45. Johannes Bekking, beroepen van Schipluiden 1791 en overleden 1809.

46. Jacobus Roeloffs (in plaats van den onder Nr. 39 genoemden en

overleden H. Zwavink) is beroepen van Streefkerk in 1801 en overleden

in Maart 1825.

47. Matthias Johs. Römer, (in plaats van den overledenen Ds. Bekking),

beroepen van Wognum en Wadweide 4 Junij 1809, overleden 15 Julij 1821.

48. Jacobus Hendrik Tol, in plaats van den overleden M. J. Römer;

beroepen van de Meern, intrede gepredikt 6 October 1822, vertrokken

naar Kampen in Februarij 1825.

49. Michael Adrianus Jentink, in plaats H. J. Tol.--Beroepen van

Vinkeveen Anno 1825.--Intrede gepredikt 7 Augustus 1825.--Vertrokken

naar Harlingen 24 Julij 1831.

50. Gerardus Steenhoff in plaats van de overleden

Jac. Roeloffs--beroepen van Jutphaas 1826.

51. Apollonius Cornelis Lorentz, in plaats van Michiel Adrianus

Jentink--proponent in 1832 en overleden alhier in 1845.

52. Hermen de Vries, in plaats van den overleden

A. C. Lorentz--beroepen van Heikop en Boekop in 1846, vertrokken naar

Leeuwarden 1851.

53. Jan Pieter de Keyser, in plaats van H. de Vries--beroepen van

Noordeloos 1851, vertrokken naar Arnhem 1852.

54. George Philip Kits van Heyningen, in plaats van Jan Pieter de

Keyser.--Beroepen van Rijsoord en Strevelshoek in 1852, vertrokken

naar Deventer 1855.

55. Johannes Marcus Kolff, in plaats van G. P. Kits van Heyningen,

beroepen van Odijk in 1856.

Tot hiertoe mijne lezers strekt der predikanten-lijst in dezen tijd,

zoodat de bedienaars van de kerk onzer beschrijving nu zijn de

Eerw. Heeren Gerardus Steenhoff en Johannes Marcus Kolff.

Nog iets over de kerk zelve.--Is het dus nu niet te betreuren, nu wij

eenigsints meer bekend zijn geworden, met deze grijze eerwaardige kerk,

dat men bij het herstellen derzelve, (dat nu en dan hoog noodzakelijk

was), zoo weinig acht heeft geslagen,--voornamelijk in de voorgaande

eeuw--om de oorspronkelijke constructie te behouden. Wanneer zal

men het toch beter leeren begrijpen, wat de Gothiek is en hoeveel

aestetisch gevoel een schoone gothische kerk bij ieder moet opwekken,

die zelfs slechts weinig van deze verheven bouwkunst begrijpt!

Doch niet alleen in Oudewater, in verreweg de meeste plaatsen van

Nederland is men met de meeste onverschilligheid met het herstellen

der oude kerken te werk gegaan. Is dit voor de pen van een minnaar

der gothiek soms wat streng, dan zullen wij een deskundige citeren.

»Het is mij niet bekend" zeide op de algemeene bijeenkomst van de leden

der maatschappij »tot bevordering der bouwkunst" op 23 Junij 1854 de

ervaren Rotterdamsche architect de Heer W. N. Rose »Het is mij niet

bekend, dat er ergens een gebouw uit de middeleeuwen bestaat, dat in

een volledige toestand van onderhoud is gebleven; hetgeen men veranderd

heeft, is niet verbeterd; de herstellingen zijn of gebrekkig geweest,

of zijn geschied geheel tegen den stijl van het gebouw, hetgeen

uit het oogpunt van de kunst beschouwd, met eene langzame slooping

gelijk staat.--En het is treurig te moeten bekennen, dat dit nog

dagelijks plaats grijpt, en wel het meest die groote en merkwaardige

voortbrengsels der kunst treft, die onze steden tot sieraad konden

verstrekken en waarvan het schoone, het eerwaardige en het verhevene

van den gothischen stijl het krachtigst te voorschijn komt."

Doch mijne lezers, al is nu deze kerk geen kruiskerk meer, al tooit

zich niet meer muur noch gewelf--zooals nog de protestantsche kerk

in Naarden--met schoone beschilderingen, al maakte men ingangen, waar

deze met haar geheel niet harmonieren, al bekalkte men hare eerwaardige

muren van buiten met Portlandsche cement en al verplaatste en verhakte

de steenhouwer de grafzerken, om daaraan eene meer onderling gelijke

gedaante te geven, de zerken, die dus nu niet meer de assche dekken

van hen, wier namen er nog op uitgedrukt zijn, [185] nog is de kerk

schoon, nog heeft men stoffe in overvloed, om zich personen en zaken

van het grijs verleden voor den geest te tooveren.

Personen en zaken?--Zeker mijne lezers, of komt het niet bij u

op als gij u binnen hare grijze muren bevindt, hoe dikwijls de

manhafte poorters daar zich hebben verootmoedigd voor hun Hemelheer,

en kracht en moed gesmeekt, zich waardiglijk tegen een even dapperen

vijand te verdedigen, hoe dikwijls de verwulven het stemgeluid der

Godsdienstleeraars hebben opgevangen en teruggekaatst, van hunne

hoogte tot in het soms blijde, doch ook soms bedroefde gemoed mijner

medeburgers! Wie somt het op, hoe menigmaal de tranen gevloeid zijn,

van grijsaard en kind, van echtgenoot en vader, van bruidegom en

verloofde op de kille grafmonumenten, die de asche dekken, van

diepbetreurde dooden, wier zerken ons nog zoo dikwijls wij de kerk

betreden, zoo somber het memento mori als toeroepen.

Doch wij nopen u met ons het kerkgebouw te verlaten, want wat zoude

het ons baten steen voor steen te ondervragen, de sombere en plegtige

stilte van het Godshuis wordt niet onderbroken door eenig wederwoord,

het statig gebouw zwijgt en blijft zwijgen.

En nu wat dunkt u geachte lezer, was het wel te veel, toen wij om

oudheid en schoone bouwtrant het eerst de aandacht voor kerk en toren

verzochten? De kerk staat daar zoo plegtig en de toren verheft haren

nok nog zoo fier gedurende zoovele eeuwen! Nog bestaat er van buiten

eenheid, en beiden--al maakt het een vreemd contrast, de kerk bekalkt

en de toren nog ongesmeurd te zien--, beiden immers dragen zij de

onmiskenbare sporen der schoone gothiek, beiden nog bezitten zij

eene menigte spitsbogen, waardoor genoemde bouworde zich insgelijks

onderscheidt, die spitsbogen waarin de vrolijk tjilpende zwaluw lustig

haar kunstig nestje van IJsselklei bouwt, vanwaar zij uitvliegt naar

omhoog in den blaauwen aether om voedsel op te doen, voor zich en de

haren! ach, de mensch vindt bij het zien eener gothische kerk zooveel

stoffe tot nadenken!

En weder wie vreemdeling is in deze plaats, en haar eenmaal mogt

bezoeken, hij zal zich eenige minuten der beschouwing van kerk en

toren gewijd niet beklagen.

Indien wij nu de beschrijving der publieke en merkwaardige gebouwen,

die binnen Oudewater staan of gestaan hebben, naar derzelver oudheid

vervolgden, dan moesten wij noodzakelijk den draad der kerkelijke

gebouwen afbreken en het natuurlijk gevolg daarvan zoude zijn,

dat de orde, die wij ons aanvankelijk voorstelden, er door lijden

moest. Alzoo zullen wij doorgaan eerst de reeks kerkelijke gebouwen

tot den tegenwoordigen tijd te beschrijven, doch om dit met te meer

vrucht te doen, is het allernoodzakelijkst, hoewel noode, de aandacht

eerst kortelijk te bepalen op

DE UITOEFENING DER R. C. EEREDIENST BINNEN OUDEWATER, NA 1575 TOT

1705-1709, EN DE GEESTELIJKEN DIE HIER LEERAARDEN.

Na de inname der veste door de Spanjaarden in 1575, is het gemakkelijk

te begrijpen, dat de uitoefening der roomsche Godsdienst aan geene

belemmering zal onderworpen zijn geweest, en de kerk, al was de

protestantsche leer daarin reeds voor 1575 gepredikt, zij toch door

de Spaansche bezettelingen weder zal gebruikt zijn geworden tot

uitoefening hunner eerdienst. Het gelukte echter in het volgende jaar

aan den onverschrokken van Zwieten en de zijnen, wederom de stad voor

Oranje te overrompelen, en van dien tijd ongeveer, kunnen wij veilig

aannemen, dat de parochiekerk in het ongestoord bezit der hervormden

zal geweest zijn.

Wat waren helaas de gemoederen verbitterd in het woelige tijdvak onzer

beschrijving, ach! zij die steeds vrienden waren, verkeerden aldra niet

zelden in openbare vijandschap, de teederste banden, die van minnende

echtelingen, van ouders en kroost, van familien en aanverwanten,

werden soms wreed vaneen gereten, en eene betreurenswaardige wrake

verving eene zoete vriendschap en genegenheid. En van waar de laakbare

stemming? Ach mijne lezers! ook Oudewater voedde in zijnen boezem

de giftige slang van geloofs- en godsdiensthaat, en wel zoo, dat het

de betreurenswaardigste gevolgen met zich sleepte. Hadde men helaas

beter begrepen, dat het geloof van protestant en katholijk beide een

waren in het Goddelijk gebod van naastenliefde, en toch werd het in

dien tijd, door beiden zoo ongelukkig verbroken.

Gelukkig echter na het woeden van den genoemden storm in al zijne

woestheid, verminderde zij allengskens, tot er eindelijk een vrij

dragelijke ruste aan den horizont lichtte. En het moest alzoo

geschieden, want de mensch ging in de ontrolling der drie laatste

eeuwen vooruit, met rassche schreden vooruit, op de schoone bane

van stoffelijke en geestelijke beschaving. Hierdoor begon hij het

ongerijmde, het den christen vernederende der geloofshaat in te zien,

en nu.... nu in onze welgeordende maatschappij, onder het bestuur van

Nederlands beminden derden Willem, zijn alle burgers van Nederland

gelijk voor de wet, onze volks-vertegenwoordigers toonen meest allen te

begrijpen, wat de negentiende eeuw van hen vordert, wat de verlichte

mensch uit dien tijd wil; en de vruchten dier vooruitgang? Tuigt het

mijne lezers, hoe schoon zij zich openbaren op iedere plaats van het

gezegende Nederland.

In de eerste tijden dan na den moord door de Spanjaarden, in de

kleine veste zoo mededoogenloos uitgevoerd, konden de roomschgezinden

hunne Godsdienst naar willekeur nog in het openbaar uitoefenen; in

die vrijheid echter konden zij zich niet zeer lang verheugen, daar

reeds van den 5 September 1578 een placaat bestaat op de vicarijen

en geestelijke bezittingen, alsmede de uitoefening der roomsche

eeredienst.

Spoedig mogten zij nu niet meer hunne religie in het openbaar

uitoefenen. Wij vinden ook in dien tijd geen pastoor, als hier verblijf

houdende en voor het algemeen leerarende, in eenig document aangeduid.

Zoo stonden de zaken, toen in 1614 de roomsche geestelijke Baaks

of de later zoo beroemde Johannes Wachtelaar, doch waarschijnlijk

meermalen beiden, voor het eerst in stilte, begunstigd door het

nachtelijk duister, de mis celebreerden, ten huize van den poorter

Jan Willemse Copper. [186]

Naar wij bijna met zekerheid kunnen vermelden, bleef men het huis van

dezen steeds als punt van bijeenkomst houden [187], en kwamen er van

tijd tot tijd, de weg gebaand zijnde, andere geestelijken, alhier de

gemeente bedienen. Zoo weten wij, dat in 1615 en 1616 alhier kwamen

prediken de Heer Ægidius, die opgevolgd werd door deszelfs broeder

Thomas, doch kort daarna vertrok.

In 1620 was alhier als priester werkzaam zekere pater Jacobus Tyras

genaamd, een Antwerpenaar van geboorte. Lector in de theologie te

's Hertogenbosch, zond zijn overste hem in 1620 naar Holland als

missionaris, en Oudewater, 's Gravenhage, vervolgens de omstreken

van Hoorn en Enkhuizen, waren getuigen van zijnen ijver. Eindelijk

kwam hij op aandrang der catholijken binnen Hoorn, rigtte daar eene

bidplaats op en was de eerste missionaris, die op bepaalde plaats en

tijd de roomschen vereenigde en de diensten met plegtigheid verrigten

mogt. Zoodanige vorderingen in de uitoefening zijner Godsdienst

moesten evenwel duur gekocht worden, daar Tyras bij zijne komst te

dezer plaatse, den kerker tot verblijf werd gewezen en dezelve in

Hoorn insgelijks drie maanden moest betrekken. Hij stierf te Hoorn,

3 September 1638 en werd in het choor der groote kerk begraven. [188]

Na dat den weg door Tyras tot het uitoefenen zijns geloofs, al meer

en meer bereid was geworden, was het Modestus Stevens Senk, die

het eerst het herderschap in het openbaar op zich nam. Harderwijker

van geboorte, was hij bij leeraar in de roomsche theologie, tevens

kanunnik van Deventer. In zijne geestelijke bediening het opzigt gehad

hebbende over de Veluwe, heeft hij daarna de gemeenten van Oudewater

en die van IJsselstein bediend, gelijk hij zelf in een brief van de

geestelijkheid aan Jacobus Bool getuigt. Bij de gemeente van deze

plaats bediende hij tevens nog Linschoten, Weerden, Roozendaal enz.

Nader werd hij in ballingschap verzonden en is te Keulen, alwaar hij

tot president van het Hollandsch collegie aangesteld was, overleden,

den 5 Julij 1654. [189]

Op deze is gevolgd in 1626 of 1627, Johannes Bekom, een Utrechtenaar en

Lincenciaat in de Godgeleerdheid, deze is echter naar Delft beroepen.

Tijdens Bekom echter nog alhier verbleef, kwam ook hier de eerste

pater der Jezuiten, Ludovicus Soutien. Tot dusver was er echter

nog geene kerk voor het uitoefenen hunner eerdienst, doch wij kunnen

veilig aannemen, dat de in het begin dezer eeuw verbroken kerk aan het

Heilig leven gebouwd of ingeruimd is, tusschen 1626 en 1640 tot het

publiek uitoefenen dier godsdienst. Eenigen tijd is hier ook geweest

als priester Johannes Kuisten, die daarna naar Raanburg vertrok.

Ook de Heer Nicolaas van Hee, moeten wij onder de geestelijken

dezer plaats noemen. Hij was geboren te Polsbroek volkomen Bacelier

in de Godgeleerdheid en is alhier gestorven of begraven op den 21

April 1673. Als orde-geestelijke was pater Houtman van den genoemden

pater Soutien opvolger, zoodat wij van nu aan in Oudewater een reeks

wereldlijke priesters en een reeks orde-geestelijken of paters moeten

vermelden, hierdoor ontstonden dan ook twee gemeenten en tengevolge

van dien, twee kerken, de eerste: de paterskerk zagen wij, reeds op

het Heilig leven en de tweede de kerk voor de wereldlijken priesters

verrees aan de markt. [190]

In de beschrijving door H. v. R. bladz. 334 vinden wij nogthans ook

vermeld, dat naar luid van een brief van Philippus Rovenius anno 1650,

Jacobus Houtman, daar als noodhulp genoemd wordt bij pastoor Van Hee

[191]. Hoe het zij, dit althans weten wij zeker, dat de twee kerken in

1667 en 1668 bestonden. De doopregisters immers dier beide gemeenten

zijn nog in aanzijn, die van de kerk aan de markt, dagteekent van 4

Mei 1667 en die van het Heilig leven, van den 12 November 1668.

»Na Van Hee, is gevolgd zeker Heer Gillis, wiens opvolger wederom

geweest is Adrianus Overgow [192] ten zijnen tijde weder was noodhulp

zekere Johannus Duc van Montfoort en successivelijk nog meerdere,

doch hunne namen laten wij achterwege. In Overgows plaats is

gekomen de Heer Hugo Hoofd, een Montfoortenaar, doch Hoofd werd naar

Amsterdam beroepen en Overgow keerde weder naar zijne pastorie binnen

Oudewater. Hier had hij eerlang voor de pastorele rechten te kampen,

tegen pater Paulus Oosternijk, een Jezuit en zendeling alhier. De

pater beweerde, dat de pastoor niet bevoegd was om de katholijken

der omliggende dorpen te gaan bedienen. Doch nadat de Heer Hugo van

Heussen de stukken onderzocht en de getuigen gehoord had, heeft hij

den pater het proces tegengewezen.

Onder de geestelijken die de Roomsche eerdienst alhier hebben

waargenomen, moet nog genoemd worden, pater Rollandus Daniels, doch

door vertrek van dezen naar elders is er eenige schorsing in de

geestelijke dienst op het heilig leven geweest, immers wij kunnen

dit opmaken uit de doopregisters, die in 1705 eindigen en in 1709

wederom beginnen.

Omstreeks voornoemde tijd, was pastoor aan de marktkerk de Heer

Johannes Chrysostomus Vijfhuizen, een Hagenaar. In de Hervormde

Godsdienst opgevoed zijnde en langen tijd geleefd hebbende, omhelsde

hij later het Roomsche geloof. Nadat hij hier en daar als noodhulp

had gestaan, werd hij door den Bisschop van Sebaste naar deze

plaats geschikt, om de ingezetenen en gemeentenaren uit den omtrek

te bedienen.

Deze pastoor Vijfhuizen was het, die de beginselen van de eerdienst der

bisschoppelijke Clerizie toe gedaan zijnde, ook zoodanig een gemeente

alhier stichtte en na vruchtelooze pogingen, tot het aankoopen van

een huis waarin hunne Godsdienst uit te oefenen, zijn zij in het

bezit gebleven van de kerk aan de markt, tot op dezen tijd.

De naamlijst van Roomsche geestelijken, der twee kerken, die wij

tot hiertoe dooreen ter neder schreven, moet dus, nu het kerken

zijn, waarin verschillende eerdiensten worden uitgeoefend, onder

afzonderlijke rubrieken voorkomen.

Oudewater en omtrek, Geologisch, Mythologisch en Geschiedkundig Geschetst · 第 115 / 178 题