"....Door al die kleine aanduidingen en bijzonderheden te
verzamelen, te schiften en de een met de andere te
vergelijken, bekomt men eindelijk een tweelicht, waarbij
men vele voorwerpen redelijk leert onderscheiden.........
en ik vind geene zwarigheid te veronderstellen, dat sommige
dier verbalen zeer oud zijn en welligt tot de tijden des
heidendoms opklimmen."
Mr. L. Ph. C. van den Bergh.
Hoewel men niet van ons zal vergen, eene uitgebreide mythologie van
ons land te leveren--wijl deze bereids bij onderscheidene auteurs
bestaat en ons bestek daarvoor ook te beperkt is--zoo moeten wij
echter, om in het vervolg dikwijls niet onverstaanbaar te worden,
in de eerste plaats vooral den in de mythologie oningewijde opmerken,
dat zij voornamelijk verdeeld wordt in drie soorten: de Oostersche-,
de Westersche- en de Noordsche mythologie.
Dan moeten wij zeggen, dat, ofschoon men bij alle deze, vele
gronddenkbeelden aantreft, die onderling veel overeenkomst met elkander
hebben, zij toch eveneens bij vergelijking een aantal punten van
verschil aanbieden.
En dit laat zich immers zeer gemakkelijk begrijpen. Zal het heidendom
in het zuidelijk Europa en in Azië, dat ook eene natuurdienst had,
zich in hun zonnig klimaat, onder den wolkeloozen hemel, waar andere
planten en boomen tierden, zich geen veel weelderiger natuurvergoding
hebben voorgesteld dan de »wilde" in Scandinavië [20] en IJsland,
levende in eene geheel andere omgeving. Toch, al gewerd ons de
Noordsche of Odinische mythologie uit het koudere klimaat, zoo was
zij toch geenszins zonder dichterlijken gloed, zeker neen: daar uit
het Noorden kwam zij tot ons, die natuurdienst, dat mythenstelsel,
niet alleen in legenden, schoone overleveringen en heldensagen, maar
ook in oorkonden, geschreven in de zoogenaamde Norraena taal. Deze
waren het echter nog niet alleen die ons der N. volkeren mythologie
deden kennen: ook de twee edda's verspreidden daarover veel licht
[21], en onbetwistbaar is het, dat de mythologie van dit land niet
slechts het meest der Noordsche nabij komt, maar ook dikwijls de
grootste overeenkomst daarmede aanbiedt: en geen wonder, ons land
werd gedeeltelijk uit het Noorden bevolkt. Van daar ontleenden wij
dus ook gedeeltelijk taal, wetten en heidensche eerdienst.
Bij die Noordsche volkeren nu, die een magt van goden en godinnen
hadden, was Odin de oppergod, en Frigga zijne gemalin, en van
deze twee, zegt de heer Budding, stamt bijna geheel het asen- of
godenstelsel af, wier leven en bedrijf in het hemelsche Asgard, wier
invloed op Midgard (de aarde) en wier togten naar de onderwereld de
edda-liederen dikwijls met zulke krachtige liederen afmalen. [22]
Hoe groot de magt echter was die Odin bezat, stond hij evenwel onder de
beschikking der Nornen of schikgodinnen. [23] Dit bewijst de Baldur's
mythe en de professie der Völa van het Noorden. »Die voorspelling",
aldus vervolgt Budding, »betreft den dood van Baldur (een zoon van
Odin) en geeft aan de geheele N. Godenleer behalve een behagelijk
weemoedigen tint, ook eene bepaalde rigting aan alle bedrijven en
heldenfeiten van het asenleven in Asgard."
Ten volle zijn wij het met genoemden oudheidkundige eens, en wij
kunnen dan ook niet aan de heidensche feesten beginnen, tenzij de
vriendelijke lezer iets nader omtrent den dood van den »goeden Baldur"
is ingelicht. »In het Dietsch heidendom", zegt Mr. P. Blommaert,
[24] schijnt een dualismus ten gronde te liggen, hetwelk men schier
in alle trappen van deszelfs natuurleer aantreft. Zoo staan Mispelheim
[25] en Nevelheim tegenover elkander, en door derzelver wederzijdsche
werkingen, stichtten zij de wereld en het leven. In eene mindere
schaal kan men deze gedachte vervolgen in de tegenstellingen van het
licht tegen de duisternis, den dag tegen den nacht, den zomer tegen
den winter, welke in eeuwige wisseling en als het ware in gedurigen
strijd voortrollen. Dit natuurverschijnsel werd bij de Scandinaven
door de schoone mythe van Haudur en Baldur voorgesteld.
»Haudur en Baldur zijn Wodan's zonen. Baldur wordt de goede bijgenaemd;
hij is zoo schoon en rijzig dat hij glanst.
»Haudur is dof van kleur en blind [26], doch geweldig sterk. Hij
was het, die zonder erg den doodelyken pyl op Baldur afschoot en
zyns broeders onschuldige moorder werd. Zoo wordt zyn dood in de
edda verhaelt.
»Baldur de goede droomde, dat zyn leven in gevaer was. Daer hy dit den
Asen bekend maekte, hielden zy daerover raed, en er werd besloten,
Baldur tegen alle mogelyk gevaer te verzekeren. Frig nam gevolgelyk
den eed af aen het vuer, water, yzer, aen allerlei metalen, steenen,
aen de aerde, boomen, ziekten, dieren, vogelen, vergiftige slangen,
dat zij hem niet zouden schaden. Als dit gedaen was en aen allen
bekend gemaekt, verheugden de Asen zich daerover, zoodat zij Baldur
vooraen in de vergadering stelden; eenigen schoten naer hem, anderen
hieuwen op hem, anderen wierpen met steenen, en wat zy ook deden, hy
had daer geene schade van. Daer Loki [27] dit zag, verdroot dit hem
hevig; hy begaf zich onder de gedaente eener oude vrouw naer Fensal
bij Frig. Die vrouw vroeg aen Frig, of zij wist wat de Asen in hunne
vergadering voor hadden. Zij antwoordde: »allen schieten naar Baldur
zonder hem te deeren," er bij voegende: »ja, wapens en boomen zullen
hem niet hinderen, ik heb ze allen den eed afgenomen." Dan vroeg de
vrouw: »hebt gij alle mogelijke dingen bezworen, dat zij hem niet
kunnen beleedigen?" Frig antwoordde: »er wast een kleine jonge boom
ten westen van Walhal [28], met name Misteltein (mistel, marentak,
viscum) die mij te jong scheen om in eede genomen te worden." Daerop
ging de vrouw heen. Loki trok nu den misteltein uit en ging daermede
ter vergadering. Haudur, die blind was, stond aan het uiterste des
kreits. Nu sprak Loki hem aen, en vroeg hoe het kwam dat hij niet
op Baldur schoot. »Vooreerst," zeide hij, »kan ik hem niet zien,
en ten tweede heb ik geen wapen."--»Ik zal u toonen waer hij staet,
en schiet dan op hem met deze roede."--Haudur nam Misteltein en schoot
naer Loki's aanwijzing op Baldur. Het schot doorboorde den goede die
dood ter aerde viel. Dit is het allergrootst ongeluk, dat goden en
menschen ooit te lijden hadden. De verslagenheid onder de Asen was
groot, en de diep bedroefde Frig zijne moeder, bood hare gunst aen
dengene, die Baldur kon verlossen. Hermoder de snelle trok daerheen,
maer vruchteloos was zijne poging."
En nu, geachte lezers! wat dunkt u van deze schoone mythe? kon de
strijd tusschen dag en nacht, zomer en winter meer schilderachtig
worden voorgesteld dan daar?
En thans dan, na deze mededeeling kunnen wij een aanvang maken met
de beschrijving der feesten, waarin overal de gloor van dezen strijd
doorstraalt.
Het zal nu wel niemand meer verwonderen, dat ons heidensch voorgeslacht
den tijd niet bij jaren afbakende, zooals wij dit doen; zij deden dit
in betrekking tot den stand der zon bij zomer en winter, en telden bij
nachten, als slaande dit alles op den dood van hunnen beminden Baldur.
In den langsten nacht, bij hen moedernacht genaamd, dan, wanneer de
zonne keerde en de strijd tusschen licht en duisternisse op nieuw
aanving en zij dachten, dat deze schoone hemelbol weder op nieuw voor
hen geboren werd, dan ook jubelde men, vierde feest, en slagtte een
ever, dan hadden zij hun midwinterfeest [29], en smaakte men gedurende
twaalf dagen ongekende feestvreugde: dan ging hun jaar in. [30]
Zeer vele schrijvers en mannen van groote geleerdheid beschouwen
het als zeer opmerkelijk, dat vele landhuren bij onze landbouwers op
Midwinter verschijnen: ook dan gaat voor hen in zeker opzigt weder
een nieuw jaar in.
Niet onwaarschijnlijk is dat van mythologischen oorsprong, en
daar ook vele oude stukken in ons bezit zijn van landerijen, om
Oudewater gelegen [31], wier huur ook om dezen tijd: »sonnendaegh nae
St.Martensdagh in den wynter" verschijnt, zoo zijn wij zeer geneigd
aan te nemen, dat ook hier de mythologische jaaringang daarin een
spoor naliet.