DE HONIG.

"Het heeft Gode behaagd aan de

kleinste diertjes een veelvoudiger

vernuft dan aan de groote dieren

te schenken, maar geen is er dat

meer zinverstand dan de honigbie

ontvangen heeft."

(H. Conscience.)

_Oorsprong_.--De honig (of honing) komt voort van _nectar_, welke door

de bieën op de bloemen van bijna alle planten verzameld wordt. De

nectar zelf is een zoet en welriekend sap, dat door de honigklieren

der bloemen wordt afgescheiden; hij lokt de bieën aan, en deze zuigen

hem uit den bloemkelk en brengen hem naar hare woning om er honig

van te maken.

De kleur, de smaak, de geur en andere eigenschappen des honigs

verschillen volgens de planten, waarvan hij voortkomt.

Vele gewassen bezitten de kracht menschen en dieren van hunne kwalen

te kunnen genezen, en worden daarom geneeskundige planten genoemd. De

bloem der plant is zeker haar voornaamste en krachtigste deel; welnu,

daar de honig om zoo te zeggen het sap der bloemen is, zal hij hiervan

ook de krachten bezitten.

_Soorten._--Volgens de wijze, waarop de honig uit de bieënwoningen

geoogst wordt, onderscheidt men _gepersten_, _uitgetrokken_ of

_geslingerden_ honig, en honig in _raten_ of _sectiën_.

Eertijds moesten de bieboeren hunnen honig uit de raten of schijven

persen, en bekwamen dan meestal een mengsel, dat uit honig, was,

stuifmeel en doode bieën bestond. Deze doenwijze heeft voorzeker veel

bijgedragen om het verbruik van den honig te doen verminderen, en

hem door de suiker te doen vervangen. De vreemde honig, die nog meest

door onze suikerbakkers, drogisten en apothekers aangekocht wordt, is

doorgaans geperste; doch hij heeft het voordeel zeer goedkoop te zijn,

zoodat hij daarom boven onzen zuiveren, inlandschen honig verkozen

wordt. Goedkoop, maar slecht en vervalscht is de meeste honig, die

hier uit andere streken wordt ingevoerd. Wij zeggen slecht, want het

persen bederft den besten honig, omdat hij hierdoor zijne frischheid,

zijnen geur, zijnen goeden smaak en zijne kleur verliest.

Dank aan den overgrooten vooruitgang, die er sedert eenige jaren in de

bieënteelt gedaan is, kunnen de bieëntelers thans zeer zuiveren honig

leveren. In plaats van den honig uit de raten te persen, gebruikt de

verstandige bieman een werktuig, honigslinger genoemd, waarmede hij den

honig uit de schijven kan trekken. De honigslinger is een werktuig,

dat op de middelpuntvliedende kracht gesteund is. In de beredeneerde

bieënteelt zijn thans de gewone korven met vaststaande raten door de

bieënkassen met losse ramen vervangen. Wil de bieënteler nu zijnen

honig oogsten, dan neemt hij de gevulde ramen uit de kas, borstelt er

de bieën af, ontzegelt de gesloten honigcellen en zet de raten in den

slinger. Hij zet het werktuig in beweging en, na verloop van eenige

minuten, is de honig uit de cellen getrokken, zonder de schijven te

breken of er eenige onzuiverheid mede te mengen. Men bekomt aldus

uiterst zuiveren honig, terwijl men er ook met de handen niet moet

aanraken. Deze uitgetrokken of uitgeslingerde honig is bijgevolg

veel meer waard dan honig, die geperst werd. Overigens, wie onder

opzicht van spijzen een weinig keurig is, zal geenen gepersten honig

gebruiken, en hem, niettegenstaande zijnen lagen prijs, geheel en

gansch verwerpen.

Naar het voorbeeld der Engelschen en der Amerikanen, begint men in ons

land ook _honig in sectiën_ te gebruiken. Deze sectiën zijn kleine

ramen, waarin de bieënteler zeer zuivere waswafels zet, maagdenwas

genoemd, waarvan de cellen door de bieën aangewerkt en met honig gevuld

worden. Dewijl deze raten in hunnen natuurlijken staat verkocht worden,

is men hier altoos verzekerd echten honig te hebben.

_Kleur._--De versch uitgeslingerde honig is klaar, doorschijnend en

geelachtig van kleur. Volgens de bloemen, waarvan hij voortkomt is de

honig in eene zelfde streek zeer verschillend in kleur en geur. De

natuur van den grond oefent tevens eenen grooten invloed uit op

de kleur des honigs: zoo is de honig, die van bloemen voortkomt,

welke op kalkgrond groeien, veel klaarder dan degene van planten,

die op klei- of zandgronden staan. Dientengevolge is het moeilijk

naar de kleur te bepalen, van welke bloemen de honig voortkomstig is.

Ziehier echter eenige algemeene aanduidingen over de kleur des honigs:

De honig der meeste fruitboomen is wit, doch die der kriekeboomen

is goudgeel; de slooren en de mostaardplant geven eenen honig, zoo

klaar als water; de lindeboom verschaft gelen of donkergroenen honig,

die klaar of troebel zijn kan; de acacia levert er witgroenen op;

de bloemen van velden en weiden brengen geelgroenen of lichtbruinen

honig voort; de honig, geoogst op hoogroode klaver, is zoo klaar als

water, stroogeel of citroengeel; die der dennenboomen is geelbruin

of geelgroen, terwijl die der boekweit donkerbruin gekleurd is.

_Vervalsching._--Evenals vele andere eetwaren, wordt de honig op

allerlei wijzen vervalscht. Zekere oneerlijke handelaars voegen bij

hunnen honig eene hoeveelheid water, die wel eens 33% bedraagt. Anderen

mengen hem met meel, ameldonksuiker, saccharose of rietsuiker, melasse,

gelatine, dextrine, en zelfs met zware minerale stoffen. Tevens wordt

er bij middel van _glucose_ veel valsche honig verveerdigd. Om aan

dat voortbrengsel eenen goeden geur te geven, mengt men er een weinig

echten honig bij.

Men duidt allerlei middelen aan om de vervalsching des honigs vast te

stellen. Het beste ware hem door eenen scheikundige te laten ontleden,

doch dit middel zou over het algemeen te kostelijk zijn. Wij duiden

daarom eenige eenvoudige doenwijzen aan, waardoor men in de meeste

gevallen de vervalsching kan waarnemen. Vooreerst weet men, dat een

liter zuivere honig ten naaste bij 1400 grammen weegt, terwijl het

gewicht van eenen liter water maar 1000 grammen bedraagt. Wanneer

derhalve de honig zijn gewoon gewicht niet heeft, is dit een teeken,

dat hij te veel water bevat. Om te weten of de honig met glucose

gemengd is, neme men eene tas thee, waarin men eenen lepel honig

doet; als deze laatste zuiver is, zal de thee zijne natuurlijke

kleur behouden, doch is de honig met glucose vervalscht, dan wordt

de thee donkerder.

Het korrelen of kristalliseeren van den honig is over het algemeen

een teeken, dat hij zuiver is. Wanneer de honig met vreemde stoffen

gemengd is, dan kan men, in de meeste gevallen, deze waarnemen door er

een weinig water bij te voegen. Is de honig b. v. met bloem gemengd,

dan zinkt deze op den bodem.

Overigens, wanneer men gewoon is zuiveren honig te nemen, dan zal

men seffens den vervalschten van den goeden onderscheiden.

In alle geval, de koopers moeten zich van den goedkoopen en vooral

van den vreemden honig wachten, want hij is doorgaans vervalscht.

Hoe zal men goeden, zuiveren en onvervalschten honig kunnen

bekomen?--Hiervoor moeten de liefhebbers zich wenden tot bieëntelers,

die voor hunne eerlijkheid gekend zijn. Zij kunnen hem koopen op

de honigmarkten, welke door den «Bond der Bieëntelers van Brabant»

en andere Maatschappijen van Bieënteelt hier te lande ingericht worden.

Koopt men op andere tijden honig bij de leden van onzen «Bond»,

dan ook mag men zeker zijn onvervalschten honig te hebben; immers,

tot nog toe is het niet gebeurd, dat één enkel geval van bedrog zich

bij onze leden heeft voorgedaan. Overigens, moest een lid zijnen

honig vervalschen, dan wierd het aanstonds uit den «Bond» gesloten,

en het bedrog zou door alle mogelijke middelen aan het publiek kenbaar

gemaakt worden. Wij mogen dus gerust zeggen: «Koopt uwen honig bij

onze leden, en gij zult goede waar hebben.»

Het ware te wenschen, dat de vervalsching des honigs door eene wet

verboden wierde, evenals zulks voor andere eetwaren is gedaan!

_Bewaring._--De honig moet bewaard worden in glazen of blikken bokalen,

in aarden potten of in kleine houten vaten. De zinken voorwerpen

deugen niet om er honig in te bewaren.

Als hij in eene droge en welverluchte plaats gezet wordt, verandert de

zuivere honig spoedig in korrels, hij _kristalliseert_. Alsdan is zijne

kleur witter en hij wordt zoo hard, dat hij zelfs eenigen weerstand

aan het lemmer van een mes kan bieden. De honig, die van koolzaad

(slooren) en van fruitboomen voortkomt, kristalliseert zeer spoedig;

de andere blijft langer vloeibaar, doch wordt eindelijk ook _korrelig_.

De honig is _vochtopslorpend_, dit wil zeggen, dat hij gemakkelijk de

vochtigheid der lucht opneemt. Dientengevolge mag men hem in geene

kelders of andere vochtige vertrekken zetten; ook kan hij best in

bewoonde kamers bewaard worden.

Wanneer de bietjes hunnen honig willen bewaren, sluiten zij hunne

cellen met een deksel luchtdicht toe. Wij moeten dit wonderbaar

insect hierin navolgen. Als wij honig goed en gedurende langen tijd

willen bewaren, zullen wij hem in bokalen doen, welke _luchtdicht_

sluiten. Eer hij echter in deze luchtdichte potten gedaan wordt,

moet de honig volkomen rijp zijn. Wanneer de honig begint te gisten,

ter oorzake zijner vochtigheid of zijner onrijpheid, dan kan men hem

weder goed maken met er krijt en houtskolen bij te voegen. Daarvoor

moet men den pot, waarin de honig is, allengskens in water verwarmen,

terwijl men den honig met een spaantje omroert. Het krijt en de kolen

nemen al de vuile stoffen op, en zinken naar den bodem. Wanneer men

nu den honig in eenen anderen pot overgiet, dan is hij weer zoo goed

als te voren.

Honig, die reeds oud is, wordt wel eens vloeibaar en begint te

gisten. Om hem weder goed te krijgen, zal men hem in eenen dubbelen pot

(bain-marie) verwarmen en er de onzuiverheden zorgvuldig afschuimen. Na

die behandeling wordt hij weer stijf en kan opnieuw eenen geruimen

tijd bewaard worden.

Men mag den honig nooit bloot op het vuur zetten, want dan zou de fijne

honiggeur vervliegen, zoodat er niets dan siroop meer zou overblijven.

De honig en zijn gebruik · 第 5 / 15 题