[1] "Mythen en Legenden uit de Middeleeuwen", door
H. A. Guerber, bewerkt door Dr H. W. Ph. E. v. d. Bergh
v. Eysinga.--Zutphen.--W. T. Thieme & Cie. hoofdstuk XI en XIV.
[2] Zie Inleiding tot de Sage van Tristan en Isolde.
[3] Eene bewerking van het gelijknamige gedicht van Chrétien de Troies.
[4] In het jaar 401 werden de Romeinsche legioenen naar Italië
teruggeroepen, om dit land te helpen verdedigen tegen de invallen
der barbaren.
In 410 waren de laatste Romeinen uit Brittannië verdwenen en werden
de oorspronkelijke bewoners van het land, na ongeveer 300 jaar door
hen geregeerd geweest te zijn, weder aan hun eigen lot overgelaten.
[5] Zie hiervoor het verhaal van Kilhwch and Olwen in de bekende
sagenverzameling van Wales: The Mabinogion, Engelsche vertaling
van Lady Charlotte Guest, Everyman's Library, London, Dent. De naam
"Mabinogion" is een verzamelnaam voor de overleveringen, liederen en
sagen, welke de jongeling, die zich voor het ambt van Bard bekwamen
wilde, behoorde te kennen. De Barden vormden eene afzonderlijke
klasse, waartoe men eerst na eene strenge, letterkundige opleiding
kon worden toegelaten. Hij, die zich hieraan onderwierp, werd Mabinog
genoemd. In de inleidingen tot de verschillende sagen zal ik nog
meermalen gelegenheid vinden om op den Mabinogion terug te komen.
Zie ook over de Mabinogion-verhalen en de plaats der
Arthur-sage in de Keltische literatuur: "Keltische Mythen
en Legenden", door T. W. Rolleston, bewerkt door Dr
B. C. Goudsmit.--Zutphen.--W. J. Thieme & Cie., bld. 308 e. v.
[6] De naam Camlan wordt ook genoemd in "Kulhwch and Olwen" en in "The
Dream of Rhonabwy", twee verhalen van zuiver Britschen oorsprong uit
den Mabinogion, verder vinden wij hem vermeld in de Welsche Triaden
en tot tweemaal toe in oude Welsche gedichten.
[7] De Welsche "Triaden" danken hun naam aan de omstandigheid, dat de
personen en zaken, welke daarin beschreven worden, telkens in groepen
van drie vermeld staan. Waarschijnlijk wijst deze vorm van schrijven
terug op een tijd, toen men zijne kennis nog slechts uit mondelinge
overleveringen putte en de verschillende feiten in groepen van drie
rangschikte om ze des te gemakkelijker te kunnen onthouden.
[8] Zie John Rhys: "Studies in the Arthurian Legend", Oxford, 1891.
[9] Avallach is het latere Avalon. Wij vinden hier de eerste aanwijzing
van Arthur's heengaan naar het land der gelukzaligen, waar hij,
volgens latere schrijvers, het eeuwige leven ging genieten.
[10] De schrijver geeft ons in zijn werk een verslag van de
geschiedenis der Britten, van af den tijd van Brutus, den z.g. stichter
van hun volk tot den dood van Cadwallader, den laatsten Britschen
koning, in 689. De geschiedenis van Arthur beslaat hierin vijf van
de twaalf boeken, waarin de schrijver zijn werk verdeelde.
[11] In Geoffrey's werk wordt Arthur verheven tot den rang van
wereldveroveraar, en almachtig heerscher over een schitterend hof, dat
de weerspiegeling is van het Normandische hof van die dagen. Geoffrey
komt de eer toe van de eerste te zijn geweest, die zijn held omringde
met de ridderlijke gebruiken van het hoofsche leven uit de 12e eeuw.
In de "Historia" vinden wij eene beschrijving van Modred's verraad
en van de ontvoering van koningin Ginevra. Ook is Geoffrey de eerste
geweest, die ons een helder beeld schonk van den ouden toovenaar
Merlijn, een der belangrijkste personen uit Arthur's omgeving. Een
eigenaardig Latijnsch gedicht: "Vita Merlini", geschreven omstreeks
1148, waarin wij avonturen van Merlijn vermeld vinden, welke niet in
de "Historia" voorkomen, wordt verondersteld ook van Geoffrey's hand
te zijn.
[12] Brut: regel 9994 e. v.
[13] Zie: Inleiding tot de Sage van Parcival.
[14] Over Chrétien de Troies zie Inleidingen tot de Sagen van den
Leeuwenridder, Erec en Enide, en Lanceloet en Elaine.
[15] Zooals de Sage van Heer Walewein en den groenen Ridder, in mijn
bundel opgenomen.
[16] Zie Inleidingen tot de sagen van den Leeuwenridder, Tristan en
Isolde, Erec en Enide, Parcival.
[17] Deze zijn: de Karelromans, de Alexanderromans en de Arthurromans,
welke door den Franschen dichter Jean Bodel in zijn "Chanson de
Saisnes" aldus worden aangeduid:
"Ne sonts que trois matières à nul home attendant,
De France et de Bretaingne et de Rome la grant."
[18] De schrijver noemt zijne bronnen slechts in vage termen, zooals:
"the French book says." Eene meerdere bekendheid met de Fransche
ridderromans heeft zijne bronnen echter aan het licht gebracht,
zoodat wij ze thans kennen voor al de een-en-twintig boeken, waarin
de Morte d'Arthur verdeeld is, met uitzondering van die voor Boek VII,
de geschiedenis van Heer Gareth. (Zie de Inleiding tot die Sage).
Het vijfde boek, waarin Arthur's veldtocht tegen de Romeinen vermeld
wordt, is het eenige, waarvan de stof aan de Engelsche letterkunde
ontleend is. De bron hiervoor is het allitereerende Middel-Engelsche
gedicht "Morte Arthure", geschreven door een onbekend gebleven dichter
omstreeks het midden der 14e eeuw.
[19] Voor de geschiedkundige en legendarische overleveringen aangaande
den persoon van Koning Arthur, zie inleidend hoofdstuk: "De Oorsprong
en Ontwikkeling der Arthursage."
[20] Gaston Paris in tome XXX der Histoire Littéraire de la France
vermeldt het gedicht als behoorend tot de 16e eeuw.
[21] Ook het vasthouden van den held aan de bloedwraak, welke hem
aanzet de Vrouwe van het Meer te dooden, is een overblijfsel uit
vóór-Christelijke tijden.
[22] Zie Inleiding tot de Sage van Lanceloet en Elaine.
[23] Zie Inleiding tot de Sage van Erec en Enide.
[24] Zie Inleiding tot de Sage van Erec en Enide.
[25] Voor de verklaring van den naam "Mabinogion", zie Algemeene
Inleiding.
[26] Deze ontdekking hebben wij te danken aan een Duitsch geleerde:
Professor Heinrich Zimmer. Vgl. zijn artikel, getiteld: "Zur
Namenforschung in den Altfranzösischen Arthurepen". (Zeitschrift für
franz. Sprache und Litteratur, t. XIII, p. 57 ss.). Zijne studies
over dit onderwerp werden voortgezet door Ferdinand Lot, in: Etudes
sur la provenance du cycle Arthurien (Romania XXIV et XXV).
[27] Hieruit blijkt, dat reeds in den tijd der Triaden, die geacht
worden zeer oude overleveringen te bevatten, de naam van Tristan
verbonden was met dien van koning Arthur. Ook in "The Dream of
Rhonabwy", een der oudste verhalen uit den "Mabinogion", dat ontstaan
moet zijn vóór de Normandische invloed zich deed gelden, komt onze
held voor als een der raadgevers van koning Arthur.
[28] Hij beroept zich op het verhaal van een zekeren Bréri, die kende:
"--les gestes et les cuntes
de tuz les reis de tuz les cuntes
qui orent esté en Bretaingne."
Deze Bréri is niemand anders dan Bledhericus, de beroemde
sagenverteller uit Wallis, die door Giraldus Cambrensis in zijn werk:
"Descriptio Cambriae" wordt genoemd. Zie voor nadere bizonderheden de
noot voorkomend in de Inleiding tot de Sage van Parcival. Zie ook wat
Gaston Paris en Ferdinand Lot over dezen Bréri schreven in Romania
VIII p. 425 en Romania XXVIII p. 336.
[29] Deze fragmenten, acht in getal, vormen de overblijfselen van
vijf afschriften van het werk van Thomas. Verscheidene dekken elkaar
en alle hebben zij betrekking op de laatste levensjaren en den dood
van den held. Zij bevatten ruim 3000 regels en worden verondersteld,
een zesde uit te maken van het oorspronkelijk geheel.
[30] Twee andere Duitsche dichters hebben getracht het te voltooien,
aan de hand van het Fransche origineel. Het zijn: Ulrich von Türheim
en Heinrich von Freiburg, welke laatste er een aantal episoden aan
toevoegde, die verband houden met het hof van koning Arthur.
[31] Hoofdstuk 63-67.
[32] Voor eene verdere vergelijking tusschen "Cligés" en
"Tristan-romans" verwijs ik den lezer naar het artikel van
Prof. A. G. van Hamel in "Romania" XXXIII (1904) p. 465 ss., hetwelk
in het Hollandsch is verschenen in Taal en Letteren, Juni 1904.
[33] Zie Inleiding tot de Sage van den Leeuwenridder.
[34] Bovendien bezitten wij nog aanwijzingen omtrent een verloren
geraakt gedicht, waarvan alleen de naam van den schrijver: Le Kiévre
is bewaard gebleven.
[35] Dit kan gedeeltelijk te wijten zijn aan den invloed der beroemde
satire van Cervantes.
[36] "Le Roman de Tristan et Iseut", traduit et restauré par
Joseph Bédier, Parijs 1901. Hier zij tevens melding gemaakt van de
fraaie Nederlandsche vertaling door wijlen Dr. Marie Loke, lectrice
a.d. Rijksuniversiteit te Groningen, waarvan eenigen tijd geleden
een herdruk verscheen in de bekende serie der Wereldbibliotheek.
[37] Deze spotnaam werd den jongen prins geschonken door Heer Key,
den boosaardigen tafelmeester van koning Arthur.
[38] Deze uitgave bestaat uit drie deelen en werd uitgegeven te Londen
door David Nutt.
Het eerste deel, inhoudend den tekst der Morte d' Arthur, verscheen
in 1889, het tweede deel, hetwelk eene inleiding bevat, in 1890 en
het derde, eene studie over de bronnen, in 1891.
[39] Dit is de naam, welke Tennyson aan de belegerde schoone geeft
en dien zij ook in de volgende bladzijden draagt. Malory noemt haar
Liones, wat verwarring kan geven met den naam der landstreek Lyonesse,
welke veelal verbonden wordt aan Tristan's naam.
[40] Zie Inleiding tot de Sage van den Leeuwenridder.
[41] Dit zijn: "The Lady of the Fountain" en "Peredur, the Son of
Evrawc", die in inhoud overeenkomen met Chrétien's "Yvain" en "Conte
del Graal".
[42] Deze stelling wordt voor "Erec" nader uitgewerkt in de Bonner
dissertatie getiteld: "Das Verhältnis von Christian von Troyes'
Erec und Enide zu dem Mabinogio: Geraint ab Erbin" van Karl Othmer,
Köln 1889. Volgens den schrijver van dit proefschrift blijkt de
afhankelijkheid van het Mabinogion-verhaal vooral daaruit, dat daarin
op twee plaatsen een duidelijk misverstaan van Chrétien's tekst valt
waar te nemen.
[43] Eene nabootsing van het bovengenoemde thema wordt aangetroffen
in den ridderroman "Floriant".
[44] Romania XX p. 148-166.
[45] Romania XXVIII p. 335.
[46] Zie Inleiding tot de Sage van den Leeuwenridder.
[47] Over de beteekenis van deze episode zie de studie van Emmanuel
Philipot, getiteld: "Un Episode d'Erec et Enide, La Joie de la
Cour-Mabon l'Enchanteur" in Romania XXV, bldz. 258-294.
[48] Het "Carnant" van Chrétien is volgens prof. Zimmer Caer: Nant
= Nantes. J. Loth voert den naam terug tot Carnant, eene stad in
Zuid-Wales en F. Lot noemt eene plaats: Ros Carnant in Cornwalls.
[49] Een spotnaam, die Lanceloet gegeven werd, omdat hij eens, na
verlies van zijn paard, op eene kar verder was gereden.
[50] Zie hierover: Inleiding tot de Sage van Parcival.
[51] Dit is b.v. het geval in den buitengewoon vromen Franschen
Graal-roman: "Perceval Le Gallois".
[52] Zie de Inleiding tot de Sage van Heer Walewein en den Groenen
Ridder.
[53] Alfred Nutt noemt hem Gautier.
[54] Het werk is voorzien van een proloog, waarin wordt beweerd,
dat Christus zelve als de schrijver moet worden beschouwd.
[55] De eerste twee deelen worden ook in andere handschriften, zonder
bijvoeging van het derde deel, aangetroffen en bestaan in proza zoowel
als in versmaat.
[56] Deze vertaling is verschenen in de bekende uitgave: Everyman's
Library, London, Dent.
[57] Bleheris is de Fransche vorm voor het Latijnsche Bledhericus en
het Welsche Bledri of Bréri. Waarschijnlijk wordt hier dan ook bedoeld
de Bledhericus, die als "famosus ille fabulator" genoemd wordt door
Giraldus Cambrensis in zijn "Descriptio Cambriae" chap. XVII en volgens
de verklaring van Gaston Paris is hij dezelfde Bréri, aan wiens zangen
Thomas verklaart zijn "Tristan" te hebben ontleend. (Zie Inleiding
tot de Sage van Tristan en Isolde). Deze Bledhericus, die geboortig
was uit Wales, moet volgens Gaston Paris geleefd hebben in het begin
der 12e eeuw, Jessie Weston stelt den tijd van zijn leven nog vroeger.
[58] Zie: Société Historique et cercle Saint Simon, Bulletin no. 2,
p. 99, Paris 1883 en: Romania XVIII, bld. 588.
[59] Zie: Studies in the Legend of the Holy Grail, A. Nutt, London
1888.
[60] De beroemdste onder hen was de reeds genoemde Bledhericus,
die door Giraldus Cambrensis vermeld wordt in zijn werk: Descriptio
Cambriae.
[61] Deze denkbeelden worden gesteund door Prof. Zimmer, die het
bewijsmateriaal voor zijne stellingen tracht te vinden door eene
nauwkeurige studie te maken van de eigennamen, welke in de Arthur-sagen
voorkomen en waarvan er volgens hem vele van Bretonschen oorsprong
zijn. (Zie Inleiding tot de Tristan-sage).
[62] Voor de overleveringen aangaande Arthur's dood, zie Algemeene
Inleiding.