Het is me alsof ik sterven moet,
Wanneer ik denk U te verlaten,
En, eenzaam, zonder levensmoed,
Herzie de eens saambetreden straten,
Waarin het maanlicht stil en goud,
Valt tusschen gevels eeuwen oud.
Het is een nacht van lichte pracht,
Maar duistrer nacht is nooit verschenen;
En als ik denk, dat gij nu zacht
In droomen lacht, dan moet ik weenen
Omdat ik U niet meer kan zien
En nooit misschien zal wederzien.
* * * * *