"Met den ijver tot onderzoek, kwam ook allengs de
overtuiging van het nut daarvan. Men kreeg hier
opheldering over menig oud gebruik, over aloude
wetten en instellingen, over woorden en
uitdrukkingen, die sedert eeuwen duister geweest
waren, en men leerde de denkwijze der vroegere
tijden al beter en beter kennen, zoodat dit
onderzoek ook reeds voor andere wetenschappen nut
gedragen heeft."
Mr. L. Ph. C. van den Bergh.
Zeker, die lust, deze ijver tot onderzoek, waarvan in bovenstaand motto
wordt gesproken, is aangenaam en nuttig: de mensch, die geschiedenis
beoefent, volkseigenaardigheden en volksgebruiken met historisch
waarnemend oog nagaat, hij leeft in zekeren zin niet alleen in dezen
tijd: neen, door zich te verplaatsen naar het grijs verleden, toovert
hij zich personen en zaken voor den geest, geheel vreemd somtijds aan
die der eeuw waarin hij leeft,--smaakt hij een genot, een verheven
genoegen, hen onbekend, die omtrent de geschiedenis onverschillig
zijn en alzoo hun zedelijk voordeel niet willen doen met het nut,
dat zij in zich bevat.
De geschiedenis en vooral de onbeschreven geschiedenis tot leidsvrouwe,
en gij kunt ver, zeer ver doordringen in den onmetelijken tijd-oceaan;
zij toch is de genius die u bijstaat, om thans verlaten plekken te
bevolken, met de schimmen van heldhaftige mannen, geleefd hebbende
in den grijzen voortijd!
Aller landen en volkeren geschiedenis is belangwekkend. De historie
der laatsten heeft ons geleerd, dat eenigen, hoe nietig in hun begin,
groot werden en magtig, maar dat ook juist die magt en die weelde hen
verwijfd maakten, dat het de middelen waren tot hun ondergang. Helaas,
ook zij ondervonden, dat de zoete weg der weelde glibberig was en
gevaarlijk te betreden.
Zoo traden dan eenmaal magtige volkeren af van het groote
wereldtooneel; van velen bleef dikwerf niet eens de naam overig.
Bij anderen wisselden voor- en tegenspoed, ontwikkeling en
achteruitgang elkander af, doch zij hielden zich staande tot op
dezen stond.
Is dan de kennis omtrent de wisselingen van ieder land en van elk
volk zoo treffend en nuttig voor den mensch, hoeveel te meer moet
het ons dan aansporen de geschiedenis na te gaan van ons eigen land,
en strenger nog, van die dierbare plekke gronds, waarop wij het eerste
levenslicht aanschouwden, welligt ook eenmaal den grooten natuurcijns
zullen betalen, en onder welks groenende kerkhofzoden ook daarna onze
assche zal rusten.
Gevoelen wij ons bij die gedachte reeds opgewekt, geen vreemdelingen
te blijven op de breede baan der geschiedenis, er is echter nog een
prikkel, nog een drijfveer die ons daartoe geleidt: deze, dat wij
geene laakbare onverschilligheid mogen toonen, omtrent het bedrijf en
leven onzer vaderen, die zoo veel veil hadden voor hun nageslacht;
als hunne naneven niet alleen, ook als bewoners van den grond, dien
zij ontwoekerden, hebben wij welligt zelfs een pligt te vervullen;
de beoefening hunner geschiedenis. En deze algemeene beschouwingen,
geachte lezer, zijn ook van bijzondere toepassing op Oudewater en
omtrek, de punten onzer beschrijving.
Ontrollen wij dan de geschiedbladen, en zien wij daarin, welke gevaren
ons dapper voorgeslacht dikwijls trotseerde, hoe het uit menigen kamp
als overwinnaar terug keerde, hoe het moed met beleid en kracht bij
innige volharding wist te voegen; hoe het leefde en stierf.
En, waar die geschiedrollen ontbreken, daar zijn het alhier plaatsnamen
en volksgebruiken, die ons toefluisteren van dappere voorvaderen,
van krachtige mannen, blond van haar en blaauw van oog, die hunne
sterkgespierde leden alleen dekten met eene ruwe dierenhuid, los
om de breede schouderen geslagen en bevestigd met eene doorn,
van voorvaderen, offerende aan goden die niet bestonden, aan
hemelligchamen, vuur en water, aan boom en plant, aan stroomen, enz.
Ook de voormalige gesteldheid van Oudewater's bodem, die in de
eerste aflevering behandeld werd, bood zich voor dusdanige vereering
uitnemend aan.
Behalve immers, dat zij hier even als elders hunnen goden konden
offeren, verschafte de woudvolle toestand hun ter aanbidding boomen; in
den vetten kleibodem groeiden planten in overvloed die zij vereerden,
en de IJsselstroom bood hen eene woonplaats aan voor hunne watergoden
en waterdienst; en dit, geachte lezer! is het verband tusschen geologie
en mythologie, dat op bladz. 2 beloofd werd om aan te toonen.
En, niet waar, het is niet te verwonderen, dat wij juist bij gebrek
eener zekere geschiedenis dezer streek tijdens het heidendom, die
in hunne godendienst, hunne natuurvereering of mythologie trachten
te zoeken, welke, als het dierbaarste wat zij bezaten, ook de
veelvuldigste sporen heeft nagelaten.
Als zoodanig dan willen wij het eerst eenige heidensche feesten
behandelen, waarvan sporen schijnen of wezenlijk zijn achtergebleven;
daaronder zal men dan ook aantreffen de meivuren, waarvan wij zullen
trachten te bewijzen: wie zij toegewijd waren, en daarna wat zij nog
zijn; ten einde alzoo vergelijkingspunten verkregen worden, tusschen
heidensch offervuur van vroeger en vreugdevol kinderspel van thans.