VAN RANG EN SESSIE IN DE STAATSVERGADERING VAN HOLLAND.

Hebben wij nu gezien, dat er omtrent het bestuur van iedere gemeente

van Nederland en bijzonder met dat van Oudewater groote hervormingen

plaats hadden, ook het landsbestuur onderging niet minder groote

veranderingen.

Immers de Staten Generaal, verdeeld in Eerste- en Tweede Kamer, alsook

de Provinciale Staten--de twee laatste ligchamen uit vrijwillige

stemming geformeerd--zijn allen in deze eeuw daargesteld.

Wanneer er eertijds over 's Lands aangelegenheden moest gesproken

worden, dan werd er vergadering belegd van Ridders en Edellieden uit

verschillende oorden des lands, en de groote en kleine steden van

Holland, werden dan insgelijks beschreven ter Staatsvergadering te

verschijnen, en eene deputatie uit den Magistraat eener zoodanige

gemeente, woonde dan de bijeenkomst bij en had daarin regt van stem.

Ook Oudewater mogt zich beroemen, de eer te hebben om zijne

gemagtigden, zitting te doen nemen in 's Lands Hooge Vergaderingen

en stem te laten uitbrengen, omtrent de gewigtigste aangelegenheden,

van het veel tijds zoo benarde Vaderland.

Is de Koninklijke residentie 's Gravenhage nu alleen de plaats van

bijeenkomst voor Nederlands vertegenwoordigers, vroeger werden er

ook in eene menigte andere plaatsen van ons Vaderland zoogenaamde

dagvaarten gehouden; zoo ook had de beschrijving van de Vergadering

der Staten vóór Prins Willem den I geen vasten voet; immers, nu

eens werd zulks gedaan, door den Graaf of zijnen Stadhouder, en

de Raden van het Hof, [340] dan weder door 's Lands Advocaat, en

den Algemeenen Ontvanger.--Genoemde Prins beweerde echter, dat het

streed met de achtbaarheid [341] des hofs, dat de beschrijving door

den griffier geschiedde en dat het regt de Staten ter dagvaart op te

roepen, hem alleen toebehoorde; de Prins wist dan ook de bewilliging

van Margaretha, Hertogin van Parma als Landvoogdesse te verkrijgen,

[342] dat alle Staatsvergaderingen streng verboden werden, die zonder

zijne aanschrijving en bewilliging geschiedden.

Na den moord van den Prins op den 10 Julij 1584, werd kort daarna

de vergadering der Gemagtigde Raden opgerigt, en aan deze liet men

sedert dien tijd altijd het beschrijven van 's Lands Staten over.

Van Kinschot getuigt, [343] dat de Vergadering der Staten gedurende

een twintigtal jaren, n.l. van 1524 tot 1544 zeer verward is geweest,

doch dat men op dezelve veeltijds vermeld vindt de edelen en de

zes navolgende plaatsen, die groote steden genoemd werden [344]

te weten: Dordrecht, Haarlem, Delft, Leiden, Gouda en Amsterdam,

echter werden ook wel nevens deze laatste steden de kleine steden

beschreven,--waaronder zoo als wij weten ook Oudewater behoorde,

zonder dat er echter een vaste orde of rang in gehouden werd.

a. Op den 16 Mei 1525 verschenen ter Staten Vergadering [345] nevens

de Edelen, Ridders en groote steden onder de kleine steden, ook de

Gemagtigden van Oudewater.

b. Te 's Gravenhage verschenen op de dagvaarten van 24, 25 en 26 Mei

1525 namens Oudewater Jacobs Gerrits en Gerrit. [346]

c. Te St. Geertruidenberg op het stadhuis den 17 Junij 1525, verschenen

ter vergadering ook wel die van Oudewater, doch van hen en die van

Enkhuizen staat geboekt, »dat men dezelve niet en konde met meer

andere van de kleine steden." [347]

d. Te Breda verschenen op den 25 Junij 1525 namens Oudewater, Jacob

Geritsz en Pieter Anthonis met bijvoeging, »dees was er den laatste

dagvaart, maar hier niet."

e. Te 's Gravenhage verschenen voor Oudewater, op 17 November 1527,

Jacob Klaas en Daniel Henreksz.

f. Op den 23 Mei 1528, Henrik Geritsz.

g. Den 13 October 1528, Jan Dircx en

h. Te Utrecht den 23 dito, Henrik Geritsz.

i. Te 's Gravenhage op den 29 Mei 1529, Cornelis Dirksz en Jan

Pietersz.

j. Te Brussel den 7 Junij 1529, Jan Pietersz.

Voorts vindt men gewag gemaakt, dat er op de dagvaarten van Haarlem 20

September 1534, en op die te Gouda 8 Augustus 1536, vele van de kleine

steden waren, »zonder dezelve of haar Gemagtigden aan te teekenen of

te kennen." [348]

k. In 's Gravenhage vertegenwoordigden Oudewater van den 16 tot den

24 September 1538, Jan Robrechts en Mr. Dirk van Crempen.

l. Op den 12 en 13 October 1538, [349] Jan Robertsz en Mr. Willem

Geritsz.

Op den dagvaart te Haarlem 11 en 12 Augustus 1540, waren daar

tegenwoordig meest al de [350] kleine steden, even gelijk ook op de

Staatsvergaderingen in 's Gravenhage den 11 en 24 Februarij 1541 en

de 11 September 1542, de kleine steden tegenwoordig waren. [351]

Indien wij de resolutien van Holland ab Anno 1544 ad 1549 en van 21

November 1544 fol. 55 inzien, dan denkt men teregt, dat de edelen

en zes groote steden een geruimen tijd de Staatsvergaderingen hebben

uitgemaakt, en zij de kleine plaatsen eenigzins begonnen te beschouwen

als »het vijfde rad aan een wagen" te meer nog, daar Jacob van den

Ende, in zeker getuigschrift zich daar noemende Advocaat van de

Staaten van de Graaflijkheid van Holland, onder anderen als in het

voorbijgaan zegt »dat de edelen en de zes groote steden van Holland

de Staten van het land verbeelden.

Niet te min zullen op de een of andere Vergadering de kleine steden,

of eenige derzelve nog wel eens beschreven zijn geweest, want volgens

resolutie van Holland, den 22 December 1563 moesten voortaan de kosten

voor de verschijning ter vergadering van eenige kleine steden, komen

ten laste van iedere stad of zonder bezwaring van 't gemeene land. Een

en ander ging er soms echter zeer verward toe, want:

m. In Mei 1564 werden echter al de kleine steden wederom ter dagvaart

beschreven, [352] en het is hoogst waarschijnlijk dat dit daarna

nog meermalen heeft plaats gehad, want op ons gemeente archief

berust een zeer interessant stuk, namelijk eene »Nota, houdende zeer

gespecificeerde aanteekeningen van dag voor dag gemaakte verteringen

en reiskosten van Burgemeesters van Oudewater, op hunne reizen naar

Brussel, den Haag enz., in 1564 en 1565.

Alles strookt hier dus: in 1563 de resolutie dat de reiskosten voor

de stad komen, en in 1564 treffen wij de nota aan, hunner verteringen,

omdat zij daarvan in Oudewater nu rekening moesten doen.

Wij vinden niet vermeld, dat Oudewater meer ter dagvaart geroepen werd,

dan in het jaar 1572, als wanneer Oudewater de eerste plaats in Zuid

Holland was, die het voorbeeld van Brielle volgde en zich verklaarde

voor den Prins van Oranje Willem de Zwijger.

n. Op eene toen te Dordrecht gehouden vergadering, op den 19 Julij

des laatstgenoemden jaars, waren namens Oudewater tegenwoordig,

Cornelis Willemsz de Lange Burgemeester, en Jop Pietersz van Hattemer.

o. Den 22 vergaderde men weder te Dordrecht, [353] en

p. Den 25 Julij te Rotterdam.

Wat er op deze hoogst gewigtige vergaderingen plaats had, besparen

wij om in ons laatste hoofdstuk van de beschrijving te vermelden.

q. Voorts werd Oudewater geconvoceerd ter vergadering op den 22

November 1574, [354] om mede besluit te nemen op eenen door Zijn

Excellentie Willem van Nassau gedanen voorslag, [355] en mede

te raadplegen op den voorslag, en het antwoord bij de Staten aan

Z. Excellentie, rakende het bestier van den lande te geven. [356]

Op deze bijeenkomst waren Oudewaters gevolmagtigden, Willem Jacobsz

Burgemeester, en Cornelis Jansz. Schepen.

Wel degelijk nam men dus nu ook van de kleine plaatsen notitie, dat

blijkt ten duidelijkste immers uit de hoogst zwaarwigtige onderwerpen,

voornamelijk over de regering des Lands waarin zij gekend werden om

te beraadslagen ja zelfs werd er nog goedgevonden, dat de kleine

plaatsen in zaken van contributie, tractaten van pijs, oorlog- of

regeringsverordering mede beschreven zouden worden. [357]

Hieraan werd dan ook gevolg gegeven, want in het jaar 1575 werden op

zeer vele vergaderingen,

r. Zoowel te Delft als elders ter beraadslaging daarop aangetroffen,

Willem Jansz Burgemeester, en Dirk Simonsz Secretaris van Oudewater,

en deze dagvaarten werden niet zelden gehouden in tegenwoordigheid

van Zijne Prinselijke Excellentie.

Wij zijn genaderd tot in Oudewaters bloedjaar 1575, en om reden

dat de Spanjaarden deze plaats hadden ingenomen was dit de oorzaak,

schrijft van Kinschot, [358] »dat in Grasmaand van Anno 1576 en eenigen

tijd daarna, nog geene Afgezondenen dezer stad in de vergadering

konden verschijnen, s. maar in April 1583, vindt men Oudewater

wederom onder de steden, die geroepen waren om zeker renversaal aan

Z. Ex. over te leveren, met zijn zegel van verbonde of geheimzegel

te bezegelen." [359] Dit stuk nu, versiert nog Oudewaters archief,

even zoo ook de door Prins Willem den I eigenhandig geteekende

beschrijvingsbrief, waarop t. hij in Dordrecht en wel op 4 October

van laatstgenoemd jaar Oudewater uitnoodigt om Gedeputeerden naar

eerstgenoemde stad te zenden, ten einde op den 16 October mede over 's

lands belangen te raadplegen. Weshalve door de Vroedschap als zoodanig

gemagtigd werden, de Secretaris der stad en Dirks Cley Burgemeester.

u. den 10 Julij 1584 trof het moorddadig lood op eene verraderlijke

wijze prins Willem den I en daags daarna, vergaderden de beide

presidenten van de Hoven en eenige steden op het Delftsche

stadhuis waarop aldaar ten spoedigste de vergadering der staten

beschreven werd om orde te stellen, en in 's lands regering te

voorzien. [360] De gemagtigden van Oudewater in deze, waren schepen

Jan Claasz. de Ameijde, en de vroedschap Jan Jansz. Coppert. [361]

Volgens uitdrukkelijk bevel, moesten zij echter behoorlijk bij hunne

principalen gemagtigd zijn [362] en de heer van Kinschot laat die

magtiging dan op bladz. 112-114 van zijn beschrijving volgen.

Die van den raad van zijne excellentie nu, waren gemagtigd, om hunne

dienst te blijven waarnemen, totdat er omtrent 's lands regering anders

zoude voorzien zijn. [363] Toen nu de edelen en deputatien der steden

aangekomen waren, moesten zij in handen van den president Nicolai

den eed doen en beloven, niets van de op de vergadering gehouden

gesprekken of voorgedragen gevoelens omtrent het stuk der regering

kenbaar te zullen maken, enz.

Daarop ging men tot deze zeer gewigtige beraadslaging over en toen

ieder zijn gevoelen over deze aangelegenheid had geuit, verklaarden

al de kleine steden, waaronder ook Oudewater te willen vertrekken,

daar zooals men zich zal herinneren, de verblijfkosten ten laste

der gemeente kwamen. Dientengevolge werden allen ontslagen nadat zij

alvorens de verzekering gegeven hadden zich nimmer van de vereeniging

tusschen Holland en Zeeland te zullen scheiden en zich te gedragen

naar al hetgeen door de blijvenden zouden geresolveerd worden. [364]

Ook kregen zij verlof om niet bij de ter aarde bestelling van zijn

prinselijke excellentie tegenwoordig te moeten zijn, zooals in de

resolutie van Holland Anno 1584 den 20 Julij vervat was, dat namelijk

ook 2 gemagtigden van iedere kleine stad bij die lijkplegtigheid

zouden verschijnen.

v. Nadat er voorloopig in 's Lands bestuur voorzien was, werd Oudewater

in 1584 weder aangeschreven ter statenvergadering te verschijnen, ten

einde mede te beraadslagen aangaande het aannemen van den Franschen

koning tot eenen Heer en Prins van het land. Ook voor dezen keer

verschenen er geene gemagtigden van Oudewater doch de stad getuigde

per brief van 29 October 1584, dat zij zoude goed keuren en zich wilde

gedragen, naar al hetgeen in deze zaak besloten zoude worden. [365]

w. In de maand September 1586, verschenen ter staatsvergadering twee

gedeputeerden uit Oudewater met name Jasper van Dam, Burgemeester,

en Pieter Gerritz Paes, Schepen.

x. In 1587 reisden weder derwaarts de Burgemeester Pieter Hz. van

Gulick en Jacob Sijbertsz Bonser.

ij. In Meimaand Ao 1588, verschenen daar dezelfden, om zoo mogelijk,

den vrede met den koning van Spanje te helpen bevorderen. [366]

z. Terwijl ten jare 1589 insgelijks die van Oudewater ter dagvaart

verschenen. [367]

aa. Gerrit van Galen en Willem Jaspersz van Nes verschenen nevens die,

eeniger kleine steden in het jaar 1608 ter dagvaart te 's Gravenhage.

Sedert dien tijd, vindt men nergens van gemagtigden uit Oudewater

meer melding gemaakt. Dit is dan trouwens ook niet te verwonderen:

de groote steden ontwikkelden zich al meer en meer, de kleine

integendeel verminderden allengs in aanzien, en dien ten gevolge,

waren die gedurige reizen der deputatiën zeer bezwarend. Voeg hierbij

het gevolgelijk verzuim van niet verschijning, en het wordt duidelijk,

dat men allengs van Oudewater geen notitie meer nam. [368]

Als vervolg op het betoog, dat Oudewater weleer zijn gemagtigden ter

dagvaart mogt zenden, vinden wij niet ongepast te vermelden:

1o. Dat bij resolutie van den 12 October 1795, door de municipaliteit

der stad Oudewater de burger Johannes Justus Montijn werd

gecommitteerd, om ter vergadering der provisionele representanten van

't volk van Holland sessie te nemen, die dit dan ook op den 13 October

1795 heeft gedaan, [369] en

2o. Dat ten gevolge van de 1848 gewijzigde grondwet, ten jare

1850 door de kiezers in het district Gouda met 587 van de 939

stemmen, tot lid der provinciale staten van Zuid Holland is

gekozen, de Heer A. M. Montijn, destijds burgemeester van deze

gemeente. ZEd. Achtb. heeft dan ook als zoodanig zitting genomen.

Oudewater en omtrek, Geologisch, Mythologisch en Geschiedkundig Geschetst · 第 151 / 178 题