II.

"Met den ijver tot onderzoek, kwam ook allengs de

overtuiging van het nut daarvan. Men kreeg hier

opheldering over menig oud gebruik, over aloude

wetten en instellingen, over woorden en

uitdrukkingen, die sedert eeuwen duister geweest

waren, en men leerde de denkwijze der vroegere

tijden al beter en beter kennen, zoodat dit

onderzoek ook reeds voor andere wetenschappen nut

gedragen heeft."

Mr. L. Ph. C. van den Bergh.

Zeker, die lust, deze ijver tot onderzoek, waarvan in bovenstaand motto

wordt gesproken, is aangenaam en nuttig: de mensch, die geschiedenis

beoefent, volkseigenaardigheden en volksgebruiken met historisch

waarnemend oog nagaat, hij leeft in zekeren zin niet alleen in dezen

tijd: neen, door zich te verplaatsen naar het grijs verleden, toovert

hij zich personen en zaken voor den geest, geheel vreemd somtijds aan

die der eeuw waarin hij leeft,--smaakt hij een genot, een verheven

genoegen, hen onbekend, die omtrent de geschiedenis onverschillig

zijn en alzoo hun zedelijk voordeel niet willen doen met het nut,

dat zij in zich bevat.

De geschiedenis en vooral de onbeschreven geschiedenis tot leidsvrouwe,

en gij kunt ver, zeer ver doordringen in den onmetelijken tijd-oceaan;

zij toch is de genius die u bijstaat, om thans verlaten plekken te

bevolken, met de schimmen van heldhaftige mannen, geleefd hebbende

in den grijzen voortijd!

Aller landen en volkeren geschiedenis is belangwekkend. De historie

der laatsten heeft ons geleerd, dat eenigen, hoe nietig in hun begin,

groot werden en magtig, maar dat ook juist die magt en die weelde hen

verwijfd maakten, dat het de middelen waren tot hun ondergang. Helaas,

ook zij ondervonden, dat de zoete weg der weelde glibberig was en

gevaarlijk te betreden.

Zoo traden dan eenmaal magtige volkeren af van het groote

wereldtooneel; van velen bleef dikwerf niet eens de naam overig.

Bij anderen wisselden voor- en tegenspoed, ontwikkeling en

achteruitgang elkander af, doch zij hielden zich staande tot op

dezen stond.

Is dan de kennis omtrent de wisselingen van ieder land en van elk

volk zoo treffend en nuttig voor den mensch, hoeveel te meer moet

het ons dan aansporen de geschiedenis na te gaan van ons eigen land,

en strenger nog, van die dierbare plekke gronds, waarop wij het eerste

levenslicht aanschouwden, welligt ook eenmaal den grooten natuurcijns

zullen betalen, en onder welks groenende kerkhofzoden ook daarna onze

assche zal rusten.

Gevoelen wij ons bij die gedachte reeds opgewekt, geen vreemdelingen

te blijven op de breede baan der geschiedenis, er is echter nog een

prikkel, nog een drijfveer die ons daartoe geleidt: deze, dat wij

geene laakbare onverschilligheid mogen toonen, omtrent het bedrijf en

leven onzer vaderen, die zoo veel veil hadden voor hun nageslacht;

als hunne naneven niet alleen, ook als bewoners van den grond, dien

zij ontwoekerden, hebben wij welligt zelfs een pligt te vervullen;

de beoefening hunner geschiedenis. En deze algemeene beschouwingen,

geachte lezer, zijn ook van bijzondere toepassing op Oudewater en

omtrek, de punten onzer beschrijving.

Ontrollen wij dan de geschiedbladen, en zien wij daarin, welke gevaren

ons dapper voorgeslacht dikwijls trotseerde, hoe het uit menigen kamp

als overwinnaar terug keerde, hoe het moed met beleid en kracht bij

innige volharding wist te voegen; hoe het leefde en stierf.

En, waar die geschiedrollen ontbreken, daar zijn het alhier plaatsnamen

en volksgebruiken, die ons toefluisteren van dappere voorvaderen,

van krachtige mannen, blond van haar en blaauw van oog, die hunne

sterkgespierde leden alleen dekten met eene ruwe dierenhuid, los

om de breede schouderen geslagen en bevestigd met eene doorn,

van voorvaderen, offerende aan goden die niet bestonden, aan

hemelligchamen, vuur en water, aan boom en plant, aan stroomen, enz.

Ook de voormalige gesteldheid van Oudewater's bodem, die in de

eerste aflevering behandeld werd, bood zich voor dusdanige vereering

uitnemend aan.

Behalve immers, dat zij hier even als elders hunnen goden konden

offeren, verschafte de woudvolle toestand hun ter aanbidding boomen; in

den vetten kleibodem groeiden planten in overvloed die zij vereerden,

en de IJsselstroom bood hen eene woonplaats aan voor hunne watergoden

en waterdienst; en dit, geachte lezer! is het verband tusschen geologie

en mythologie, dat op bladz. 2 beloofd werd om aan te toonen.

En, niet waar, het is niet te verwonderen, dat wij juist bij gebrek

eener zekere geschiedenis dezer streek tijdens het heidendom, die

in hunne godendienst, hunne natuurvereering of mythologie trachten

te zoeken, welke, als het dierbaarste wat zij bezaten, ook de

veelvuldigste sporen heeft nagelaten.

Als zoodanig dan willen wij het eerst eenige heidensche feesten

behandelen, waarvan sporen schijnen of wezenlijk zijn achtergebleven;

daaronder zal men dan ook aantreffen de meivuren, waarvan wij zullen

trachten te bewijzen: wie zij toegewijd waren, en daarna wat zij nog

zijn; ten einde alzoo vergelijkingspunten verkregen worden, tusschen

heidensch offervuur van vroeger en vreugdevol kinderspel van thans.

Oudewater en omtrek, Geologisch, Mythologisch en Geschiedkundig Geschetst · 第 16 / 178 题