Eijermaandag

hieraan herinneren, die het laatst van Maart of met het begin van

April invalt? het is immers de maandag vóór Paschen, en

»Het mag wezen zoo 't wil,

Paschen valt in Maart of April."

Zie hier eenigen grond voor onze vooronderstelling:

Men beschouwde het ei bij het heidendom aldus: een ei, dat op zich

zelve levenloos schijnt, bevat in hare doode omhulsels de kiem van

herleving.

In den Overijsselschen volksalmanak 1840 laat Halbertsma in zijne

bijdrage over de Paasch-eijeren dit ook duidelijk blijken, en

Dr. Leemans teekent in zijne beschrijving der romeinsche steenen

doodkisten aan: »Onder de zinnebeeldige beteekenis van het ei, komt

vooral die van herleving in aanmerking." Daarom legde men ook een ei

in de doodkisten. [36]

Mogelijk vereerde of verkocht men elkander omstreeks den tijd

van eijermaandag--ook (in verbastering welligt) eijermarkt

genaamd--eijeren, als een bewijs van herleving in de natuur. Ook het

Paasch-eieren eten wordt hier eveneens, in navolging der geleerden,

door ons herinnerd.

In den laatsten tijd echter zagen wij, voor zoover onze herinnering

zich uitstrekt, nimmer eijeren op de markt ten verkoop aangeboden. Is

dit geen bewijs te meer, dat markt eene verbastering is van maandag?

Wel wordt er handel in boomen gedreven, doch ook deze vertegenwoordigen

immers de herlevende natuur. Ook kramerijen worden uitgestald, de

klokken bespeeld, op Bacchus' altaar wordt meer dan op gewone dagen

geofferd: in het kort, het is eene soort van kermis.

Na dit alles zijn wij niet vreemd van de gedachte, bij de talrijke

overblijfselen der natuurdienst, dat de Oudewatersche eijermaandag, bij

het herleven der natuur invallende, eertijds een heidensch feest was,

waarin het in de mythologie zinnebeeldige ei als beeld van herleving,

eene voorname rol speelde.

Het Meifeest.

"Nu staen des meyentacken uitghespreit ende bloeijen

schoon ghelijk roode rosen."

Hofmann van Fallersleben.

Omtrent zeer vele feesten is op te merken, dat, op den avond vóór

den feestdag zelven het vieren daarvan niet alleen reeds aanbreekt,

maar er zelfs een groot gedeelte van beslaat. Zoo spreekt men bijv. van

kers-avond, van St.-Nicolaas-avond, en nog een groot aantal voorbeelden

zou kunnen worden aangehaald.

Dit is ook van toepassing op het meifeest, dat op mei-avond of op

den laatsten April invalt. Deze aanmerkingen, geachte lezer! wilden

wij vooraf laten gaan.

Het heidendom dan had drie groote of hoofdfeesten: over het eerste

of midwinterfeest zie hiervoren; het tweede is het Osterafeest,

aan hetwelk nu de aandacht zal worden gewijd en dat insgelijks een

zonnefeest was.

»De zon heeft in de lentenachtevening gezegevierd: het reuzenvolk is

bestreden; de overwinnaar treedt de blijde woning binnen en zoo ook

de geheele voorjaars-aarde. Freija (de aarde) ook Asterdis genaamd,

viert feest, zoo ook de gansche natuur." [37]

Dan droeg men bij de verrezen lentezon in processie het beeld des

doods of des winters naar den vloed of de grens der gemeente en bij

het offermaal, en jubelende en in groote vreugde werd het herlevende

beeld der Natuur naar het dorp gebragt. [38]

In Meimaand trad men in het huwelijk; dan versierde men het

feestvertrek: zij, de moeder aarde, tooide zich immers ook in een

met bloemen geschakeerd kleed, zij immers gaf haren kinderen het

voorbeeld. [39]

»Met Mei", zegt de groote oudheidkundige van den Bergh op bladz. 53

van zijn critisch Woordenboek der Ned. Mythologie, »met Mei hield

men onder de duitsche volken het begin van den zomer, en vierde

daarom den eersten dag dier maand." Grimm beweert, Myth. 438, dat men

daarvoor geen vasten dag bepaald had en dit slechts vaststelde naar

toevallige teekenen, b.v. de komst van de eerste zwaluw of ooijevaar,

of het bloeijen van het eerste viooltje. In Nederland, geloof ik,

was het niet zoo, waarvan het spreekwoord: »eene zwaluw maakt nog

geen zomer". De eerste Mei bepaalde hier den aanvang des zomers,

en geen andere dag werd als zoodanig gevierd.

Dan ook plantte men in Noorwegen, Zweden, Denemarken en IJsland

meiboomen, met bloemen omhangen, en ontstak men feestvuren; dan was

men in Denemarken gewoon te zeggen: de zomer rijdt het land binnen.

Aan dit vreugdevol meifeest namen vele aanzienlijken deel. »Des nachts

van den 1 Mei," zegt de heer Budding [40], »ving de tocht aan: jonge

mannen reden vooraan, daarop volgde de meigraaf (majgreve) met twee

kransen versierd, waarvan eene op elken schouder; het overige gevolg

had slechts eenen krans, en als zij dan op de plaats hunner bestemming

gekomen waren, werden er meiliederen aangeheven. De maagden plaatsten

zich dan om den meigraaf, en deze laatste koos dan eene majinde of

meigravin, door een krans op haar te werpen.

Luister eens, hoe Engelberts Gerrits, onze zeer bekwame grijze

historicus die meisjes bij den optogt naar het feestvuur zingen

laat: [41]

. . . . . . . . . . . .

. . . . . . . . . . . .

. . . . . . . . . . . .

Ostera biedt haar glansen

De lentetijd is daar.

De meiboom spreidt zijn kleuren

En weeft een blanke kroon;

Staakt, droeven! staakt uw treuren:

De lente strooit haar geuren,

Verheugt u in haar schoon.

Laat ons de goden loven,

Brengt Frei en Freja eer;

Zij vieren feest daarboven:

Wat winter mogt ontrooven,

Dat brengt de lente weer.

God Baldur zal herleven

In goud en zonneglans;

In dalen en langs dreven

Gaat hij een feestkleed weven;

Komt, zusters! in den dans!

Daarna laat hij de meiboom plantende knapen hunne takkebossen

nederwerpen bij het beeld van Freja. [42] De oudste der barden neemt

een brandenden spaan en ontsteekt de houtmijt, onder het afsmeeken

van den zegen over de veldvruchten. De Gydien knielen rondom het

beeld en den houtstapel; de priesters en de overigen plaatsen zich er

achter. Dan neemt de bard het offermes, het lam wordt gebonden, voor

het beeld gelegd, en het vlijmend offermes glijdt door den malschen

hals, en het bloed bepurpert de blanke vacht. Terwijl het dier den

doodstrijd kampt, sprenkelt de priester het bloed in de vlammen, over

de hoofden der priesteressen, en de roep: »heil Frei en Freja!" wordt

heinde en ver herhaald.

En zoo ver het oog draagt, ziet men heldervlammende lentevuren, terwijl

de lucht wedergalmt van blijde feestliederen, en de bard de ingewanden

van het offerdier onderzoekt, en daaruit voorspellingen maakt over

oogst en vrede. De priesters verlaten daarna de plaats en verschaffen

der menigte vrijheid, hunne lentevermaken te vervolgen. Alle meisjes

vormen nu een wijden kring rondom den boom en den meigraaf, en naar

de toonen van der skalden instrumenten huppelt men, zingende terwijl

het feestvuur knettert:

O Maigreef, zie in 't ronde,

Het blijde feest is daar!

Kies u een schoone blonde

Met bloemen in het haar.

Kom, zoek u een majinde,

In onze reijen uit!

Ligt wordt zij uw beminde

En dan uw zoete bruid.

Dan laten de verdienstvolle schrijvers van »Ons Vaderland" den

meigreef, nadat hij de maagdenrei langs hem heen heeft doen huppelen

en zijne bloemkransen heeft opgeheven, aldus zingen:

Maar als ik heb gekozen,

Dan baat geen schuchter neen,

En met angstvallig blozen

Sluipt geen Majinde heen.

De meikroon zal ik bieden

Als waardig minnepand,

En zoo ze bloo wil vlieden,

Het meisje draag' de schand!

En als dan de meigraaf gekozen heeft, zong men weder. Andere

jongelingen namen dan ook daaraan deel, en zoo verlustigde men zich,

totdat de laatste vonken van het feestvuur waren uitgedoofd.

Overigens merken wij nog op, dat, bij den grooten strijd van zon en

duisternis, door Haudur en Baldur voorgesteld, men nog zomer en winter

vergeleek bij twee kampvechters die elkander den voorrang benijdden.

Er is echter nog niet bepaald gezegd, wie dat feest was toegewijd.

Aan een, bepaald was het zulks ook niet. In het voorgaande evenwel

heeft men reeds Ostera meermalen aangetroffen, en deze zal aan de

bijzondere vereering van het feest niet vreemd zijn geweest.

Grimm verhaalt, dat de Aprilmaand in Duitschland nog Ostermonat genoemd

wordt, en deze Ostera, zegt hij, moet, even als het angs. Eastre,

een hooger wezen van het heidendom beteekend hebben. Het oude

h.d. adv. Ostar beduidt het aanbreken van den dag, evenzoo het oude

n. Austr.

Ostera, Eastre mag alzoo eene godheid van den stralenden morgen, van

het opstijgende licht geweest zijn, eene vreugde en heil aanbrengende

verschijning. Ook Buddingh, Etmuller en Hoeufft denken aan een

herrijzingsfeest.

Doch niet vermoedelijk alleen aan Ostera, ook aan de godinne der

liefde was het feest gewijd.

Dat wijders de godin Ostera ook aan watervloeden en waterstroomen

vereerd werd, wil de oudheidliefhebber Buddingh bewezen hebben uit

den plaatsnaam Oosterlee: Ooster van Ostera, lee van water, alwaar

hij ontwijfelbare sporen van waterdienst wil zien. Het planten en

opsieren van meiboomen leidt hij het liefst uit hunne boomendienst af.

Ook, zegt hij, waren de Friezen gewoon hunne feestvuren op hoogten

te ontsteken.

Ofschoon nu echter ons Meifeest in April of Meiavond begint, dat ons

meer aan de viering alleen in April zou kunnen doen denken, zoo smelt

dit feest ongemerkt bij het meifeest in. Daarom hebben wij Ostera's

en meifeest in elkander laten vloeijen. [43] Welligt was er ook in

het heidendom geene grens.

En nu het Meifeest, zoo als dit ongeveer een 15tal jaren terug door

ons werd medegevierd.

Reeds eenige dagen vóór die zoozeer gewenschte meiavond daar is,

zijn de knapen ijverig bezig voornamelijk het hunne tot het vieren

daarvan aan te brengen. Allerwege houden zij zich onledig brandstoffen

te verzamelen, en menige bewoner van Oudewater en omtrek wordt met

kinderlijken aandrang aangezocht eenig hout voor hun doel af te

staan. [44]

De brandstoffen, door de knapen vergaderd, worden alsdan op den

bewusten avond buiten de Broekerpoort (nu gesloopt) in Hekendorp

gebragt, alwaar men die in brand steekt.

Terwijl men dan de houtmijt die reeds aanmerkelijken omvang heeft,

bij den IJssel ziet opgestapeld, en een aantal knapen in griendjes en

het Schakenbosch nog meerder hout zoeken; verbeidt men met ongeduld

het bespelen van het klokkenspel, dat te zes ure een aanvang neemt,

want dit is het sein tot het ontsteken der vuren. Twee aanvoerders,

die met de regeling van een en ander belast zijn [45], steken dan,

zoo spoedig het teeken uit den grijzen toren gehoord wordt, het vuur in

de brandmijt, en weldra knapt en knettert het meivuur, zijne roodgele

vlam al meer en meer verheffende en spattende vonken van zich werpende.

Thans stijgt de vreugd ten top; knapen met stokken gewapend, huppelen

van vermaak, heffen bij het opstijgende meivuur een lied aan, en

lustig worden petten gezwaaid.

Nadat men zich aldus geruimen tijd in dartelheid vermaakt heeft, en

de brandstofverzamelaars geen voldoenden voorraad meer aanbrengen,

de vlam begint te verkleinen en het vuur zich niet meer stoort aan de

opwakkeringen van de stokende knapen, begint men te spreken van dokken

[46], dat gewoonlijk ook bijval vindt. De aanvoerders hebben hun gezag

verloren, springen door het verflaauwende meivuur en dokken mede. Men

werpt petten, zoo men kan, ook elkander er in, en het meivuur is tot

genoegen van deelnemers en toeschouwers afgeloopen.

Dat groote meivuur uitgenomen, ziet men daarenboven hier en daar in

om de stad gelegene tuinen en elders, kleinere vuren ontsteken.

Ook was men vroeger tijd gewoon, hier meiboomen plaatsen, waarboven

eene kroon was gesteld, welke veel overeenkomst had met die voorwerpen

van hoepelhout en papier, waarmede men het verkrijgen van nieuwe

haring kenmerkt. Op het Roodzand [47] werd, nog geen vijftig jaren

geleden, dusdanige boom gezien, om denwelken in dolzinnige vreugde

werd heen gesprongen.

Insgelijks kwamen eertijds vele ingezetenen met de meifeesten op de

stoepen bijeen, en dan werd de avond in blijden kout doorgebragt,

en nog wordt des zondags gedurende geheel de Meimaand het klokkespel

van zes tot zeven ure bespeeld.

En nu, geachte lezer, willen wij het verband van vroeger en nu

aantoonen, door ons op bladz. 40 beloofd.

Het was wel niet te verwonderen, dat het heidendom met Mei een feest

aan den lentegod en aan Freja offerde. Zij kenden immers den grooten

God niet dien wij aanbidden, en wat kon hen, die natuurdienst hadden,

wel meer daartoe aansporen dan de zoete Mei? Dan, als de boomen

ontloken, de aarde met schoone bloemen bezaaid was en met jeugdig

groen bedekt, de geur van meitakken op den adem des winds door de

lucht werd gedragen en de vogels hunne nesten bouwden, hun lief gezang

aanhieven en eijeren legden, die hen aan de herleving herinnerden.

Dachten zij reeds zoo, het zou welligt immers eene ijdele poging

zijn het getal dichters op te sommen, die in onzen tijd nog de lente

hebben bezongen.

De lezer zal opgemerkt hebben, dat het gebruik uit het Noorden, van

meiboomen te planten, waarvan is melding gemaakt, ook in Oudewater

in gebruik was.

De grens of vloed van het dorp, waarheen wij zagen, dat het beeld des

winters werd gedragen, komen beide hier in aanmerking, in betrekking

tot de plaats waar het meivuur gebrand wordt: nu nog is het de

gewoonte, met onbeduidenden wind het meivuur omstreeks een boogscheut

afstands van de grens der gemeente te ontsteken. Welligt was het

ook toen reeds in gebruik, het feestvuur op die grens te branden,

wijl zij ook dat voor heeft dat zij aan den IJsselvloed ligt: dit

toch verkrijgt te meer grond, doordien Buddingh meent (zie hierover

bladz 55) dat de godin Ostera ook aan watervloeden vereerd werd, en

dat de Friezen gewoon waren hunne vuren op hoogten te ontsteken. Dit

treffen wij alhier immers aan, wijl het meivuur langs den IJssel

gestookt wordt in Hekendorp: dorp komt hier af van terp, en terp is

hoogte, en dat Hekendorp vroeg bewoonbaar was, zal de lezer zich uit

de geologie herinneren kunnen.

In de aanvoerders zien wij de meigraven of barden waarvan wij spraken,

en het voormalige meivuren branden op verschillende punten hield,

zooals werd aangetoond, immers in onze kinderjaren nog stand.

Het oude noordsche spreekwoord: »de zomer rijdt het land in" wordt

herinnerd door ons gezegde: »de zomer is in het land".

Het zingen en springen bij het feestvuur wordt nog door de knapen

herhaald.

Met Mei trad men in het huwelijk en versierde het feestvertrek;

maar de meimaand is immers ook nu nog de geliefkoosde maand om de

huwelijksboot in te stappen, terwijl ook de meitakken nog in de huizen

niet zeldzaam zijn.

De klokken worden Zondag in Mei bespeeld, het meifeest was mede en

voornamelijk een zonnefeest.

Niet waar, geachte lezer! treffende gelijkenis, o. i. onomstootbare

bewijzen dat het meifeest een zonnefeest was; maar ook aan de godin

der liefde gewijd werd.

Wat al gedachten kan zulks opwekken, nu wij immers eenigzins het

verschil kennen, tusschen heidensch offervuur van vroeger en vreugdevol

kinderspel van thans!

Oudewater en omtrek, Geologisch, Mythologisch en Geschiedkundig Geschetst · 第 25 / 178 题