"Het schoonst geluk, dat gij mij ooit kunt geven
Zal wezen als eenmaal een nieuw gelaat,
Uit u en mij geboren bloeien gaat,
Maar toch het meest heeft van uw stralend leven;
En, zooals naar het gouden pracht-cieraad
Een kleiner wordt in fijner goud gedreven,
Zal 't flonkrend blond zijn voorhoofd-blank omgeven
Als 't graan, dat in de zon te gloeien staat."
Toen kuste ik om dat schoone woord mijn lief,
Die om mijn hals de streelende armen hief
En 'k sprak: "ja! dat zal groot en heerlijk wezen,
Als ik u zien zal in hetzelfde kind,
Waarin gij mij opnieuw geboren vindt:
Twee-eenheid in één eenig beeld te lezen."
* * * * *
'T TIJDLOOZE EN 'T TIJDLIJKE.
De dennen wiegen de eeuwig groene kronen
In 't zachte blauw, dat aarde en al omspant,
En in de diepte voor ons ligt het land,
Waar duizend nijvren hof bij hof bewonen:
Hier drijft een landman met de kracht'ge hand
De vore' in de aard, die tijd en arbeid loonen,
Oogst reeds een ander 't ooft welks roode koonen
De almachtige zomerzon heeft rijp gebrand.
En de ovens langs, waar roode steenen drogen
In 't zelfde zonlicht, kronkt de blauwe stroom,
Dien booten met een zacht geraas bevaren;
Zoo zag ik, wie maar even leven mogen,
Met wat reeds daar was meer dan duizend jaren,
't Tijdlooze en 't tijdlijke als droom van een droom.
* * * * *