's Broeders haat op mij geladen had.
Ik bracht hem een geschenk van lammren zonder smetten,
Op hope om zijnen wrok en piek[43] wat te verzetten;
Dan ach! 't was al vergeefs. Een wijle tijds geleên
Hij mij gemoette op 't veld, geliet hem wel te vreên,
Hij bracht me, ik volgd' hem op een onbetreên passagië,
Benoorden sloegen wij in 't droefst'[44] van een bosschagië,
Die van de voglen nooit gegroet was noch bekend,
En daar tot nog toe nooit kwam mensch noch vee omtrent:
Hij, op zijn luim, als hij zijn tanden had doen knersen,
Een groote keisteen greep, en bliksemde mijn hersen
Met zeenwen[45] uitgerekt: ik sneuvelde, en ik viel,
En zoo ik mij nog repte, hij, met zijn slinker hiel,
Den krop mij worgde toe; daar lag ik zonder sprake,
Het bloed ten monde uitvlood, dat d' Hemel liet de wrake
Van d' eerste broedermoord bevolen; mijnen geest,
Ontschakeld van het lijf, was d' eerste, die ter feest
In 't koor der zielen kwam, en, daar in grooter weerden,
Den broedermoorder hier liet balling op der eerden.
SETH,
DE GODVRUCHTIGE.
_Gen._ 5.
Seth was honderd en vijf jaar oud, en genereerde Enos, en
leefde daar na acht honderd en zeven jaar, en genereerde
zonen en dochteren, dat zijn gansche ouderdom werd negen
honderd en twaalf jaar, en sterf.