"Ik heb er reeds van moeten innemen," antwoordt de Prins op

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed

Proofreading Team at https://www.pgdp.net/

De Prins en Johan de Witt

Of

Ons land in het tweede tijdperk der eerste stadhouderlooze regeering.

Door

P. J. Andriessen.

Vijfde Druk.

Leiden.--A. W. Sijthoff's Uitg.-Mij.

INHOUD.

EERSTE HOOFDSTUK.

De tienjarige Leidsche Student 1

TWEEDE HOOFDSTUK.

Een zeeman, die nog al wat te vertellen heeft 16

DERDE HOOFDSTUK.

Waarin verhaald wordt, hoe de Prins zijne moeder nareisde 30

VIERDE HOOFDSTUK.

Welke plannen drie krullenjongens voor de kermis maakten 43

VIJFDE HOOFDSTUK.

Hoe gevaarlijk het kan worden, om des Zondags de kerk te verzuimen 56

ZESDE HOOFDSTUK.

Hoe een slimme Raadpensionaris een nog slimmeren Prins niet kon

doorgronden 66

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Hoe een echt Hollandsche jongen zich wreekt 81

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Een dure slaapkameraad 97

NEGENDE HOOFDSTUK.

Waarin wij een ouden kennis ontmoeten, die het ver gebracht heeft in

de wereld 113

TIENDE HOOFDSTUK.

Waaruit blijkt dat het hier niet altijd voor den wind ging 131

ELFDE HOOFDSTUK.

Wat er met den Prins op het buurtmaal voorviel en wat de

Raadpensionaris daarover zeide 142

TWAALFDE HOOFDSTUK.

Hoe Johan de Witt zijn plan volvoerde 157

DERTIENDE HOOFDSTUK.

Hoe de Raadpensionaris rekenles gaf 176

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

Hoe onze vloot de Engelschen tuchtigde 194

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

Wat er met den Prins in Zeeland voorviel 209

VOORBERICHT.

Het is een algemeen betreurd feit, dat van de jeugd onzer groote mannen

slechts weinig of niets bekend is. En geldt dit ten aanzien van hun

_openbaar_ leven, de leemte doet zich nog sterker gevoelen, wanneer

men uit hun _intiem_ leven wenscht te putten. Ik ontken dan ook niet,

dat mij de samenstelling van dit boek ontzaglijk veel onderzoek en

nasnuffelen heeft gekost, want onze vroegere auteurs gaven nooit veel

meer dan een _histoire de bataille_; verlangt men dus een _histoire

intime_, dan moet men die uit tal van werken oprakelen. Toch durf ik

zeggen, dat ik gelukkig ben geweest; daar ik hier mijnen lezers eene

geschiedenis van de jeugd van onzen onsterfelijken _Willem_ III mag

aanbieden, waarin alle voorvallen historisch zijn, op slechts twee

[1] na, van welke twee ik toch de verzekering durf geven, dat zij

niet uit de lucht zijn gegrepen, maar geheel en al op het karakter

van den jongen Prins berusten. In 't bijzonder vinden zij dan ook

hier de betrekking van den jeugdigen Oranjevorst tot den eersten man

van zijn tijd, den eenigen _Johan de Witt_.

Ik heb mij dus hier op een nieuw terrein begeven: _vaderlandsche

karakterkunde_. Ik oordeel die hoogst noodig voor mijne jeugdige

lezers. Daarenboven kunnen zij uit dit boek weder veel leeren. Zij

zullen er den voortgang der beschaving in vinden en ook eens in

de vertrekken der aanzienlijken rondkijken, waartoe mijne andere

werkjes minder aanleiding gaven. De toenmalige buurtvereenigingen

schenken hun een nieuwen blik in dien tijd; terwijl een korte schets

van een begrafenismaal hen weder met een eigenaardig gebruik onzer

voorvaderen bekend maakt. De verdere geschiedenis van _De Ruyter_ met

den krijg in het Noorden en de tweede Engelsche oorlog behoorden tot

dit tijdperk, dat ik tot 1668 heb laten loopen, omdat men kan zeggen,

dat in genoemd jaar de eigenlijke jeugd van den Prins eindigde met

zijne mondigverklaring.

Ik heb bij dezen druk niets te voegen, dan aanbeveling van mijnen

arbeid in de voortdurende welwillendheid mijner landgenooten.

P. J. Andriessen.

Sedert de gevierde Schrijver bovenstaand Voorbericht schreef, heeft

dit boeiend verhaal meerdere drukken moge beleven. Thans wordt

aan de Nederlandsche jeugd een vijfde druk aangeboden, welke zich

van de vorigen gunstig onderscheidt door de flinke letter op mooi,

stevig papier en de keurige illustraties in en buiten den tekst,

die de aantrekkelijkheid van dit boek ongetwijfeld hebben verdubbeld.

Moge dit door verdubbelde belangstelling blijken!

De Uitgever.

EERSTE HOOFDSTUK.

De tienjarige Leidsche Student.

Wanneer wij, mijne jonge lezers, op Dinsdagmorgen den 28sten September

1660, langs het _Rapenburg_ te _Leiden_ waren gewandeld, dan zouden

wij hebben blijven stilstaan voor een groot gebouw op den hoek van

de _Langebrug_ (toen _Voldersgracht_); hetwelk echter thans niet meer

bestaat en sedert vervangen is door aanzienlijke woonhuizen. Dat oude

gebouw ziet er allesbehalve aanlokkelijk uit met zijne drie ramen

in de benedenverdieping en zijne dertien in de bovenste, alle met

traliën voorzien en in tweeën verdeeld; het onderste gedeelte door

twee luikjes van buiten gesloten. Wat steken die kleine, als ruiten

gesneden en in lood gevatte glazen treurig af tegen de drie spitse en

met sierlijke torentjes bezette geveltjes, de beide uiterste van één,

de middelste van drie zolderramen voorzien. De naast het huis gebouwde

poort, door een schildwacht bewaakt en die den eenigen toegang tot

het huis geeft, dient er weinig toe om ons tot binnentreden uit te

lokken. Bijna zouden wij meenen, dat het een gevangenis was; doch

dan zouden de bovenramen ook van ijzeren traliën voorzien zijn. Dan

een klooster? vraagt gij. En hierin hebt gij zoo geheel en al geen

ongelijk, ofschoon 't wel te verwonderen zou zijn, als men nog ten

jare zestienhonderd en zestig binnen de stad _Leiden_ een klooster

vond. Ik wil u 't raadsel oplossen.

Het gebouw, voor 'twelk wij staan, was vóór het beleg en ontzet der

stad [2] een klooster, gewijd aan de heilige Barbara en bewoond door

nonnen van de Sint Franciscusorde. Nadat de benarde veste echter voor

goed van 't Spaansche juk verlost was, werd het in 1575 ingericht

tot academie. Toen deze later in een ander gebouw was overgeplaatst,

werd het vroegere St.-Barbara-klooster op stadskosten opgeknapt en

geschikt gemaakt tot een verblijfplaats voor onze Prinsen, wanneer die

te _Leiden_ vertoefden; terwijl het tevens tot huisvesting diende voor

vorstelijke personen. Zoo heeft, nu zeven-en-veertig jaren geleden (in

1613), Prinses Elizabeth, dochter van Koning Jacobus I van _Engeland_

en echtgenoote van Frederik V, keurvorst van de _Paltz_ en naderhand

koning van _Bohemen_, in dat huis gelogeerd. Daar nu haar gevolg en

dat van onzen stadhouder Prins Maurits uit niet minder dan vijfhonderd

personen bestond, en deze allen in dat huis logeerden, kunt gij u

wel voorstellen, dat het een fiksch gebouw is, dat _Princenhof_

(want dien naam draagt het thans), en gij zult niet verwonderd

staan over de groote en hooge vertrekken, de heerlijke zalen, de

ferme paardenstallen, de ruime binnenplaats, die aan de kamers een

genoegzaam licht geeft, en vooral over den grooten wel onderhouden

tuin, die zich achter het gebouw uitstrekt, en welks hooge muren u

nog aan de voormalige bestemming (klooster) doen denken.

Wij gaan dan de poort in en komen op de binnenplaats. Ziet maar eens,

hoeveel ramen. Nu eerst kunt gij u voorstellen, welk een menigte

vertrekken er zijn. Wij blijven hier echter niet lang, maar treden

de steenen trappen met sierlijk gekrulde ijzeren leuningen op,

die ons in het ruime, hooge, met lofwerk gebeeldhouwde voorportaal

brengen. Ook hier vertoeven wij niet; maar gaan de eikenhouten trap

aan onze linkerhand op en komen op een langen, breeden corridor,

waar wij voor een met groen laken bekleede deur stilstaan, welke wij

openslaan, de daarachter zich bevindende deur opendraaien en ons in een

tamelijk ruim vertrek bevinden. Het prachtig goudlederen behangsel

met zijne sierlijke bloemen en ranken, het keurig gebeeldhouwde

noteboomhouten dressoir (buffet), de groote spiegel van venetiaansch

glas, het smyrnasch karpet onder de met marmeren blad gedekte tafel

en de prachtige damasten gordijnen doen u reeds vermoeden, dat deze

kamer tot woonplaats dient van een aanzienlijk persoon; zoo niet de

rijk geborduurde zijden kussens op de ebbenhouten stoelen met hooge

gebeeldhouwde leuningen en gedraaide pooten, de zilveren inktkoker

op de tafel en de groote sierlijke fauteuil met hooge leuning, die

daar voor den vlammenden haard, dicht onder den hoogen en breeden

schoorsteen is geschoven, u daarvan reeds ten volle overtuigden.

Maar waar is de bewoner van deze kamer? Eilieve! gaat een weinig

nader bij de brandende blokken, slechts door een blinkend geschuurd

koperen hekje omgeven, en gij zult tot uwe verwondering zien, dat

wij niet alleen zijn en dat het maar goed is, dat wij geen kwaad

hebben gezegd--anders waren we zeker beluisterd geworden. Daar

in dien hoogen leuningstoel toch zit, in zijden kussens gedoken,

een tengere, ziekelijke knaap, met de voeten op een warme stoof en

de eene hand onder 't hoofd, terwijl de andere een boek vasthoudt,

waarin hij schijnt gelezen te hebben, doch dat hij nu op de knie laat

rusten. Zijn helder en doordringend oog staart op het vuur, als ziet

hij wonder wat in de grillige gedaanten, welke de flikkerende vlammen

aannemen en als is er iets bijzonders voor hem in de van tijd tot tijd

instortende blokken. Hij is nog jong, die knaap: den 14den November

aanstaanden zal hij zijn tiende jaar bereikt hebben. En toch--hoe

jong hij zij, ligt er op dat hooge voorhoofd en dat smalle bleeke

gelaat reeds een waas van ernst, hetwelk men op dien leeftijd niet zou

verwachten. Schoon is hij niet. Zijn adelaarsneus is te groot voor dat

magere gezicht, dat er, kon 't zijn, nog magerder door wordt. Geen

blozende wangen of levenslustige oogen, geen schalksche trek om

lip of mond; de arme knaap is jong, zonder jeugd te hebben gekend:

hij heeft vrij wat meer in de wereld dan die burgerjongen, dien wij

daarstraks op het plein voor de _Sint-Pieterskerk_ met zijne kameraads

zagen knikkeren,--maar zeker zou die voor al het geld der wereld met

hem niet willen ruilen. Toch toont zijne kleeding zijn aanzienlijken

stand aan. Dat zwart fluweelen wambuis met die fijne kanten lubben,

die op de witte, magere handen neerhangen, die satijnen broek van

dezelfde kleur, met korenblauwe linten onder de knie vastgemaakt,

die fijn lederen schoenen met strikken, in welker midden zich een

gouden knoop bevindt en die halsdoek, die als een bef met breede

plooien om den hals gestrikt, in echte Brusselsche kant nederhangt,

doen 't u reeds vermoeden, indien de omgeving in de kamer er u geen

zekerheid van gaf. Die bijna tienjarige knaap--misschien hebt gij

't begrepen--is de hoop van het edele stamhuis van _Oranje_ en van

allen, die het met dat doorluchtige geslacht wél meenen: 't is Willem

Hendrik, Prins van _Oranje-Nassau_, Graaf van _Catzenellebogen_,

_Vianden_, _Dietz_, _Lingen_, _Meurs_, _Buren_ en _Leerdam_,

Markies _van der Veere_ en _Vlissingen_, Heer en Baron van _Breda_,

de stad _Grave_ en het land van _Kuik_, _Diest_, _Grimbergen_,

_Herstal_, _Kranendonk_, _Warneston_, _Arlay_, _Noseroy_, St.-_Veit_,

_Daasburg_, _Polanen_, _Willemstad_, _Niervaart_, _IJselstein_,

_St.-Maartensdijk_, _Steenbergen_, _Geertruidenberg_, de _hooge_

en _lage Zwaluwe_, en _Naaldwijk_, Erfburggraaf van _Antwerpen_ en

_Besançon_ en Erfmaarschalk van _Holland_. 't Is de achterkleinzoon

van den grondlegger onzer vrijheid, den edelen Willem den Eerste,

't is de zoon van den te vroeg gestorven Willem den Tweede en van

Maria Stuart, de oudste dochter van Karel I Koning van _Engeland_.

Ik heb u reeds verhaald, dat de arme Prins zijn vader nooit gekend

heeft. Kort na zijne geboorte begiftigden hem de Algemeene Staten met

een rentebrief van achtduizend gulden 's jaars en legden de Staten van

_Holland_ hem een jaargeld van vijfduizend, _Delft_ van zeshonderd,

_Leiden_ van twaalfhonderd en _Amsterdam_ van duizend gulden toe,

terwijl _Zeeland_ er later nog twee duizend bijvoegde; zoodat onze

knaap, behalve de inkomsten zijner goederen, een jaarlijksch inkomen

heeft van ongeveer achttienduizend gulden, zeker meer dan genoeg

voor een kind van bijna tien jaren. En toch is hij niet gelukkig,

Prins Willem Hendrik. Toch ligt er een verdrietelijke trek op dat

gelaat,--een trek, die aan meer dan lichamelijk lijden doet denken.

Zijn levenslot was dan ook verre van benijdenswaardig geweest. Reeds

weinige weken na zijne geboorte, toen _Zeeland_ den voorslag deed,

hem tot Stadhouder te benoemen, wees _Holland_ dit van de hand. En

gij weet het, hoe bij het vredestraktaat in 1654 de beruchte _acte

van seclusie_ werd vastgesteld, waarbij de Prins werd uitgesloten

van de waardigheden, door zijne voorvaderen bekleed. Maar ook in

den huiselijken kring had de arme Willem Hendrik weinig genoegen

gehad. Reeds kort na zijne geboorte ontstond er twist over de

voogdijschap tusschen zijne moeder, zijne grootmoeder en den keurvorst

van _Brandenburg_, gehuwd met de oudste zuster van Willem II. De eerste

meende daarop recht te hebben wegens het testament van haren gemaal;

de tweede beweerde, dat Prinses Maria die zelf niet meerderjarig was,

geen voogdes kon zijn, en de laatste, die nog verscheidene mededingers

had, begreep, dat slechts een man met de voogdijschap kon worden

bekleed. Na veel twist werd men het eens, dat Amalia van Solms de

helft, en Prinses Maria Stuart en de keurvorst van _Brandenburg_

ieder een vierde der voogdijschap zouden uitoefenen en dus een even

groot gedeelte der goederen besturen.

Hoezeer nu deze zaak in der minne geschikt scheen, bleef er tusschen

de beide Prinsessen een veete bestaan, die niet dan ongunstig op het

karakter van den jongen Prins kon werken. Het had daardoor al dat

opene verloren, hetwelk men van een knaap van zijn leeftijd terecht

kon verwachten, en een kunst van veinzen aangenomen, die zeker leelijk

en veroordeelenswaardig is in een kind, ja in den man;--maar die hem

later tot den grootsten staatsman zijner eeuw maakte. Daarbij had hij

dikwerf grootmoeder over dingen hooren spreken, die voor moeders ooren

niet aangenaam zouden zijn geweest, en moeder had zaken aangeroerd,

die hij bij grootmoeder niet mocht vertellen,--en daardoor had hij,

reeds op zoo jeugdigen leeftijd, de groote kunst geleerd om te zwijgen,

een kunst, die hij zijn gansche leven heeft in practijk gebracht [3].

Hiermede en bij gebrek aan verkeering met knapen van zijn leeftijd,

had het karakter van den jeugdigen Prins een plooi aangenomen, die

men reeds bij den eersten aanblik op dat magere, bleeke gelaat kon

bespeuren: een zekere stroefheid in den omgang met anderen, vooral

met vreemden en in gezelschappen, waardoor zij, die hem niet kenden,

hem voor onaangenaam en lomp hielden. Alleen zij, die meer met hem

omgingen, zijne bijzondere vrienden en kennissen, hadden hem innig

lief en wisten zijne goede hoedanigheden te waardeeren;--jegens hen

was hij somtijds openhartiger, gewoonlijk vertrouwelijker.

Ik vond het noodig, u een blik te doen slaan in het karakter van

den jeugdigen Willem Hendrik. Uit mijn vorig werkje hebt gij gezien,

hoe een geduchte en machtige partij in _Holland_, bekend onder den

naam van "Loevesteinsche factie" of "de staatspartij", tegen zijne

bevordering was en die door alle middelen wist tegen te houden;

gij hebt er ook uit kunnen leeren, hoe er, vooral onder 't volk,

een andere partij was, die deze bevordering wenschte en bij elke

gelegenheid dien wensch duidelijk deed blijken. Ook _Zeeland_ was er

steeds op uit om den Prins te verheffen tot de waardigheden, door

zijne doorluchtige voorouderen bekleed; maar al de pogingen, door

dat gewest aangewend, leden schipbreuk op den weerzin der Hollandsche

aristocraten. Zoo hielden de Staten van eerstgenoemde provincie, die

het welzijn van den jeugdigen Oranjespruit zoozeer ter harte nam, in

1655 bij de andere gewesten aan op het benoemen van een predikant,

die den vijfjarigen Prins in de beginselen van den christelijken

godsdienst zou onderwijzen, en een ander bekwaam persoon, om hem

de taal, geschiedenis en andere noodige wetenschappen te leeren;

de Staten van _Holland_ beweerden daarentegen, dat het geenszins den

Zeeuwen noch der andere Provinciën paste, zich te mengen in 's Prinsen

opvoeding. Het volgende jaar stelden zijne voogden den predikant

Trigland bij hem als onderwijzer in den godsdienst aan, terwijl zij

hem ook in andere noodige wetenschappen lieten onderrichten. Twee

jaren lang genoot hij dat onderwijs.

Toen onze Willem Hendrik nu zijn achtste jaar bereikt had, begreep

zijne moeder, dat het tijd werd, hem hooger onderwijs te geven. De

magistraat van _Leiden_, dit vernomen hebbende, bood der Prinses

niet alleen hare stad en Hoogeschool aan, maar ook het _Princenhof_,

reeds vroeger door zijne voorouders bewoond, zoolang zij te _Leiden_

studeerden; terwijl zij verklaarde het reeds te dien einde te hebben

gemeubileerd en nog verder te zullen meubileeren. De prinses nam dat

aanbod aan en benoemde tot goeverneur over haren zoon Frederik van

Nassau, Heer van Zuijlestein, natuurlijken zoon van Prins Frederik

Hendrik en te dien tijde kolonel van een regiment voetvolk, welken

rang en post hij bij zijne aanstelling behield. Tot zijn leermeester

koos zij den Hoogleeraar Borneus. Het was eerst na eenigen tijd,

dat Prinses Amalia en de Keurvorst in dezen maatregel toestemden.

Op Maandag den derden November 1659 liet de Prins van _Oranje_,

nu ongeveer negen jaren oud, door de Heeren van Heenvliet, en den

kanselier Weyman, aan den President der Staten-Generaal bekend maken,

dat hij den volgenden dag naar _Leiden_ zou vertrekken. Denzelfden

namiddag kwam eene commissie, bestaande uit de Heeren Huygens,

Ripperda, Stavenisse en Renswoude, benevens eenigen uit den Raad,

zijne Hoogheid bedanken voor zijne mededeeling en hem gelukwenschen

met zijn plan. Op Dinsdag den vierden November, dus tien dagen vóór

zijn negenden verjaardag, vertrok hij, vergezeld van zijne moeder

en grootmoeder, in een karos naar _Leiden_, waar hem de Hoogleeraar

Joannes Coccejus, dat jaar Rector Magnificus [4] met een deftige

redevoering in 't Nederlandsch verwelkomde. Hij betrok toen met zijn

goeverneur Zuijlestein en zijn bedienden het _Princenhof_, waar wij

hem in het begin van dit Hoofdstuk aantroffen.

Gedurende zijn verblijf te _Leiden_ was er veel te zijnen gunste

veranderd. Zijn oom Karel Stuart was na den dood van Cromwel in

_Engeland_ teruggeroepen, en had den troon beklommen onder den naam van

Karel II. Genoemde vorst had hier te lande onbekrompene gastvrijheid

genoten en bij het plechtig afscheid, dat hij in 's-_Gravenhage_ van

de Staten-Generaal nam, zijn neef Willem van _Oranje_ zeer in hunne

gunst en in die van de Staten van _Holland_ aanbevolen. Kort daarop

herhaalde zijne moeder deze aanbeveling, hetgeen ten gevolge had,

dat de Staten van _Zeeland_ op den 1sten Augustus 1660 besloten,

hem tot Kapitein-Generaal en Stadhouder van hun gewest te benoemen,

op welk besluit zij ten ernstigste bij de Staten van _Holland_

aandrongen. Beide Prinsessen leverden nu aan de Algemeene Staten het

verzoek in, dat _Hunne_ Edel-Groot-Mogenden zich mochten belasten met

's Prinsen opvoeding. De Staten willigden dit in, "opdat de Prins

dus bekwaam mocht worden tot de bediening der hooge ambten, door

zijne voorzaten bekleed," doch gaven daaraan geene uitvoering. Vier

dagen later echter besloten zij tot de vernietiging van de acte van

seclusie. Keeren wij na deze breede uitweiding tot onzen Prins terug.

"Zijt gij daar, Karel?" zegt hij tot zijn kamerdienaar, een forsch

en stevig gebouwd jonkman van ruim drie en twintig jaren, van wien

hij veel houdt en met wien hij gaarne spreekt.

"Om u te dienen, Uwe Hoogheid," antwoordt deze, die met een klein

fleschje in de eene en een brief met groot lak in de andere hand,

het vertrek is binnengetreden. "Hier zijn de druppels, die de dokter

u heeft voorgeschreven, en hier een brief, zoo op het oogenblik met

den post aangenomen."

"Geef hier den brief, Karel," hervat de Prins, terwijl hij het boek

weglegt en de hand naar het papier uitstrekt.

De kamerdienaar reikt het over en gaat naar het dressoir, waar

hij in een kristallen glas eenig water schenkt, in hetwelk hij het

bepaalde aantal druppels uit het fleschje mengt en dat hij den Prins

aanbiedt. Deze heeft intusschen den brief opengebroken en doorloopt

den inhoud.

"Hier zijn uwe druppels, Uwe Hoogheid," zegt de kamerdienaar.

"Ba! hoe zuur!" zegt de Prins, nadat hij het glas heeft

leeggedronken. "De dokter heeft veel van Mijnheer den Raadpensionaris,"

voegt hij er hardop denkend bij. "Die verstaat ook de kunst om wrange

druppels toe te dienen."

"Of bittere," verbetert de kamerdienaar.

"Karel," gaat de Prins voort, alsof hij die woorden niet gehoord heeft,

"zeg den Heer Van Zuijlestein, dat ik hem verzoek hier te komen. Ik

moet hem spreken."

Terwijl de kamerdienaar het bevel van zijn jongen meester

volbrengt, leest deze nogmaals den brief over. 't Is of de lezing

hem vermoeit;--toen hij gedaan heeft, houdt hij de magere, witte hand

voor de oogen en blijft in gepeins zitten. Het binnentreden van zijn

goeverneur stoort hem in zijne overdenking.

"Gij liet mij roepen, Willem!" begint deze. "Weder die ongelukkige

hoofdpijn! Waarom niet nog wat te bed gebleven?"

"Omdat ik het in het dons niet langer kon susteneeren," geeft de

Prins ten antwoord. "Ik hoopte, dat het wat beter zou worden, als ik

op was. Lees echter dezen brief, dien ik daareven ontving."

De goeverneur neemt den brief en voldoet aan den wensch van den Prins.

"Gij ziet het, Zuijlestein. Mijn oom, Zijne Majesteit Karel II van

_Engeland_, heeft de schepen gezonden, om hare Koninklijke Hoogheid

mijne moeder af te halen. En zij verlangt, dat ik terstond zal

afreizen, om haar vaarwel te zeggen."

"Dat is het uitdrukkelijk verlangen van Hare Koninklijke Hoogheid,

Willem," antwoordt Zuijlestein. "Zij meldt u dat in den brief."

"Alles goed en wel," herneemt de Prins. "Maar ik kan vandaag niet

gaan. Het is mij onmogelijk. Met zulk een hoofdpijn kan ik niet

reizen. Het hoofd klopt mij als een hamer. De oogen branden mij in

't hoofd. Elke beweging, die ik maak, is mij een pijniging. Laat

Widerts schrijven, dat ik heden niet kan komen, maar dat ik, wanneer

het morgen passabel is, zoo vroeg mogelijk zal vertrekken."

"Er is niets aan te veranderen," geeft Zuijlestein ten antwoord. "Het

vertrek der Prinsesse Royal is op morgen gefixeerd, en als wij

vroeg genoeg op reis gaan, kunnen wij haar tot aan het schip

accompagneeren. Hare Hoogheid zal echter zeer gefrustreerd zijn,

daar zij u zeker gaarne den laatsten dag bij zich had gehad."

De Prins antwoordt niet; het is of hij aan de belangstelling zijner

moeder twijfelt.

"Zeg Karel, dat hij Widerts roepe," herneemt hij. Zuijlestein schelt

en deelt Karel het bevel van Zijne Hoogheid mede.

"Moeder had mij wel vroeger kunnen schrijven," herneemt Willem Hendrik

eenigszins bitter.

"De tijding van de aankomst der Engelsche vloot is eerst gisteren laat

in 's-_Gravenhage_ gearriveerd," hervat Zuijlestein verschoonend. "Hare

Koninklijke Hoogheid kon er u dus niet vroeger van preveniëeren."

Op dit oogenblik komt 's Prinsen Raad en schrijver Widerts binnen,

en de Prins geeft hem den inhoud van den brief aan zijne moeder op.

"Meld Harer Hoogheid vooral, dat ik haar zelf zou geschreven hebben,"

eindigt de Prins, "indien de furieuze hoofdpijn mij daarin niet

verhinderde."

Widerts zet zich aan de tafel om den brief te schrijven.

"Ik kan vandaag geen les nemen, Zuijlestein," gaat de Prins voort. "Ik

heb gepoogd wat te studeeren, maar de letters dansen mij voor de

oogen. Laat dus mijne meesters afzeggen, en 't vooral Professor

Borneus weten, opdat hij geen vergeefschen tocht doe."

"Rust en kalmte zijn de beste medicijnen voor u, Willem," herneemt de

goeverneur. "Gij weet het, wat de dokter u gisteren nog zeide. Wij

zullen hem straks wel hier hebben, en hij zal u wel ordineeren,

om naar bed te gaan."

"Ik heb reeds zijn druppels ingenomen. Zij zijn bijtend, scherp zuur."

"Medicijnen zijn niet altijd aangenaam, Willem. Maar zij zijn weldadig

voor het lichaam. Ook onze hemelsche Vader geeft ons wel eens bittere

medicijnen te slikken, om onze ziel te cureeren."

"Ik heb er reeds van moeten innemen," antwoordt de Prins op somberen

toon. "Ha, Widerts, reeds gereed!" herneemt hij op minder treuriger

wijs tot zijn schrijver en Raad. "Laat hooren, wat gij geschreven

hebt."

Widerts voldoet aan 's Prinsen verlangen en leest den in 't Fransch

geschreven brief voor (want het Fransch was toen de hoftaal, en

onze Vorsten van _Oranje_ schreven er altijd in). De Prins zet zijne

handteekening onder den brief en reikt dien zijn secretaris over om

hem te sluiten, te verzegelen en van adres te voorzien.

Twee uren later lag de Prins in de naaste kamer te bed. De dokter

had zulks geordineerd en hem een calmeerend geneesmiddel gegeven

met de hoop, dat hij den volgenden morgen in staat zou zijn, naar

's-_Gravenhage_ te vertrekken. Aan zijn bed zat zijn kamerdienaar

Karel, om hem van tijd tot tijd koele compressen op het hoofd te

leggen en zijn drankje in te geven. Maar een geest als die van

Willem Hendrik kon zich moeilijk in de gedwongene rust schikken,

welke hem was opgelegd. Onophoudelijk woelde hij zich om en om,

hoe ook Zuijlestein hem tot stilte en rust aanmaande.

Deze laatste had 's Prinsen bed verlaten. Karel was alleen met hem

in de kamer. 't Scheen, dat de zieke eenigszins kalmer werd.

"Dek mij wat beter toe, Karel," zeide hij, "en verhaal mij eens van dat

Haagsche oproer, waarvan gij laatst spraakt, toen wij juist gestoord

werden. Ik heb er behoefte aan, dit nu te hooren."

"Indien Uwe Hoogheid mij belooft, stil en bedaard te blijven liggen en

zoo weinig mogelijk te spreken," hernam de kamerdienaar, terwijl hij

de met zijde gevoerde deken terecht schikte en den Prins een nieuwe

compres op 't hoofd legde.

"Dat beloof ik u, Karel," antwoordde de Prins, en de kamerdienaar

begon:

"Het was in den zomer van het jaar 1653, dat Hare Koninklijke Hoogheid

de Prinsesse Royaal met Uwe Hoogheid, die toen derdehalf jaar oud

was, naar _Breda_ was gereisd, om U als baron dier stad te doen

huldigen. Wij Haagsche jongens hadden er de lucht van gekregen, en,

aangevoerd door Koen Aertsen (den zoon van Aert Gerritsz, den barbier

uit het _Gortstraatje_) die voor kapitein speelde, besloten wij Uwe

Hoogheid bij Hare terugkomst in 's _Gravenhage_ deftig in te halen. Dag

op dag trokken wij dan met mutsen en bandelieren van Oranjepapier,

met stokken en Oranjevaandels gewapend, naar het _Zieken_, waar Uwe

Hoogheid moest binnenkomen. Of men Uwe reis opzettelijk vertraagd

had, op hoop dat wij uit elkander zouden gaan, weet ik niet; het

was echter reeds laat in den nacht, toen de vorstelijke karossen

terugkeerden. Daar wij weinig deeg van onzen opschik en van onze

uitmonstering hadden, zoo besloten wij, des anderen daags in dezelfde

toerusting op het _Binnenhof_ te verschijnen.--In groote statie

trokken wij op, terwijl Pieter Hendriksz, die onder ons jongens

den bijnaam had van den duikelaar, omdat hij zoo mooi kon duikelen,

het Wilhelmus op de trompet blies, dat het rammelde en raasde."

"Kan die knaap zoo mooi op de trompet blazen?" vraagde de Prins. "Waar

had hij dat geleerd?"

"Van een vroegeren trompetter van de Oranjegarde, een zekeren Jan

Claeszoon [5], die, toen deze garde in "garde van de Staten van

_Holland_" werd veranderd, zijn ontslag had gekregen. Hij woonde

vroeger in de _Bagijnenstraat_ en was naar _Amsterdam_ vertrokken."

"En wat gebeurde er verder?"

"Men toonde ons Uwe Hoogheid voor de vensters van 't paleis. Toen

was 't eerst een leven: de trompet schalde nog luider en wij allen

schreeuwden onze kelen heesch met "Leve de Prins!"--Maar daar kwamen op

eens de dienaars van den Fiskaal, wien door de Staten van _Holland_,

die dat leven in hunne vergadering niet schenen te kunnen velen en

die wellicht voor meerdere opschudding vreesden, last was gezonden,

om den hoop te verstrooien. Maar juist die maatregel had een verkeerde

uitwerking; want het grauw, dat hierin een beleediging zag, ging naar

't huis van den Fiskaal en wierp er de glazen in. Ook aan de logementen

[6] van _Amsterdam_ en _Rotterdam_ deed men hetzelfde. Men schold de

afgevaardigden en vooral Mijnheer den Raadpensionaris De Witt voor

schelmen en prinsenverraders. Ja, zoover ging men, dat een dronken

Duitscher den Heer Jacob de Witt, den vader van den Raadpensionaris,

aanviel en hem dreigde, "dat men hem wel zou leeren, om den Prins

tegen te spreken." Het was jammer, dat onze betooning van gehechtheid

aan Uwe Hoogheid zulke gevolgen had.--Wij jongens hadden dat geenszins

bedoeld."

Met genoegen had de Prins naar het verhaal van zijn kamerdienaar

geluisterd. Hij viel weldra daarna in een gerusten slaap.

TWEEDE HOOFDSTUK.

Een zeeman, die nog al wat te vertellen heeft.

Wij laten den Prins slapen en willen ons den volgenden dag eens

naar 's-Gravenhage begeven, waar wij in de _Spuistraat_ den

pruikenmakerswinkel van Pieter Dirksz binnentreden. Sedert eenige

jaren was die pruikenmaker er tamelijk bovenopgekomen; want er

was in zijn vak nog al wat te verdienen, sinds de allongepruiken,

uit Frankrijk overgewaaid, hier meer en meer in zwang kwamen. Gij

weet immers wel, wat allongepruiken zijn, en hebt ze zeker wel eens

op oude portretten gezien. Hoe dwaas, zult gij zeggen, als men van

onzen Lieven Heer een goeden krullebol ontvangen heeft, een pruik op

't hoofd te zetten. Wat zal ik u zeggen? De mode is een grillige dame,

en wat wij nu dwaas vinden en bespottelijk, wordt mooi, wanneer allen

het dragen, met andere woorden, wanneer het mode is. De groote heeren

nu van dien tijd droegen lange pruiken met krullen, die op beide zijde

van de borst afhingen en hun een deftig en statig voorkomen gaven. Hoe

zonderling en dwaas nu die mode ook was, zij had het voordeel, dat zij

aan menigeen brood verschafte, en ook onze Pieter Dirksz, die vroeger

een gering haarsnijdertje in de _Zuilingstraat_ was geweest, had het

aan de pruiken te danken, dat hij zijn onaanzienlijke woning en zijn

nederig bedrijf met een vrij wat beteren stand had verwisseld en thans

den titel van _kapper_ mocht dragen. En dat alles was het werk van

zijn oudsten zoon Karel, die, als lakei bij de Prinses Royaal in dienst

gekomen, het door zijne oppassendheid tot 's Prinsen kamerdienaar had

gebracht, in welke hoedanigheid wij hem in onze inleiding bij Zijne

Hoogheid aantroffen. Karel Pietersz toch had weten te bewerken, dat

verscheidene groote Heeren zijn vader de klandizie schonken, en de

Prinses, wien de Oranjegezindheid van den voormaligen haarsnijder wel

bekend was, had aan Pieter Dirksz eenig geld voorgeschoten, waardoor

hij in staat was gesteld, zich het noodige haar te verschaffen en

zijn stand te verbeteren. Dat geld had hij sedert lang terugbetaald.

Wij treden den winkel van baas Dirksz binnen en vinden daar den tweeden

zoon Jacob achter de toonbank zitten, bezig met het opmaken eener

reusachtige allongepruik,--want niet alleen het vervaardigen van die

hoofddeksels verschafte onzen haarwerker goede winsten, het onderhoud

daarvan schonk hem geregeld werk. Wij gaan den twee-en-twintigjarigen

Jacob voorbij en doen de glazen deur achter in den winkel open,

waar wij in het huisvertrek den eerzamen pruikenmaker zien zitten,

luisterende naar het verhaal van een zeeman, dien wij, ondanks zijn

gebruind gelaat, terstond voor den jongeren broeder van Pieter Dirksz

herkennen. Aan de tafel zit Marie, een meisje van twintig jaren,

naar de Prinses Royaal vernoemd, en die sedert moeders dood het

huishouden van haren vader bestuurt. Evert, die op haar volgt,

is niet t'huis, maar bij den smid Joris Gerritsz aan 't werk;

terwijl de veertienjarige Martha en haar dertienjarige broeder

Pieter, de jongste van Dirksz' zestal, een aardige geestige jongen

en vaders naamgenoot en lieveling, naar ooms vertellingen zitten te

luisteren. Aandachtiger luisteraar echter heeft Klaas Dirksz niet

dan zijn jongsten neef. Ziet hem daar zitten, dien blozenden knaap,

terwijl de blauwe, zielvolle oogen onafgewend aan de lippen van den

verhaler hangen en de hand den krullebol ondersteunt, als werd hem die

te zwaar door al het nieuws, dat er in wordt opgenomen. Twee jaren

geleden was zijn oom met den vice-admiraal De With, onder bevel van

den Admiraal Jacob van Wassenaar, naar _Denemarken_ vertrokken, om

den koning van laatstgenoemd land tegen de Zweden bij te staan. Eer

wij echter vernemen, wat oom Klaas te verhalen heeft, moet ik u met

een enkel woord de oorzaak van die zending mededeelen.

Reeds in 1656 had de oorlogzuchtige koning van _Zweden_ Karel Gustaaf,

door het belegeren van de stad _Dantzig_, die wij als de korenschuur

van _Nederland_ aanmerkten, onze Staten genoodzaakt, een vloot van

acht-en-veertig schepen naar de _Oostzee_ te zenden. Het doel van

dezen tocht was bereikt en de vaart op de _Oostzee_ bleef vrij. Toen

echter in 't volgend jaar de krijgskans ten nadeele van Karel Gustaaf

liep, begreep Frederik III, koning van _Denemarken_, dat thans het

rechte tijdstip daar was om de landen te herwinnen, die de Zweden,

veertien jaren geleden, zijnen vader Christiaan IV ontnomen hadden. Hij

verklaarde dus Karel Gustaaf den oorlog, waarop deze een stouten tocht

ondernam, dien niemand vóór hem had durven wagen. Hij trok in Februari

van 't jaar 1658 met zijn leger van slechts achtduizend man, meest

ruiterij, over de toegevroren zee naar _Funen_, alwaar hij _Odenzee_

en _Nyborg_ vermeesterde. Cromwells gezant, Meadow, zond hem een

bode te paard, om hem tot den vrede aan te manen. "Hoe!" zeide de

koning. "Kan die bode over den _Grooten Belt_, dan kunnen wij er ook

over." Hij liet nu zijn leger oprukken en nogmaals over de bevroren

zee trekken om den vijand in zijn land te bestoken. 't Was zoo vinnig

koud, dat men den wijn en het bier bij stukken uit de vaten moest

hakken; om ze te ontdooien. Midden in den nacht nam de tocht een

aanvang. Door de menigte van paarden smolt de sneeuw zoozeer, dat er

op sommige plaatsen wel twee voet water op het ijs stond, en men in

de duisternis elk oogenblik vreesde in de zee te zullen verzinken.

Reeds in den morgen van den volgenden dag kwam de koning op _Langeland_

aan en ging van daar op _Laland_ en _Falster_, welke eilanden hij

bezette. Vervolgens trok hij op _Seeland_ af, nam _Warburg_ in en

stond op het punt om op _Kopenhagen_ af te trekken, toen Meadow zelf

hem kwam opzoeken en er te _Rotschild_ tusschen de beide koningen een

verdrag werd gesloten, waarbij bepaald werd, dat "zij nooit zouden

toelaten, dat eenige vreemde oorlogsvloot door de _Sont_ of _Belt_ in

de _Oostzee_ zou komen." Dit verbond was echter niet lang van duur;

nog in 't zelfde jaar viel Karel Gustaaf in _Seeland_ en sloeg het

beleg voor _Kopenhagen_. Onze Staten, die wel wisten hoe schadelijk

het voor ons zou zijn, indien de Zweden meester werden in 't Noorden,

besloten den admiraal van Wassenaar met een vloot naar _Kopenhagen_

te zenden. De wakkere Kortenaar, zijn raadsman, dien wij reeds als

kapitein op het schip van Tromp [7] ontmoet hebben, was kapitein van

het admiraalsschip, terwijl de Vice-admiraals De With en Floriszoon

onder Wassenaar het bevel voerden.

Keeren wij thans naar de woonkamer van Pieter Dirksz terug. Zijn

broeder Klaas, de zeeman met zijn gebruind gelaat, zijn heldere oogen

die goedhartig uit de beenige kassen zien, zijn reeds hier en daar

grijs geworden bruin, krullend haar, de baard en snorren om wang

en kin, de groote, breede handen, die wel aan een mulat schijnen te

behooren, doen terstond in hem den man herkennen, die lang aan weer en

wind is blootgesteld geweest. Ook aan zijn spreken merkt men dadelijk

den zeeman op, daar hij tal van spreekwoorden in den mond heeft,

van welke de meeste hun oorsprong aan het zeeleven te danken hebben:

vele daarvan echter zijn spreuken uit vader Cats.

"Goê morgen!" begint hij, toen hij zonder eenige de minste komplimenten

binnentreedt. "Hoe maak je 't, Pieter? En hoe varen je kinderen? Wel

seldrement! is dat zoeken. Ik wist niet meer, waar ik mijn boeg moest

wenden, en ik dacht, dat ik mijn bakzeil al moest in halen. Maar

't is met jou ook al, zooals vader Cats zegt: kunst baart gunst."

"Wij zijn allen gezond, Klaas," antwoordt Pieter. "En 't schijnt,

dat jij ook niet onder dokters handen bent."

"Eilacy! Geen beter banket, dan gezond en vet, zegt Cats. Met mij is

't: een blij gemoed en matig goed is wonder zoet. Maar vertel mij

eens, hoe 't je zoo voor den wind is gegaan; want je bent me een

groote mijnheer geworden. 'k Wist niet of ik wel zou bijdraaien,

toen ik daar voor zoo'n mooien winkel stond."

Pieter Dirksz verhaalt zijn broeder, wat er met hem in die twee jaren

is voorgevallen.

"Nu," hervat deze. "Onder 't zeil is 't goed roeien. Wanneer je zulke

bescherming hebt, is 't geen wonder ook. Als je door zulk groot volk

gepraaid wordt, heb je maar op sleeptouw mee te varen. En nou zal ik

je eens vertellen, wat er al met mij in die twee jaren gebeurd is."

"Dat is goed, Klaas," herneemt Pieter Dirksz. "Maar zou je eerst niet

wat gebruiken?"

"Als je er dan op staat, Pieter, geef me dan een oorlam. Je weet

wel wat ik meen, een goed glas brandewijn. Maar een ferm glas, hoor;

want zoo'n kleintje is maar mondtergen."

"En nu," hervat oom Klaas, nu hij van 't noodige voorzien is en zijn

kort eindje pijp heeft aangestoken, "nu het zeil in top, en er op

ingevaren. Je weet, dat ik aan boord van den vice-admiraal De With,

zaliger gedachtenis, als stuurman geplaatst was. 't Was een dekselsch

mooie vloot, mooier dan ooit onze havens verlaten heeft. Onze tocht was

echter niet zeer voorspoedig; want eerst den 3den November kwamen wij

in de nabijheid der _Sont_. Toen ging 't er op los. Wij moesten door

twee vuren heen en tegen het vuur in. Aan onze linkerhand hadden wij

het kasteel _Helsingborg_, aan onze rechter het slot _Kronenburg_,

door de Zweden op de Denen veroverd, en vlak voor ons de Zweedsche

vloot onder Graaf Karel August Wrangel."

"Is die niet vroeger een jaar in ons land geweest, om zich met de

zeewezen bekend te maken?"

"Wel mogelijk. Je wordt meest gebeten door je eigen

honden. Intusschen--onze De With, die de voorhoede kommandeerde, dacht:

goede moed is het halve teergeld! Met zijn "Brederode", het schip,

waarop Tromp zoo menige zege op den vijand bevocht, stort hij zich

als een leeuw door de regenbui van kogels heen, die ons van drie

kanten te gemoet worden gezonden. Ik sta aan het roer zoo bedaard

als ik hier zit, terwijl de blauwe boonen mij om de ooren fluiten."

"Hé, oom!" roept Pieter uit. "En werdt u niet bang?"

"Bang, Pieter! Ik bang? Kom, smidskinderen zijn wel vonken gewoon,

dacht ik, en als er geen kogel bij is waar je naam op staat, zal

je er wel goed door komen. En zoo stuur ik recht door de voorhoede

heen tot vlak bij den vijandelijken admiraal.--"Bijdraaien!" roept De

With, en op het oogenblik dat ik het schip van Wrangel praai, "pang,

pang, pang!" daar krijgt hij de volle laag. Hij keek, alsof hij het

te _Keulen_ had hooren donderen, die Zweed; het kwam hem ook zoo

onverwachts op het lijf. Maar wij laten hem geen tijd tot bezinnen;

want met beter te hopen is de tijd verloopen, en onze admiraal, die

begreep dat hem de eer toekwam om het admiraalsschip te bevechten,

vaart hem aan het andere boord, en geeft hem ook de volle laag,

waardoor de Zweed zijn roer verliest en zich genoodzaakt ziet onder

_Kronenburg_ te loopen."

"Nu, dat was ferm, oom!" roept Pieter verheugd uit. "Dat had hij net

verdiend, om hier het zeewezen te leeren en dan zijn kunst tegen ons

te gebruiken."

"Dat is nu tot daaraan toe, jongen! Uilen vliegen met geen bonte

kraaien, en Wrangel was van ouder tot ouder een Zweed en moest dus

zijn land voorstaan. De vice-admiraal intusschen beveelt mij te

wenden, voort gaat het, en "pang, pang, pang!" sturen wij het schip

van Bielkenstjern insgelijks wat blauwe boonen in de romp. Maar twee

Zweedsche schepen kwamen hem te hulp en nu was het één tegen drie."

"Dat is valsch," valt Pieter zijn oom in de rede. "Een tegen een

is het altijd bij ons jongens, als wij vechten. Drie tegen een is

geen partuur."

"Maar, Piet," herneemt oom Klaas, "in den oorlog vraagt men niet

naar partuur; daar doet men zijn best om elkander te vernielen. Onze

dappere vice-admiraal intusschen was geen kat om zonder handschoenen

aan te tasten. Hij gaf hun het lapje vrij duur, hoor; want het was

hier terecht: bloô Jan, doô Jan. Een der beide aanvallers vloog

in de lucht, de andere liet ons zijn achtersteven zien en koos het

hazenpad; alleen Bielkenstjern bleef vechten als een leeuw. Maar wat

wilde het ongeluk? De snelle stroom deed de beide schepen wegdrijven

en aan den grond geraken. Het roer zat als gemetseld. Dat merkte een

Zweed. Men moet het ijzer smeden, terwijl het heet is, dacht hij,

en gaf ons de volle laag."

"Dat was laf!" roept Pieter uit, terwijl zijne oogen vlammen

schieten. "Een weerloozen vijand mag men niet aanvallen."

"Je weet alweer niet, hoe het in den oorlog toegaat, Pieter," herneemt

de oom. "En onze De With toonde maar al te goed, dat hij niet weerloos

was; want twee uren lang hield hij het uit, ofschoon ons schip door

de kogelgaten wel een zeef geleek en zoo lek was als een mand. Maar,

wat drommels jammer was en mij geweldig speet: twee kogels troffen

den dapperen vice-admiraal. "Jongens! houdt moed!" riep hij. En de

jongens hielden moed, dat verzeker ik je. Maar tegen de Bierkâ is

het kwaad vechten. De Zweden enteren onzen "Brederode" en springen

er in menigte op over. De arme De With, door bloedverlies uitgeput,

kan niet meer staan. Hij valt op de knieën en zwaait nog den degen,

terwijl hij volstandig weigert zich over te geven. Eindelijk is

hij geheel en al uitgeput, men grijpt hem aan en sleurt hem van het

schip. Stervend vestigt hij nog de brekende oogen op zijn vaartuig. En

ziet, zijn wensch wordt vervuld: "de Brederode" valt geen vijand

in handen: het water dringt door de menigte van kogelgaten heen,

het schip zinkt als een baksteen."

"Dat was ferm!" vindt Pieter, terwijl hij in de handen klapt. "Nu

had die leelijke Zweed er toch niets bij gewonnen."

"Dat had hij niet. Maar zeg niet leelijke Zweed. De bevelhebber van

het vijandelijke schip had zijn plicht gedaan, evenals wij. En weet

gij wat Koning Karel Gustaaf deed? Toen het lijk van den dapperen

vice-admiraal te _Elseneur_ aan wal werd gebracht, stond de edele

vorst, in rouwgewaad gekleed, omringd door zijn ganschen hofstoet om

het met eere te ontvangen en kon hij zijne tranen niet bedwingen."

"Dat vind ik nu heel mooi," hernam Pieter. "Maar wat had de admiraal

Van Wassenaar in al dien tijd gedaan, oom?"

"Die had gevochten als een leeuw. Ofschoon een derde van zijn

scheepsvolk gekwetst of gedood was, zijn boeg en konstabelkamer

in brand waren geraakt, zijn want grootendeels was afgeschoten,

de romp van zijn schip vol kogelgaten zat, en het water reeds in

het hol steeg, bleef hij den ongelijken strijd tegen de vijandelijke

schepen volhouden, terwijl hij bedaard bleef zitten in een stoel vóór

de kampanje."

"Was hij dan zoo moe?"

"Wel neen; maar hij had zoo geducht de jicht, dat hij niet kon staan

of loopen; dus moest hij wel zitten. Eindelijk liepen de vijanden

van hem af en zeilde hij naar de vloot bij _Kronenburg_ terug. De

Zweden hadden zeven schepen verloren, waarvan drie den onzen in

handen waren gevallen; wij slechts "de Brederode" en drie verbruikte

branders. Jammer maar, dat wij onder de dooden de beide vice-admiralen

Witte Corneliszoon de With en Floriszoon telden [8].

"Maar oom! Hoe ging het met u? Gij zijt toch niet met "de Brederode"

gezonken?"

"Domme jongen! Dan zou ik niet hier zitten. Ik werd met al mijn

kameraads gevangen genomen en te _Elseneur_ in den kerker gezet. Daar

zaten wij den geheelen winter met ons twaalven in een donker,

vochtig hok te brommen. Maar wij besteedden onzen tijd goed. Wij

hadden opgemerkt, dat langs onze gevangenis de gracht van het kasteel

stroomde, en nu besloten wij, de traliën los te vijlen en zoo de

haven uit te raken. Dat ging echter zoo gemakkelijk niet; want wij

hadden geen gereedschap. Een onzer echter had zijn "kortjan" weten

te verbergen, en nu maakten wij daarmede steenen uit den muur los,

die wij scherp slepen en waarmede wij langzamerhand de dikke ijzeren

staven doorvijlden. Dat kon echter alleen 's nachts gebeuren. 's

Morgens maakten wij het gevijlde met wat brood met vijlsel vermengd

toe; met hetzelfde brooddeeg verborgen wij de plaats der uitgebroken

steenen. 't Was echter eerst in de laatste helft der maand, dat onze

reuzenarbeid voltooid was. Op zekeren donkeren regenachtigen nacht

lichtten wij de ankers, namen de reeds losgemaakte tralies uit,

kwamen zoo in de gracht, zwommen over en laveerden op handen en

voeten langs den grond tot in een klein kreupelbosch, niet ver van

het kasteel, dat wij uit onze gevangenis hadden kunnen zien en tot

ons vereenigingspunt bestemd hadden. Van hier wendden wij den boeg

regelrecht zuidwaarts, steeds reizende bij nacht, en bij dag ons

verbergende. Eindelijk kwamen wij aan de zee, en, verbeeldt u onze

blijdschap, toen er eensklaps, niet ver van de kust, een vloot voor

ons lag en wij, bij het schijnsel der maan, de Statenvlag van de

masten zagen wapperen. Wij sprongen in zee en zwommen naar 't eerste

schip het beste. 't Was "Het huis te Zwieten", op hetwelk de dappere

vice-admiraal De Ruyter het bevel voerde, die den 20sten Mei met

een vloot van 40 linieschepen tot versterking van Wassenaar naar 't

Noorden afgezonden was. Wij werden terstond met opene armen ontvangen

en op verschillende schepen ingedeeld. Ik kwam als tweede stuurman op

"Het huis te Zwieten" en bleef verder op dien bodem."

"Zoodat gij dus in de onmiddellijke nabijheid van den dapperen Zeeuw

waart," hervatte Pieter Dirksz.

"Juist. Onze vloot vereenigde zich kort daarna met die van

Wassenaar. 't Was een statig gezicht, die vijf-en-twintig

oorlogsschepen met hare galjoten en branders te zien zeilen, een

gezicht, dat mij het hart onder het baaitje deed zwellen. In het begin

van November echter keerde de admiraal van Wassenaar, die ernstig

ongesteld was, naar het vaderland terug, en De Ruyter behield nu,

volgens last der Staten, het opperbevel over de geheele vloot, die

koers zette naar het eiland _Funen_, dat nog altijd in de macht der

Zweden was. Het krijgsvolk werd onder aanvoering van den ritmeester

Hendrik van Fleury, heer van Buat, te _Kartemunde_ ontscheept. Dat ging

echter zoo gemakkelijk niet. Aan de eene zijde stonden twee, en aan de

andere zijde drie regimenten Zweedsche ruiters, terwijl de dragonders

de stad bewaarden. Men opende een hevig kartetsvuur op onze sloepen,

in een van welke zich De Ruyter bevond, die een oog in het zeil wilde

houden. Ik zat aan het roer en de kogels floten mij om de ooren."

"Nu werdt gij toch zeker wel bang, oom?" vraagde Pieter.

"Wel neen.--In zulke gevallen moet men het woord vrees slechts bij

naam kennen, evenals onze De Ruyter. Toen hij zag, dat er eenigen van

de onzen sneuvelden, riep hij onophoudelijk: "Valt aan, mannen! Valt

aan, of gij zult allen samen vermoord worden."

De Prins en Johan de Witt of ons land in het tweede tijdperk der eerste stadhouderlooze regeering · 第 1 / 15 段