De vader van dezen Diderik, die een burger van Oudewater was
en Amelgerius heette, heeft de inkomsten dezer vicarij met een
jaarlijksche rente vermeerderd.
In het jaar 1400 heeft Gerrit Wiel, een werelds persoon op zijne ziel
gezworen, dat de bewijsbrief, die het autaar van den almogenden God
en de H. Maria toebehoorde, door den watervloed bedorven en vernield
was. Sommigen echter zijn van meening, dat voor ruim 50 jaren de
originele brief nog hier aanwezig was.
Hij (Wiel) heeft echter al de bezittingen, tot het gemelde altaar
behoorende aangewezen, en een voor een met name uitgedrukt, niet
alleen, doch ook nog met eenige bezittingen vermeerderd.
In het jaar 1403 heeft Laurens Diderikse Rampen, het recht van
de vicarij van het autaar der H. Maria, met alles tot dat recht
behoorende, opgedragen en overgedaan aan den HoogEd. Heer Gerrit van
Vliet en deszelfs nazaten. [174]
Voorts kunnen wij niet onvermeld laten, dat nog op den 12 Julij
1384 door Pons Pietersse en Machteld zijne huisvrouw eene vicarij op
het autaar van de H. Maria en St. Jan Baptist gesticht is, die door
bisschop Florentius van Utrecht bekrachtigd werd.