De Misteltein, waarmede naar Baldur werd geschoten; de Baldursbra,
aan Baldur gewijd; de Elfrank (Solanum Dulcamarum), welligt aan de
Alven herinnerende, en de Pinksterbloem (uit het geslacht der Iris)
waren welligt allen planten die men vereerde.
Gaarne rangschikten wij hieronder nog: de kikkerbloem, (Chaerophyllum
silvester) die men op Vuige Pinksteren aan de woningen hangt.
In het Christendom zelfs hield de gedachte aan deze vereering nog
zóó stand onder het volk dat ook toen nog bijgeloof aan planten
geschonken werd; zoo verhaalt men van eene plant met roode vlekken,
dat deze onder het kruis zijnde van den Zaligmaker, met bloed bevlekt
werd en sedert altijd met roode vlekken op de bladeren is.
Ook aan de klaverplant met meer dan gewone bladen, »waarvoor de boeren
zooveel geld bieden" volgens de overlevering, is welligt bijgeloof
verbonden. Bij laatstgenoemden bleef immers het langst het bijgeloof
aanwezig, en dikwijls treft men nog een »klaver van vieren" in boeken
bij hen aan.
Dat ook boomen vereerd werden, is ontegenzeggelijk. De heer van
den Bergh zelfs [75], die geenszins spoedig iets aanneemt, twijfelt
hieraan niet, evenmin als andere schrijvers.
De vlier-, wilgen-, esch-, noten- en perenboomen gist men te zijn
vereerd, eveneens als de hazelaren (asenlaar) waarvan van den Bergh
zegt dat zij het hout leverden voor tooverroeden en wigchelstokken,
vonderhouten genaamd.
Bijzonder echter waren de eik en de linde gewijde boomen. Van
eerstgenoemde vindt men meer dan één voorbeeld aangehaald. Op 's
Grevehof in Zutphen werd het leengerigt gehouden onder een eik en
linde. Nog meerdere worden vermeld in genoemd werk, o.a. deze uit
Wolff's Niederl. Sagen: Een man ging des avonds laat van Koekelenberg
naar Molenbeek. Onder weg moest hij een overouden eik voorbij,
waarvan de stam reeds geheel hol was. Daar komende zag hij eene vlam
om den boom spelen, en toen hij wilde zien wat dat was, hoorde hij eene
vreeselijke en holle stem die hem toeriep: »gaat aan; voor u is de dag,
de nacht is voor mij!" en bij elk woord schoot eene vlam uit den boom.
Hier is, zoo leest men verder, duidelijk eene herinnering aan de
heidensche godsdienst, die met den val van het heidendom van de
menschen verlaten, alleen bij nacht spoken mag. Waarschijnlijk ziet
het op Thunar of Wodan.
Aan den gewijden eik, zegt Buddingh, legden de eerste
evangeliepredikers de bijl, zooals bijv. Willibrord en Bonifacius,
die zich daardoor in hunnen geloofsijver wel eens moeijelijkheden
berokkenden; doch hoezeer ook de gewijde eiken vielen, de vereering,
de aanbidding hield zelfs hier en elders nog in de middeleeuwen stand.
Nog worden in onzen omtrek veelvuldig de sporen van eikenboomen onder
het grondhout aangetroffen.
De lindeboom was als boom der liefde bekend. Ook hiervan konden wij
voorbeelden aanhalen; alleen zeggen wij, dat die ook niet allen bij
de prediking van het Christendom gevallen zullen zijn.
Onder meer andere groote lindenboomen noemt van den Bergh de
lindenboomen die het heidensch altaar overschaduwen op de Lage
Vuursche, doch deze zijn niet te vergelijken met de reusachtige linde
in deze plaats staande en bij oud en jong bekend onder den naam
Weesboom,
als bij het weeshuis staande. Om den lezer die nimmer die trotsche
linde zag, een denkbeeld van zijn verbazenden omvang te doen geworden,
vermelden wij dat zij ongeveer een Ned. el boven den bodem den
aanmerkelijken omvang heeft van 4,15 Ned. el, terwijl er op den bodem
eens zooveel omtrek bij komt.
Dat het dus niemand heugt, wanneer deze boom geplant is, is gemakkelijk
te begrijpen; ook komt hij op eene oude plaat reeds ongeveer voor als
hij thans is, daarenboven er is eene overlevering aan verbonden, en
ook dit bewijst zijne oudheid: die overlevering is zeer waarschijnlijk
uit de Mythologie.
Aldus, dezen boom houden wij ten eerste voor een overblijfsel van den
voormaligen woudvollen toestand dezer gewesten, en ten tweede voor een
boom van vroegere vereering, hetwelk wij te geruster durven beweren
daar de strenge oudheidnavorscher Mr. van den Bergh voornoemde linden
van Lage Vuursche, welke niet zoo oud als de Weesboom blijken te zijn,
onder zijne woudendienst noemt.
Zie hier, o.i., de bewijzen:
Stadgenoot, hebt gij als kind nooit van uwe ouders of van wie ook
gehoord, dat boven in den boom een luik was waaruit de pasgeboren
kinderen komen? Ongetwijfeld. Welnu, denk hierover nu eens na, breng
dit eens met den boom der liefde in verband, en dan vragen wij u:
zou deze legende niet van heidenschen oorsprong zijn? Deze opvatting
juist zijnde, zou men dan aan dezen boom van de godinne der liefde,
nooit geen offers gebragt hebben om een gezegend huwelijk, en als men
dan daardoor, zoo men meende, met kroost gezegend werd, dan voorzeker
is het in onzen tijd immers geen wonder, dat ook hier de vereering
weder tot het begrip der kinderen werd overgebragt.
En nog immer staat hij daar, en nog immer tart hij stormen en orkanen
hem te ontwortelen. Stormen en orkanen, zeker die beleefde hij in
het grijze Oudewater, als hij die elders zou beleefd hebben, hier
daarenboven woelden en was hij getuige van zoo vele stormen in het
geprangde gemoed der ingezetenen bij zoo menigen fellen kamp.
En ingezetenen kwamen, en ingezetenen verdwenen van het woelige
wereldtooneel, en de linde die de stille getuige was zwijgt, of spreekt
tot ons onverstaanbaar, als het zachte zephiertje zijne telken jare
vernieuwende bladerendos doet ruischen. Konde hij ons echter verhalen!
Wat zoude hij getuigen van menschenleed en menschenvreugde, van oorlog
en vrede, van weelde en gebrek! Wat zoude hij spreken--aangenomen
dat hij zoo oud is als wij meenen--van geslachten en geslachten,
die hij overleefde van uit het heidendom tot in dit jaar!
Hoeveel zoude hij kunnen bekend maken uit de tijden toen Wodan,
Thor en Freija in vereering waren en men ook hem met ontzag naderde
en toen het Heidendom voor het Christendom week.
Hoeveel duisters zoude hij kunnen ophelderen uit de jaren toen de
Stichtschen zoo dikwijls deze plaats bestookten en den graven het bezit
daarvan betwistteden--omtrent de gehechtheid aan gravinne Jakoba in
de Hoeksche en Kabeljaauwsche twisten, die ook Oudewater beroerden.
Wat zoude hij al zeggen van zoo veel verwoesting en brand die het
teisterde, van het beleg en veroveren der stad door de Spanjaarden in
1575, van geslaakte angstkreten, van getergde woede en diepen rouwe,
doch ook van vreugde en wederzien toen de plaats weder voor den Prins
genomen werd--hoe zoude hij gewagen van de lauweren die de moedige
poorteren zoo menigmaal behaalden bij verschillende tijden en op
verschillende gelegenheden van burgertwist en burgervrede,--doch
hij zou dan ook ongetwijfeld iets verhalen, hoe de tijd niet had
uitgewischt dat hij in aanzien stond bij zoovelen van welke slechts
flaauw of in het geheel niet de naam overbleef.
Zij kwamen en zij verdwenen, en hij schudt de wuivende takken nog
steeds bij elke koelte, als zeide hij: op mij hebben geen stormen
hunnen vernielenden invloed.
En gij, landgenoot! nadert gij ooit van de oost- of westzijde het
nederige Oudewater, hef op dan uw oog, en gij zult reeds van ver zijne
knoestige takken zien; en komt gij ooit binnen de plaats, vergeet
dan niet, eenigen tijd te verwijlen aan den voet der statige linde,
hoogst waarschijnlijk heugende uit het heidendom van dit oord.
Bereids zijn nu voor ons bestek classisch behandeld Feesten en
feesttijden, Wouden-, Boomen- en Plantendienst. Om nu verder
met de mythologische onderwerpen, die in Oudewater en omtrek voor
tijdgenoot en nageslacht te redden bleven, niet in het wilde rond te
schermen, zullen wij voortgaan, die onder rubrieken of hoofdstukken
te beschrijven, zoowel in het kort waarop reeds de aandacht werd
gevestigd als op diegene waarop zulks nog gedaan zal worden.
Budding's Westland wijze ons bij die verdeeling eenigzins den weg.