Oestwagen

door de lucht reed. In Oudewater vindt men het geloof daaraan nog

niet geheel uitgedoofd. Wat echter die wagen was, zullen wij duidelijk

trachten te maken.

Het was in de mythologie altijd een bewijs van eene groote godheid,

als men haar het bezit van een wagen toekende, waarmede zij door de

lucht reden. Zoo hadden Wodan, Thor enz. wagens.

Veelvuldig zijn nog in het noordelijk deel van ons land de sprookjes

van rijdende wagens. Zoo kent men ergens een vurigen, op eene andere

plaats een ijzeren, onder Hedum een gloeijenden, in de Over-Betuwe

een helwagen, enz.

Alleen te Zwartewaal in Zuid-Holland maakt Wollff [53] gewag van den

Oegstwagen. Doch deze laatste spelling Oegst met eene g daartusschen

houden wij voor onjuist. Zie hier de reden van onze meening.

Men heeft zich waarschijnlijk in den waan gebragt, dat Oegstwagen

is gelijk Oogstwagen, als in den oogsttijd rijdende; doch daar wij

in Oudewater nooit van Oegst- altijd van Oestwagen hoorden gewagen,

houden wij zulks voor niets dan eene verbastering van Oster- of

Osterawagen. Bekend is het toch dat Ostera een wagen had, daar men

zeide: de zomer rijdt het land binnen. Welnu dan, diezelfde gedachte

gissen wij nu vervolgd met den Oestwagen in de laatste maand van

den zomer, wanneer men welligt zal gezegd hebben: de zomer rijdt het

land uit.

Deze gissing, die wij echter niet met eigenwaan willen doordrijven, zij

alzoo met bescheidenheid aan het oordeel der mythologen onderworpen.

In Oudewater--werd ons verhaald--kwam men voorheen dikwijls bij

stillen avondstond of nacht bijeen, om den oestwagen te hooren

rijden. Hoewel dit echter nu niet meer plaats heeft, is dit toch

zeker, dat ons gepasseerde jaar nog in allen ernst verzekerd werd,

dat men den Oestwagen nog kan hooren rijden.

Voorzeker moeten wij ons hier verwonderen, hoe zoodanig bijgeloof zoo

stand kon houden; de eenvoudige werkman zeide echter ook: veel van

die zaken waren niet meer zooals ten tijde van zijn vader en toen hij

»een jongen" was, aanwezig, want toen de Franschen in het land waren,

hebben deze dat weggenomen. En inderdaad, de man had hierin gelijk,

dat op dien tijd het bijgeloof zoo in deze plaats als elders zeer

veel verminderde, dat hier echter de plaats niet is om te bewijzen.

En hiermede vooreerst genoeg van de feesten in Augustus. Zien wij nu,

wat er van dit oord in September te verhalen is.

Welligt viel naar de gissing van den Delfschen mytholoog omtrent

dezen tijd het derde jaargerigt der volksvergadering in, waarvan wij

de eerste in het voorjaar, de tweede in den zomer, en de derde in

het najaar kennen.

Zoo werd nog in 1329 door hertog Jan III bepaald, de jaargedingen

te houden des maandags na Driekoningen, na beloken Paschen en

St. Jan-Baptist.

Op welken tijd die nog in 1605 werden bepaald te zullen gehouden

worden in Oudewater, zal nader worden aangetoond, wijl deze op meerdere

mythologische feesttijden slaan.

Opmerkelijk mag echter de oude kermistijd genoemd worden, welke

de laatste week in September, omstreeks St. Michael daar was. De

herfstnachtevening, die alsdan gevierd werd, zou nader, volgens gis van

prof. Rooijaards, op het feest van dien heilige zijn overgegaan. Hoe

het zij, de feestdag van St. Michiel werd in allen gevalle vroeger

zeer luisterrijk alhier gevierd, wijl de oude parochiekerk dien tot

patroon had.

In October vinden wij alhier geene sporen van heidensche eerdienst.

En van die in November, als het feest van St. Maarten bij de Christenen

inviel, en in December als het midwinterfeest daar was, is reeds

gesproken, en wij treden daaromtrent niet in herhaling.

Gingen nu, geachte lezer, sommige zaken die men groot waardeerde,

tot diepe verachting en kinderspel over, dat echter ging niet met

alle heidensche feesten zoo.

Het heidendom liet niet zoo gemakkelijk zijne blijde feesten glippen,

voor die van het christendom.

Wijsselijk besloot men dus waar dit kon en niet met de kerk streed,

de feesten van eerstgenoemden op die der laatsten over te brengen;

alzoo waren de heidenen spoediger voor het christendom gewonnen.

Daarom ook werd het midwinterfeest, waarbij zij hunne zonnegeboorte

vierden, veranderd in ons kersfeest, waarin de Christen de geboorte

herdenkt van den Zaligmaker.

Het Osterfeest, waarin men het verrezen zonlicht herdacht, werd

het feest van den verrezen Godmensch. Nog noemt men in Duitschland

April Ostermonat, en het Paaschfeest Ostern. »De opstanding van

onzen Goddelijken Verlosser was de opgang van het morgenlicht der

eeuwigheid," zegt de heer Hofdijk, »van het licht der onsterfelijkheid,

glansender en heilrijker dan het rijzend licht van Astera." Ziedaar

genoeg om het feest der godinne in dat van den verrijzenden Heiland

te vervormen.

»In Junij, de maand waarin Pinksteren gewoonlijk invalt,"

zegt laatstgenoemde schrijver weder, »en de zon heur hoogste

standplaats heeft, vierden de noordsche goden het feest van Baldur,

den schoonste van hen allen, den lichtgod, en de menschen hielden ter

zijner eer het midzomerfeest. En om die onuitwischbare vierdagen te

verchristelijken, werd het feest der uitstorting van den heiligen Geest

daarop overgebracht." In plaats van den zoo zeer beminden Baldur werd

het feest van den zachtmoedigen Johannes den Dooper daarna gevierd.

Van daar dus, zooals wij zagen, ook onze kaaloorsche kermisvreugde en

die van Haestrecht; van daar de zoo wijd beroemde of welligt beruchte

Stolksche Pinksteren; van daar niet onzeker, dat St. Joannes nog de

patroon is der kerken van de nabijgelegen plaatsen Gouda en Montfoort.

Het herfstfeest werd daarna welligt gewijzigd in het feest van

St. Michiel, de patroon der kerk, waarbij ook tevens de vroegere

kermis inviel.

Zie, zoo moesten en ook zoo konden de feesten van het heidendom

worden vervormd in die van het lichtende Christendom, dat toch ook

zijn feesten had.

Nog kwam ons zeer opmerkelijk voor, dat de oude jaargerigten, die, zoo

als wij zagen, in Augustus plaats hadden en ook, volgens bepaling van

een van Hollands graven, nog op drie andere tijden, ook in Oudewater

na gehouden vacantie op eigenaartige tijden werden hervat.

»Schepenen voors sullen onghehouden zyn ter vierschare te compareren,

omme partyen regt te administreren op de ordinaris vacantiedagen,

Beginnende d'eerste vacantie, vastelavontsdagh, [54] ende ghedurende

acht daghen. De tweede beginnende acht daghen voor Paesschen [55]

ende expirerende acht daghen nae Paesschen, De derde beginnende drie

daghen voor den vijfden Junij, wesende alsdan binnen dezer stede

ordinaris peerdemarckt ende gheduyrende drie daghen nae den selfden

vijfden Junij. De vierde, beginnende Pinxteravont [56], ende ghedurende

acht daghen lanc, de vijfde beginnende den XVIIIen Septembris [57],

wesende ordinaris Soutmarckt, ende gheduyrende veertien daghen, De

seste beginnende XVIIII daghen [58] voor kerkmisse, ende eyndigende

veertien daghen nae kerkmisse." [59]

Uit een en ander is het nu gebleken, dat vele heidensche feesten

nog lang in afschaduwing stand hielden en nog stand houden; sommigen

echter hoe lang nog? [60]

De Christelijke feesten zullen zeker blijven bestaan, doch de

feestvreugde op nieuwjaarsnacht? het tromslaan is niet meer in zwang,

en het schieten vernamen wij in de laatste jaren niet meer, nu dit van

wege het plaatselijk bestuur wordt verboden. Alleen het klokgebeijer,

het zingen van de nachtwacht en het jolen der menigte bleven.

Tegen de vastenavond-buitensporigheden wordt nog even als vroeger

door kerkelijk gezag gestreden.

Den eijermaandag zagen wij in eenige jaren zeer verflaauwen en veel

van zijn ouden luister verliezen.

En het meivuur en de meivreugde? Waren de knapen in onze jeugd

nog bezig, dagen te voren uren en uren den speeltijd ontwoekerd,

brandstoffen voor het meifeest te verzamelen, thans schijnen zij

eerst daaraan te worden herinnerd, als het lustige

Hei, 't was in de Mei!

uit den--bouwkundig beschouwd--zoo schoonen toren hen tegengalmt. Wel

worden dan nog eenige brandstoffen in der haast bijeengeraapt, doch--en

dit laat zich zeer goed begrijpen--de mijt verheft zich niet meer

zooals vroeger, en weinig daarenboven zouden de veelal natte twijgen

aan het voorgestelde beantwoorden, hadde in den laatsten tijd, de

oudheidminnaar de knapen niet in staat gesteld, de smeulende takken

door gekocht hout te verlevendigen.

Ook de aanvoerders die eertijds nog fungeerden, worden niet meer

benoemd.

Voeg bij deze verflaauwing der knapen, de wet van 22 October 1836,

Prov. blad No. 82, luidende geen zaadstroo of ruigte, op het open

veld te verbranden, dan 16 Ned. ellen van den grooten weg of de

passage, een maatregel om het schrikken der paarden te voorkomen,

en de geachte lezer, maakt met ons ongetwijfeld de gevolgtrekking,

dat ook dit weldra niet meer zal worden aanschouwd.

Alleen het brandde dit jaar nog in Hekendorp, nog aan den IJssel,

nog omstreeks de stadsgrens.

De Vuige Pinksteren geraakt al meer en meer in vergetelheid. Zelden

wordt de Chaerophyllum silvester (kikkerbloem) meer van haren stengel

gerukt om, ten teeken van spot, aan de huizen te worden gebonden.

De Kaaloorsche kermis wordt telkens minder, verplaatst zich, en

verliest daardoor van hare eigendommelijkheid.

Ook de oude kermistijd (herfstnachtevening en St.-Michiel) is nu

verplaatst in Augustus, en wel sedert besluit van den raad op 29

April 1854, hetwelk in Junij deszelfden jaars door Gedep. St. werd

goedgekeurd,--en eindelijk, Oudewater heeft geene schepenen meer, die

hunne gerigten op de aangetoonde zeer interessante tijden hervatten.

Dit alles zouden wij kunnen verlengen, doch waarvoor? Er is antwoord

op de vraag: hoe lang nog? en dat antwoord is: niet lange meer.

En de minnaar van onderzoek, zal alzoo na verloop van eenige jaren

slechts te vergeefs zoeken, naar de overblijfselen van vele dier

mythologische feesten, en de niet minnaar van onderzoek?... Weinig

zal hij er aan gedacht hebben, dat hij zoo lang de instandhouder

was van de heidensche feestviering, en wij, mogten wij in dit opzigt

voor het reeds ter neder geschrevene waarheid gesproken hebben wat

daaromtrent in het prospectus werd beloofd, onzerzijds gered en ter

neder geschreven, wat de tijdgeest van het volkseigen nog niet geheel

vernietigde en met zich voerde in den wijden stroom der vergetelheid.

De maanden alzoo mythologisch beschouwd zijnde, zullen wij nog een

weinig bij de dagen der week verwijlen, wier benamingen insgelijks van

heidenschen oorsprong zijn, als bij de noordsche volkeren voornamelijk

van goden afgeleid zijnde.

Zoo heeft Zondag betrekking op de zonvereering. Op Zondag is dan ook

gebleken, dat in Meimaand de klokken bespeeld worden, en treffend

genoeg was het Meifeest een zonnefeest.

Maandag. Iedere gezindte, zegt Tydeman [61], diende hare godheid op

zijnen maandag der week. Deze dag wordt bij zeer vele landlieden

daardoor nog in eer gehouden, dat zij op denzelven tot geen prijs

eenig akkerwerk zullen beginnen; hij was dus oudtijds de rustdag voor

landbouw en vee. Het heidensch volk was gewoon op den heiligen weekdag,

van min noodzakelijke werken uit te rusten en gedeeltelijk den dag,

avond en nacht onder spel en met vreugde door te brengen. Ook vond

het gelegenheid, om dan bij tempels de wetten en bevelen te hooren

afkondigen, en de waren te verruilen of te verkoopen: van daar dat

de marktdagen en kermissen aan de heilige tijden verbonden werden.

Van daar dan welligt eveneens den eijermaandag; van daar dat de tweede

vacatie van schepenen op Maandag werd hervat; van daar de Kaaloorsche

kermis op Maandag. De zesde vacatie van schepenen was insgelijks op

Maandag geëindigd; het begin van het oude kermisfeest was op dien

dag, en ook liet zich het carillon vóór eenige jaren van tien tot

elf ure op Maandag hooren. Zie, het zou toch al heel toevallig zijn,

zoo hier geene mythologie ten grondslag ligt en alles toeval is.

Dingsdag, Woensdag en Donderdag lieten in onze omstreken geene sporen

van heidensche herinnering na, uitgenomen in hunnen naam, en dit is

alles behalve plaatselijk.

Den naam Vrijdag, die aan Freija, ook aan Freja kan herinneren,

schrijven wij het liefst, gelijk anderen, aan de laatste, de godinne

der liefde, toe, omdat de Vrijdag ook alhier de dag is, waarop men

het meest aanteekent ten huwelijk; zonder dat het den verloofden

bewust is, wordt alsdan, in de verlichte negentiende eeuw, nog menig

offer aan Freja, de liefde-godin, gebragt, door op heur naamdag ten

aanteekening te gaan.

Overigens nog herinneren de woorden: vrijen, vrijer, vrijster,

aan Freja.

Zaturdag doet aan Satur denken. De Vuige Pinksteren op Zaturdag

invallende, heeft echter op dezen god geene betrekking.

En hiermede besluiten wij de feesten en feesttijden.

Oudewater en omtrek, Geologisch, Mythologisch en Geschiedkundig Geschetst · 第 30 / 178 题