Uit dit aangevoerde en de gebezigde woorden »goede bontgenooten,"
is ook de waarheid van dit tweede betoog aangetoond.
III. Op de jaarmarkten in de steden Delft, Oudewater en Alkmaar
hadden eerst de burgers van de stad daar de jaarmarkt gehouden werd,
en dan die der twee andere steden het regt van voorrang bij alle
andere buitenlieden, terwijl deze laatsten om hunne standplaatsen
moesten loten. [314]
IV. De oorzaak tot al het onderlinge vriendschapsbetoon in I, II en
III aangetoond, had hare aanleidende oorzaak hoogst waarschijnlijk
dáárin, dat er in zeer oude tijden volgens veler meening (en wel
volgens sage in het jaar 1421) een verdrag tusschen de drie gemelde
steden zoude getroffen zijn, waarbij aan de poorters dier steden, een
gelijk burgerregt, als ieder in zijne stad genoot, zoude toegestaan
en geschonken zijn, immers schrijft de heer van Kinschot in 1746, dat
de drie genoemde steden, dat poortersregt nog steeds genieten. [315]
Nu is het dan ons ook duidelijk geworden, waarom men het Delftsche
wapen aantrof in den voorgevel van het huis gemerkt N 371 aan de markt,
dat er Anno 1856 werd uit weggebroken--een ingezetene van Delft had
zich--wie twijfelt er nog aan?--hier met ter woon gevestigd, en tot
gedachtenis aan zijne stad, haar wapen in zijn huis aangebragt--voegen
wij aan dit betoog nog de daadzaak, dat er in de lijsten van aangenomen
poorters te Delft geene van Oudewater en Alkmaar voorkomen, dan is
er aan de waarheid niet meer te twijfelen. [316]
V. Neemt men nu ten slotte bij al het aangevoerde nog in aanmerking,
dat [317] het oude wapen der stad Delft in de kamer van Burgemeesteren
aldaar berustende, met zeer oude letters het omschrift bevatte:
Sigillum Communitatis Oppidanorum de Delf beteekenende: Het zegel
van de gemeenschap der poorteren van Delf, dan moeten ook wij zeggen,
dit moet niet zonder bijzondere redenen, maar met diep inzigt en wisse
voorbedachtzaamheid alzoo verkregen zijn. Deze zinsnede: gemeenschap
der poorteren van Delft moet ongetwijfeld doelen op »het oude verbond"
van de steden Delft, Oudewater en Alkmaar.
Het Wapen van Oudewater.
Wij hebben ons in het voorgaande hoofdstuk onder anderen bezig
gehouden, met het wapen dezer plaats, zonder dat de goedgunstige
lezer nog eenige nadere omschrijving van dat wapen had, het is daarom,
dat wij die nu dadelijk gaan maken.
Het stadswapen dan, vertoont een zilver veld, waarop zich een burg
bevindt, wiens omloop met schietgaten en wiens poorten met hameijen
voorzien zijn, van boven uit dezen burg verheft zich een klimmende
leeuw, alles van rood of keel, zooals men dit in de heraldiek noemt,
de leeuw echter is getongd en geklaauwd van hemelsblaauw (lazuur). Dit
zilver schild nu, is gedekt met een kroon met drie fleurons van goud
terwijl het wapenschild wordt vastgehouden door twee klimmende leeuwen,
in hunne natuurlijke verwen.
Kinschot denkt, dat het sijmbool van dit wapen is, aldus:
Oudewater ligt op de uiterste grenzen van Holland tegen de grenzen van
het Sticht en dus naar die zijden bloot, voor den eersten aanstoot der
wapens wanneer het Sticht overweldigd is; vandaar, dat hij Oudewater
dan ook noemt »een Burch en Bolwerk voor het gewest van Holland." Deze
burg en dit bolwerk zouden dan naar alle waarschijnlijkheid, een
van Hollands graven op de gedachte gebragt hebben, deze gelegenheid
der stad, in haar wapen te doen vertegenwoordigen door den burg,
waarboven de leeuw als staat te waken, tegen iederen onverhoedschen
overval van eenen vijand.
In het jaar 1816 werd van wege den koning, o. a. »de hooge raad van
adel" gemagtigd eenige of een aantal wapens te wettigen, ingevolge
besluit van den 20 Februarij 1816, en het was in laatstgenoemd jaar,
dat de gemeente van Oudewater ingevolge het door haar gedaan verzoek
door haar bevestigd werd, in het bezit van het hiervoren omschreven
wapen, zoo als blijkt uit het onderschrift van het wapen dezer stad,
dat op het stadhuis in de raadkamer hangt:
Gedaan in 's Gravenhage den 24 Julij 1816.
(was geteekent) enz. [318]
Regeringsvorm en Regeringslieden.
In een privilegie van graaf Willem, Anno 1322, waarbij de poorters
van Oudewater niet arrestabel worden verklaard, wordt gewag gemaakt,
dat alstoen hier aan der stede regering waren: »seven scepenen,
twee Raatsmannen en een Bailju." [319]
Voorts bestaat er een bevel van »Willem Grave etc." aan de magistraat
van Oudewater van het jaar 1323 namelijk om de Lombaarden in hare
stad te ontvangen en burgerrecht te laten genieten, waarin de
regeringslieden aldus werden genoemd.
Wi Willem Grave etc. onsen lieven en getrouwen Schout, Schepenen ende
Raed van onser poorteren van Oudewater saluyt enz. [320]
Terwijl graaf Albrecht de magistraat dezer plaats in 1395 vermeld,
onder de woorden »Scout, Borghe Meesters, scepenen en Rade." [321]
Tot op 1401 echter, zijn wij niet in het bezit van eenig stuk, hoe de
aanstelling van den magistraat geschiedde, als wanneer in laatstgenoemd
jaar Hertog Aalbrecht van Beijeren op den St. Matthijs aposteldag,
aan de stad Oudewater een handvest [322] verleende, waarin onder
anderen geregeld werd, het aanstellen van schepenen en achten [323]
het verkiezen van Burgemeesters enz. en wel in dezer voege:
De Bailluw van Rijnland zou ieder jaar op meiavond zetten of doen
zetten, zeven schepenen, die niet te zeer onderling vermaagschapt
zouden zijn. Wanneer nu een van deze schepenen gedurende zijn
schependom kwam te overlijden, dan zou de Bailluw van Rijnland nadat
hem van stadswege daarvan was onderrigt, binnen verloop van veertien
dagen een anderen schepen verkiezen.--Voor en aleer de schepenen van
het stadhuis zich verwijderden, moesten echter tenzelfden dage, de
Achten of acht raadsmannen gekozen worden. Voorts bepaalde hertog
Aalbrecht nog, dat de schout, schepenen, klerk en de gezworen
Raadsmannen ieder jaar op St. Simon en Judas avond, uit ieder
vierendeel der voornoemde stad, staande ten halven schoten, zouden
kiezen twee Burgemeesters met deze bepaling, dat zij die binnen de
laatste drie jaren Burgemeesters geweest waren, niet verkiesbaar
waren, en dat, zoo er een van dezulken in zijne dienst »aflijvig"
werd, men alsdan een anderen binnen de drie dagen kiezen zoude,
dat de Burgemeesters niet te na in de familie mogten zijn, en vijf
en dertig jaren of daarboven moesten oud zijn, enz. enz.
Hertog Aalbrecht, bepaalde in dit zijn handvest, zooals toen veelal
gebruikelijk was, dat al de daarin vermelde »poincten" en ieder in
het »bijzonder vast ende gestade" gehouden moesten worden, zooals er
verder stond, »voor ons en onse nacomelingen ten eeuwigen dagen" waarom
hij dan ook dezen brief had laten »besegelen met synen segele." Deze
eeuwigheid duurde echter slechts een tijdsverloop van 184 jaren
(van 1401 tot in 1585) als wanneer Holland ziende de gelegenheid
en de stand van zaken in deze stad, ten gevolge des moords in 1575,
goedvond, eenige verandering in de uitvoering van meergemeld stuk van
Graaf Aalbrecht aan te brengen, weshalve de staten voor den tijd van
drie jaren bevolen, dat een van de Burgemeesters en sommige van de
schepenen, niet op den vroeger bepaalden tijd behoefden af te treden,
»wel verstaande, dat daartoe vercoren sullen worden, de bequaamste ende
nutste personen uyt het geheele corpus van de gemeente, zonder reguard
te nemen op de quartieren, schoten ofte loten, ofte ook dat deselve
in voorlede jaren zullen gedient hebben, zullen de verkiezingen en de
advysen diesaangeande vrij zijn, als in andere steden van Holland
ende dit alleenlijk voor den tijd van drie eerstcomende jaren,
als voorseyt is; te eynden, dat de staten voornoemt verhopende,
dat de steede wederomme gecomen sal wesen tot haren ouden fleur,
hebben belooft ende beloven mits dezen die van Oudewater voornoemd,
wederom te laten genieten, het voornoemde privilegie naar zijnen form
ende inhouden. [324]"
Het is mij niet gebleken, of na verloop van deze drie jaren, de
verkiezing weder op den ouden voet van 1401 plaats had, stellig echter
moet het gebleken zijn, dat dit octrooi niet langer haltbaar was,
daar wij in het jaar 1591 gewag gemaakt vinden van de volgende nieuwe
octrooijen voor Oudewater, rakende de verkiezing van Burgemeesters,
schepenen en vroedschappen der stad.
De Ridderschap, Edelen ende Steeden van Holland en Westvriesland,
Representeerende de Staten van denselven Lande, doen te weten,
Alsoo tot dienste der Steede van Oudewater, ende ten eynde de
ingezetenen van dien in goede ordre ende gerustheid mogen gehouden,
ende onder het gebied ende Respect van de Magistraaten wederom tot
welvaren gebragt werde, ende Regt ende Justitie aldaar gebruyckt
ende onderhouden als naar behoren nodig bevonden is te voorsien,
aangaande het stellen van de Burgermeesteren, Schepenen ende
Vroedschappen aldaar, naar jegenwoordige gelegentheid der selver
Steeden, ende sonder de præjudicien van de Privilegien van dien,
Zoo is 't, dat wy hier op gesien hebbende de Privilegien ofte
Octrooi van Hartog Albrecht van Beijeren H. Gl. die van Oudewater
voornoemd verleend, in den Jaare 1401, uyt onse regte weetenschap
den voorn. van Oudewater gegund, geconsenteerd, ende geoctroyeerd
hebben, Gunnen, Consenteeren, ende Octroyeeren by deesen, dat
aldaar geëligeerd ende gesteld sullen worden by syn Exellentie als
Gouverneur van de Lande van Holland, &c. Vier en Twintig Personen
tot Vroedschappen der voorsz. Steede van Oudewater, uit alle
sulke meerder getal van de bequaamste, rijkste en vreedsaamste
derselver Steede als bij de voorsz. Magistraaten syn Exellentie
sal worden gepræsenteerd ende dat voor de eerste Reyse, ende soo
wanneer eenige derselver Vroedschappen sullen koomen te overlyden,
of uyt de voorsz. Steede metter Woone te vertrekken, ofte dezelve
om eenige andere oorsaaken, soude mogen verlaaten werden, dat
in de plaatse van deselve by de Burgermeesteren in der tyd, ende
de andere Vroedschappen aldaar eenen anderen meede van de Rykste,
gequalificeerdste, vreedsamigste verkooren en by de Borgermeesteren
geëed sal worden. Item dat den Bailliuw, Borgermeesteren, ende
Vroedschappen alle Jaars op den 25 April nomineeren sullen
Vier Persoonen uyt de Scheepenen in diensten synde, ende Tien
Persoonen uyt de voorsz. Vroedschappen ofte andere van de rykste
gequalificeerdste Burgerye ende dezelve aan zynen Exellentie by
eenen, die de voorsz. Borgermeesteren ende Vroedschappen daartoe
sullen Committeeren, ofte in syn absentie aan den President ende
Raden Provinciaal van Holland oversenden, omme uyt de vier Twee
gecontinueerd ende uyt de Tien vyff Persoonen gekooren te werden,
voor een jaar tot Schepenen der voorsz. Steede, die by den Bailliuw
van Oudewater van wegen de hoge Overigheid ge-eed in officien
gesteld sullen worden; Dat voorts den Bailliuw, Burgermeesteren,
Schepenen, Vroedschappen ende Clerq der voorsz. Steede alle
Jaars op den 28 Octobris sullen Eligeeren Twee van de Rykste,
gequalificeerdste enne vreedsamigste Persoonen derselver Steede
het zy uyt de Vroedschap ofte Burgerye tot Borgermeesteren, mits
dat zyl. een van de Borgemeesteren van den voorleedene Jaaren
sullen mogen Continueeren indien henl. het selve goed dunken zal,
Dies en sal men niemand als Borgermeester verkiesen uyt Scheepenen
dienende in den tijd van de voorsz. Electie, innegaande deselvde
Continuatie den 28 Octobris XVc. twee en negentig, ende die twee
Jaaren als Burgermeester gediend sal hebben, en sal na de Expiratie
van dien, in de twee eerstkomende Jaaren daar aan volgende niet
weder als Borgermeester geeligeerd mogen werden.
Ende en sullen in de voorsz. Vroedschappe niet mogen weesen Vader
en Zoon, nogte Schoonzoon, nogte Twee Gebroeders, nogte insgelyks
als Burgermren, nogte Schepenen gelyk op eenen tyd niet mogen
dienen, die malkanderen in Consanguiniteit en adfiniteit als
voren syn bestaande, nogte ook Zusters kinderen, ende dit alles
voor den tyd van tien Jaaren eerstcomende, ende onverminderd
de Privilegien ende Geregtigheeden der voorsz. Steede ende ten
eynde deese onse jegenwoordige Brieven van Octroy mogen worden
agtervolgd ende onderhouden; ordonneeren wy dat deselve in de
Griffie van de voorn. Hove sullen worden geregistreerd ende dat
voorts een ygelyc hem daar na sal hebben te Regaleeren.
Gegeeven in den Hage onder onse Groote Zeegelen hier aan gehangen,
den naastlesten Augusty in 't Jaar onzes Heeren 1591.
ORDONNANTIE van de Heeren Gecommitteerde Raaden van de Staaten
van Holland en Westvriesland voor de Regering van Oudewater, omme
te Eligeeren twee Persoonen tot Burgemeesteren derselve Steede.
De Gecommitteerde Raaden van de Staaten van Holland ende
Westvrieslandt, gesien hebbende 't inhoude van den Octroye by
den Heeren Staaten, die van Oudewater den Naastlesten Augusti
lestleden verleend, hebben verklaard, ende geordonneerd, verklaren
ende ordonneren by deesen, Dat den Bailliu, Burgemeesteren,
Schepenen, Vroedschap, ende Clercq der voorsz. Stede, den
XXVIIJen. Octobris toekomende sullen Eligeeren twee van de Rycxste,
Gequalificeerdste, ende Vreedsamichste Persoonen derselver stede,
't zy van de Vroedschap, ofte Burgerye, tot Burgemeesteren sonder
dat syl. ouyt den Burgemeesteren ende Schepenen jegenwoirdelick
dienende, agtervolgen denzelven Octroye yemand sullen mogen kiezen.
Gedaan in den Hage den XXIIIJen. Octobris XVc. Een en 't
Neegentich.
(Onder stond)
Ter Ordonnantie van Gecommitteerde Raden van Staten voornoemd.
(Was geteekent)
C. DE RECHTERE.
In het jaar 1600 toen de tijd van toepassing van dit octrooi verloopen
was, werd op het verzoek van Burgemeesters, Schepenen en Vroedschappen
der stad Oudewater, om voortaan te mogen blijven bij het octrooi dato
den 29 Augustus 1591, omtrent het stellen van Burgemeesters, Schepenen
en Vroedschap aldaar, hen dit niet toegestaan, doch hetzelve werd bij
resolutie der Staten van Holland, dato den 13 September 1600 nog met
tien jaren dus tot Ao 1611 verlengd.
Toen die tijd echter wederom verstreken was, en de Magistraat van
Oudewater zich bij die volmagtiging wel bevond, zoo hebben de Staten,
deze stad op den 8 September in het jaar 1611 daarin bevestigd tot
wederopzeggings toe. [325]
In zoodanigen staat bleef de electie van de magistraatspersonen tot
den tijd toe, dat de Burgemeesters en Vroedschappen zich genoopt zagen,
om door het afsterven van vele der aanzienlijkste, en tot de regering
bekwaamste personen, met opzigt tot het getal der Vroedschappen
aan de Staten te verzoeken, dat dezelve van vier-en-twintig tot
op achttien mogten uitsterven,--dit werd dan ook door de Staten
toegestaan op den 10 Februarij 1671, mits de aanstelling van de andere
Magistraatspersonen, in gevolge de privilegien en vorige octrooijen
in zijn geheel bleef.
Van voornoemd jaar 1671, werd Oudewater nu 101 jaar geregeerd, door een
Bailjuw, twee Burgemeesters, zeven Schepenen en achttien Vroedschappen,
die ieder een Secretaris hadden.
101 Jaar zeiden wij, immers in het jaar 1772 werd weder bij octrooi
bepaald, dat het getal der Vroedschappen nu tot op 12 mogt uitsterven.
Alvorens nu verder te gaan, om eene andere regeringsvorm in Oudewater
te gaan beschrijven, vinden wij het niet ongepast, nog iets omtrent
de wijze van aanstelling, en de waardigheden dezer betrekkingen
te Vermelden.
De Bailluw van Oudewater was tevens Opper-Dijkgraaf der onder de stad
behoorende Landen en had ook het Schoutsambt van Hollands Graaflijkheid
in pacht. Zijne aanstelling geschiedde door de Staten van Holland om
genoemd ambt gedurende zijn leven te bedienen. [326]
Ingevolge de handvesten, voorregten en later genomen besluiten, werd
de Bailluw doorgaans gelast, om ieder jaar de benoeming of het dubbel
getal van Schepenen aan de Heeren Staten en bij derzelver afwezigheid
aan hunne Gemagtigde Raden [327] tot het doen der verkiezingen over te
brengen, die dan ook de verkiezing deden, en dezelve per brief aan den
Bailluw overzond om den verkozen in hunne betrekking te stellen en te
[328] beëedigen.
Voorts had de Bailluw een Stedehouder of plaatsbekleeder, die bij
afwezigheid of ontstentenis van den eerste, in alles den Bailluw
vertegenwoordigde.
De twee burgemeesters, die ieder jaar op den 28 October bij meerderheid
van stemmen verkozen werden, moesten, zoowel de aanblijvende als
aankomende Burgemeester, of Burgemeesters, in handen van den oudsten
aftredenden Burgemeester, den navolgende eed doen en beloven. [329]
»De Graaflijkheid van Holland mitsgaders deeze stede gehouw ende
getrouw te zullen zijn, alle de stads voorrechten, Handvesten
en keuren voor te staan en te handhaven, goede politie onder de
burgers en gemeente te onderhouden, mitsgaders de Kerk, 't Gasthuis,
den Heiligen Geest, 't Weeshuis, Weduwen en Weezen, in huerlieden
geregtigheid te helpen, beschermen, en voorts alles te doen, 't geen
goede en getrouwe Burgemeesteren schuldig zijn en behooren te doen."
Een dezer Burgemeesters, en wel doorgaans de oudste in bediening,
nam het Thesauriers- of Schatmeesters [330] ambt waar, voor den tijd
van een jaar, hij hield de kas van de goederen en inkomsten der stad,
en moest binnen het jaar, nadat hij van zijne bediening ontslagen was,
van zijne administratie en bediening als zoodanig, ten overstaan van
de geheele Vroedschap, behoorlijk rekening en bewijs doen. [331]
De zeven Schepenen, uit eene benoeming of dubbel getal, op den 25
April van ieder jaar gemaakt, werden door de Staten van Holland of bij
derzelver afwezigheid, door de Gemagtigde Raden verkozen, en moesten
den navolgenden eed in handen van den Bailluw doen en zweren: [332]
»Dat zy lieden recht ende justitie onpartydelyk tusschen twee mans
dingtallen zullen bedienen, en zulks t' allen tyden ter Vierschaare
te verschynen, des by den Heer daartoe verzogt zynde, en voorts alles
doen, 't geene goede en getrouwe Schepenen schuldig zyn en behooren
te doen." [332]
Tot 1 Januarij 1806 als wanneer het vernietigd werd, had Oudewater
ook nog Schepen-Commissarissen ter Judicature van den gemeene lands
middelen, niet alleen in zaken over de stad voorvallende of ondernomen
wordende, maar ook over Hekendorp, Linschoten, Snelrewaard, Dijkveld,
het Land van Vliet en Roozendaal, zijnde alle bijzondere regtsgebieden,
en daarom was volgens het 15 art. van Hunner Ed. Groot Mog. Generaal
placaat op den ophef van de gemeene middelen gegeven, deze stad de
hoofdplaats van het voorschreven District.--Van al de uitspraken
en vonnissen mogt echter geappelleerd of gereformeerd worden aan de
Ed. Mog. Heeren, Gemagtigde Raden der Ed. Gr. Mog. Heeren, de Staten
van Holland en West-Vriesland.
De Burgemeesters en Vroedschappen kiezen bij 't openstaan van een
overledene, met der woon naar elders vertrokken, of zijnen dienst
verlaten hebbende Vroedschap, eenen anderen in diens plaats, welke in
handen van de in bediening zijnde Burgemeesteren den eed moet afleggen,
en volgens het Octroy en de Continuatie van dien [333] zweeren:
»Dat hy de Ridderschap, Edelen en Steden van Holland ende
West-Vriesland, als verbeeldende de Staten van het zelfde Land,
mitgaders de Burgemeesteren en Schepenen deezer Stede gehouw ende
getrouw zyn zal, en op 't verzoek van Burgemeesteren voorsz. t' alle
tyden op 't Stadhuis der zelver Stede verschijnen, om den zelfde
Burgemeesteren en Schepenen te helpen raaden en besluiten tot nut,
dienst ende welvaaren der voorsz. Stede, zulks hy in zyn gewisse,
en beste Weetenschap zal oordeelen te behooren in gevolge van 't
voorsz. Octroy der Heeren Staten."
De Secretaris werd ingevolge zeker voorregt van Albrecht, paltsgrave
op den Rijn, als Graaf van Holland verleend, op den 18 Mei Ao. 1394
[334] bij de Burgemeesteren gelast en aangesteld. [335] Hij deed
den gewoonlijken eed tot dat ambt in alle steden ingebruik, en had
stem in de jaarlijksche verkiezing van Burgemeesters. Was hij daarbij
echter ook Vroedschap, dan mogt hij toch altijd maar eene stem in de
verkiezing uitbrengen. [336]
Naamlijst der respective Bailluwen, Castelleinen en Dijkgraven van
de stad Oudewater met de daaronder behoorende landen, voor zoo ver
de in de Registers zoo van het land als de stad te vinden zijn.