De dag zelf draagt nog den naam van

Vuige Pinksteren;

en het lied:

Vuiglak, vuiglak!

Vuiglak is vroeg opgestaan

En toen weer naar zijn bed gegaan"

wordt dikwijls ten spot van zoodanige tragen gezongen.

Bij het stuk over het meifeest, geachte lezer, hadden wij u reeds

bekend kunnen maken met iets van zoo groot belang voor de mythologie

of liever voor hare afschaduwingen in ons leven, dat dit nu toch niet

langer verzwegen zij, hoewel het ook nader nog meermalen in herinnering

zal worden gebragt. Hiervoor zij dus uwe bijzondere aandacht verzocht.

Toen het Christendom ook in ons land over het heidendom allengs begon

te zegevieren, werd menig gebruik van der heidenen natuurleer of

godendienst, tot kinderspel verlaagd, de namen hunner goden werden

dikwijls door verachtelijke namen in afschuw gebragt; in één woord,

menigmaal stelde men wat vroeger zeer in aanzien stond, in een

bespottelijk daglicht, en zoo stak de duisternis van hunne dienst

nog sterker af bij het licht, door de geloofsverkondigers ontstoken.

Daarom werd het meivuur alligt vreugdevol kinderspel, en daarom moeten

wij ook hierna nog dikwijls, met in onze taal verachtelijke woorden

hunne voormalige godendienst aantoonen.

De reden, dat zulks nu door ons wordt vermeld, is deze, dat wij nog in

de vuige Pinksteren iets gissen te zien, dat als eene nieuwe gedachte

bijzonder den geleerde met de meeste bescheidenheid zij voorgelegd.

De lezer kan nu weten, dat de zonnegod in den moedernacht werd

geboren. Vroeg in het jaar dus, wijl het jaaringang was.

Moet hier de lichtgod Baldur den luilak niet verbeelden, van wien

men zingt:

»Luilak is vroeg opgestaan"?

Op de luilakken die lang slapen, kunnen wij toch wel niet toepassen,

dat zij vroeg opstaan.

In Junij waarin onze Pinksteren gemeenlijk invalt, heeft de zon

haar hoogste standplaats in deze gewesten bekomen en gaat al lager,

zij legt zich hoe langer hoe meer ter ruste, en dan vindt ook Baldur

ruste in den dood.

Wordt dit niet herdacht door:

»En toen weer naar zijn bed gegaan"?

Hoe het zij, de gelijkenis was o. i. te treffend om ze den mytholoog

te onthouden, vooral als de latere verafschuwing hunner leer en

menigvuldige mythologische overblijfselen dezer plaats hiermede worden

in verband gebragt.

Vierde men op aarde het midzomerfeest met groote vreugde, ook de

Asen deden zulks in Walhalla, ter eere van den zoo men immers meende,

onkwetsbaren Baldur.

Buddingh meent, dat men dit godenleven op Midgard of de aarde navolgde

door het steekspelen, balslaan, en doelschieten.

Hierin kunnen wij ons met genoemden schrijver vereenigen.

Behalve, dat het doelschieten ook hier eertijds plaats had, zou dan

ook het balslaan in het nabijgelegen Polsbroek, waar dit nog plaats

grijpt, hierop toegepast kunnen worden. Dit balslaan en kaatsen moet

zelfs in 1605 te Oudewater nog zoo sterk in zwang zijn geweest, dat

daartegen een verbod van den magistraat werd afgevaardigd, dit toch

onder de kerkdienst te laten:

»Dat niemandt van den burgheren ofte inwoonderen deser stede, wie

hy sy, op sondaghen ofte geordonneerde biddaghen, van 'smorgens ten

neghen tot elf uren toe, zal mogen kaetsen."

En op eene andere plaats:

»Dat ook niemandt binnen deser stede op ter straten, op ten

kerckhove, uyte wateren bij de ramen, mitter kolven den bal slaen,

noch metter slingher [48], ofte ander instrument steenen, ofte yet

quetselikx werpen en sullen moghen, Ghelijck oock niemandt met boghen,

bussen, ofte diergelicken gheweren,.... buyten den doelen zal mogen

schieten...." [49]

Ook het haan den kop afslaan [50] en katknuppelen op de zoogenaamde

en zotklinkende

Oudewater en omtrek, Geologisch, Mythologisch en Geschiedkundig Geschetst · 第 27 / 178 题