Het was een koude Novemberavond. De wind streek ruw over de straten en
huizen. Daarbij begint het zachtjes te sneeuwen.
De schildwacht voor het wachthuisje wikkelt zich dichter in zijn mantel
en loopt, met het geweer in den arm, vlug heen en weer om warm te
worden.
De gasvlam in haar glazen kastje schijnt het ook koud te hebben, want
zij schudt telkens heen en weer en flikkert ongeduldig.
Het overdekte voorplein voor de wachtkamer, waar anders de soldaten hun
pijpen rookend op de banken zitten te praten, is leeg.
Alle manschappen zijn in de wachtkamer.
Daar is het om dezen tijd veel behaaglijker, want de gegooten kachel
verspreidt veel warmte.
De aflossing der wacht is voorbij.
Nieuwtjes van beteekenis, die in een wachtlokaal opgang kunnen maken,
zijn er niet en ook geen enkele arrestant is er gebracht.
De soldaten zoeken hun tijd zoo goed mogelijk te verdrijven.
Bijna allen hebben plaats genomen op de warme kachel, terwijl een van
hen nog bovendien voor de kacheldeur op den grond gehurkt ligt om
voortdurend het vuur bij te vullen, want er mag geen hout overblijven,
de volgende week komt er weer nieuw.
Het gesprek is zeer verdeeld en wordt door de verschillende partijen
zoo zacht mogelijk gevoerd, want aan het venster van het kleine
tafeltje zit de gestrenge korporaal iets in het wachtboek te schrijven
en in deze zeer gewichtige bezigheid laat hij zich niet gaarne storen,
wat hij reeds eenige keeren te verstaan heeft gegeven.
Na een klein kwartier is hij echter gelukkig klaar. Het boek wordt
dichtgeklapt en met een vloek over die „beroerde schrijverij”
weggeschoven.
Daarop strijkt mijnheer de korporaal behaaglijk over zijn rossigen
knevel, kijkt met zijn eene oog veelbeteekenend naar een ledige
bierkruik, die op het tafeltje staat en met het andere een der soldaten
aan.
Deze begrijpt zijn meerdere onmiddellijk en met een sprong staat hij
voor dezen, zwijgend diens bevel afwachtend.
Dit wordt eveneens zwijgend gegeven, doordat mijnheer de korporaal uit
de diepte van zijn broekzak een klein leeren beursje te voorschijn
haalt en daarop met voornaam gebaar een geldstuk op tafel werpt.
Hierop wijst hij met zijn vinger naar de ledige kruik en daarna in de
richting waar het bierhuis zich bevindt, waarvan zijn bier gehaald moet
worden.
Snel neemt de soldaat de kruik en het geldstuk, zet zijn dienstmuts op
en gaat heen.
Mijnheer de korporaal echter neemt met een deftig gebaar zijn
tabakspijp, die in de vensterbank staat en die hij zorgvuldig met
„Porto-kazerno” vult.
Nauwelijks is dit geschied, of een ijverig krijgsman houdt een
brandenden lucifer zoo lang boven de pijp van zijn superieur, tot deze,
als een locomotief, dikke wolken uitblazend, met een genadige
handbeweging te verstaan geeft: „Het is goed, mijn waarde!”
Op hetzelfde oogenblik wordt ook de goedgevulde bierkruik voor den
dorstigen chef neergezet, op wiens gelaat zich plotseling een
uitdrukking van tevredenheid vertoont, die nog verhoogd wordt door een
flinken teug uit de bierkruik.
Daarna leunt mijnheer de korporaal in zijn stoel achterover, legt zijn
linkerbeen over het rechter en verzinkt in aangename gedachten.
Dit is het gewichtige oogenblik, waarop de manschappen reeds lang
hebben gewacht.
Het gesprek wordt steeds vrijer en levendiger. Men vertelt elkaar met
luide stem allerlei geschiedenissen, lacht, speelt met de vieze kaarten
en vloekt er bij.
Schnapper en Barthelmes echter, twee onrustige jongelui, amuseeren zich
met iets anders, waarover de anderen eveneens pret hebben. Zij plagen
elkaar wederkeerig.
„Nu, Barthelmes,” zegt Schnapper met een spotlachje, terwijl zijn
breede mond zich tot aan de ooren uitrekt.
„Nu, hoe is onlangs die familie-aangelegenheid bij je thuis met dat
varkensvleesch afgeloopen?”
Allen spitsten de ooren bij die woorden en zien Barthelmes aan, die
rood wordt van ergernis.
„Waarom? Wat gaat het jou aan?” vraagt hij kortaf. „Jij hebt als je
thuis komt, geen varkensvleesch in je zuurkool!”
„Wat is er met dat varkensvleesch gebeurd?” vragen de anderen
nieuwsgierig.
„Och, wat zal er gebeurd zijn?” lacht Schnapper boosaardig. „Onlangs
heeft Barthelmes bij zijn kapitein om verlof gevraagd voor een
dringende familie-aangelegenheid.—Wat is dat voor een
familie-aangelegenheid? vroeg de kapitein.—Mijnheer de kapitein, zei
Barthelmes, mijn familie thuis slacht elk jaar een varken en dan krijg
ik altijd een stuk vleesch gestuurd—Je zult verlof hebben voor je
varkensvleesch, heeft de kapitein lachend geantwoord, maar kom niet te
laat terug!
„Heel goed, kapitein, heeft Barthelmes geantwoord, maar hij is juist te
laat teruggekomen.—Twee dagen arrest! heeft de kapitein bevolen. Hé,
oudje, aan dat vleesch in je zuurkool denk je zeker nog lang?”
Een hartelijk lachen klinkt door de kamer.
Barthelmes wordt purperrood in het gelaat. Men kan aan hem zien, dat
hij van plan is, met gelijke munt te betalen.
Alles is doodstil om goed te kunnen hooren, hoe nu Barthelmes Schnapper
op zijn kop zal geven.
„Ja, dat is zoo,” antwoordt Barthelmes, met een kwaadaardig lachje
Schnapper aankijkend, die van vreugde over zijn eigen geestigheid zijn
mond spitst als een karper; „ja, dat is wel waar,” vervolgt hij
glimlachend, „jij kunt je wel amuseeren ten koste van een ander, want
je kwade tong is nog voor langen tijd gesmeerd door het heerlijke,
welriekende brood bij luitenant Von Silberstein!”—„Houdt je grooten
mond!” valt Schnapper hem in de rede, „die geschiedenis is totaal
gelogen!”—„Zoo, gelogen? Ei, wat je zegt!” spot Barthelmes, die heel
zeker van zijn zaak schijnt te zijn, „die boter riekt nog uit je mond
en bovendien heeft Johan van den luitenant het mij verteld en die liegt
nooit, dat zou zijn heer niet dulden!”—„Voor den dag met die
botergeschiedenis!” riepen verscheiden ongeduldige stemmen, „vertel
maar Barthelmes, Schnapper met zijn lange tong komt wel eens iets toe.”
Schnapper zegt niets meer, maar hij kijkt Barthelmes aan als een
nijdige hond.
„Dus,” begint de andere, „het kan ongeveer een half jaar geleden zijn,
kort voordat de luitenant verplaatst werd en Schnapper was nog een
groene rekruut. Daar komt op een keer Johan van den luitenant in de
kamer en zegt tegen Schnapper, die een landgenoot van hem is:
„Kom, help mij mijn meester kleeden, hij moet vanavond naar het hofbal,
ik kom er alleen niet mee klaar en ik zou het niet prettig vinden als
mijn heer door mijn schuld een uitbrander kreeg van den koning, omdat
hij er niet correct uitziet.”
Schnapper gaat met Johan mee.
Deze geeft hem in de voorkamer een paar laarzen om te poetsen en een
sabel om schoon te maken, haalt er ook een potje bier en een stuk brood
bij en zegt:
„Eet smakelijk, ik ga intusschen mijn meester friseeren.”
Dat laat Schnapper zich natuurlijk geen tweemaal zeggen.
Het bier is goed, het brood een beetje droog, denkt hij en een stukje
boter zou niet misplaatst zijn. Hij kijkt eens om zich heen en ziet op
tafel een potje staan, dat met een papier is bedekt en als hij het
openmaakt, ziet hij er iets in, dat hem voorkomt, boter te zijn.
Bliksemsnel smeert hij zijn brood er dik mee in en laat het zich
kostelijk smaken.
Intusschen komt Johan uit de andere kamer, zoekt iets, maar kan het
niet vinden.
„Drommels, waar is het potje,” vraagt hij boos, „heb je het potje niet
gezien, vriend?”
„Het potje?” vraagt hij, „wat is er met een potje? Daar is het immers!”
Johan kijkt er naar en schrikt zich halfdood, als hij ziet, dat het
leeg is.
„Maar het is leeg!” zegt hij
„Natuurlijk is het leeg,” zegt Schnapper, „dacht je, dat ik mijn brood
droog eet, als ik er boter op kan krijgen?”—
„O groote goedheid!” jammert Johan, „nu heeft die stommeling de pomade
van mijn meester opgegeten, waarmee moet ik hem nu pomadeeren voor het
hofbal?”
„Nu gaat Schnapper een licht op. „Zoo? Pomade?” zegt hij met een
ellenlang gezicht, „ik dacht al, die boter heeft een eigenaardigen
bijsmaak! Waarom heb je je pomadepot zoo vlak bij het bier en brood
gezet?”
„Johan heeft wel erg gevloekt, maar de pomade was op en daarna heeft
hij zijn landgenoot nooit meer gehaald, als hij zijn meester voor het
hofbal moest kleeden.
„Nietwaar, kameraad, zoo is het geweest? En als wij weer een marsch
gaan maken en ik als goed kameraad naast je loop, zal ik het pomadelied
voor je zingen, waarvan ik al een couplet heb gedicht. Ik zal het je
eens voorzingen.”
Bij die woorden staat Barthelmes op en zingt onder allerlei komische
gebaren:
„Zoo trekt onze Schnapper welgemoed
Voor ’t vaderland waagt hij goed en bloed,
Gaat zelfs ervoor in den dood,
Gesterkt door pomadebrood!”
Allen stemmen in met het vroolijke liedje, tot grooten schrik van den
korporaal. Het gezang zwelt aan tot een waar gebrul, dat echter
plotseling verstomt.
De deur, die naar de officierenwachtkamer leidt, wordt geopend en de
wachthebbende luitenant verschijnt met toornig gelaat op den drempel.
„Wat is dat hier voor een duivels lawaai?” schreeuwt hij. „Slaapt gij,
korporaal, of zijt gij doof?”
Met stijve bewegingen richt zich de korporaal op en gaat in de houding
voor den luitenant staan, die er uitziet als de vertoornde Mars.
„Het rumoer kwam plotseling, luitenant! Die beide lummels, luitenant,
Schnapper en Barthelmes, die vervloekte kerels, hebben het schandaal
eigenlijk uitgelokt. Eerst hebben zij elkaar uit gekheid een beetje
geplaagd, maar toen heeft Schnapper Barthelmes de waarheid gezegd. Toen
is de ander ook begonnen en heeft zelfs een liedje gezongen, waarmee de
anderen instemden. En toen was het of de duivel losbrak.
„Schnapper, luitenant, is de oorzaak van het lawaai, anders niemand.
Want als soldaat moet Schnapper toch weten, dat men in gekheid alles
mag zeggen, maar alleen de waarheid niet.”
„Zeer juist!” sprak de luitenant, eenigszins tevreden gesteld,
„Schnapper zal gestraft worden wegens het op ongepaste wijze
verkondigen van de waarheid en de anderen ook. Ik wil rust hebben,
begrepen? Of de duivel zal— — — —Wacht in het geweer!!!!”