De derde Ontfanger is die van het
hoofdgeld.
Hy ontfangt van alle de inwooners,
blanken en zwarten, zonder onderscheid,
en van ieder hoofd, het zy man of
vrouw, fl 2:10:--; voor elken jongen
of meisjen, beneden de 12 jaren
fl 1: 5:-- Dit bedraagt jaarlyks fl 150,000:--:--
De vierde is de Ontfanger der rechten
op den verkoop van koopmanschappen en
slaven. Men betaalt hem: By verkoop
van goederen, in geene rent-gevende
bestaande, de Plantagiën daar onder
gerekend, 5 ten honderd; en by verkoop
van Neger-slaven, die nieuwlings worden
ingevoerd, twee en een half ten honderd.
Dit bedraagt jaarlyks fl 130,000:--:--
De laatste ambtenaar eindelyk ontfangt
de belasting wegens de kosten op het
vervolgen der weggeloopen Neger-slaven,
welke ingevoerd is, om dat de andere
belastingen onvoldoende waren.
De sommen, die hy inzamelt, bedragen
jaarlyks: wegens de verhooging van een
gulden, voor hoofdgeld over de blanken
en zwarten fl 80,000:--:--
als mede vier ten honderd van alle
jaarlyksche Beneficiën, bedragende
jaarlyks fl 400,000:--:--
-----------------
Makende te zamen
fl 480,000:--:--
Men betaalt bovendien jaarlyks, voor
het onderhoud der wyken; namelyk van
elk huis, volgens deszelfs uitgestrektheid.
van een koets fl 20:--:--
van een chais fl 10:--:--
van een rypaard fl 10:--:--
Het welk de bovengemelde belastingen
vermeerdert met de somme van fl 12,000:--:--
-----------------
Alle welke sommen, by elkander getrokken,
niet minder opbrengen dan fl 1,282,000:--:--
Na duidelyk te hebben aangetoond, zoo met behulp van het Tafereel
der Surinaamsche Volkplanting van Dr. FERMIN, als volgens myne
eigene kundigheden, dat de innerlyke waarde deezer bezitting meer
dan een millioen ponden sterling aan inkomsten bedraagt, die door
een verstandig bestuur nog merkelyk zouden kunnen vermeerderen; na al
mede betoogd te hebben, dat het grootste gedeelte deezer inkomsten ten
voordeele der Republiek koomt, terwyl de Colonisten met belastingen
bezwaard zyn, die hen noodzaken tot vreemde middelen hunnen toevlucht
te nemen, en misschien eerlyke lieden in schurken doen verkeeren;
zal ik thans, by wege van een vervolg, een korten staat opgeven van
den koophandel der Noord-Americaanen met deeze Volkplanting.--Zy
komen aldaar uit Virginië, Rhode-Island, Nieuw-York, Boston, Jamaica,
Grenada, Antigoa, het Eiland Barbados, enz. in kleine brikken, sloepen,
enz. Zy brengen meel aan, ossen- en varkens-vleesch, haring, zout,
makreel, bladen tabak voor de Negers, denne planken, rhum, sterke
dranken, suiker-brooden, [24] spermaceti-kaarssen, uijen enz. Elk
schip is daarënboven verpligt een paard aan te brengen: de eigenaar
van 't schip ontheft zig daar van dikwils door een list: hy vertoont
den kop van zoodanig dier, en verzekert, dat hy het aan boord genomen
heeft, maar dat het op de reize gestorven is. Tegen deze koopwaaren
voeren de Americanen al de Surinaamsche suiker-syroop (melasse) uit,
waar van zy rhum by hun maken, en dikwils laden zy hunne schepen
geheel en al met koopmanschappen en andere voortbrengsels van deeze
Volkplanting, schoon zy het niet dan ter sluik doen mogen: maar kooper
en verkooper vinden 'er hun voordeel by; de een koopt goed koop, en
de ander ontfangt gereed geld. Van de Eilanden onder den wind voeren
zy quarteron- en mulatten-slaven van beiderlei kunne aan, die over
't algemeen jong en fraay zynde, voor zeer hoogen prys verkogt worden,
hoe zy ook anderzints gesteld mogen zyn.
Alle de onderrichtingen, door my omtrent den koophandel en
wezentlyken rykdom deezer schoone Volkplanting opgegeven, zyn naar
de naauwkeurigste berigten gevolgd. Het zy my geöorloofd van dit
onderwerp thans af te stappen, en myn verhaal te vervolgen.
Den 21sten February, nam de heer REYNSDORP, schoonzoon van Mevrouw
GODEFROY, my in zyn zeil-jacht mede; en om my van lucht te doen
veranderen, bragt hy my op eene zyner Koffy-plantagiën, genaamd Nut
en Schadelyk. Ik zag aldaar een blanken, die door de steek van een
Vampire, of Guiaansch spook, in éénen nacht zyn gezicht verloor. Des
anderen daags voeren wy de Commewyne op, en gingen naar Alkmaar,
eene aangenaame Cacao-Plantagie, die aan dezelfde Mevrouw GODEFROY
in eigendom toebehoorde. Hier wierden de slaven door haare meesteres
behandeld, als haare eigene kinderen, en zy beschouwden allen haar
als hunne moeder. Men hoorde aldaar geen geraas van yzeren ketenen,
geene zuchtingen; men zag aldaar geen blyk van gestrengheid. Alles was
eendracht en vergenoegen. Ik heb reeds bevoorens [25] eene afbeelding
gegeven van het voortreffelyk huis en deszelfs toebehooren, op deeze
fraaie Plantagie, alwaar onophoudelyk genoegen heerscht, alwaar men
de edelste gastvryheid uitoeffent. De tuinen, de velden, de hutten
zelfs der Negers, duiden aldaar overvloed en vrede aan.
De Cacao-boomen worden voortgeplant van jong plantsoen, het welk
men tot dit einde aankweekt. Men plant dezelven doorgaans op eenen
afstand van tien of twaalf voeten van elkander, en zy groeien
op tot de hoogte van onze Engelsche Kersseboomen. Maar deeze
Plantagiën moeten wel beschut zyn, zoo voor zwaare winden, als voor
de brandende straalen der zon, wanneer de boomen jong zyn, want dan
zyn derzelver wortels niet diep genoeg in den grond ingedoken, om
dezelven staande te houden, en zy zouden geene groote hitte kunnen
doorstaan. Dienvolgende plant men 'er heester-gewassen (b. v. maniok)
en Plantain-boomen tusschen, die tevens het onkruid tegengaan, het
welk in de luchtstreken onder den zonne-keerkring zoo overvloedig
voortteelt. Door middel van deeze voorzorgen, dragen de Cacao-boomen
vruchten, eer zy drie jaaren oud zyn: als dan brengen zy jaarlyks
twee oogsten voort; maar zy moeten echter twaalf of veertien jaaren
oud zyn, eer zy hunnen volkomen wasdom bereikt hebben. Het blad van
den Cacao-boom heeft meer dan agt duimen in de lengte, en byna drie
in de breedte: het zelve is langwerpig, taay, en van een schitterend
groene kleur. De gedaante der vrucht is byna dezelfde, maar echter een
weinig breeder. Wanneer die vrucht jong is, heeft zy het voorkomen van
een komkommer; maar wanneer zy ryp is, word ze geel als een limoen,
en scheidt zig dan af in ribben, even als een meloen. Het zaad of
de pitten zitten langwerpig in de vrucht of bast; ryp zynde hebben
zy de dikte van olyven, en een purper kleur. Elke boom word gerekend
by den oogst van dertig tot drie honderd vruchten te geven, die elk
omtrent dertig pitten bevatten, een pond wegende; en langs dien weg
kan men den jaarlykschen opbreng berekenen. Weinige dagen na dat de
oogst geschied is, haalt men de pitten uit de schil; men laat ze in
de schaduw droogen, en in dien tyd raaken zy een zoort van vochtige
zelfstandigheid kwyt, het geen men noemt dezelve te laten uitzweeten;
men pakt ze vervolgens in vaatjes om vervoerd te worden, en 'er die
aangenaame koek van te maken, welke wy Chocolade noemen.
Men zegt, dat de Cacao-boomen oorspronglyk in Guiana groeien, en
natuurlyk in groote meenigte by de Rivier der Amazonen gevonden
worden. Wat daar ook van zy, de zoon van den Gouverneur CHATILLON
plantte den eersten boom in 't jaar 1684 in Surinamen; en de eerste
oogst, die naar Holland werd uitgevoerd, geschiede in 't jaar 1733. Een
der groote voordeelen van het aankweeken der Cacao-boomen bestaat
hier in, dat daar toe minder slaaven, dan tot alle andere zoorten van
Plantagiën noodig zyn. Men kan naargaan, hoe aanmerkelyk de voordeelen
zyn, uit den opbreng van het jaar 1774, wanneer men, alleen voor
de Stad Amsterdam, 506,610 ponden Cacao-pitten uitvoerde; het welk
202,614 Hollandsche Guldens, of 18.419 ponden sterling opbragt. De
prys verschilde van 4 tot 9 stuivers het pond. De middel bereekening
is van zes- en een halve stuiver. De beste Plantagiën, en die van
Alkmaar behoort daar onder, brengt jaarlyks meer dan 80,000 ponden op.
Den 27sten keerden wy naar de Stad te rug, alwaar men, des avonds
te voren, een soldaat ter zaake van muiterye had doodgeschoten, en
des anderen daags geraakte op de rheede een schip in brand. Byna
ter zelfder tyd, vertrok de Neger QUACY, die de Propheet, en, om
zoo te zeggen, de Koning zyner landgenooten was, naar Holland,
om zyne opwagting te maken by den Prins van Orange, aan wien
de Colonel FOURGEOUD hem aanbeval. Deeze Neger moest de roem van
deezen Bevelhebber vermelden, en zig beklagen over den Gouverneur,
die aan onzen Colonel geen eerbied genoeg betoonde. Ter gelegenheid,
dat wy toen het tydstip der Zittingen van het Gerechtshof hadden,
wierd aan een slaaf het been afgezet, om dat hy eenen arbeid,
die boven zyne kragten was, geweigerd had. Twee anderen wierden
veroordeeld om opgehangen te worden, om dat zy waren weg geloopen. Het
heldhaftig gedrag, door één deezer ongelukkigen voor het Hof van
Justitie gehouden, verdient alhier verhaald te worden.--Hy verzogt
voor weinige oogenblikken gehoor, het geen hem wierd toegestaan;
en hy liet zig toen in deezer voegen uit:
"Ik ben in Africa geboren, alwaar ik, mynen Vorst in een gevecht
verdedigende, ben gevangen genomen, en door myne landgenooten op de
Kust van Guinée voor slaaf verkocht.--Een van uwlieden, die thans
myn Rechter is, kocht my; en ik ben door zynen Opzichter zoo deerlyk
mishandeld, dat ik weg liep, en my by de muitelingen voegde.--Ik zag
my gedwongen, om hun Opperhoofd BONNY te dienen, wiens dwinglandye
nog ondraaglyker was, dan die der Europeanen. Een weêrzin in zulk
eene handelwyze hebbende, besloot ik om het menschdom voor altyd te
ontvlieden, en in de bosschen rustig te leven. Ik heb aldaar twee
jaaren byna alleen doorgebragt, in de grootste ongerustheid van geest,
en myn leven latende voortduuren alleenlyk in de hoop, om myn geliefd
geslacht, het welk misschien, uit hoofde myner afwezigheid, in myn
eigen Land van honger verging, nog eenmaal weêr te zien. Twee ellendige
jaaren waren dan in deeze gesteldheid verloopen, toen de Jagers my
ontdekten, my gevangen namen, en my voor deeze Rechtbank bragten,
aan welke ik thans de geschiedenis van myn deerniswaardig leven open
legge, en slechts de genade verzoek, om aanstaanden Saturdag, of zoo
dra het mogelyk zyn zal, het vonnis aan my uit te oeffenen".
Deeze aanspraak wierd met eene ongemeene gematigdheid uitgesproken
door één der schoonste Negers, dien men misschien immer zag. Zyn
meester, die (zoo als hy te recht opmerkte,) onder het getal van
zyne Rechters was, gaf hem dit kort antwoord:--"Schelm! alles wat gy
ons vertelt, doet niets ter zaake. De pynbank zal u in een oogenblik
de bekentenis van misdaden afperssen, die zoo verachtelyk zyn, als
gy zelf, of uwe hatelyke medeplichtigen". De Neger, die alle zyne
aderen van verontwaardiging voelde opzwellen, beantwoordde hem zulks
op deeze wyze:--"Massera, de tygers in de bosschen hebben onder deeze
handen (welken hy toen in de hoogte stak) gebeefd; en gy durft my met
uwe armhartige werktuigen van foltering bedreigen! Neen! Neen! ik
veracht de pynigingen, welken gy thans kunt uitvinden, even zeer,
als den laaghartigen, die ze my aandoet". Op deeze woorden boodt hy
zig zelf ter pyniging aan, en stond de ysselykste folteringen door,
zonder een enkel woord uit te brengen; vervolgens weigerde hy zelfs
te spreken, en eindigde zyn leven met de koord.--Maar laaten wy van
dit naargeestig onderwerp afstappen.
Den 8sten Maart, hield ik het middagmaal by den Colonel FOURGEOUD,
om aldaar den verjaardag van den Prins van Oranje te vieren. Dien
zelfden dag gaf de heer REYNSDORP eene maaltyd aan alle de soldaten. De
Colonel berigtte my, dat de Jagers, in dit oogenblik, by de Wana-kreek
alleen gelegerd waren; dat de ongezonde post van Devil's Harwar geheel
en al verlaten was; dat de twee Compagniën van vrywillige Negers,
die kortlings waren aangeworven, op den weg, die met de Wanica agter
Paramaribo gemeenschap heeft, eenige muitelingen gevangen genomen,
en verscheiden anderen gedood hadden. Ik bevond my toen wel beter,
schoon ik nog niet geheel en al hersteld was; en die zelfde Overste,
die my voorheen zoo hard behandeld had, hield thans aan, dat ik my
in de hoofdstad der Volkplanting nog eenigen tyd langer zoude blyven
ophouden: hy boodt my zelfs verlof aan, om naar Europa te rug te
keeren, het geen ik stellig weigerde; eindelyk, tegen het midden der
maand, was ik zoo gezond, als ik in myn geheele leven geweest was. De
Colonel FOURGEOUD en ik gaven toen dagelyks bezoeken aan vrouwen,
in wier gezelschap zig niemand hoflyker gedroeg, dan hy, terwyl ik
van myn kant mynen afkeer dikwils niet bedwingen konde. Zy keeken
ons aan op eene manier, die haare bedoeling duidelyk te kennen gaf;
verscheiden zelfs waren in haare gesprekken gantsch niet omzichtig;
en zekere Mevrouw N. ging zelfs zoo verre, dat zy my, zonder omwegen,
verzogt, of ik de plaats van haaren man wilde vervullen.
Den 17den, intusschen, vertoonde zig iets aan myn oog, het geen my meer
bekoorde. By den heer TEXIER, Colonel van 's Compagnies krygsvolk, uit
eeten gaande, deed ik vooraf eene wandeling in de oranjeboom-bosschen
en de tuinen van den Gouverneur. Ik ontdekte aldaar wel dra dwars door
de takken twee vrouwen van de cierlykste gestalte en de schoonste
gedaante, die zig gebaad hadden. De eene was eene bekoorlyke en
jonge Samboe-, de andere eene fraaie Qaurteron-Negerin. De trekken der
laatstgemelde waren zoo regelmatig, en haare gedaante zoo bevallig, dat
men byna geloofd zoude hebben, dat zy uit Griekenland geboortig was:
haare roosenkleurige verwe was gelyk aan die, waar van het boschjen
glinsterde. [26] Beide wandelden zy, elkander by de hand houdende, en
praatten al lachende, in de nabyheid van een bed met bloemen, geplant
aan den oever eener beek van vlietend en helder water, waar in zy zig
als Syrenen indompelden, toen zy de bladeren van het geboomte hoorden
ritselen. Ik liet haar het stil genot der onschuldige vermaken van
het bad, en ik wagte het eetens-uur af, doorwandelende intusschen
de beplantingen van boomen, die met vruchten beladen waren, en de
bloem-tuinen, langs wandeldreeven van schoon rivier-zand. Ik zag in
deeze tuinen meer Europeesche planten, dan ik dagt, dat 'er onder den
zonne-keerkring waren, als kruis en munt, venkel, salie, rozemaryn,
heidens wond-kruid, jasmyn, kruidje roer my niet; granaatboomen,
rozenboomen, vygenboomen, en zelfs eenige wynstokplanten. De vygen
waren van eene fraaije karmosyn kleur van buiten en van binnen, en
de rozen van eene bleeke roode kleur. 'Er waren ook op deeze zelfde
plaats eenige schoone pyn-appelen, en meloenen, waar van ik iets
zeggen zal, schoon zy vry algemeen bekend zyn. De Koning van alle
vruchten, ananas, of pyn-appel genaamd, groeit aan het einde van
een stam, van eene zee-groene kleur, en agt duimen lengte hebbende,
die zig uit het midden-punt van een fraay heester-gewas van de zelfde
kleur verheft, welks langwerpige, effene, puntige, en van zeer harde
stekels voorziene bladeren, op eenen kleinen afstand van den grond,
in de rondte geschaard zyn. De gedaante der vrucht is ten naasten by
die van een pynappel; dezelve is geheel en al met vierkante schubben
bedekt, en van eene fraaije orange of goud kleur. Eene bos met
bladeren, naar die der plant gelykende, maar echter veel kleiner,
geeft 'er eene kroon aan, en in den grond gestoken zynde, koomt
'er, na verloop van agtien maanden, een andere ananas uit voort. De
uitgelezene smaak, en de lekkere geur van deeze vruchten, zyn zedert
byna een halve eeuw zoo bekend, dat ik 'er alleenlyk van spreek uit
hoofde van derzelver overvloed in Guiana. De verschillende zoorten
van gewoone ananassen groeien aldaar uit de natuur; en op verscheidene
Plantagiën dienen zy aan de geringste dieren tot voedzel.
De Muskaat- en Water-Meloenen wassen ook overvloedig in dit Land. De
eerste is volstrekt rond, van de grootte van een kleine hoed, met
ribben, en van een buffels kleur, orange en groen. Derzelver vleesch
is geel, vast, sappig, zacht, en van een lekkere geur.
De Water-meloen is van eene eironde gedaante. Derzelver schil is zeer
effen, en gedeeltelyk van eene schitterende groene, gedeeltelyk van
eene bleeke buffels kleur. Het vleesch van deeze meloen is roodachtig,
van eene waterachtige en zachte zelfstandigheid, van een zeer zoeten
smaak, van eene uitmuntende geurigheid, en zeer verkoelende. Deeze
meloenen zyn een zoort van komkommers, en groeien aan het einde van
zwaare steelen, met breede bladeren, die den grond bedekken. Het is
merkwaardig, dat de Water-meloen, welke men, zonder eenige schadelyke
gevolgen, in alle zoorten van ziekten eeten kan, het best word
voortgeteeld in een droogen en zandachtigen grond.
Omtrent te deezer tyd zond ik eene fraaije verzameling van Surinaamsche
Kapellen aan den heer REIGERSMAN in Holland. Deeze insecten zyn
alhier zeer talryk, en zeer verschillende. Verscheide lieden, die
hun werk maken om dezelven te vangen, scheppen 'er behagen in. Maar
het denkbeeld, om een enkel levendig insect op een blad papier vast
te maken, was voor my te weinig bekoorlyk, om ze zelf te gaan vangen.
Ter zelfder tyd wierden de Capitains VAN GEURICK en FREDERIK, vergezeld
van den Sergeant FOWLER, naar de Oucas- en Sarameca-Negers afgezonden,
om van hun eenige hulp tegen de muitelingen te verzoeken; zy beloofden
dezelve, zoo lang de Colonel FOURGEOUD hun geschenken gaf, maar zy
leverden ze nooit. Eenige andere Officiers bleven steeds by ons,
zig bezig houdende met by de vrouwen op Paramaribo hunne opwagting
te maken. Onder dit getal waren de Majoor MEDLAR, en de Capitain
HAMEL, die beiden onder het Regiment van den Generaal DE SALVE,
in de Volkplanting de Berbices, gediend hadden; de eerstgemelde was
bevorens in Pruissischen dienst geweest. Het was voor ons, die nog zoo
kortlings naar wilden geleeken, geene kleine verandering van staat,
in dit oogenblik de straaten van deeze hoofdstad te bewandelen,
als Fransche Marquisen uitgedoscht zynde.
Met den Gouverneur NEPVEU in goede vriendschap zynde, kreeg ik in de
gedachten, om hem een onbebouwd stuk land in het bosch te verzoeken,
en dadelyk stond hy my vier honderd akkers toe. By het doen van dit
onbedacht verzoek had ik niet berekend, hoe veel geld 'er wel noodig
was, om het hout 'er te doen uithaalen, slaven te koopen, en in alles,
wat tot zulk eene onderneming verëischt word, te voorzien; maar wanneer
ik de moeielykheid in aanmerking nam, om iemand te vinden, die met
my zoude willen zamen doen, en de noodige gelden daar toe bezat,
bedankte ik om deeze blyk van des Gouverneurs goedheid aan te nemen.
Den 26sten, bevryde ik eene arme Negerin, die een douzyn porcelein
theegoed gebroken had, van eenige honderde geesselslagen, door het
zelve te vergoeden. Dien zelfden dag wierd ook eene andere Negerin
door een Franschman vermoord, die zulk eene scherpe knaging over zyn
wanbedryf gevoelde, dat hy zig den hals afsneed; een Opzichter, die
hem behulpzaam geweest was, hing zig zelven op. Na aan den armen Neger,
wien men, uit kragte van een vonnis, het been had afgezet, een bezoek
gegeven te hebben, maakte ik my gereed om naar mynen vierden veldtocht
te vertrekken. Terwyl ik de toebereidzelen daar toe maakte, zag ik zes
Neger-slaven by my binnen treden, beladen met geschenken, welken my
myne vrienden zonden, en bestaande in al het beste, het geen Guiana
voortbrengt. Ik moest het bevel aan de Commewyne op nieuw op my nemen.