Het eerst trachten wij dan te vermelden, den

Naamsoorsprong van Haastrecht.

De eerste lettergreep schijnt zeer waarschijnlijk te duiden op den

eenen of anderen aas of god der heidenen. De daarvoor geplaatste h

toch kan niemand verwonderen, die weet, dat het bij de ouden reeds

zeer natuurlijk was, dat deze aspiratie gebruikt werd voor eene

klinkletter, en in tegenovergestelden zin, dikwijls waar die letter

voor een woord voegde, werd weggelaten. Menigwerf was deze uitspraak

de oorzaak tot spotternij:

Hik eb een ondje

met een okje, enz.

In plaats dat men dit echter als eene beleediging moest beschouwen,

mogt men liever, bijna zeggen wij trotsch zijn op die beschimping:

het is immers een bewijs voor de oude bewoning huns oords, een

overblijfsel van het taaleigen hunner vaderen.

Deze zelfde verwisseling had ook te Oudewater plaats, na te gaan in

de spraak van eenige oude bewoners dezer plaats, die nog dikwijls

zeer groote moeite aanwenden, hun aard hierin te verloochenen.

Ziet zoo schijnt dus Aas veranderd te zijn in Haas.

Trecht was een overtogt over een water [62], en zoo ziet men, dat

Haastrecht weleer, veelligt een trecht was aan den IJssel, waar de

een of andere aas (haas of god) vereerd werd.

Hetgeen over deze aspiratie is gezegd, is ook van toepassing, op de

bijna twee uren van Oudewater liggende boerenbuurt

Heeswijk.

Hebt gij, geachte lezer, nooit opgemerkt dat het landvolk de aa-

dikwijls met de ee-klank verwisselt? Hebt gij hen nooit hooren spreken,

van eene veerkoe en van leeg water, in plaats van eene vaarkoe en

van laag water? Welnu, hier mag gerust gezegd worden: wat nu is,

was reeds toen; ook hier dus, schijnt Heeswijk, Haaswijk, Aaswijk en

met dit de herinnering als in Haastrecht aan den een of anderen god.

Buddingh zegt: de verhooging van Ass, Ase met de aspiratie tot Hase,

Hasse is even natuurlijk als de verzachting of verscherping tot Es,

ese, esch, en de overgang van hase in hese, hees, enz.

Zekere landen tusschen Oudewater en Montfoort, de Es-kampen genaamd,

krijgen hierdoor ook eene zeer oude beteekenis.

Dat overigens Heeswijk van vóórchristelijke dagteekening is of kan

zijn, blijkt uit zijn hoogen kleibodem, die vroeg bewoonbaar was, en

uit de verklaring van laatstgenoemden mytholoog, dat Looen en beeken

zoowel als wouden, bergen, terpen, wijken en hoven aan de Asen kunnen

zijn toegewijd geweest.

Wijk is echter meer geologisch. Men bewoonde, zoo als men weet,

terpen of hoogten, hierop verzamelde men zich meer bepaald in wijken

(vici), en hiervoor bood Heeswijk zich aan, gelijk straks werd

aangetoond. Mastwijk, Bulwijk, Cromwijk en Vlooswijk, die allen in

den omtrek liggen, houden wij insgelijks vici te zijn.

Had men veel zoodanige wijken en terpen bij elkander, zegt Buddingh,

bladz. 8, »dan maakte dit bij de oude germanen eene gooi, go, dat is

land of landschap.

In dezer voege Buddingh. ZEd. veroorlove mij echter hem op te merken,

dat in deze environs liggen, zooals uit eene oude omslagtige kaart

bleek, in Barboswaarder een Goy, in Rapijnen bij Linschoten een Goy

en in de buurt Kattenbroek niet minder dan drie Goyen. Niet dat wij de

vertaling Goy voor landschap verwerpen, zoo komt zij ons--indien deze

allen van dien tijd zijn--toch wat duister voor, omdat in zoodanig

kort bestek zoo vele Goyen worden aangetroffen, en die toch kwalijk

allen, eene vereeniging van wijken en terpen zullen geweest zijn.

Oudewater en omtrek, Geologisch, Mythologisch en Geschiedkundig Geschetst · 第 32 / 178 题