C. IQUAN.

"Teijouhan is door de Jappanders door hare expresse gesonden armade in

den jare 1615 ende 16, tusschen 3 a 4000 man sterck, geconquesteert

doch pr faulte van volgende subsidien, wederom verlaten; alsoo dese

enterprinse bij een particulier Heer omme de gunste van Sijn Mat

wederomme te becomen, ter hande genomen was. Lange jaeren hebben zij

daer met haer capitaelen door Chineesen in Jappan woonachtig met de

Chineesen van China gehandelt" (Gen. Miss. 15 Dec. 1629) [382].

"In de Baij van Taijouan plachten jaerlijcx eenige Japanse joncken

te comen soo om hertevellen te coopen welcke daer in tamelijcke

quantiteijt vallen; maer insonderheijt om met de Avonturiers van

China te gaan handelen welcke daer groote quantité rouwe zijde ende

gemaeckte sijde stoffen soo van Chincheo, Nanquin als verscheijden

andere plaetsen van de Noord Custe van China te coop brachten"

(Gen. Miss. 3 Jan. 1624).

Van die in Japan gevestigde Chineezen is bij Europeanen vooral

bekend geworden de zoogenaamde "Capitein China" te Firando, dien de

Portugeezen Andrea Dittis heetten. Als de verzekering dat hij een

Christen was [383], alleen steunt op dien naam, staat zij zeer zwak;

dat zijne leefwijze is geweest gelijk door de Hollanders wordt bericht

[384], klinkt veel waarschijnlijker.

De verschillende berichten over hem samenvattende, komt men er toe

het volgende aan te nemen als de waarheid nabij te komen:

De zoogenaamde Capitein China te Firando heette Gaan Si Tsee,

was afkomstig uit het district Hai-ting in de prefectuur Tsiang

Tsioe (in de nabijheid van de havenplaats Amoij) en was aldaar

getrouwd. Overeenkomstig het gebruik onder Chineesche immigranten die

in eenigszins goeden doen zijn, ging hij in Japan eene verbintenis

aan met eene dochter des lands, vermoedelijk zelfs met meer dan

ééne. Te Firando zal hij de voornaamste Chineesche koopman en reeder

zijn geweest en om die reden daar te lande zijn aangesproken met den

titel van Kapitein (zooals ook ons Opperhoofd door de Japanners werd

betiteld), zonder dat hij eenige aanstelling had; waarschijnlijk was

hij Hoofd van een geheim genootschap [385]. Over zijne aanrakingen

met ons, raadplege men: W.P. Groeneveldt, de Nederlanders in China I

(Bijdr. Kon. Inst. 6, IV, 1898). Hij was o.a. de tusschenpersoon

bij de onderhandelingen welke leidden tot onze verhuizing van de

Pescadores naar Taijoan en hij was geenszins tevreden over de wijze

waarop wij zijne diensten hadden beloond [386]. Hij overleed te

Firando 12 Augustus 1625 [387], groote schulden nalatende, o.a. aan

de Engelschen [388].

Ietkwan--ook Iquan, Equan, Yeh-kwan geschreven--werd geboren in het

dorp Tsiooh Tsi in het district Tang Oa, waarin ook de havenplaats

Amoij ligt. Zijn geslachtsnaam was Tie--ook Te en The geschreven--en

zijn persoonsnaam: "de eerste" duidt aan dat hij de oudste zoon

was. Niet een zoon, maar een schoonzoon [389] van den hierboven

besproken Capitein China zal hij zijn geweest. Volgens Chineesche

berichten, behoorde Iquan's eigen hoofdvrouw in Zuid-China tot eene

familie Gaan en zij zal eene dochter zijn geweest van den Capitein

China en diens hoofdvrouw in China.

Op jeugdigen leeftijd, zoo heet het, heeft Iquan een toevlucht gezocht

bij een oom van moederszijde te Macao, die hem met een handelsopdracht

naar Japan zond. Evenals zijn latere schoonvader heeft hij te Firando

betrekkingen aangeknoopt met een Japansche, bij wie hij een zoon kreeg,

den zoo vermaard geworden Koksinga.

Misschien was hij de tolk die tusschen 25 Jan. en 20 Febr. 1624 uit

Japan naar Taijoan kwam (Groeneveldt, a.v.bl. 482), of de aan het

eind van 1624 dagelijks uit Japan verwachte zoon van Capitein China

(Miss. Gouvr Sonck 12 December 1624).

Aan de vloot onder Muijser die 30 Dec. 1624 werd aangewezen om

op Chineesche jonken naar Manilla te kruisen, werden drie jonken

toegevoegd (twee van Capitein China en één van diens luitenant Pedro

China) welke onder Iquan's bevel stonden en 20 Maart 1625 te Taijoan

terug waren.

"With Yen Ssu Ch'i [Gaan Si Tsee] and others, he [n.l. Iquan] opened

up Formosa; he was raised by his comrades to the chief leadership

on the death of the former". [12 Aug. 1625]. (Some episodes in the

History of Amoy. China Review, XXI, 1894-95, bl.87).

"Het is nu wat meer als een jaer dat eenen Itquan (eertijts tolck der

Compe nu hofft der Chinesen rovers) uijt Teijouan sonder onse kennis

gevlucht is, ende sich op den roof begeven, vele joncken ende volck

vergadert heeft, waermede hij de gantsche seecusten van China seer

ontstelt ende het geheele landt, steden ende dorpen raseert ende

vernielt waer over oock geen seevaert op de Custe meer gebruijct

can werden" (fd Gouvr Gerrit Fredericqs de Witt aan Gouv.-Generaal,

Actum Batavia 18 Dec. 1627).

"Tot in de maent Junij 162[7] hebben de Chinesen niet willen gedoogen

datter eenige van onse schepen ofte joncquen van Taijouhan in de

riviere van Chincheo [Amoij] ofte andere plaetsen op haer Custe

havenden; doch alsoo naderhandt de Chineesche roovers soo machtich

ende sterck geworden sijn dat genouchtsaem meester sijn van de

Chineesche zee ende meest alle de joncquen op de gantsche Guste

vernielt ende verbrandt hebben, doende mede te lande groote destructie

ende rooverije, wordende geschat sterck te wesen omtrent 400 joncken

ende 60 à 70 duijsent mannen. Den Oversten daervan, Icquan genaempt,

sijnde des Compagnies Tolck in Teijouhan geweest ende stilswijgens

van daer vertrocken, heeft hem tot rooven begeven ende in corten

tijdt soo grooten aenhanck gecregen dat de Regenten van China geen

raedt wisten om de roovers van haere Cust te crijgen.... Den roover

Icquan heeft oock langen tijdt goede correspondentie met d'onse gehadt

ende ons vrijwat respect toegedragen, maer heeft eijndelijck sonder

onderscheijt genomen al wat becomen conde" (Gen. Miss. 6 Jan. 1628).

"... Ons comt inproviste voor dat een joncqken van Iquan, soone

van den ouden overleden Cappiteijn China, vuijt Nangasacqui naer

Teijouan ende de custe van China sal vertrecken; dese persoon is

voor desen vuijt Taijouan ghebannen, soo dat daer niet zeer wellecom

en sal wesen. Evenwell door instantelijck versoucken van den Hr van

Firando ende Oenemondonne hebben hem geen passe durven weijgeren"

(Origineele Missive Cornelis Nijenrode, Firando Ulto Oct. Ao 1630

aan de Edele Heer Generaal Specx; Kol. Arch. S.S. II, fol. 114).

"Dit is den goeden Chinees die van meest alle de Hollanders den

vader genoempt werdt ende hun soo lange gefrequenteert ende mede

omgegaan ende voor Tolck gedient heeft, niet eens gedenckende, nu

weder macht becomen heeft, hoe over twee jaren, als wanneer door den

rover Quitsiok uijt sijn digniteijt ende plaetse verstooten was,

weder als met de handt van UE-hedens macht ende dienaren geleijdt

ende op zijn stoel gestelt is, alles op goede hoope dat door desen

Iquan die onse gelegentheijt, conditie ende macht soo wel bekent

was, met intersessien ende verclaringen aan den Combon ende andere

grooten te doen wat ons billick versouck ende begeeren was, dies te

beter tot den vrijen handel geadmitteert te werden--maar contrarie

bevinden wij, wandt in plaatse van zulcx en slaat hij Iquan niet

alleen aff de vergoedingh van 't jacht Slooten in sijnen ende het

Rijcke van Chinas dienst verongeluckt maar derft wel expresselijck

in zijne Missive vertoonen enee aan d'onse laten verluijden soo wij

hem meer over sulcx aanschrijven geen goede vrinden connen blijven,

alsoo gemelte jacht, zoo hij susteneert, niet in zijnen maar per

ongeluck om den handel te becomen in 's Compagnies dienst gebleven

ende verongeluckt is, door briefkens ons verbiedende met onse jachten

niet meer in de rivier Chincheo te verschijnen, alsoo daar door (soo

hij segt) in de hoochste ongenade van den Combon ende andere grooten

van China soude comen vervallen" (Gouverneur Putmans aan de Ed. Heeren

Bewindhebbers der Camer tot Amsterdam, Taijoan 10 Oct. 1631).

"...In Nangasackij sijnde is mij onder anderen van Sr. Melchior

van Santvoort verhaelt hoe de Chinesen die daer met haar joncquen

geweest sijn, als wijff van Iquan ende anderen, uijtstroijen ende

voorgeven bij het Rijcke van China (hoewel ons den handel vrij ende

liber vergunt wert) naer 't vertreck onser schepen Taijouan met groote

macht aen te tasten ende haer meester van 't Casteel sien te maecken"

(Miss. van Couckebakker aan Gouvr Putmans, dd. Firando 24 Nov. 1634).

"Den Chinesen Mandorin Equan is een schadelijck instrument in Comps

handel, ende dient voor eerst noch soo aengesien totdat den tijt ons

wijser maeckt off d'een off d'ander tijt van candt raeckt; is van vele

gehaedt ende plaegt de coopluijden dapper, dat met groote geschenken

aen de Grooten weet goed te maken" (Gen. Miss. 18 Dec. 1639).

20 Oct. 1639. "...dat de Chineesen die wijven, kinderen ende huijsen

alhier hebben ende als ingesetenen gehouden zijn, uijt landt te

vaaren niet toegestaen wert ende dat alles om reden dat wij [n.l. de

Japanners] vreesen, sij naer den Chijneesen aert haare rooverije

niet naerlaten connen, gelijck ook den tweeden Icquans zoone omdat

zijn vader een roover geworden was, hier in Japan om sijns vaders

rooverije ter doot gebracht is" (Dagr. Firando in Overg. Brieven

en Papieren 1640. Tweede Boek.--Vgl. Valentijn V, 2e st., 9e boek,

9e hoofdst. bl 81).

"Soon after his departure, his wife, who remained in Japan, gave

birth to a second son, who was named Shichizaemon. This son did not

develope the love for adventure and renown which made his elder brother

[Koxinga] so famous, but remained quietly in Japan all his life"

(Davidson, The Island of Formosa, bl. 31).

"...zijnde om de subsidie die den jongen Keijser in voorsz. oorlogh

van volck ende middelen gedaen heeft, van denselven tot tweede persoon

des Rijx gevordert, soo dat jegenwoordigh niemant in China machtiger

is als die man, zijnde voor desen cleermaker ende Comps Tolck in

Taijouan geweest" (Gen. Miss. 11 Juli 1645).

"...de voornaemste joncken waren gecomen van Iquan en zijnen aenhangh

... tot teecken en bewijs dat alhier [Japan] oock all eenige gunste

bij de Overicheijt heefft is dit genoech dat eenigen tijt heefft

laten versoecken oorloff om seeckere Japanse vrouwe daer bij te voren

gehouden en een sone, die bij hem in China is, gewonnen heeft, uijt

Japan te voeren en tot hem te halen ten gevalle van sijnen soone, en

tot hetselve een vrijgeleijde vercregen heefft, soo mij onse Tolcken

voor vast ende seecker verclaren en dat met sijne joncken te vertrecken

stade" (Dagr. Nagasaki 9 Maart 1645; Zie ook Gen. Miss. 17 Dec. 1645).

"Heden is de bijsit van den Mandorin Iquan daer boven van verhaelt

hebben, van Nangasacquij vertrocken na Esinia [China?] sonder eenigh

vrouwspersoon bij hun, die nochtans wel veroorlofft zoude geweest hebbe

mede uijt te trecken doch onder conditie van noijt wederom in Japan te

keeren, weshalven niemant begerich was" (Dagr. Nagasaki 11 Mei 1645).

"'s Morgens vernamen uijt de tolcken hoe dat op de gisteren

g'arriveerde jonck een seer aensienlijck ambassadeur van Coxinja aan

den Japansen Keijser gecommitteert was.... Desen gesant zoude nae de

geruchten eenelijck often principalen herwaerts geschickt zijn om de

Majesteijt te bedancken voor dat de moeder zijns meesters Coxinja

(zijnde een slechte [d.i. eenvoudige] Japanse vrouw en in 't jaer

1645 van hier derwaerts [China] vertrocken) op zijn vaders versoeck

gelicentieert was naer China te comen, Item wijders te versoecken

dat zijn halve broeder (een zoon van voorschreve vrouwe doch bij

een Japander geteelt) nu mede gelargeert en naar Aijmuij bij hem

mocht comen etc; mede werd gesecht dat desen ambassadeur een man van

grooten qualiteijt en de Chinesen hem in aensien bij desen Keijser

vergelijckende zijn, daer mede alhier gereets seer gespot wert,

nademael zijn meester van wien gesonden compt, een Japanse mistice,

daer en boven noch van vielen en geringen afcompste in Firando

gebooren en zijn vader Iquan hier naer een groot roover geworden

was, gelijck hij Coxinja zelffs sigh oock een tijt lanck daarmede

beholpen daardoor nu tot zoodanigen aansien geraeckt; alle 't welcke

dees luijden genoechsaem bekent is, die immers geen grootsheijt van

vreemdelingen 'k laet staen van zoodanige, willen of connen lijden"

(Dagr. Nagasaki 25 Juli Ao 1658; vgl. Valentijn V, 2e st., 9e boek,

9e hoofdst, bl. 97).

Den 8en October 1658 vertrok de ambassadeur zonder dat Coxinga's

geschenken waren aangenomen en "sonder oijt uijt zijn logiement veel

min omtrent de gouverneurs geweest, ofte wegens zijnen last waeromme

herwaerts gecomen was in't minste gesproocken te hebben".

"Only five hundred men followed him [n.l. Iquan] into the Manchu

army; and his Japanese wife, the mother of Chunggoong [d.i. Koksinga]

strangled herself" (1646). (J. Ross, The Manchus, bl. 385).

Verhaal van het vergaan van het jacht de Sperwer En van het wedervaren der schipbreukelingen op het eiland Quelpaert en het vasteland van Korea (1653-1666) met eene beschrijving van dat rijk · 第 55 / 70 题