[1] Deel V, 269. Wij zullen Nietzsche aanhalen uit de eerste uitgave
zijner Werken, die uit 12 deelen bestaat (Leipzig, 1895-97).
[2] D. VI, 114 s.
[3] D. VI, 47.
[4] Aangehaald door Mevr. Förster-Nietzsche in een artikel der Zukunft,
2 Oct. 1897, pag. 12.
[5] Uitgegeven in Cosmopolis, Mei 1897, pag. 470.
[6] Mevr. Förster-Nietzsche, Das Leben Fr. Nietzsche's, I. 180.
[7] D. VII, 258.
[8] D. VII, 262.
[9] D. VI, 186.
[10] D. VI, 290.
[11] Mevr. Förster-Nietzsche. Das Leben Fr. Nietzsche's, I, 194.
[12] Intiem dagboek 25 Oct. 1859. Mevr. Förster-Nietzsche. Das Leben
Fr. Nietzsche's, I, 125.
[13] Mevr. Förster-Nietzsche. Als boven, I, 314.
[14] Id. Ibid, I, 321.
[15] Brief van Juni 1865; Mevr. Förster-Nietzsche Aangeh. W. I. 216.
[16] D. V, 163.
[17] Mevr. Lou Andreas-Salomé. F. Nietzsche in seinen Werken, s. 48.
[18] D. V, 302.
[19] D. VI, 115.
[20] D. V, 245.
[21] D. V, 276.
[22] D. IV, 167.
[23] D. V, 201.
[24] "Die Geburt der Tragödie" werd zeer heftig aangevallen door
Wilamowitz-Möllendorf ("Zukunfts-philologie! eine Erwidrung auf
F. Nietzsche's Geburt der Tragödie" Berlijn 1872); zij werd door
R. Wagner verdedigd in een open brief aan Nietzsche die 23 Juni
1872 verscheen in de Norddeutsche Allgem. Zeitung (gereproduceerd
in Ges. Schriften van Wagner, t. IX, 350) en door een der intieme
vrienden van Nietzsche, Erwin Rohde (Afterphilologie-Sendschreiben
eines Philologen an R. Wagner, 1872). Daarop antwoordde Wilamowitz
zijne tegenstanders (Zukunft-Philologie! 2tes Stück. Eine Erwidrung
auf die Rettungsversuche für F. Nietzsche's "Geburt der Tragödie"
Berlijn, 1873).
[25] Dagboek van 1865, en een brief van 1868 aan Erwin
Rohde. Mevr. Förster-Nietzsche. Aangeh. W. D. I, 190, 211, 270.
[26] W. V, 319.
[27] D. IV, 10.
[28] D. IX, 23.
[29] Die voorbereidende en aanvullende werken zijn in deel IX van de
volledige werken, blz. 25 e. v., verschenen. De vergelijking tusschen
die studieën en den definitieven tekst toont duidelijk aan, dat
"Die Geburt der Tragödie" eigenlijk slechts een fragment is van
een uitvoeriger werk dat Nietzsche voor oogen had en dat hij om
verschillende redenen vereenvoudigd heeft.
[30] Een opgave van de cursussen en lezingen, die door Nietzsche te
Bazel gehouden zijn, vindt men in het werk van Mevr. F.-N. I, 324.
[31] D. I, 73.
[32] D. I, 76.
[33] D. VIII, 173.
[34] Nietzsche werd gaandeweg steeds vijandiger tegen Socrates; later
zelfs zag hij in hem het type van den plebejer en den decadent, de
volmaakte tegenstelling van den aristocratischen en van levenskracht
overvloeienden Griek van het tragische tijdperk. Het nihilisme spreekt
uit het oogenblik van zijn sterven als hij tot Creton zegt: "Ik ben
Esculapus een haan schuldig," want daarmee bekende hij het leven te
beschouwen als eene ziekte en dus in den grond een pessimist te zijn
ondanks zijn schijnbaar optimisme. Zie D. V, 264 en VIII, 63.
[35] D. X, 285.
[36] D. IX, 6.
[37] D. X, 376.
[38] D. I, 427.
[39] D. IX, 47.
[40] D. I, 442.
[41] D. I, 443.
[42] D. IX, 375.
[43] D. IX, 98.
[44] D. IX, 99.
[45] D. I, 390.
[46] Buiten de vier "Unzeitgemäszen", die hij van 1873 tot
1876 uitgaf, ontwierp Nietzsche er nog tal van andere, die
gedeeltelijk niet af zijn gewerkt en gedeeltelijk zijn overgegaan
in "Menschliches Allzumenschliches". In Deel X van zijne "Werken"
vindt men schetsen voor de "Unzeitgemäszen", getiteld: "Die Stadt",
"Der Weg zur Freiheit", "Der Staat", "Lesen und Schreiben" en eene
zeer ver gedreven studie over "Wir Philologen" waarin reeds de kiem
verschijnt van ideeën die later in Zarathustra tot ontwikkeling kwamen.
[47] D. I, 337.
[48] D. I, 364.
[49] Mevr. Förster-Nietzsche. I, 231.
[50] D. I, 398.
[51] D. I, 128.
[52] D. IX, 365.
[53] D. I, 398.
[54] D. I, 429.
[55] Brandes. Menschen und Werke. Frankfort, 1895, p. 139.
[56] Mevr. Förster-Nietzsche.
[57] D. III, 4.
[58] Fragment einer Kritik der Schopenhauerischen Philosophie,
aangeh. door Mevr. Förster-Nietzsche, I, 343.
[59] Ueber Wahrheit und Lüge im aussermoralischen Sinne.--Der
Philosoph.--Die Philosophie im Bedrängniss. W. X, 161; zie ook
pag. 204, enz.
[60] Brief van 11 Oct. 1866, aangehaald door Mevr. Förster-Nietzsche,
I, 250.
[61] D. IX, 137.
[62] D. IX, 155.
[63] D. X, 397-425.
[64] D. X, 286.
[65] Zie het dagboek van 1888 (Ecce homo) aangeh. door
Mevr. Förster-Nietzsche, II, 1, pag. 106 en 259.
[66] D. VIII, 2.
[67] D. V, 212.
[68] Dagboek van 1888 (Ecce homo) en brief van 14 Januari 1880,
aangehaald door Mevr. Förster-Nietzsche, II, 1, p. 327 en 336.
[69] M. Nordau.
[70] Brandes, Menschen u. Werke, p. 140.
[71] Dagboek van 1888 (Mevr. Förster-Nietzsche, II, 1, pag. 328);
brief van 10 April 1888 (Brandes, Menschen u. Werke, pag. 140).
[72] Brandes heeft de brieven, die hij van Nietzsche ontvangen had,
uitgegeven in Menschen u. Werke, p. 213 enz. De brief van 4 Jan. 1889
is met groote letters geschreven op papier, dat als voor een kind
met potlood gelinieerd is, en bevat het volgende: Dem Freunde
Georg.--Nachdem du mich entdeckt hast, war es kein Kunststück mich
zu finden: die Schwierigkeit ist jetzt die, mich zu verlieren.... Der
Gekreuzigte.--Eenigszins valt hieruit nog te begrijpen wat Nietzsche
bedoeld heeft met die vreemde woorden, waarin hij zich verbeeldt één
te zijn met Jezus Christus.
[73] D. III, 188.
[74] D. II, 52.
[75] D. II, 267.
[76] D. V, 4.
[77] D. III, 9.
[78] D. VI, 157.
[79] Brandes. Menschen und Werke, p. 223.
[80] D. VIII, 68, 88.
[81] D. VII, 239.
[82] D. VII, 322.
[83] D. VII, 313.
[84] D. VII, 329-331.
[85] D. VII, 134.
[86] D. VII, 64.
[87] D. VII, 180.
[88] D. VII, 130; D. VI, 248.
[89] D. VI, 96.
[90] D. VI, 19.
[91] D. VII, 148.
[92] D. VII, 82.
[93] D. VII, 150.
[94] D. VI, 398.
[95] D. VII, 16.
[96] D. VIII, 235.
[97] D. VII, 82.
[98] D. VII, 12.
[99] D. V, 275.
[100] D. VII, 79.
[101] D. VIII, 155.
[102] D. VI, 13.
[103] D. VI, 421.
[104] D. V, 231.
[105] D. VI, 67.
[106] D. VI, 312.
[107] D. VI, 351.
[108] D. VI, 384.
[109] D. VI, 382; D. V, 260.
[110] D. VI, 167.
[111] D. V, 204.
[112] D. VI, 65.
[113] D. VI, 64.
[114] D. V, 245.
[115] D. VI, 35.
[116] D. VI, 428, 430.
[117] D. VII, 80.
[118] D. V, 265.
[119] Mevr. Lou Andreas-Salomé, F. Nietzsche in seinen Werken, p. 224.
[120] D. VI, 461.
[121] D. VI, 332, 471.
[122] Brandes. Menschen u. Werke, 199.
[123] D. VI, 91.
[124] Waar wij Nietzsche voorstellen als den vijand van de
altruïstische moraal, wil dat niet zeggen, dat wij in hem een
verstokt "egoïst" zien zonder medelijden of liefde want zijn egoïsme
spruit juist voort uit overmaat van gevoeligheid en is in den
grond niet anders dan een verheven en verfijnd altruïsme, dat door
"auto-suppressie" in individualisme veranderd is. Nietzsche staat dus
naast den grooten medelijdende en lijnrecht tegenover den "arrivist,"
en zooals hij atheïst is door den godsdienst en immoreel door zijn
diep moreel geweten, is hij egoïst door altruïsme.
[125] A. Tille, de schrijver van "Von Darwin bis Nietzsche"
(Leipzig 1895), ziet in Nietzsche den eersten moralist, die uit de
evolutionistische theorie en uit de leer van de natuurlijke uitkiezing
practische gevolgtrekkingen heeft gemaakt voor den gedragslijn van
het leven. Darwin beschouwde de leer, die naar hem genoemd werd,
vereenigbaar met "de humanitaire en democratische christelijke ethica"
en Tille nu toont aan hoe die opvatting door eene serie Engelsche
en Duitsche denkers afgebroken werd en hoe eindelijk het "ja" van
Darwin een beslist "neen" werd bij Nietzsche. Aan Nietzsche komt
volgens Tille de eer toe de algemeene grondslagen voor de moderne
wetenschappelijke moraal te hebben gelegd en het is verder aan de
specialisten om de practische toepassing van zijn grondstellingen op
alle takken der moreele wetenschap te bestudeeren.
[126] R. Steiner is de schrijver van "Wahrheit und Wissenschaft" en van
"Die Philosophie der Freiheit" (Weimar 1894) en in laatstgenoemd werk
vult hij Nietzsche's theorie op een belangrijk punt aan. Nietzsche
n.l. die den mensch vrij naar zijne instincten wil doen handelen,
zet alle menschelijke instincten op eene lijn, zoowel die, welke
zijn materieele leven als die, welke zijn geestelijk leven leiden;
daardoor kan men hem tegenwerpen dat zijn "Uebermensch" niet vrij is,
maar daarentegen de slaaf van zijne instincten, want het kan voorkomen
dat zijn lagere instincten de hoogere de baas zijn. Steiner nu voorkomt
die tegenwerping door te leeren dat de mensch, wil hij waarlijk vrij
zijn, niet alleen geheel gezonde natuurlijke instincten moet hebben,
maar tevens, wat hij noemt een "moreele verbeeldingskracht," die hem
in staat stelt voor zichzelf redenen tot handelen te scheppen.
[127] Het spreekt van zelf dat de theorie van het "Eeuwig Wederkeeren"
lang vóór de 19de eeuw bestaan heeft en om haren oorsprong te vinden
zou men terug moeten gaan tot de wijsbegeerte van de oude Grieken. Bij
de aangehaalde voorbeelden wil ik nog een merkwaardige getuigenis uit
de 19de eeuw meedeelen, een schets van de geheele theorie voorkomende
in hoofdstuk XX van Heine's "Reis van München naar Genua." Weet dan,
dat de tijd oneindig is, maar dat de dingen in den tijd eindig zijn;
zij kunnen zich oplossen in oneindig kleine deelen, maar die deeltjes,
die atomen zijn eindig in getal evenals de vormen, die God met die
deeltjes scheppen kan, zoodat volgens de eeuwige combinatiewetten
van dat eeuwig weer beginnen, alle vormen, die reeds op aarde zijn
voorgekomen, op nieuw zullen verschijnen en elkander weer zullen
ontmoeten, aantrekken, afstooten, omhelzen en weer verliezen, telkens
weer als vroeger...." Hierin mag men echter niet de bron zoeken
voor Nietzsche's theorie want in de oude uitgaven van Heine komt die
passage niet voor en Nietzsche heeft haar dus niet gekend. Men heeft
hier weer te doen met een "ontmoeting" evenals tusschen Nietzsche,
Blanqui en Le Bon.