D. Buddingh.

Bekend en onomstootbaar is het, dat men in de mythologie niet alleen

water vereerde maar het ook bevolkte met wezens van verschillende

kunne en hoedanigheid.

Bij Tacitus--om maar iets uit het vele te noemen, waarmede dit

zou kunnen bewezen worden--vindt men vermeld, dat, toen de moedige

kampvechter Claudius Civilis zijne strijders tegen de magtige Romeinen

aanbragt, hij hunnen moed aanwakkerde, door hen aan de tegenwoordigheid

van den Rijn te herinneren.

Na dit te hebben geschreven, vragen wij: wordt er ook in deze environs

daaromtrent iets aangetroffen? En het antwoord is gereed: meer dan

men oppervlakkig denkt.

Wie uwer heeft als kind nooit de ouderlijke vermaning gehad, u niet

te digt bij het water te wagen, opdat de bullebak u niet in het water

mogte trekken. Als kind geloofdet gij zulks, doch hebt gij als man wel

ooit gedacht, dat die gewaande bullebak een wezen was oorspronkelijk

uit de mythologie, dat welligt in groot aanzien stond; toch is het zoo:

zijn naam moge verloren zijn gegaan en bij den Christen in bespotting

zijn geraakt, de herinnering van zijn mythologisch daarzijn is er, zij

het ook al weder bij de kinderen. En het kind, man geworden, vertelt

dit weder zijnen kinderen, en aldus bleef, blijft en zal het aandenken

aan dien vroegeren watergod in stand blijven ook na onzen tijd.

Een ander voorbeeld: Hela was in de N. Mythologie de godin der

doodenwereld, en weder zijn er vele voorbeelden, dat zij aan rivieren

sporen harer vereering naliet, in verschillende helplaatsen. Ook

te Oudewater hebben wij aan den IJssel nog eene woning genoemd: het

helletje, die het aandenken onloochenbaar aan Hela heeft, en waarop

wij nader in het breede hopen terug te komen.

Verdere bewijzen zijn, dat het meivuur langs den IJssel gebrand wordt,

en ook merken wij op, dat de plaatsnaam Schakenbosch nog een land

voorstelt aan laatstgenoemde rivier liggende.

De Popen heeft men reeds als Watergeesten leeren kennen.

En ten slotte herinnert de naam Hekendorp afkomende van Nechsendorp,

insgelijks aan Watergeesten.

De nechsen, nichsen, doen, volgens Buddingh, geen kwaad; somtijds

komen zij bij elkander, schikken de haren naar de wijze der vrouwen,

en spreken met de menschen.

De nikkers, nixen en meerminnen schijnen daarentegen boos, en hebben,

volgens Blommaert, groen haar.

Op een hoek der wallen van deze plaats, N.W.zijde, daar ongeveer waar

eertijds het kruidhuis stond, loopt, zoo men ons verhaalde, des nachts

eene zwarte vrouw over de gracht, en op zekere waterkom tusschen

Utrecht en Oudewater gaat insgelijks des nachts eene vrouwelijke

gedaante over het water, juist tusschen twaalf en een uur.

Dat de nikkers wijders groen haar hebben, bleek nog uit dit versje:

»Zaagt ge immermeer op de oceaan gevaren;

Als de avondzon in 't golvend schuim verzonk,

Een zeemeermin zich wieglen op de baren,

Wen dijnend schoon haar groene vlecht doorblonk."

Te Schoonhoven, merkten wij reeds op, treft men nog de nikkersloot

aan, waarvoor men wel eens bekommerd is daar voorbij te gaan,

zonder men zich daarvan reden weet te verschaffen. Wij denken

nu, nietwaar? dadelijk aan de booze nikkers, en ons is het nu

duidelijk. Wat ons welligt echter nog meer duidelijk werd, is, dat

men den Schoonhovenaren wel spottenderwijze verwijt dat zij groen

haar hebben.

Oudewater en omtrek, Geologisch, Mythologisch en Geschiedkundig Geschetst · 第 55 / 178 题