VERVOLG VAN HET VOORGAANDE HOOFDSTUK.

De kamerdienaar had reeds eenige keeren aan de deur geluisterd, of de

heer ridmeester nog niet opstond. Zoodra hij derhalve in de kamer

beweging hoorde, klom hij de ladder op, trad in het vertrek, en sprak,

zich eerbiedig buigende: "heer ridmeester, hebt gij wel geslapen onder

het vreemde dak?" "Ik heb zoo goed geslapen," antwoordde de graaf, "als

ooit vroeger in mijn leven!" "Nu, dat te hooren, verheugt mij!" hernam

Oskinski, gelijk hij heette. "Doch ga thans met mij mede! In het

benedenvertrek heb ik een avondeten laten gereed maken, dat zoo goed is,

als ik het door de overhaasting maar kon klaar maken. Daar wacht uw

bediende u aan tafel."

Toen August beneden was gekomen trof hij zijnen George aan, en tevens

bemerkte hij, dat de tafel voor twee personen was gedekt. Toen hij, zich

aan tafel willende nederzetten, George daarom de eene plaats aanwees,

wilde deze echter niet gaan zitten, maar verkoos zijnen meester over

tafel te bedienen.

"Dat zal evenwel niet gebeuren!" riep August levendig uit. "Gij waart

tot nog toe mijn trouwe lotgenoot; daarom moet gij ook thans mijn

medgezel blijven, nu mijne omstandigheden zich schijnen verbeterd te

hebben, en ook aan dezen aangenamen maaltijd deelnemen, gelijk onze

edele gastheer ook schijnt bedoeld te hebben. Wij menschen moeten

immers, als broeders en zusters, leed en vreugde met elkander

deelen!--En gij, mijnheer Oskinski," vervolgde hij, zich tot den

kamerdienaar wendende, "gij moet nog een couvert op tafel laten zetten,

en met ons medeëten!" De eerlijke Rus opperde tegen dit voorstel

oneindig minder bezwaren, dan George. Hij liet het couvert brengen en

nam bij de Duitschers plaats. Vervolgens werd wildbraad, gevogelte,

visch, en wat Rusland nog meer oplevert, opgedragen, waarbij de gasten

daarenboven nog op eenige flesschen lekkeren wijn onthaald werden. De

Rus vermaakte zich bovenal met het laatste artikel, en van lieverlede,

toen hij, zoo als men het gewoonlijk noemt, een stevig glaasje wijn had

gedronken, werd hij regt vrolijk en spraakzaam.

"Maar zeg mij nu toch eens," zoo vroeg August hem, "wie is nu eigenlijk

uw goede heer, die voor ons zoo onuitsprekelijk goed, gul en gastvrij

is?"

"Ja," antwoordde de Rus, "gij moogt hem wel goed, gul en gastvrij

noemen! Mijn meester is een goed heer, vriendelijk en hulpvaardig! Hij

is heer van Koslou, keizerlijk Russische raad, en heeft met de

leveranciën voor het leger drukke bezigheden. Eigenlijk woont hij niet

hier, maar te Petersburg. Dit huis heeft hij enkel gekocht, om als hij

langs dezen weg reist hier altijd een weinig te kunnen uitrusten. Gij

moet weten, dat zijn weg hem veelvuldig door deze streken voert. Hij zou

dit huis wel nieuw hebben laten opbouwen; doch dat heeft hij wijselijk

wegens den oorlogstijd, waarin wij leven, gelaten. Het huis had het

overigens wel noodig! Doch, zoo als ik zeide, hij heeft het wegens den

oorlog gelaten, en enkel de kamer, waarin gij heden geslapen hebt, voor

zijn gebruik in orde laten brengen. Den ingang tot het vertrek heeft hij

echter verborgen gehouden. En hij had groot gelijk! Hij zeide ook: "dit

is noodzakelijk! want het zou anders ligt kunnen gebeuren, dat anderen,

wanneer ik hier aankwam, er zich reeds hadden ingekwartierd."--Maar, om

u eerlijk de waarheid te zeggen, het verwondert mij grootelijks, dat hij

het u tot uw gebruik heeft afgestaan, al had hij het juist in deze dagen

zelf niet noodig. Nog meer bevreemdde het mij, dat hij, om u gezelschap

te houden, zijne reis wel een uur langer heeft uitgesteld, dan zijn

voornemen was. En--ik zeg dat, omdat wij toch toevallig over dit alles

aan het spreken kwamen--het allermeest ben ik verbaasd, dat hij mij tot

uwe bediening achterliet! Hij was juist op weg naar het leger. Nu moet

gij weten, dat mijn meester geheel aan mijne bediening gewend is, en

mijn gemis hem dus moeijelijk moet vallen. En toch beval hij mij, toen

hij dezen middag zoo lang met mij in het Russisch sprak, dat ik u geheel

als mijnen heer moest aanzien, en u met dezelfde oplettendheid moest

bedienen, als waart gij mijn heer zelf. Hij droeg mij nog allerlei

dingen op; ja, in persoon ging hij nazien of alles wel aanwezig en in

goede orde was, wat u maar genoegen zou kunnen doen, of u dit verblijf

gemakkelijk zou maken. Hij beval mij regt nadrukkelijk, niet het

allergeringste te verzuimen, wanneer ik u bediende. Hij zou, verzekerde

hij mij, bij u naauwkeurig uitvorschen of ik hem stipt gehoorzaamd had.

Nu, ik hoop, heer ridmeester, dat gij over mij tevreden zult wezen, en,

als de heer van Koslou terugkomt, eene gunstige getuigenis van mij zult

afleggen. Dan, vergeef mij, ik moet nog het een en ander in orde

brengen!"

Met deze woorden verliet hij het vertrek. Toen hij eenen geruimen tijd

later weder binnen kwam, bespeurde hij, dat zijne gasten, die van hunne

vermoeijenissen nog niet geheel bekomen waren, slaperig begonnen te

worden. "O zoo!" zeide hij dienstvaardig, "ik zie, dat gij u gaarne te

bed zoudt willen begeven. Zeer wel! Alles is daartoe gereed."

Hij nam twee zilveren blakers van eene tafel, die ter zijde stond, stak

de waskaarsen aan, en lichtte den graaf, in zijne eene hand de twee

blakers houdende, de ladder op. In de alkove lagen, op een daartoe

bestemd meubelstuk, hemden, dassen, zakdoeken en kousen. Over eenen

stoel hing een slaaprok van het fijnste katoen en met flanel gevoerd.

"Daar ligt schoon linnen en toebehooren," zeide Oskinski, "en deze

slaaprok is nog geheel nieuw. Wanneer gij hem morgen wildet aanhouden,

zou ik zorgen dat uwe uniform, zoo goed men het hier kan, versteld werd.

Uw bediende slaapt, op bevel van mijnen heer, vlak bij u; namelijk in

het kleine zijvertrek, waar ik anders plagt te rusten. Wanneer gij

toevallig het een of ander mogt noodig hebben, wees dan zoo goed, even

met de zilveren bel te schellen, die ik op uw nachttafeltje gezet heb.

Ik zal dan oogenblikkelijk verschijnen."

De nachtegaal Verhalen voor de jeugd · 第 19 / 33 题