DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFTSTUK.

Tweede tocht naar Gado-Saby.--Land-Schildpad.--Verschillende

zoorten van hout.--Levendig geraamte.--Treffelyke

gezichten.--Honderd-pooten.--Verschillende

Plantgewassen.--De Opper-Bevelhebber wordt ziek, en verlaat de

legerplaats.--Sprinkhanen.--Verschillende zoorten van visschen.--De

Zeekoe.--Het Zee-paard.--Aanmerkingen omtrent het aanwezen der

Meerminnen.--Trommelzucht.--Verscheiden zoorten van vogelen.--De

Malaky en Markoury boomen.--Doornhaag-wormen.

Den 9den October 1775, verliet de Colonel FOURGEOUD zyne legerplaats

aan de Wana-Kreek, om zig op den post van Jerusalem met ons

te verëenigen. Hy deedt vooraf de helft zyner soldaten, die ziek

waren, in vaartuigen de Rivier afzakken. De soldaten van deezen post

voegden zig by hun, en men zondt hen allen naar Devil's Harwar, om

den genade-slag te ontfangen. De Neger-Jagers vertrokken insgelyks,

en begaven zig met hunnen leidsman WINSAK naar de Peréca, alwaar zy

met de verdediging belast waren.

De Colonel ontdekte, by deezen laatstgemelden tocht een honderdtal

ledige huizen, en bespeurde eenige muitelingen, maar nam 'er geen één

van gevangen. Hy vondt ook een bekkeneel aan een tak van een boom

hangen, en men konde met genoegzaame zekerheid gissen, dat dit het

hoofd, was van den ongelukkigen SCHMIDT, die omgekomen was. [10]

Den 13den, kwam myn Neger QUACO te rug, volmaakt hersteld zynde: ik

was 'er verblyd over, want zyne getrouwheid omtrent my had nog nooit

gewankeld. Wy vernamen te gelyker tyd, dat de Capitain STOELEMAN,

die aan het hoofd van eenige Jagers was, door een zwaren rook,

dien hy van verre in het bosch bespeurd had, eene verblyfplaats

der muitelingen had ontdekt, doch die door hem niet was aangetast;

dat de Capitain FREDERIK, met een anderen hoop Jagers, de oevers

der Zee beneden Paramaribo schoon hieldt; dat twee soldaten, die

den 18den Augustus verdwaald geraakt waren, het geluk gehad hadden,

om op eene wonderbaarlyke wyze hun gevaar te ontkomen, en dat zy den

wachtpost, die aan de Rivier Maroni geplaatst was, bereikt hadden;

en eindelyk, dat twaalf schoone Negerslaven van de Plantagie Gold

Mina waren weggeloopen, om zig met de muitelingen te verëenigen.

Deeze tydingen bemoedigden den Colonel FOURGEOUD dermaten, dat deeze

onvermoeide Overste steeds by zyn besluit bleef, om den vyand te

vervolgen. Mitsdien trokken wy den 15den, in den vroegen morgen, de

bosschen in, schoon ons getal toen merkelyk gesmolten was. De Colonel

liet des avonds te voren een vrywilliger, één van zyne landgenooten,

MATTHIEU genaamd, en broeder van den Vaandrig van dien naam, ter

aarde bestellen. De dood was ons zoo gemeenzaam geworden, dat,

wanneer iemand onzer een nabestaanden of vriend op de legerplaats

verloor, men hem doorgaans deeze vraag deedt: "Heeft hy brandewyn,

rhum of tabak nagelaten"?

Korten tyd voor ons vertrek, liepen zeven van onze Neger-slaven weg,

en namen de vlucht naar hunne meesters, alwaar zy mismoedig, vermagerd,

en byna uitgehongerd, aankwamen. Wy stelden ons echter in aantocht,

en trokken regelrecht noord-oostwaarts aan. De kist, waar in myne

flessen gesloten waren, brak aan stukken met al wat 'er in was, en

dit was de eenige merkwaardige gebeurtenis op deezen tocht. Des avonds

sloegen wy ons by de Cassipory-Kreek neder; en dewyl het saisoen van

droogte aankwam, moesten wy een put graven, om water te hebben. Het

krygsvolk kreeg alhier bevel, om geene hutten, noch schuilplaatsen

meer te bouwen, dewyl de regenbuien minder zwaar wierden.

Den 16den, vervolgden wy onzen weg, steeds noord-oostwaarts

trekkende, en tegen den avond kwamen wy aan die huizen, welken de

Colonel FOURGEOUD laatst ontdekt had, maar die, zoo als men naderhand

ontdekte, slechts voor een tyd eene verblyfplaats hadden opgeleverd

aan die muitelingen, welke verwagtten oogenblikkelyk van Gado-Saby

verjaagd te worden; en waar aan zy den naam van Bousy-Gray (dat is:

"de bosschen schreyen",) gegeven hadden. Wy sloegen ons hier neder,

en bezagen met veel vermaak de wooning van BONNY, zynde in den smaak

van een molen gebouwd, en zeer hoog boven den grond verheven. Dezelve

had twee deuren, om des te beter te kunnen zien, wat 'er rondom

hem omging, en alzoo geen gevaar te loopen, om het slagtöffer eener

verrassing te worden. De lucht had aldaar ook vryer doorspeeling,

dan in de andere wooningen, en uit dien hoofde was zy voor zyne

gezondheid beter geschikt, want in één der laatste gevechten hadt hy

eene gevaarlyke wonde in de liesch bekomen, zoo als wy naderhand van

één onzer gevangenen vernamen. In de nabyheid der wooning van dit

Opperhoofd der muitelingen, zag men baden, byzonderlyk geschikt ten

gebruike van zyne vrouwen, die zig des morgens en des avonds daar in

begaven, want 'er was in den omtrek deezer verblyfplaats geene Rivier.

Een der slaven boodt my, op de laatstgemelde legerplaats, een

Land-Schildpad aan; een dier, het welk wy, wel is waar, verscheiden

malen gezien hadden, maar het nog niet beschreven hebbende, zal ik

trachten zulks thans te doen. De Surinaamsche Land-Schildpad is van

eene eyronde gedaante, en heeft niet meer dan agtien of twintig duimen

lengte. Zyne schelp, die van eene donker geele of bruine kleur is,

veel meer uitpuilende, dan die van de zee-schildpad, heeft dertien

zeshoekige verhevenheden, en is zoo hard, dat zy, zonder te breken,

het zwaarste gewicht dragen kan. De onderste schelp, of het borststuk,

is een weinig hol, en van eene helder geele kleur. De kop van dit dier

gelykt naar dat van alle andere Schildpadden. De staart is zonder

hair en kort, maar in plaats van vinnen, heeft hy vier pooten, met

schubben bedekt, en met puntige nagels gewapend, waar van hy zig in

het loopen bedient. Wanneer hy zig voor eenig gevaar wil beveiligen,

kruipt hy in zyn schelp of bekleedzel. De Indianen laten de Schildpad

in dien staat op het vuur koken, tot dat dezelve gaar is; het geen men

weet, wanneer het benedenste gedeelte zig afscheidt van het bovenste,

het welk tot een schotel voor deeze spyze dient. Eene minder wreede

manier, waar van ik altoos gebruik maakte, bestaat daar in, dat

men het dier in zyn beenachtig bekleedzel op heeten asch plaatst;

hy steekt dan kop en hals naar buiten, welke men hem afhouwt, en zig

daar door de spyze verschaft, welke zyn lichaam oplevert, zonder het

dier verdere folteringen aan te doen. De heer DE GRAAF, drie of vier

van deeze Land-Schildpadden willende verzenden, bewaarde dezelven

vier maanden; geduurende al dien tyd bleven zy in 't leven, zonder

dat zy eenig voedzel scheenen te nemen, en met dit al behielden zy

haare kragten, zoodanig dat zy zelfs ter voortteeling geschikt waren.

Ik heb ook dikwils eene andere Land-Schildpad gezien, die hier Alacacca

genoemd wordt. Dezelve is van eene zeer platte gedaante, en van eenen

kleinderen omvang, dan de eerstgemelde. Derzelver groenachtige kleur

is voor het gezicht zeer onaangenaam, en zy is zoo goed niet om te

eeten, dan de andere.

Den 17den, vervolgden wy onzen weg ten noorden en noord-oosten, in de

hoop om eenige ontdekking te doen, maar zonder vrucht. Dien dag gingen

wy voorby eenige mieren-nesten, die meer dan zes voeten hoogte, en,

zonder vergrooting, een omtrek van meer dan honderd voeten hadden. Wy

zagen ook eene meenigte stukken fraay timmerhout, waar onder was

het hout van den zwarten kool-boom, die eene donker bruine kleur

heeft, en by de schrynwerkers en timmerlieden zeer geacht is. Men

toonde my ook den Zandkuil-boom, alzoo genoemd naar zyne vrucht,

waar uit men het zaad neemt, en dezelve dan met zand vult voor de

schryftafels. Deeze vrucht, die de dikte heeft van eene groote uije,

heeft kleine gaten in derzelver oppervlakte. Het is een ontlast-

en braak-middel te gelyk; maar het sap van derzelver vleesch is een

sterk vergift. Zie daar alles, wat ik 'er van zeggen kan, want ik

had noch tyd, noch gelegenheid, om dezelve met de nauwkeurigheid van

eenen kruidkundigen te onderzoeken.

Den 18den, trokken wy steeds in dezelfde richting voort. Wel dra

vonden wy een gebaand voetpad, het welk een cirkel maakte, en

niettemin een weg van gemeenschap scheen te zyn tusschen Gabo-Saby

en Bousy-Gray. Dit voetpad bragt ons regelrecht naar den westkant,

en na verloop van eenige uuren, dat wy het zelve gevolgd hadden, vond

ik een armen Neger, tot de muitelingen behoorende, die met bladen van

den Latanus-boom bedekt was, en nauwlyks meer adem halen konde. Hy

hadt niet meer, dan het vel over de beenderen, en één van zyne oogen

was uit de oog-holte uitgezakt. Ik zette hem myn fles voor den mond,

en hy dronk eenige teugen rhum met water gemengd; vervolgens zeide

hy my met eene zwakke stem, die wy naauwlyks verstaan konden:--"Ik

bedank u, Masera".--Verder sprak hy niets. De Colonel gaf bevel,

om hem in een hangmat mede te nemen; en kort daar na sloegen wy ons

neder by een biry-biry, of modderpoel. Ik moet niet vergeten, dat

wy deezen dag eenige schoone Brood-boomen [11] zagen, die tachtig

of honderd voeten hoog, en zeer dik waren. De boom van dien naam is

grys, en loopt lynrecht op. Zyne takken spruiten aan den top uit, en

de bladen zyn aldaar aan paaren gerangschikt. Men noemt hem te recht

den Koning van het woud, want schooner boom is 'er niet. Deszelfs hout,

van eene voortreffelyke kaneel-kleur, is vast, van een fraay erf, neemt

een goeden glans aan, en kan den tyd verduuren.--Maar het geen vooral

onzen aandacht tot zig trok, waren de zaden, die naar boonen gelyken,

en ten getale van drie of vier in eene breede en helder bruine peul

besloten zyn. Wy zagen 'er eene groote meenigte van aan den voet van

den boom op den grond verspreid leggen; zy hadden een smaak van zoete

koek. Uit zyne wortels druipt eene gom, die, behoorlyk toebereid

zynde, een vernis oplevert, het welk in helderheid en gebruik geen

weêrgaa heeft.

De meenigte schoone boomen van onderscheidene zoorten, welke dit

Land oplevert, is waarlyk eindeloos. Men heeft slechts de moeite te

doen van ze te hakken; maar indien men den afstand, op welken zy

doorgaans groeien, van de bevaarbare Rivieren in aanschouw neemt,

als mede de kosten op het omhakken en bewerken vallende, de meenigte

slaven, welken men gebruiken moet om de boomen door de bosschen heen

te trekken, vermits men zig aldaar van geene paarden bedienen kan,

de gevaaren en tyd-verliezen, kan men ligtelyk naargaan de oorzaak

der ongemeene duurte van het timmerhout in Guiana.

Deeze tocht verschafte ons de verrukkelykste gezichten. Wy liepen door

een eindeloos bosch, waar van de altyd groene boomen het schitterendst

lommer ten toon spreidden. Het saisoen van droogte (zynde de zomer

in dit Land) bragt oneindig veel toe tot verfraaijing van dit

toneel; en de eenvoudige natuur overtrof hier verre de verdubbelde

pogingen der konst. Wy ontmoetten eindelooze zandwoestynen van het

aangenaamst groen, door de bekoorlykste beeken van versch en helder

water doorsneden, wier oevers vercierd waren met bloemen, die de

schitterendste kleuren vertoonden, en de lucht met den aangenaamsten

geur vervulden. Dan eens zag men het bevallig tafereel van een hoop

fraaie uitspruitende boompjes; dan eens verhief zig een enkele boom,

wiens schoonheid deed vermoeden, dat men hem met voordacht op deeze

plaatsen had laten groeien, om dit tafereel nog ryker en bevalliger te

maken. De geheele landstreek was door een zeer groot bosch van hooge

palmboomen omringd; wier verheven kruinen, van de zelfde kleur als de

golven der zee, zig in een zacht evenwicht hielden boven een onëindig

getal van onderscheidene geboomten, wier groen nimmer verwelkt, die

altyd met bloemen en vruchten bedekt zyn, en den vermoeiden reiziger

schynen uit te noodigen, om onder hunne schaduw rust te nemen, tot

het gunstig oogenblik, dat hy zig in den vlietenden stroom van het

zuiverst water kan dompelen, en de verhevene schoonheden der natuur

onbelemmerd aanschouwen.--Hoe meenigwerf, wanneer eene algemeene

stilte rondom my heerschte, dacht ik niet aan myne lieve gezellinne,

wenschende, met haar en mynen zoon, in deeze nieuwe Elyseesche

velden, vreedzaame dagen te slyten!--Maar laaten wy tans zoortgelyke

herdenkingen vaarwel zeggen.

Den 19den, vervolgden wy onzen tocht, en dien dag vonden wy onzen ouden

weg, die ons regelrecht naar de velden van Gado-Saby bragt, alwaar

wy nog eene groote meenigte ryst zagen, die kortlings gebloeid had,

en welke wy afmaayden en verbrandden. De Neger, van wien ik bevorens

gesproken heb, wierd hier onder boom-mos en bladeren nedergelegd,

als of men hem levendig wilde begraven: voor deezen ellendeling

was geene hoop meer tot genezing. Wy hingen onze hangmatten op,

en verstikten byna door den rook van onze vuuren.

Ik zag op dit veld eene hagedis van by de twee voeten lengte, welke

de Negers doodden en opaten: zy noemden hem Sapagala, en hy had eene

groenachtig bruine kleur, maar hy geleek niet naar de Iguana. Onder de

puinhoopen van het afgebrande gehucht, ontdekten wy eenige Water-rupsen

of Honderd-pooten van agt tot tien duimen lengte. Dit hatelyk kruipend

gedierte van eene geelachtig bruine kleur, loopt in allen opzigte

zeer gezwind, en het vergift, het welk zy in de door hen gemaakte

pynlyke wonde laaten, schoon het niet doodelyk is, verwekt niettemin

doorgaans de koorts. Zommige schryvers geven aan dit kruipend gedierte

twintig paar pooten, en anderen veertig. Ik heb ze by de geenen,

die wy vonden, niet getelt: alles wat ik 'er van zeggen kan, is,

dat zy my toescheenen met de Europeesche honderd-pooten eene juiste

overëenkomst te hebben. Zommigen van onze Officiers maakten groote

en schoone verzamelingen van alle deeze merkwaardigheden; ik voor

my vergenoegde my met de afteekening en beschryving van die dingen,

die my voorkwamen niet zeer gemeen te zyn.

Den 20sten, gingen wy de verblyfplaats, Cosaay genaamd, bezichtigen,

en op den weg vernam ik, dat de bovengemelde Neger nog leefde. Ik

nam de takken, die hem bedekten, weg, en op myne tusschenspraak,

voerden wy hem met ons mede; maar de slaven, te onvreden van met

zulk een pak beladen te zyn, namen, in myne afwezigheid, alle

gelegenheden waar, om deezen ongelukkigen te doen lyden, met hem

op wortels en steenen te laten vallen, en door het slyk en water,

het welk wy doorwaden moesten, agter aan te laten sleepen. Men zondt

verscheiden manschappen uit, om de omliggende streeken te onderzoeken;

en het overige krygsvolk sloeg zig neder ten westen van Cosaay. Deeze

afgezondene manschappen ontdekten van dien zelfden kant vier schoone

velden, met maniok, ignames, bananen, pistaches, Indisch koorn,

en erweten van Angola beplant. Zy zagen ook verscheiden lyken van

menschen, die in het gevecht, in de maand Augustus voorgevallen,

het leven hadden verloren.--Wy plukten, in de nabyheid van onze

legerplaats, een zoort van mispelen, van eene karmosyn kleur, in

smaak veel gelykende naar aardbezien, en groeiende aan een breed

groen heestergewas, het welk in veele tuinen te Paramaribo wordt

aangekweekt. Wy zagen ook een zoort van wilde Pruim-boomen, welken men

hier Monpe noemt. Derzelver vruchten zyn geel, langwerpig en klein;

elk van die bevat een kleine noot; het vleesch is niet zeer dik,

maar schoon zeer zuur zynde, heeft het een aangenaamen smaak.

Des morgens van den 21sten, wierden alle deeze nuttige plantgewassen

afgehouwen en verbrand. Na dat dit werk verrigt was, keerden wy naar

onze legerplaats van den 19den te rug, welke wy ook geheel in brand

vonden, en wy waren genoodzaakt onze hangmatten ter zyde van het

bosch uit te spreiden. My alhier herïnnerende, dat men den armen

stervenden Neger alleen gelaten had, liep ik naar die plaats toe,

om hem met myne hulpe by te staan; maar na hem te vergeefs gezocht te

hebben, in weerwil der rook dampen, en de donkerheid van den nacht,

was ik genoodzaakt op myne eigene veiligheid bedacht te zyn, en in

aller yl naar myne medgezellen te rug te keeren. Eenigen laakten myne

roekeloosheid, anderen vervloekten het geraamte, het zy het levendig

of dood was.

Toen de verwoesting was afgeloopen, keerden wy naar den post van

Jerusalem te rug, alwaar wy den 24sten, geheel afgemat, aankwamen. De

Colonel zelf wierd eindelyk door eene heete koorts aangetast, die hem

noodzaakte, om in zyne hangmat te blyven leggen, en deedt vreezen,

dat hy den nacht niet halen zoude. Echter behieldt hy steeds het

bevel aan zig, en deedt, des anderen daags morgens, aan eenen soldaat

stokslagen geven, die, vermits zyne voeten zeer gescheurd waren, hem om

een paar schoenen verzogt; een ander onderging dezelfde behandeling,

om dat hy gehoest had, schoon hy met eene zwaare verkoudheid behebd

was; een Capitain wierd in zynen dienst geschorst, en naar het Fort

Zelandia in gevangenis verzonden, om dat hy bestaan had een huwelyk

aan te gaan buiten toestemming van den Colonel.--Ziekten en de dood

maakten, in dit oogenblik, groote verwoestingen onder het leger,

alwaar alles in de grootste verwarring was.

Den 1sten November, liepen, om de maat der onheilen vol te meten,

vyf-en-twintig Negerslaven weg; en den 3den, ontfingen wy bericht,

dat men meer dan vyftig gewapende muitelingen gezien had, die, een

musket-schoot beneden Barbacoeba, de Cottica waren overgezwommen.

Op het ontfangen van deeze tyding, wierdt de Colonel SEYBOURG

afgezonden met de weinige manschappen, die in staat waren op te

trekken, en, in dit oogenblik, door honger en ellende geperst werdende,

op 't punt waren om hunne eigene Officiers aan te tasten. Gebrek

hebbende aan het geen zy boven alles waardeerden, tabak namelyk,

rookten zy graauw papier, en kaauwden bladeren en leder, om by hun

de plaats van deeze plant te vervullen. [12] Niemand ondertusschen

leedt toen meer dan ik. Van levensmiddelen en kleederen ontzet, was

ik uitgehongerd en naakt. Zedert het leggen in hinderlagen, en den

tocht naar de Peréca, had ik een zweer aan den linker voet. Ik had

geen één vriend onder het geheele leger meer overig, van wien ik de

minste hulp verwagten konde. Tot overmaat van ellende was het weinige

bloed, dat my nog overschoot, geduurende twee nachten agter elkander,

door het Guiaansche Spook of Vampire, byna geheel en al uitgezogen. Ik

geraakte in myne hangmat buiten my zelven, en kwam niet weder tot

kennis, dan met een zoort van mistroostigheid, die merkelyk aanwies,

na het lezen van eenen brief, waarin men my berigtte, dat JOANNA en

myn zoon te Paramaribo aan eene rotkoorts op sterven lagen.

Eindelyk echter kwam de Sergeant FOWLER van de Plantagie Mocha, met

één van myne kisten aan. De afgezondene krygsbende van den Colonel

SEYBOURG kwam ter zelfder tyd te rug, zonder iets vernomen te hebben.

De Colonel FOURGEOUD bevondt zig den 14den zoo ziek, dat hy zig

genoodzaakt zag het bevel aan een ander over te laten, en zig tot zyne

herstelling naar Paramaribo te begeven. Na al zyn volk op deeze manier

te hebben opgeöfferd, wierd hy het slachtöffer van zyne heerschzucht,

die geene palen kende, en van zyne hardnekkige volharding, terwyl,

zoo hy zig, zyne soldaten zoo wel als zig zelf, minder vermoeid en

beter gevoed had, hy een even grooten, zoo geen grooteren dienst aan

de Volkplanting bewezen zoude hebben.--Men zondt te gelyker tyd een

vaartuig vol met zieken en stervenden naar Devil's Harwar.

Het bevel was toen in handen van den Lieutenant Colonel, die des avonds

door de zelfde ziekte als de Colonel wierd aangetast. Dezelve richte

toen groote verwoestingen aan ouder het krygsvolk van allerleijen rang,

wier bloed door de hitte van eene brandende zon als kookte, terwyl

wy, in dit saisoen van droogte, in plaats van ons op den post van

Jerusalem te bevinden, de bosschen hadden moeten doorkruissen. Maar,

zoo als ik reeds heb opgemerkt, de Colonel verkoos ongelukkiglyk

dit ongeschikt saisoen voor deeze tochten. Verscheiden Officiers

zouden toen hunne posten wel hebben willen nederleggen, indien de

betamelykheid zulks gedoogd had op een oogenblik, dat zy werkelyk

in dienst waren. Ik zelf zoude wel verlangd hebben eenigen tyd te

Paramaribo te gaan doorbrengen; maar dewyl men my dit niet aanboodt,

schoon men aan alle de anderen, tot de slaven toe, verlof gegeven

hadt, achte ik het beneden my 'er om te verzoeken, dewyl ik het nog

op gaande been konde houden.

Den 19den echter verërgerde myn voet zoodanig, dat de Heelmeester my

buiten staat verklaarde, om dienst te kunnen doen: met dit al bleef

ik steeds op de legerplaats.

Den 20sten, ontfingen wy eene versterking van krygsvolk, in slaven

bestaande, en van krygsbehoeften; dienvolgende zondt men den Major

MEDLAR met honderd vyftig mannen, om op kondschap uit te gaan.

Onder meerdere onheilen, waar mede het leger in dit oogenblik te kampen

hadt, moet men vooral rekenen eene ontzachelyke meenigte sprinkhaanen,

die alles, wat zy ontmoetten, verslonden. Het scheen waarlyk, of de

vloek des hemels ons op alle manieren bezogt: allerleije zoort van

ongedierte hadt zig dermaten vermeenigvuldigd, dat men, in weerwil

van de grootste zorgvuldigheid, 'er zig niet geheel en al van bevryden

konde. Deeze sprinkhanen waren van eene bruine kleur, en van gedaante

als de anderen. Zy vlogen niet, maar sprongen by hoopen op de tafel

en stoelen, terwyl wy aten. Des nachts kwelden zy ons, door over ons

aangezicht te kuiëren.

Echter vonden wy op den post van Jerusalem eene groote meenigte

visschen, en vooral de Newmara, de Warrappa, de Pataky en de

Vieille. Allen waren uitmuntend. De Pataky was byna twee voeten

lang, en hadt de gedaante van een schelvisch; de laatste geleek

naar een groote baars. Men vong ook een zoort van Aal, die alhier

Naay-naay-fisy genoemd wordt, zeer fyn, en omtrent een voet lang

is. 'Er was ook nog een zoort van visch, genaamd Dung-fish, hebbende

ten naasten by de gedaante van één kleinen haring. De Negers alleen

aten de twee laatstgemelden.

Den 3den December, kwamen de afgezondene manschappen van den Major

MEDLAR, na eene afwezigheid van veertien dagen, te rug, met zig

brengende eene vrouw van de muitelingen, met haaren zoon, omtrent

agt jaaren oud zynde, welken men op een klein veld, met bittere

maniok beplant, gevangen genomen hadt. Dit ongelukkig schepzel was

zwanger en zeer verschrikt; maar de Major, die een menschlievend

en gevoelig mensch was, behandelde haar met goedäartigheid. Hy had

echter op eene ongelukkige manier een Corporaal verloren, SCHOELAR

genaamd, en een Zee-soldaat, genaamd PHILIP VAN DEN BOSCH, die

onvoorzigtiglyk maniok-wortels gegeten hebbende, vergiftigd waren

geworden, en den zelfden nacht in verschrikkelyke stuiptrekkingen en

pynen stierven. Het geneesmiddel tegen dit vergift, is, zoo men zegt,

peper van Caijenne in eenig geestryk water; maar de Major konde toen

noch het een, noch het ander bekomen.

Onze gevangene verhaalde ons, dat die arme uitgehongerde Neger,

dien wy gevonden hadden, ISAAC genaamd was, en dat men hem voor dood

had laten leggen; zy verklaarde daarënboven, dat Capitain ARICO eene

nieuwe verblyfplaats aan de zee-kusten had opgericht, waar aan hy den

naam van Fissy-Hollo gegeven had; dat BONNY de gestrengste krygstucht

onder zyn volk onderhieldt; dat hy eene zoo onbepaalde oppermacht

oeffende, dat hy aan twee persoonen van zyn volk het hoofd hadt laten

afhouwen, drie dagen voor het inneemen van Gado-Saby, namelyk in den

nacht van den 17den Augustus, toen wy het geschreeuw der muitelingen,

en het afschieten hunner snaphaanen hoorden, en zulks alleenlyk op

de verdenking, dat deeze ongelukkigen ten voordeele der Europeanen

gesproken hadden, en dat zy die geenen waren, wier hoofden wy op

pieken gevonden hadden; dat deeze BONNY aan geenen Neger, onder zyn

bevel staande, wapenen toevertrouwde, of hy moest hem eerst eenige

jaaren als slaaf gediend, en ontwyffelbaare bewyzen van moed en

trouwe gegeven hebben; dat zyne talryke onderhoorigen verpligt waren

zig zonder tegenspreken te onderwerpen aan alles, wat hy goedvondt

te beveelen; dat men hem intusschen meer beminde, dan vreesde, uit

hoofde van zyne onkreukbaare rechtvaardigheid en zynen mannelyken moed:

zy bevestigde ons ook het bericht, dat hy gewond was geworden.

Deeze vrouw en haar zoon wierden, den 4den December, met den Vaandrig

CABANUS, die hen had gevangen genomen, naar Paramaribo gezonden. Men

had byna te gelyker tyd een jong meisjen van omtrent veertien jaaren

aangehouden, doch deeze geheel naakt, en buitengemeen gezwind zynde,

had het geluk gehad te ontsnappen.

Voor het Hof van Justitie wierd bewezen, dat de eerstgemelde door

de muitelingen met geweld was weggevoerd; dienvolgende kreeg zy

vergiffenis, en keerde, benevens haaren zoon, met blydschap naar de

Plantagie van haaren meester te rug. Het is opmerkelyk, dat, toen dit

kind voor de eerste keer een paard of een koe zag, hy daar voor zoo

beängst was, dat hy in zwaare stuiptrekkingen viel; bovendien konde

hy niet veelen, dat hem een blanke aanraakte; want tot hier toe had

hy geene menschen van die kleur gezien, en hy noemde hen altyd Yorica,

het welk, in de taal der Negers, den Duivel beteekent.

Omtrent op deezen zelfden tyd, dreef het ligchaam van eene Zee-koe,

of Manati, in het water, dicht by den wachtpost van Jerusalem. De

slaven zwommen 'er dadelyk naar toe, de één met snoeimessen, de

ander met gewoone messen, en allen bragten zy 'er stukken van mede

voor hun middagmaal. Eindelyk trokken zy het dier, het welk reeds aan

het rotten was, op 't land. Het was zestien voeten lang; en bestondt

uit eene zeer groote en ongeschikte klomp vet, waar van het agterste

gedeelte puntsgewyze liep naar eene vleeschachtige, breede en rechte

staart. Deeze Zee-koe had een dikken en ronden kop, een platten bek,

breede neusgaten, met zeer harde hairen aan den neus, en boven den

mond, kleine oogen en drie gehoor-gaten, in plaats van ooren. In

plaats van pooten, had dit dier twee uitwassen, of vleeschachtige

vinnen, even als die van de Land-Schildpad, die een weinig beneden

den kop te voorschyn kwamen. Het dier bedient 'er zig van om te

zwemmen, en zig, schoon traaglyk, te bewegen, wanneer hy het kruid

wil eeten, het welk aan den oever der rivieren groeit, want het is

een halfslachtig dier. Hy had eene groenachtige zwarte kleur, eene

ruwe ongelyke huid, met groote verhevenheden en rimpels, die een kring

maken, en met eenige weinige stekelige hairen bedekt. Hy had kiezen,

maar geene voor-tanden, en eene zeer korte tong. De Zee-koe werpt,

even als de Walvisch, levende jongen, en zoogt dezelven aan twee

borsten. De dieren van dit zoort zyn in de Rivier der Amazonen zeer

gemeen. Men zegt, dat hun vleesch den smaak van kalfs-vleesch heeft,

en goed is om te eeten. Die ik tans zag, was reeds te veel verrot,

om 'er van te proeven. Men zag op zynen rug twee gaten van kogels,

welken de muitelingen waarschynlyk op den 27sten, wanneer wy twee

snaphaan-schoten gehoord hadden, op hem hadden laten afgaan.

Ik oordeele het niet ongepast te zyn, om alhier eene beschryving

te geven van een ander halfslachtig dier, Tapira genaamd, het welk

veel gelykheid heeft met het Zee-paard van het oude vaste Land, maar

minder groot is. Zyn lyf heeft ten naasten by de gedaante van dat van

een ezel, schoon echter minder lomp zynde. Zyn kop verschilt niet veel

van den kop van een paard, maar zyne onderste lip staat meer voor uit,

en eindigt met eene beweegbaare snuit, [13] als die van een Olyphant,

maar niet lang genoeg, om hem van eenig nut te wezen. Zyne ooren zyn

rondachtig; zyne voortanden zyn zeer sterk, en zomtyds zichtbaar. Hy

heeft ruwe en rechte maanen, korte en dikke pooten met een zoort

van paards-hoef, verdeeld in vier klauwen met nagels gewapend. Zyne

staart heeft niet meer dan twee of drie duimen lengte. De huid van dit

dier is uittermaten dik, en van eene bruine kleur; wanneer hy jong

is, heeft deeze huid kleine vlakken, even als die van de harten in

Guiana, of de Paca, en dezelve maken langwerpige streepen. Hy voedt

zig met kruiden en planten, die op moerassige plaatsen groeijen. Hy

is zoo vreesachtig, dat hy, bang zynde, zyn behoud zoekt door zig in

het water te dompelen, waar in hy een zeer langen tyd verblyft. Het

vleesch van het Zee-paard is zeer lekker; men geeft 'er den voorkeur

aan boven het beste ossen-vleesch.

De heer SELEFELDER, Officier van 's Compagnies krygsvolk, verzekerde

my, op deezen zelfden tyd, dat hy een Zeepaard, van een geheel

onderscheiden aart, in de Rivier Maroni gezien had. De Majoor

ABERCOMBIE, die in den zelfden dienst was, zeide my onlangs, in

de Rivier van Surinamen een Meermin te hebben aangetroffen. Lord

MONBODDO houdt ook zeer stellig staande het aanwezen van Zee-mannen

en Zee-vrouwen, [14] en verzekert, dat men ze in 't jaar 1720. gezien

heeft. Maar hoe achtenswaardig op andere punten het oordeel en gezag

van deezen Lord moge voorkomen, is het my niet mogelyk, om met hem

in te stemmen, dat 'er mannen en vrouwen met vinnen en schubben,

laat staan met staarten, zyn zouden.

Ik geloof, zoo het my geöorloofd is myne gedachten op dit stuk te

zeggen, dat men nu en dan in de Rivieren, onder den zonne-keerkring

gelegen, zoo op de kust van Africa, als van Zuid-America, een zoort

van visch ziet, die met het halve lyf boven het water uitsteekt,

zeer veel gelykheid heeft met een menschelyk schepzel, maar veel

kleiner is, en ten naasten by als die geen, welke men in 't jaar 1794

te London zag. Deszelfs kleur is zwartachtig groen; de kop is rond,

met een zoort van mismaakt aangezicht. Eene zwaare vinne vertoont

zig by de oogen van het dier, loopt tot het midden van den rug,

en gelykt veel naar hoofdhair. Zyne twee armen en handen zyn twee

vleesachtige en gevingerde vinnen. Het wyfje, als zynde een dier,

dat haare jongen levendig werpt, heeft borsten, even eens gemaakt, als

die van eene vrouw. De staart is volmaakt die van een visch. In veele

opzigten gelykt hy naar het Zee-kalf; behalven dat de laatstgemelde

geene vinnen op den rug heeft. Dezelve is ook veel dikker, en

verheft zig nooit boven het water, zoo als het dier zoo even door my

beschreven. Ik heb deeze berichten ontfangen van verscheiden bejaarde

Negers, en van verscheiden Indianen, die alle in hunne beschryvingen

overëenstemden. Zommigen voegden 'er by, dat deeze dieren zingen,

maar ik denke, dat het is een klagend geschrey, zoo als men wel van

andere visschen of halfslachtige dieren onder den zonne-keerkring

hoort. Zy verzekerden my, dat zy, schoon zeldzaam voorkomende, ten

hoogsten gevreesd zyn by hunne vrouwen en kinderen, die hen watra-mama,

of moeder der wateren noemen; en, het geen vreemd is, met dien naam

bestempelen zy ook hunne Profetessen. Maar laaten wy van dit stuk

afstappen, en het verhaal onzer krygs-verrigtingen weder vervolgen.

Ik heb reeds gezegd, dat zeker Heelmeester, den 19den November,

verklaard had, dat myn voet my buiten staat stelde, om dienst te

doen; en heden, den 5den December, werden een ander Heelmeester,

twee Capitains en een Adjudant gezonden om my te bezigtigen, gelyk

ook den Capitain PERRET, die ziek was. De laatstgemelde Heelmeester

verklaarde al mede onder eede, dat wy zonder gevaar niet gaan konden,

en nog minder zwaare vermoeijing uitstaan; maar de Colonel SEYBOURG,

wien de heete koorts steeds bybleef, vond goed, dat wy oogenblikkelyk

de bosschen zouden intrekken, al zag hy, dat men ons op kruiwagens

moest voortkruien. De arme Capitain PERRET, die 'er als een stervend

mensch uitzag, en zig niet bewegen konde, besloot echter om deezen

uitzinnigen last ter uitvoer te brengen; maar ik kwam 'er stellig

voor uit, dat ik den geen, die bestaan zoude durven my aan te raken,

de herssens zoude inschieten; en ingevolge van deeze verklaring,

stelde men my onder de bewaring van een schildwacht. Het geheele

leger scheen toen niet dan uit zotten te bestaan.

Den 11den, ontfingen wy bericht, dat men een zeker getal muitelingen

aan de overzyde van Devil's Harwar gezien had, en wy vernamen

vervolgens, dat zy de Commewyne verlaten hadden, aan welker oevers zy,

den 5den, het huis van den eigenaar van Killesting-Nova, waar in de

Opzichter SLICHTER was opgesloten, verbrand hadden, dat zy de geheele

Plantagie verwoest hadden, drie-en-dertig vrouwen mede gevoerd, en het

zoontje van eenen Mulat verminkt, om zig over zynen vader te wreeken;

en dat eindelyk de Neger-Jagers hen vervolgden. Capitain FREDERIK kwam

ook den zelfden dag aan. Hy had het krygsvolk der Sociëteit verlaten,

om onder die van den Colonel FOURGEOUD te gaan, en hy bevestigde ons

deeze ongelukkige nieuwstydingen.

Byna op deezen zelfden tyd, na vier maanden lang aan alles gebrek

gehad te hebben, ontfing ik het overschot van mynen voorraad,

welken men my van de Plantagie Mocha zondt; maar voor drie vierde

door de kakkerlakken vernield: ik deelde het beste onder de zieken

uit, maar het geen my het grootste genoegen deedt, was te vernemen,

dat JOANNA en myn zoon JOHNNY buiten gevaar waren, en te Paramaribo

herstelden. Deeze tyding beurde my zoodanig op, dat ik des anderen

daags morgens te kennen gaf, dat ik my in staat bevond, om dienst

te doen, maar ik twyffel, of dit wel zoo was. De noodzakelykheid om

van lucht te veranderen, bragt 'er ook veel aan toe, want in de zoort

van gevangenis, die ik hield, had ik 'er volstrekt gebrek aan, en zy

was my echter ongemeen noodig. Den zelfden avond, voer een vaartuig,

vol met Caraibische Indianen, de Cormoetibo-Kreek op, om, door middel

van de Wana-Kreek, in de Rivier Maroni in te loopen.

Den 20sten December, was ik van myne kwetsuur aan den voet hersteld;

de Colonel SEYBOURG insgelyks van zyne heete koorts.

Den 21sten, kwamen 'er beveelen van den Colonel FOURGEOUD, die zig

op dit oogenblik beter bevondt: dezelve bragten mede, dat wy onze

legerplaats te Jerusalem zouden opbreken, en ons andermaal naar de

Wana-Kreek begeven. Dienvolgende wierden de zieken in vaartuigen

naar het hospitaal te Devil's Harwar, het welk reeds byna vol was,

gezonden. Veelen waren door eene ziekte aangetast, vry veel gelykende

naar trommelzucht, en alhier de Kouk genaamd. Dezelve bestaat in

eene verbaazende opspanning van den buik, die te gelyker tyd zeer

hard is. Men krygt die ziekte, zoo men zegt, door het drinken van

modderig water, zonder het met eenig geestryk vocht te vermengen;

en dit was onze gewoone en algemeene drank.

Den 22sten, des morgens om zes uuren, braken wy het leger op, en

volgden de oevers van de Cormoetibo-Kreek, die niet meer dan een

moeras was. Men liet één van onze ongelukkige Negers, die een gat in

het hoofd had, aan zyn lot over; men wierp een anderen van één der

vaartuigen in het water, en hy verdronk.

Wy zagen deezen dag een groot aantal Pingos, of wilde varkens,

die, als naar gewoonte, onze linie braken. Verscheiden wierden door

sabelhouwen gedood, en zommigen ontkwamen het, nemende de bajonnetten,

waar mede zy geraakt waren, met zig.

Deeze tocht was vooral onäangenaam uit hoofde van de zwaare regenbuien,

die strooms-gewyze nedervielen, en de Rivieren deeden overloopen. De

vroege ochtend-stonden waren vochtig en koud, en zoo strydig met de

ongemeene hitte van den dag, dat wy zeer dikwils in onze hangmatten

lagen te beven, vooral wanneer wy 'er met natte kleederen in gegaan

waren. Intusschen kwam ik dit ongemak voor, door een gedeelte van

den dag, even als de Jagers, half naakt te loopen, en myn hembd,

geduurende den regen, onder eene omgekeerde ketel te leggen. Wanneer

de regen ophieldt, kleedde ik my, en leed dus veel minder dan myne

medgezellen, die zeer bleek en verkleumd waren.

Des avonds van den 23sten, sloegen wy ons neder by eene kleine beek,

de Caymans-Kreek genaamd. Zekere boom, den naam van Monbiara dragende,

boodt ter deezer plaats eenige uitmuntende vruchten aan, maar die

allen door de slaven wierden weggenomen, eer ik 'er van konde proeven,

of zelfs één van te zien krygen.

De regen viel by aanhoudenheid zoo sterk, als of wy een zondvloed

te vreezen hadden. Den 24sten vervolgden wy onzen weg, en des

avonds sloegen wy onze hangmatten neder by eene beek, Yorica of de

Duivels-Zeef genaamd. Wy bouwden aldaar schuilplaatsen of hutten, en

maakten 'er vlotten, om 'er de krygs- en mond-behoeften op te plaatsen.

Den 25sten, trokken wy door slyk en water, wy kregen de zwaarste

stortregens op het lyf, en sloegen ons des avonds neder by eene

kleine beek, genaamd de Java-Kreek, en loopende drie mylen beneden

de Wana-Kreek.

Den 26sten, wierd ik met eenige weinige manschappen afgezonden, om onze

oude legerplaatsen, by de laatstgemelde Kreek, te gaan opneemen. Des

avonds kwamen wy te rug, half zwemmende door slyk en water, en zonder

iets, dan eenige vogelen en merkwaardige boomen gezien te hebben,

welken ik niet met stilzwygen kan voorby gaan. Men noemde deeze

vogelen Crombach, Camawarry en Crocro. De eerste heeft de gedaante

van eene groote houtsnip, en heeft een krommen bek. De tweede is

een waterhoen, maar driemaal grooter dan de voorgaande. Zy zyn zeer

ligt, en vlogen in een oogenblik weg, waarom ik 'er geene omstandiger

beschryving van geven kan. De derde of de Crocro, is een weinig minder

groot, dan onze kraaijen, en ik geloof, dat hy tot het zelfde zoort

behoort, want hy is één der verslindendste van alle vleesch-etende

vogelen. Deeze vogel heeft eene donker blaauwe kleur. Zyn bek en

pooten zyn uittermaten sterk: hy maakt een allerönaangenaamst en

scherpst gekras, voornamelyk in den nacht. De boomen wierden door

de Negers genoemd Mataky en Markoury. De eerste is merkwaardig uit

hoofde van zyne wortels, die zoodanig boven den grond uitsteken, dat

een groot aantal menschen zig daar onder zouden kunnen verschuilen,

zonder elkander te zien; zomtyds zelfs staan zy zoo wyd van één, dat

men te paard tusschen beiden zoude kunnen doorryden; en derzelver

dikte is zoo groot, dat men niet meer dan één plank of deel noodig

heeft, om 'er een tafel voor twaalf menschen van te maken.

Ik verwyze den lezer naar de afteekening, die ik van deezen

verbaazenden boom gemaakt heb, en geplaatst tegen over dien kant,

alwaar onze legerplaats te Jerusalem was nedergeslagen. Ik heb in

dezelfde plaat gebracht het gezicht van onze legerplaats aan de

Java-Kreek by mooy weder.

De andere boom, Markoury genaamd, is waarlyk geducht, uit hoofde van

zynen vergiftigen aart, welke zoo doordringend is, dat de rook van dit

hout doodelyk is voor de dieren, wanneer het in de longen koomt. Hy

groeit altyd alleen, en doet ontwyffelbaar sterven al wat 'er dicht by

koomt. De slaven zelve zyn zoo beschroomd om hem aan te raken, dat zy

op de Plantagiën het omhakken 'er van weigeren. Hy is niet zeer hoog,

ongelyk, en van eene leelyke gedaante; hy heeft slechts eenige takken,

en zyne bladeren zyn van eene bleek groene kleur. Men heeft my gezegd,

dat de Indianen zommigen van hunne pylen vergiftigen, door ze in het

sap van deezen boom te doopen.

Den 27sten, begaf zig eene andere ronde in aantocht, maar ontdekte

even weinig, als de eerste.

Ik heb reeds gezegd, dat de zweer, die ik aan den linker voet had,

geneezen was, en dit was waar; maar op dit oogenblik haalde ik uit

myn regter arm twee groote insecten, die my andere zeer diepe zweeren

veröorzaakten. In Surinamen noemt men deeze insecten Struik-wormen. Zy

zyn zoo groot als de rups van gewoone kapellen; zy hebben een zwarten

kop, en eene puntige staart; zy dringen ongemeen diep in het vleesch

door, en men heeft een lancet noodig, om ze 'er uit te haalen; zy

leven doorgaans in stilstaande wateren, en met geduurig door dezelven

te loopen, was ik aan hunne aanvallen blootgesteld.

Myn moed begon my door de opëenstapeling van alle deeze onheilen

te ontzinken. Zoo veele onderscheidene en herhaalde folteringen,

waar aan ik geen einde zag, ontroerden mynen geest, en maakten my het

leven verdrietig. In deeze elendige gesteldheid nam ik het stelligst

en welberaden besluit om by de eerste gelegenheid, die zig zoude

aanbieden om dit met eere te doen, zulke opperhoofden en zulk een

dienst vaarwel te zeggen. Men zal by het vervolg van myn verhaal zien,

of ik dit voornemen heb toegebragt.

Onze tegenwoordige legerplaats was zoo ondraaglyk, dat 'er geene

beschryving van te geven is. Eene aanhoudende overstrooming

overdekte den grond, zoodanig, dat men vlotten moest maken, om

'er onzen voorraad op te plaatsen. Wy konden uit onze hangmatten

niet komen, zonder tot de kniën in slyk of water te stappen; en op

plaatsen, waar het lager was, aten de insecten ons levendig op. Eene

zoo ongezonde gesteldheid vermeerderde het getal van onze zieken,

en men was genoodzaakt een ander vaartuig, vol met dood-kranken,

de Cormoetibo-Kreek te doen afzakken, en naar het hospitaal van

Devil's Harwar te zenden. Onder dit getal was die arme oude Negers,

wiens herssenen byna verbryzeld waren, en die ons eerst des avonds

te voor ren in eenen deerniswaardigen staat had kunnen inhalen.

Dit vaartuig, het welk veel naar een dryvend kerkhof geleek, vertrok

den laatsten dag van 't jaar 1775.

Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Deel 3 · 第 21 / 35 题