Sig eccl-Oudewater

d. i.

kerkelijk zegel van Oudewater.

[319] Zie dit privilegie bij van Kinschot t. a. p. bladz. 270.

[320] Zie dezelfde, bladz. 272.

[321] Nl. in de bij van Kinschot op bladz. 315 en 316 vermelden

giftbrief van de school dezer stede aan Pieter Pansz. in plaats van

Mr. Jan Mouwer.

[322] Zie hetzelve in zijn geheel bij van Kinschot bladz. 322 tot en

met 324.

[323] De acht Raadsmannen werden Achten genoemd.

[324] Resolutie van Holland dato den 2 Mei Anno 1585, fol. 248.

[325] Van Kinschot.

[326] Zie van Kinschot, bladz. 75.

[327] Resol. van Holland, 6 Mei 1702, fol. No. 155.

[328] Keuren der Stede van Oudewater, Artic. IV T. XIII.

[329] ,, ,, ,, ,, ,, ,, IV T. XII.

[330] Keuren der Stede van Oudewater, Art. XVI.

[331] Ibid. Art. XIII.

[332] Dit is in Anno 1811 vervallen.

[333] Keuren der Stede van Oudewater Art. 11.

[334] Keuren der Steede van Oudewater Art. VIII et XVIII.

[335] Dit geschiedt nu namens den Koning.

[336] Resol. van Holland van 16 Nov. en 17 Dec. 1723.

[337] Den contra-remonstranten was hij bijzonder vijandig.

[338] Deze en de volgende in officio, zijn gecommitteerd, bij de

Raden en meesters van de rekeningen der domeinen der Graaflijkheid

van Holland, in den Haag.

[339] De Graaflijkheids Rekenkamer, bij resolutie der staten van

Holland en Westvriesland van dato 17 Maart 1728, gemortificeerd,

en bij resolutie van 20 Julij 1729 goedgevonden zijnde, dat eenige

der Ambtenaren op nieuw commissie van H. E. Gr. Mog. zouden moeten

verzoeken, wanneer de termijn hunner vorige aanstelling verstreken was,

zoo is volgens resolutie van gemelde staten dd. 12 October 1731 den

voorz. van Kinschot gecontenueerd in zijne betrekking van Bailluw,

Dijkgraaf en Schout der stad Oudewater.

[340] Register van Aart van der Goes, fol. 262.

[341] Resol. van Holland 1564, fol. 62 72, ibid. fol. 39 1565,

ibid. 27 Januarij 1566, fol. 1 en 5 Februarij, fol. 5.

[342] Ibid. 26 September 1565.

[343] Beschrijving van Oudewater, bladzijde 99 en 100.

[344] Reg. van Aart van der Goes, Advokaat van de Staten 's Lands

van Holland, fol. I.

[345] 3de Boek van de Griffier Sandelijn, fol. 89.

[346] Reg. Aert van der Goes, fol. 11.

[347] Ibid. fol. 14.

[348] Reg. van Aert van der Goes, fol. 16, 50, 108, 111, 112, 142,

145, 152 (bij van Kinschot bladz. 103.)

[349] Ibid. fol. 289-292.

[350] Ibid. fol. 307.

[351] Ibid. fol. 329, 330, 344.

[352] Resol. van Holland 1564, fol. 41.

[353] Van Kinschot, bladz. 107.

[354] Resol. van Holland van 19 tot 25 Julij, Anno 1572 (in manuscr.)

[355] Prop. in resol. van Holland, 20 October 1574, fol. 176.

[356] Antw. van Staten en resol. van Holland 12 Nov. 1574, fol. 178.

[357] Resol. van Holland.

[358] Beschrijving van Oudewater, bladz. 109 en 110.

[359] Resol. van Holland 5 April 1583, fol. 97.

[360] Resol. van Holland 11 Julij 1584 fol. 371 en 372.

[361] Een voornaam gedeelte der bevolking dezer plaats stamt van

deze in het 9, 10 en 11 geslacht en van deszelfs grootvader, (1497

Jacob Coppert in het 13e geslacht--onder deze de Montijn's, Koning's,

Verhoog's, Vosmeer's, enz. enz.--men vindt in vroegere transporten

wel den naam van Coppert, doch men weet niet of voornoemde Jacob

Coppert hiervan afstamde.)

[362] Resolutie boek der steede Oudewater sub 15 Julij 1584 en van

Holland hoc Anno fol. 394 en 414.

[363] Resol. van Holland 15 Julij 1584 fol. 404.

[364] Ibid. 22 Julij 1584 fol. 422.

[365] Resol. van Holland, 31 October 1584, fol. 660.

[366] Resolutie boek der stede Oudewater,

[**TODO: Verify table]

sub datis 4 September 1586.

21 September 1587.

3 Mei 1588.

[367] Resol. van Holland, 4 Mei 1589, fol. 285.

[368] ib. ib. 26 Januarij, 18 Maart 1608, fol. 2, pag. 48.

[369] Vide dagbladen der gem. Representanten, en resolutiën der

municipaliteit der stad Oudewater.

[370] Zie hen allen vermeld bij Johannes Trethemius.

[371] Val: Adreae Bibleotheca Belgica, tom. II, pag. 708.

[372] Boxhorn, tooneel van Holland, pag. 313.

[373] Batavia Sacra, Dl. II fol. 266.

[374] Val. Andreae, Bibl. Belg. tom. I, pag. 221, bij G. R. van

Kinschot, beschrijving van Oudewater, blz. 137 en 138.

[375] Van Kinschot blz. 141.

[376] Resol. van Holland van 3 Dec. 1609 fol. 285.

Wij hebben dit levensverhaal kortelijk naar van Kinschot gevolgd.

Op het Gemeente Archief alhier, berust nog een eigenhandigen brief

van Arminius, om de Wed. van Ds. Petrus Bertius (Pieter de Bert) in

Oudewater komende wonen, in hunne bescherming te nemen--gedateerd 5

Mei 1607.

[377] Verder verwijzen wij naar Kasper Brandt, Historia vitae Jacobi

Arminii Amst. 1705.

[378] In F. Allan "De stad 's Gravenhage en hare geschiedenis,"

vinden wij nog gewag gemaakt van den bekenden Watergeus Gerrit

Gerritsen als te Oudewater geboren. Zie pag. 38.

[379] Prof. Scheltema, heeft van dezen grooten man, in de werken

van het Nederlandsch Letterkundig genootschap, waarvan hij Lid was,

op eene waardige wijze, eene biographische schets geleverd.

[380] Batavia Sacra 2de Deel pag 164. Halma toon. der Nederlanden 2

D. pag. 133 en Rademaker, kabinet 4 D. pag. 223.

[381] Batavia Sacra 2de D. pag. 164.

[382] Van Kinschot, beschrijving van Oudewater pag. 5-8.

[383] Ibid. bladz. 1.

[384] ib. blz. 8. Het zij hier voorloopig aangestipt, dat deze

vereeniging met Holland nog later door Graaf Willem den VI van Holland

in het jaar 1404 is bevestigd geworden.

[385] Deze jaartallen en daadzaken omtrent de handvesten, privilegiën,

enz. ontleenen wij voornamelijk aan de handvesten en privilegiën van

Oudewater, bij van Kinschot, alwaar men die stukken in zijn geheel

vindt opgenomen. Dit neme men ook in het vervolg dezer schets in

gedachte.

[386] Ook Jan en Jacob van Driel,--de Schrijver.

[387] Zie Heda Historia bladz. 244 verg. van Duijn Oudewater's Moord

bladz. 43. Het laatste gedeelte dezer mededeeling is ontleend aan het

Cl. Tielense bladz. 352 (overgenomen uit Dr. Römer's bijdrage in de

Utrechtsche Almanak getiteld Utrecht en Oudewater.).

[388] Diuisie Kronijk, fol. 136, van het Negende Cappittel vs.

[389] Wagenaar, Vaderlandsche Historie III D. bladz. 271-272.

[390] Ibid. bladz. 274 en 275.

[391] Ibid. bladz. 275-280.

[392] Zie dit stuk overgenomen bij van Kinschot bladz. 280-285.

[393] Zie de inhoud van dit verbond bij van Kinschot pag. 502 en volg.

[394] Groot Placaatboek, bij Wagenaar, bladz. 281 vs.

[395] Groot Placaatboek III D. pag. 4.

[396] Wagenaar Historie III D. pag. 284.

[397] Wagenaar pag. 285.

[398] Diuisie Kronijk, 25 diuisie, dat XI Cappittel.

[399] Wagenaar id. p. 292.

[400] Men zal herinneren, dat Keizerin Margaretha aan die van

Oudewater het voorregt verleend had, dat hunne stad, nimmer van

Hollands Grafelijkheid gescheiden mogt worden.

[401] Zie breedvoeriger van Kinschot pag. 11 tot 18a.

[402] Zie het Chron. auctius. pag. 274.

[403] Van Duyn Oudewaters-moord, p. 44.

[404] Vide het Chron. aucteus.

[405] Bijdrage van R. C. H. Römer, getiteld: Utrecht en Oudewater in

den Utrechtschen Volks-almanak.

[406] Zie het rapport van Albrecht bij van Kinschot, pag. 223 vs.

[407] Ibid. pag. 294 tot 295.

[408] Ibid. pag. 297 tot 301, Boxhorn, pag. 81.

[409] Zie de inhoud van de bijlegging der twist, bij van Kinschot,

pag. 295 en 696.

[410] Wagenaar III Deel pag. 321.

[411] Wagenaar III Deel pag. 321.

[412] Ibid.

[413] Ibid. pag. 322.

[414] ib. pag. 322.

[415] Joan a Leydis, libr. XXXI cap 42. Veldenaar, pag. 95. Op Wagenaar

III D pag. 322.

[416] Wagenaar, ib.

[417] In deze overname hebben wij het woord "graaf" gebruikt ten einde

het meer begrijpelijk te maken, des graven klerk gebruikte daarvoor

het woord "mijnheer"; vide van Kinschot, pag. 296, en volg.

[418] Van Kinschot, pag. 297.

[419] Ib. pag. 297 tot 301.

[420] Ib. pag. 301.

[421] Ib.

[422] Zie Hofdijk geschiedenis der Nederlanden, pag. 169.

[423] Van Kinschot pag. 303. In die oirconde staat, dat Otto van

Asperen wegens Willem Kusers dood balling was, en in de vroeger

vermelde besluiten van Albrecht, waren de bezittingen der zoodanigen

verbeurd.

[424] Ibid. pag. 309 en 310 en Wagenaar III D. pag 324.

[425] Symon Speyaert en Claes van den Gheer in hechtenis zittende

te Oudewater, werden mede in 1396 voor den Hove van den Haag

ontboden, nevens de Schout van Oudewater, om tusschen de twee

eersten eene questie uit den weg te ruimen, die waarschijnlijk op

de tijdsomstandigheden betrekking had. Zeker is het, dat er ten jare

1396 nog een geschil aanhangig was, tusschen Aerent Sluismanssoen en

Wouter Ludolfssoen, die door eerstgenoemde aangeklaagd was, als in het

openbaar zijne ontevredenheid te hebben betuigd over den vrede. Zie

van Kinschot pag. 316 en 317.

[426] Wagenaar III D. pag. 342.

[427] Ib. pag. 342 en 343.

[428] Zie die twee stukken in de privilegien van Oudewater bij van

Kinschot pag. 317 a 320.

[429] Men herinnere zich, dat Stavoren nog steeds Hollandsche

bezetting hield.

[430] Zie bij van Kinschot pag. 322 en 325, en bij ons hiervoren

pag. 321 a 323.

[431] Uitgezonderd twee bescheiden, in het zelfde jaar 1. dat het

land van Woerden in zijn watergang gescheiden zoude zijn van Rijnland

en 2. een placcaat van Albrecht »van een seggen ende gescheyden

tusschen den Burch-Grave van Leyden ende die van Oudewater roerende

van de tolle."

[432] Wagenaar III D. pag. 343.

[433] Ib. pag. 344.

[434] Ib. pag. 345.

[435] Ib.

[436] Ib. pag. 346.

[437] De onderzoekende schrijver, verwijst naar de privilegien van

Oudewater.

De hoofd inhoud van het bedoelde stuk, hebben wij echter op pag. 388

ter behoorlijker plaatse reeds medegedeeld.

[438] Die seventwintichste divisie, dat LIIII. Capittel pag. CLIIIII.

[439] Utrechtsche Volks-Almanak 1859, pag. 43.

[440] Kinschot is op pag. 325 in abuis, waar hij doet voorkomen, dat

hij in het begin des jaars 1404 tot Grave was verkozen, doch zijn

vader stierf Ao. 1404 in den winter, waarna hij hem opvolgde. Alle

schrijvers van gezag immers, vermelden zijn dood in den winter van

1404. Wanneer wij dus bij van Kinschot daar vinden Anno XIIII ende

vier moet dit noodwendig zijn, Anno XIIII ende vijve.

[441] Kinschot meldt 1404 moet zijn 1405.

[442] Van een paar andere bescheiden van Willem den VI. ten jare 1405

kunnen wij in den tekst niet uitweiden.--Zie den inhoud echter bij

van Kinschot, pag. 329 en 330.

[443] Men zie hierover in het breede, pag. 225, 249 van dit werk.

[444] Wagenaar, III D. p. 408 en 409.

[445] Van Kinschot, pag. 337.

[446] Wagenaar ib. pag. 418.

[447] Ibid. pag. 420.

[448] Bij Wagenaar III D. pag. 427.

[449] Van Kinschot pag. 505 en 506.

[450] Men zie den inhoud, bij ibid III D. pag. 432-434.

[451] Van Kinschot pag. 340.

[452] Zie hunne namen bij ib. pag. 342.

[453] Wagenaar III D. pag. 438.

[454] Zie Hofdijk en van Lennep, Merkwaardige Kasteelen in Nederland

II D. pag. 82.

[455] Wagenaar III D. pag. 463, en Monstrelet Vol II pag. 27.

[456] Wagenaar III D. pag. 468.

[457] Van Berkum, beschrijving van Schoonhoven, pag. 341.

[458] Dr. D. J. Veegens, Haarlemsche vertellingen uit den ouden tijd,

p. 109.

[459] Verg. Wagenaar III D. pag. 491.

[460] Veldenaar pag. 130, Wagenaar pag. 489.

[461] Wagenaar ib. pag. 509.

[462] Wagenaar, ib. pag. 530. tot en met 535. en van Kinschot,

pag. 368. tot en met pag. 370.

[463] Wagenaar IV. D. pag. 100.

[464] Wagenaar, IV. D. pag. 174.

[465] Van Berkum, beschrijving van Schoonhoven, pag. 342 en Wagenaar,

IV D. pag. 188.

[466] ib. pag. 181.

[467] Omtrent dezen tijd (in 1480) sloten die van Oudewater een

verdrag met de stad Utrecht. Dit bezwaarlijk tusschen den tekst

kunnende invoegen en het toch moetende vermelden, zoo plaatsen wij

dit in een noot. Men zie den inhoud van dit verdrag bij van Kinschot,

pag. 390, en 391.

[468] Diuisie Cronyck, 33 diuisie 21 capittel.

[469] Zie Wagenaar, IV D. pag. 191 en 192.

[470] Crimen, sentent boek, gequot A. fol. 11, vers. bij Wagenaar,

IV D. pag. 196.

[471] Diuisie Cronyck, 31 diuisie, 31 capittel, vergeleken met

Wagenaar, IV D. pag. 196 en 197.

[472] Wagenaar, IV D. pag. 201 en 202, raadplegende Amelgarde, Gesta

Ludoveci XI Libr. VI Capittel 21 vesius Hoorn pag. 125. Chron. van

Ao. 1481-1483 en Matth. Tom. I pag. 397, 399 en 405.

[473] Wagenaar IV D. pag. 208 raadpl. Chron. van Ao. 1481-1483,

pag. 410-415.

[474] Diuisie Chron. 31 diuisie, 37 capittel.

[475] Diuisie Chron. 31 diuisie, 39 capittel.

[476] Wagenaar, IV D. pag. 205.

[477] Wagenaar IV D. pag. 215.

[478] Zie diuisie Cron. die 31 duisie. dat XLIII capittel.

[479] Zie Wagenaar IV D. pag. 216.

[480] Wagenaar IV D. pag. 244.

[481] Wagenaar pag. 248, en Jonker Fransen oorlog pag. 88 en 97.

[482] Verg. Wagenaar IV D. pag. 248.

[483] Diuisie Cron. 31 diuisie, 68 capittel, Wagenaar, IV D. pag. 260,

Jonker Frans, oorlog, pag. 250.

[484] Zoo was zijne benaming als Grave van Holland, meer bekend is

hij echter geworden, onder den naam van Karel den V, die als Keizer.

[485] Wagenaar IV D. pag. 354.

[486] Repert. der Plac. pag. 3.

[487] Groote Chron. diuisie XXXII Capittel 46.

[488] Repert. der Plac. pag. 3 Wagenaar IV D. pag 398 en 399.

[489] Men zie het plac. bij van Kinschot, pag. 400, 401 en 402.

[490] Repert. der pl. van het graafschap Holland bij Wagenaar,

IV. D. pag 429 en 430.

[491] Volgens veler meening zond ook Oudewater eertijds schepen ter

haringvisscherij uit. Het ongeveer 15 minuten van Oudewater liggende

slot (nu ruïne) te Vliet wijst de sage aan, als de plaats, van waar

haringbuizen uitvoeren. Dan vergezelden de vrouwen van de visschers

hunne mannen tot aan het gehucht Goejanverwellesluis, dat zijn naam

er van zoude gekregen hebben. De naam toch van de doorklievers van

het zilte nat, is nog in deze dagen Jan, Janmaat; Aan de sluis,

werden zij dan toegeroepen Goe Jan vaarwel.

Wij nemen de uitlegging van dien naamsoorsprong over, uit eene der

jaargangen van het Tijdschrift de Navorscher.

[492] Zie Wagenaar IV. D. pag 470.

[493] Ibid. pag 470 en 471.

[494] Zie pag. 347 van dit werk.

[495] De geauthenthiseerde copij, berust ter gemeente secretarij.

[496] Vóór Hoeff Willemsz, waarmede zij aanvangt, staat aan den kant:

Piet va. Evenzoo staan later bij iederen hoofdman een paar namen aan

den kant geschreven, vermoedelijk van hen, die later die betrekking

waarnamen. Aanm. van R. C. H. Römer.

[497] Onder deze: "die in 't gastuys sijn die clouck sijn."

[498] Zie het Chron. auct. Joann de Beka In Matthaei Vet. aevi

Analect. T III pag. 316 volg. verg. van Kinschot, Besch. d. stad

Oudewater blad. 51.

[499] Zij wordt in oude bescheiden, dikwijls Remijnsbrug geheeten.

[500] Zie van Kinschot t. a. p. blz. 21 vlgg. en 50.

[501] Wagenaar V. D. pag. 275.

[502] Wagenaar, V D. pag. 420, 421 en 422.

[503] Philips II heette hij als koning van Spanje doch Philips III

als grave van Holland.

[504] Dat Karel dit nu juist verleend heeft, hierin willen wij niet

achterhaald worden, wij verwijzen naar het hoofdstuk "de heksenwaag"

van dit werk.

[505] Zie Wagenaar VI D. pag. 5.

[506] Zie Wagenaar VI D. pag. 40.

[507] Wagenaar VI D. pag. 186 en 187.

[508] Simon Stijl, opkomste en bloei der Vereenigde Nederlanden

pag. 185 en volg.

[509] De zeer bekende Watergeus Gerrit Gerritsen, was te Oudewater

geboren.--Zie pag. 366 van dit werk.

[510] Hoofdts. Nederl. Hist. Fol. 243.

[511] Onze plaats was de eerste in Zuid-Holland.

[512] Hoofdts. Nederl. Hist. Fol. 243.

[513] Hoofdts. Nederl. Hist. Fol. 144.

[514] Hoofdts. Nederl. Hist. Fol. 247.

[515] Hoofdts. Nederl. Hist. Fol. 250.

[516] Hoofdts. Nederl. Hist. Fol. 256.

[517] Wij zagen het dus reeds, dat Oudewater ten jare 1572 weer

op de eerste vergadering der staten, die 's prinsen zijde hielden

tegenwoordig was. Het moet ons niet verwonderen, dat wij de gemagtigden

uit Oudewater in de statenraad weer na zoo groote tusschen ruimte

zitting zien nemen, indien wij bij Wagenaar VI D. 378 lezen. "De

kleine steden, die sedert een aantal jaren, niet ter dagvaart plegen

te verschijnen, kregen nu weder plaats in dezelve, opdat men haar,

door het zoet der regering zou aanlokken tot het williger dragen der

gemeene lasten, en anderen, die het nog met Alva hielden te ligter

te doen omslaan."

[518] Hoofdts. Nederl. Hist. Fol. 253.

[519] Hoofdts. Nederl. Hist. Fol. 254.

[520] Hoofdts. Nederl. Hist. Fol. 273.

[521] Bor Nederlandsch historien, pag. 17.

[522] A. van Duyn Oudewaters moord, pag. 7.

[523] Römer in zijne bijdrage Utrecht en Oudewater in den Utrechtsche

Volks almanak.

[524] De bijzonderheden van den togt zijn meest uit van Duijn,

Oudewaters moord, die wij voor de waarheid derzelve aansprakelijk

houden.

[525] Zie ook de bijdrage van Dr. R. C. H. Römer in den Utrechtschen

Volksalmanak 1859, getiteld: De moord van Oudewater in 1575, van

pag. 43 tot en met pag. 63.

[526] Hoofdts Nederlandsch historiën, pag. 401.

[527] Resol. der Staten van Holland, 12 Julij 1575.

[528] Ib. 9 Aug. Anno. 1575.

[529] Hoofdst. Nederlandsche historie, pag. 422.

[530] P. Bor, Nederlandsche Beroerte, VIII B. pag. 121.

[531] A. van Duyn, Oudewaters moord, pag. 10.

[532] Van Duyn, pag. 10, en van Kinschot pag. 223 en 224, melden

omtrent een vlugteling het volgende. Nadat hij met paard en wagen

en de tilbare goederen, op het voorbeeld zijner gebaren gevlugt was,

werd hij door 's vijands vooruit gespatte ruiterij zoo snel vervolgd,

dat hij eindelijk, zich niet meer kunnende vleijen, het gevaar te

ontsnappen, eerst zijn bevrachte wagen dwars over den weg reed, zijne

paarden losmaakte en toen, na het medegevoerde te hebben achtergelaten,

in het wegrennen, ten bewijs zijner nu vast gewaande vrijheid, den

najagenden Spanjaard spottend toeriep, "Seneca, Seneca volg mij nu

zoo gij kunt, ik zit nu te paard zoowel als gij."

[533] Hoofts. Nederlandsche historien, pag. 432.

[534] Bor, Nederlandsche beroerten, VIII B, pag. 121 A.

[535] Van Duyn, pag. 10.

[536] Wij gissen nabij het tegenwoordig Gemeente huis van Honcoop.

[537] Hoofts. Nederl. historien, pag. 423.

[538] Van Duyn, pag. 11, alwaar hij breeder de ontruiming van die

sterkte uiteen zet.

[539] P. Bor, Nederlandsche beroerten, VIII B, pag. 121.

[540] P. Bor, pag. 121 A.

[541] Die noodmunten waren van 20 en 40 stuivers, men zie de afbeelding

bij van Loon I. D. pag. 206. en van Kinschot pag. 231.

[542] De brug over dit water, had de Spanjaard weggebroken, de rede

waarom van Dam, vroeger naar Goejanverwellesluis getogen was, doch

zich zoo zeer te leur gesteld vond.

[543] P. C. Hooft, Nederlandsche historie, D. I, B. 10 pag. 433.

[544] Bor, Nederlandsche beroerten, VIII B. fol. 121 B.

[545] Ib.

[546] De eerste kogel die in de kerk geschoten werd, hangt nog aan

de gewelven van dien tempel.

[547] Tot narigt voor hen, die dit doel van Hierges vreemd zullen

vinden, omdat de stadsgracht nu te ver van den toren gelegen is,

diene, dat de stadsvestingmuur toen ter tijde aan of zeer digt voorbij

den toren liep, dat de Yssel als de gracht beschouwd werd, en dat

het Veer nog niet aan de stad getrokken was, dit werd eerst in 1585

vergund.--Zie meerdere bewijzen, in de bijdrage van R. C. H. Romer,

in de Utrechtsche Volks-Almanak 1859, getiteld: De moord van Oudewater

in 1575.

[548] Bor, VIII B, pag. 121 B.

[549] Hooft, pag. 423.

[550] Bor, Nederlandsche beroerten, VIII, B, pag. 121 B.

[551] Hooft, Nederlandsche historien, pag. 423.

[552] Bor, pag. 121 vso a.

[553] Van Duijn, Oudewaters moord, pag. 14.

[554] Bor, VIII, B. pag, 121 vso a.

[555] Hoofts historien pag. 423.

[556] Hoofts. Nederl. historien, pag. 423.

[557] Bor, Nederl. beroerten, VIII B. pag. 121, vso a.

[558] Hoofts. Nederl. historien, pag. 423.

[559] Bor, VIII, B, pag. 121, vso a.

[560] Ib.

[561] Hoofts. Nederl. historien, pag. 424.

[562] Bor, Nederlandsche Beroerten, VIII B pag. 121, vso. A.

[563] Hoofts. Nederlandsche Historiën, pag. 424.

[564] Van Duijn in zijn meergenoemd boekje over den moord, meldt

pag. 15, dat men in de stadsmuur bij de bresse, in de poort eene mijn

gemaakt had, om die ter behoorlijker tijd in de lucht te doen springen

en den rook in het leger te leiden, en dat men den kruidkelder dan ook

met de poort liet springen, maar het vervroegde de inname der stad,

immers voor de bresse, die toen merkelijk grooter werd, waren geen

manschappen meer om die naar behooren te bezetten. Van Duijn is echter

zeer dikwijls met geloofwaardige schrijvers in tegenspraak en het is

dus somtijds zeer gevaarlijk, om hetgeen hij opdischt, voor waar aan te

nemen. Dit is dan ook de rede, dat wij weinig gebruik van hem maken,

maar liever andere bronnen, en met name van Kinschot te baat namen,

die wij nu en dan bijna woordelijk volgden.

[565] P. Bor, Nederlandsche beroerten VIII B. pag. 121 B.

[566] Hoofts. Nederlandsche Historien pag. 424.

[567] Meerdere bijzonderheden bij van Kinschot, pag. 257 vs.

Wij mogen bijzonderheden omtrent personen, niet in alle fijnheden

overnemen, omdat ons dit te wijdloopig zoude doen worden.

[568] Bor, ib. en leven van prins Willem I, 2 D. VIII B, pag. 284.

[569] Resol. der stat. van Holland 9 Aug. 1575 pag. 553 en 554.

[570] Wagenaar, Vaderlandsche geschiedenis, over Sonnoy en Lumeij.

[571] Zie van Kinschot pag. 256 al.

[572] Voor hen, die de namen zouden willen weten, verwijzen wij naar

de Utrechtsche Volksalm. 1859 van pag. 69 tot 86.

[573] Voor een versterkte politie, is inmiddels zorg gedragen, omdat

er tusschen "de kinderen des velds", verhit door Bachus en aangespoord

door Cupido ligtelijk twisten ontstaan.

[574] Van Kinschot, pag. 419 vso. en III keurb. der stad Delft,

pag. 275, op het Stadhuis berusten twee registers van aangenomen

poorters van de jaren 1577 tot 1806.

[575] Het octrooi berust ter Secretarij in origine.

[576] "Leendert A. van Dam en Jan Pieters Watergrave liepen menig

keer op partij en zochten alle middelen, om die van Montfoort uit te

lokken, omdat zij twee partijen toegedaan waren."

Van Duijn.

[577] Er is eene dergelijke van het volgende jaar; doch om niet

noodeloos uitvoerig te worden, schrijf ik daaruit niets af.

[578] Zie ons werk van pag. 212 tot pag. 214 en een aantal stukken

op het archieve der stad in deze tijden.

[579] Op het stadhuis is een accijnsboek berustende van bieren en

wijn te Oudewater Ao. 1578 en 1579. In de stad waren eertijds een

aantal bierbrouwerijen aanwezig.

[580] Zie de inhoud van dit octrooi, bij van Kinschot pag. 422 tot

pag. 427, en het origineel op het stadhuis.

[581] Wagenaar VII D. pag. 94.

[582] ib. pag. 139.

[583] Hofdijk, geschiedenis der Nederlanden pag. 79. vso.

[584] De missieve is op het stadhuis berustende.

[585] Resol. van Holland 11 Julij 1584.

[586] Zie Resolutie der stad, sub 15 July 1584 en van Holland ten

zelfden jare, fol. 394 en 414. De volmagt te vinden bij van Kinschot,

pag. 111 tot en met pag. 114.

[587] Pag. 144 en volg.

[588] Zie de acte van Burgemeesters en Schepenen betreffende het

huren van zolders, tot berging van het graan, ter gemeente-secretary.

[589] Vroeger tijd waren er met den Heer van Montfoort dikwijls

oneenigheden over die gronden geweest.

[590] Wagenaar, VIII D., pag. 189.

[591] Wagenaar, pag. 200.

[592] Pag. 203 en volg.

[593] Zij bevinden zich op het stadhuis; maar kapitein van Zwieten,

waakte, zooveel in hem was, tegen dergelijke misdrijven, in 1587

trouwens, had de compagnie van van Zwieten nog afdoening gehad.

[594] Ter viering van dit bestand binnen Oudewater bestaat er op het

stadhuis nog de aanschrijving der Staten van Holland en Westvriesland

23 April 1609.

[595] Zie zijne levensschets in dit werk van pag. 361 tot 365.

[596] Wagenaar, X D. pag. 16 en volg.

[597] Ib. pag. 20.

[598] Ib. pag. 20.

[599] Wagenaar, X. Dl. pag. 152 en 153.

"De Heer van Kinschot meldt van Lijdius, pag. 142 en 143 het volgende:

Johannus Lijdius, schoon in Duitschland het eerste levenslicht

aanschouwd hebbende, is ter zake van zijn langdurig verblijf en

inwoning zoo in Holland als wel voornamelijk in Oudewater onder de

geleerde mannen, aldaar te huis hoorende met recht geteld geworden. Hij

was in de talen en bijzonder in de theologie en geschiedkunde zeer

ervaren, zijne schriften zijn daarvan de getuigen. Hij heeft het

leeraarsambt in de Gereformeerde gemeente in deze stad met grooten

roem en algemeene hoogachting bediend van 1602 tot 1643 als wanneer

hij overleed."

Tevens moeten wij herinneren, dat van 1608 tot in 1617, de Heer Levinus

de Raad de tweede predikant was, terwijl in het tijdvak waarvan wij

schrijven, Gerrit Gerritszoon Crayenstein de waardigheid van Balluw

bekleedde tot in 1618.

[600] De 1. draagt tot titel: "Historisch verhaal, van de voornaamste

swaricheden, verschillen en proceduren, sowel in kerckelijke als

politycke saken, drie jaren herwaarts voorghevallen binnen de stadt

Oudewater, door de kerckeraat aldaar, en eenige van de magistraten

Amsterdam 1618."

Wij behoeven niet te zeggen dat die brochure zeer contra Remonstrantsch

is.

De 2. heet "Reuckappel enz. enz., tegen de kwade lucht, onlanghs bij

een onervaren weyman veroorsaackt, door het opdoen, ende aanwijsen van

een valsche fenijnighe spore, enz. enz. philodelphi MDC XVIII." Dit

boek is in zeer Remonstrantschen geest geschreven.

En de 3e, is de Clachte der Ghemeynte tot Oudewater der ghenen, die

houden hij de oude Religie, aan de edele Hooch Moghende H. H. Staten

van Holland ende West Vriesland dienende tot wederlegginhe van

de valschheden in een boek onder den name, ontdeckinghe van den

oproerighen gheest der Contra Remonstranten tot Oudewater.

Die sijnen naam sal vermonden

Als de namen bij het tegenschrift sijn bevonden

In het jaar ons Heeren 1618.

Zoo als men dus ziet, is die brochure weder in Contra Remonstrantschen

geest geschreven.

[601] Wij zien het dus, de leeraars waren Contra Remonstrantsch,

en de Magistraat--tenminste gedeeltelijk--Remonstrantschgezind.

[602] Tot dusver het "historisch verhaal".

[603] Reuckappel pag. 72.

[604] Wagenaar X Dl. pag. 159.

[605] Wagenaar X Dl. pag. 160, 161 en 162.

[606] Zie den hoofdinhoud bij Wagenaar, X D. pag. 162 en 163.

[607] Die troepenbeweging, is welligt te meer noodzakelijk geweest,

omdat er van 25 Junij 1623 eene publicatie bestaat, nopens de

bevordering der eendragt tusschen de burgerij en het garnizoen.

[608] Wij mogen niet vergeten aan te stippen, dat de gecommitteerde

Raden van de Staten van Holland en Westvriesland besloten tot den

afstand der wallen en vestingwerken van Oudewater ten behoeve der stad,

die acte, dato 8 Februarij 1634, is op het stadhuis berustende.

[609] Uit de Archieven der stad.

[610] Wirster, Geschiedenis van ons Vaderland, pag. 82-92.

[611] Wagenaar, XIV D. pag. 41.

[612] In zijn tooneel des oorlogs, pag. 247-252.

[613] "Onze stad," zegt van den Bosch, dit zou doen denken, dat hij

een stadgenoot was, meerdere gronden meen ik daarvoor te hebben indien

wij zijn verhaal aandachtig nagaan.

[614] Van het slot te Vliet is slechts de ruïne overig; over de

geschiedenis van hetzelve verwijs ik onder anderen naar ons boekske

getiteld: Bijzonderheden omtrent het slot te Vliet, 1861.

[615] Van den Bosch III D. pag. 184.

[616] Dezelfde III D. pag. 190, alwaar wij het volgende bewijs

van grooten moed van hen vinden opgeteekend. Het was in Februarij

1673, dat twee Dortsche en een Haagsch burger tot onder de tuinen

van Woerden getogen waren, op hoop den vijand eenigen afbreuk te

doen. Daar bemerkten zij 8 franschen, die twee schapen bij zich

hadden. Niettegenstaande de hoop op overwinnen dus zeer gering was,

vallen zij den vijand aan en brengen hen spoedig alle acht gevangen

Oudewater binnen.

[617] Nog eenige sleden met hooi die door het ijs gezakt waren, werden

door hen verbrand. Zie van den Bosch III D. pag. 190, 191 en Allan,

Beschrijving van 's Gravenhage pag. 225.

[618] Zie van den Bosch, tooneel des oorlogs III. D. pag. 249.

[619] Het origineel berust ter archieve; zoo ook van het jaar 1710,

eene naamlijst van 58 fransche officieren in den franschen oorlog

binnen de stad krijgsgevangen geworden, benevens den staat der door

hen gemaakte schulden.

[620] Gevolgd naar "De Beroerten in de Nederlanden." III Deel,

pag. 195.

[621] Hofdijk, Geschiedenis der Nederlanden 106.

[622] Hofdijk, pag. 208 enz.

[623] Vele verschillende missiven over het leggen van de bezetting

binnen de stad, berusten ten raadhuize onder de archieven.

[624] Keizer Napoleon passeerde in 1811 Oudewater, hij onderhield

zich eenigen tijd met eene deputatie uit de burgerschap.

Ten raadhuize bevinden zich nog eenige missiven, bevattende

voorschriften van een plan tot feestviering bij gelegenheid van het

passeren van Zijne Majesteit.

[625] De uitnemende Van den Bergh, heeft deze regelen vervaardigd voor

het tijdvak uit de Vaderlandsche geschiedenis, toen de Vlamingen in

de middeneeuwen ons graafschap veroverden.

[626] Het schijnt echter, dat de Hooge Regering de nog overig zijnde

wallen nog niet van waarschijnlijk nut ontbloot acht, tenminste

eene voor ongeveer 10 jaren voorgenomene verkooping der aarde van de

borstweringen, werd van wege het Ministerie van Oorlog verboden.

[627] Deze vereeniging ondervindt ieder jaar, de milddadigheid van

H. M. de Koningin Weduwe.

[628] Wij gewaagden daar van het woord Gilde. In vroeger tijd waren er

te dezer stede een zeer groot getal verschillende gilden, die genaamd

werden naar de uitoefening van het bedrijf of het beroep der leden.

Het lijndraaijers gild schijnt daar nog overblijfsel van te zijn. Het

zakkendragers en bierdragers gild, bleef tot voor eenige jaren nog

gewijzigd in wezen.

[629] Een lid dezer afdeeling, de hoefsmid H. de Zwart, onderscheidt

zich zeer gunstig in het vervaardigen van hoefijzers, ter te

gemoetkoming of geheele verbetering van gebrekkige paardenhoeven.

Een keurige verzameling dier ijzers 74 verschillenden in getal, heeft

bereids op menige tentoonstelling van landbouw zoo door gunstige

getuigschriften als medailles grooten naam verworven.

[630] Twee, der drie in de stad aan den IJssel liggende bruggen werden

bij die gelegenheid geamoveerd en niet weder herbouwd. De IJsselbrug

echter wordt vervangen door eenen ijzeren, deze vroegere is welligt nog

de brug, die ten jare 1371 door grave Albrecht vergund werd te maken,

ten minste zij droeg dit jaartal 1?71; het tweede cijfer van dit jaar

doet met evenveel gerustheid aan een 3, dan aan eene 5 denken.

[631] De alom bekende Nederlandsche liefdadigheid, onderscheidt

zich in Oudewater steeds bijzonder. De jongste algemeene collecte,

gehouden op den verjaardag des konings, ten behoeve der noodlijdenden

door de overstroomingen in Gelderland en Noord-Braband, bragt binnen

den kom der stede, met inbegrip van loten, in de algemeene verloting,

niet minder op dan 966 gulden 61 1/2 cent.

Oudewater en omtrek, Geologisch, Mythologisch en Geschiedkundig Geschetst · 第 177 / 178 题