W.

Wace, schrijver van het Normandische gedicht: "Le Roman du Brut",

XIII; 28; 96; 129.

Wagner, Richard, 180; 192.

Walewein, zie: _de Sage van W. en den Groenen Ridder_, 27-91; probeert

de zwaardjonkvrouw te bevrijden, 102; verwijt Key zijn lasterpraat

over Iwein, 151; blijdschap over de ontmoeting met Iwein, 152; haalt

hem over naar het hof terug te keeren, 153; benarde toestand van W.'s

zwager, 164, 166; strijdt voor de rechten van eene jonkvrouw, 171-173;

herkent zijn tegenstander, 174; 181; 326; 330; wijst den koning op het

gevaar van den schoonheidsprijs, 358; als minnaar der koningin, 407;

W.'s ongunstige rol in "Le Morte Arthur", 410; gaat na het steekspel

te Camelot zoeken naar den ridder met de roode mouw, 429; komt in het

kasteel Astolat, 430; herkent het schild van Lanceloet, 432; brengt

aan het hof verslag uit over zijn tocht, 433; onderscheidt zich op

het steekspel van Allerheiligen, 438; als held van de Graal-sage,

454-455; brengt Parcival aan Arthur's hof, 487-488; besluit den dood

zijner broeders op Lanceloet te wreken, 496; strijdt tegen Lanceloet,

500; valt in den strijd, 501.

Wauchien de Denain, 452; 455.

Weston, Jessie, schrijfster van "The Legend of Sir Gawain", 31;

v. Engelsche prozavertaling van Gottfried von Straszburg's "Tristan",

192; van "The Legend of Sir Lancelot du Lac", 405-407; van "The Legend

of Sir Perceval", 452; 453; 455; 460.

Willem de Veroveraar, Hertog van Normandië, 183; 458.

Winchester, de stad, 2; 275.

Windsor, de stad, 37.

Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde · 第 52 / 56 题