Zonder onderweg langer dan nu en dan eenige minuten te rusten, trokken
de compagnies door de duisternis de baan naar Turnhout op, gingen door
deze stad, en sloegen zich in den vroegen morgen, nevens de andere
Bataljons van het 2de regiment Jagers te voet op de Ravelsche heide
neder.
Daar werd de gansche dag besteed aan het wisselen van geweerkogels met
de scherpschutters des vijands; en dewijl de sergeant-majoor en de
fourier toebehoorden aan eene middelcompagnie, die niet in het vuur werd
gezonden, waren zij gedwongen, met het geweer aan den voet, op den
uitslag dezer onbeduidende schermutselingen te wachten.
Ook de nacht ging zonder gewichtig voorval voorbij.
Maar in den morgen, welke daarop volgde, toen het zonnelicht door den
nevel drong, zagen zij een vijandelijk leger van meer dan twintigduizend
man op de heide uitgespreid.
Het ware eene belachelijke onderneming geweest, eenen ernstigen
wederstand aan zulke ontzettende macht te willen bieden, aangezien het
getal der Belgische soldaten, hier op de Ravelsche heide vergaderd, de
duizend man niet bereikte, en zij geene ruiterij en slechts twee kleine
veldstukken hadden.
Geen wonder dus dat, terwijl de sergeant-majoor zich de handen wreef,
bij de verwachting van een bloedig gevecht, een haastig bevel van den
Staf den terugtocht kwam gebieden.
Het gelukte den generaal Niellon, zijnen kleinen troep naar het
binnenland te leiden, dikwijls dwars door het Hollandsche leger, dat in
aantocht was op Leuven, naar welke stad onze koning Leopold al de
beschikbare gedeelten der Belgische krijgsmacht had te zamen geroepen.
Op den 12den Augustus 1831, werd in de nabijheid van Leuven een
beslissende veldslag geleverd.
Reeds van den aanvang, bij het bestormen van den IJzerberg door de
Belgen, trof een kogel den sergeant-majoor in de volle borst. Hij viel
in de armen des fouriers, en murmelde nog, terwijl de doodverf zich over
zijn gelaat verspreidde:
"Lucia, Lucia, gij zijt gewroken! Fourier, ik vertrek.... ben gelukkig.
Vaarwel!"
[Footnote 1: In de Kempen en overal in Brabant, worden de woorden
_krankzinnig_ of _zinneloos_ wel in de schrifttaal gebezigd; maar in de
volkstaal kent men slechts het woord _zot_; en wij zijn, om de waarheid
nabij te blijven, verplicht dit woord insgelijks in den mond onzer
sprekende personen te leggen.]