SLASCHOTELS.

Het smakelijk aanrechten van slaschotels is voor een meer algemeene

toepassing van het vegetarisme van het grootste gewicht. Hoe meer het

eten van noten, vruchten en ongekookte kruiden en wortels toeneemt,

des te meer zal het eten van vleeschspijzen, het misbruik van

schadelijke prikkels als specerijen, azijn en zout en het drinken

van alcoholische dranken afnemen. Maar dan moet men ook aan het

aanrechten der slaschotels de noodige zorg besteden en met beleid

te werk gaan. Men moet de aanwending van azijn vermijden, dien men

door natuurlijk citroensap vervangt; toevoeging van zout zal men

langzamerhand verminderen. Maar door toevoeging van prei of kervel,

door peterselie of ander toekruid kan men den smaak van den gebruiker,

die zijn scherpe ingrediënten in den sla mist, met goed gevolg,

bevredigen. [1]

A. Eenvoudige slaschotels.

R. 427. Aardappelsla. Koude aardappelen worden aan schijfjes gesneden

en begoten met een mayonnaise (zie R. 137 en 138) of met olie en

citroensap aangemaakt als in de noot op bladz. 136 is aangegeven. Men

voegt er wat fijngehakte peterselie aan toe.

R. 428. Andijviesla. Na zeer malsche andijvie goed gezuiverd te

hebben, snijdt men ze fijn en wascht ze. Dan wordt ze begoten met een

mayonnaise (zie R. 137 of 138) of met olie en citroensap aangemaakt

als in de noot op bladz. 136 is aangegeven. Het verdient aanbeveling

een paar fijngemaakte heete aardappelen aan de sla toe te voegen.

R. 429. Bladselderijsla. Men snijdt bleekselderij heel fijn, wascht

ze zorgvuldig en laat ze dan op een vergiet goed uitlekken. Voeg er

dan een paar fijngemaakte heete aardappelen bij en maak ze aan met

slaolie, citroensap en een weinig soja. Nadat de sla goed vermengd is,

laat men ze nog een uur staan, voordat men ze opdient.

R. 430. Heerenboonen-, Princessenboonen-, Slaboonen-,

Spergeboonensla. Gekookte heeren-, princessen-, sla- of spergeboonen

worden vermengd met een uitje en wat kervel, beide fijngehakt, wat soja

en zout naar smaak en een paar fijngemaakte heete aardappelen. Daarna

laat men ze nog een half uurtje staan en begiet ze dan met een

mayonnaise (zie R. 137 of 138) of maakt ze aan met olie en citroensap

als in de noot op bladz. 136 is aangegeven.

R. 431. Koolsla. Men neemt de binnenste gele bladeren van savoyekool,

snijdt ze zeer fijn en wascht ze. Het hart der kool wordt op de

komkommerschaaf zeer fijn gesneden. Men maakt deze sla aan met olie

en citroensap, roert er een paar fijngemaakte heete aardappelen en

een weinig zout door en laat ze na het aanrechten nog ongeveer een

half uur staan, voordat men ze opdient.

R. 432. Komkommersla. Rijpe komkommers worden, nadat er de

uiteinden zijn afgesneden, wanneer die bitter worden bevonden, met

een komkommerschaaf aan dunne schijfjes gesneden of ook wel met een

sambalmesje aan dunne reepen, daarna met olie en citroensap aangemaakt

(zie noot op blz. 136) of met een mayonnaise opgediend volgens R. 137

of 138, des verkiezende met wat fijngehakte peterselie.

N.B. Nog algemeen gebruikelijk is het aanmaken der komkommersla met

_zout_ en _azijn_ en toch alleen aan deze prikkelende bijmengsels is

het te wijten, dat de komkommers den naam hebben gekregen moeilijk

verteerbaar te zijn. Zonder _zout_ en _azijn_ zijn ze dat niet,

indien ze goed gekauwd worden.

R. 433. Knolselderijsla. Men kookt knolselderij als in R. 196 is

voorgeschreven met zoo weinig mogelijk water. Zoodra ze gaar is

of zoo goed als gaar, neemt men ze af, snijdt ze in schijfjes, als

ze koud zijn en recht ze aan met olie en citroen als in de noot op

blz. 136 is voorgeschreven. Desverkiezende kan men ze met schijfjes

van aardappelen vermengen.

R. 434. Kropsla. Na de sla van de buitenste en van de stugge bladeren

ontdaan en de malsche bladeren wat geplukt te hebben, wascht men ze

herhaaldelijk en slaat ze dan uit in een slaëmmer of slamandje. Men

maakt ze aan als in de noot op blz. 136 is voorgeschreven of dient

ze op met een mayonnaise (R. 137 of 138).

R. 435. Kroten- (bieten-) sla. Na de bieten te hebben bereid volgens

R. 198 snijdt men ze aan dunne schijfjes, mengt er wat fijngehakte

peterselie door en maakt de sla aan met slaolie, citroensap en een

weinig soja.

R. 436. Molsla. Als men de molsla schoongemaakt en gewasschen heeft,

wordt ze verder behandeld als de kropsla. Zie R. 434.

R. 437. Roode-koolsla. Men verwijdert de buitenste en stugge bladeren

van de roode kool. De malsche bladeren worden zeer fijn gesneden,

met een paar fijngemaakte heete aardappelen vermengd en met olie en

citroensap aangemaakt: zie de noot op bladz. 136. Na het aanmaken

laat men ze nog een uur staan, voordat men ze opdient.

R. 438. Spinaziesla. Men neemt zeer jonge, malsche spinazieblaadjes,

die men goed uitzoekt, herhaaldelijk wascht en waarmee men verder

handelt als in R. 434 voor kropsla is aangegeven.

R. 439. Veldsla. De punten en stelen snijdt men af, wascht ze goed

en handele verder als bij R. 434 voor kropsla is voorgeschreven.

R. 440. Witlofsla. (Sla van Brusselsch lof). Na het lof zorgvuldig

te hebben gewasschen, snijdt men het heel fijn en handelt daarna als

in R. 429 voor bladselderij is voorgeschreven.

B. Gemengde slaschotels.

Vele dezer schotels leenen zich voor versiering bij feestelijke

gelegenheden. Hier kan best samengaan de bekoring van het gezicht

met smakelijkheid en de bevordering der gezondheid. Maar men verlieze

niet uit het oog, dat goede spijsvertering hoofdzaak is en versiering

slechts bijzaak, en dat groote bewerkelijkheid slechts nu en dan bij

feestelijke gelegenheden te pas kan worden gebracht.

R. 441. Andijviesla met bieten. Andijvie snijdt men heel fijn, wascht

ze goed en laat ze uitlekken. Vervolgens neemt men gekookte bieten

(Zie R. 198) en snijdt ze aan dunne schijven. Men maakt ze aan naar

smaak met slaolie, citroensap en een weinig zout, mengt er dan wat

fijngemaakte pas gekookte aardappelen door en laat ze nog een vol

uur op een koele plaats staan voordat men ze opdient.

R. 442. Appelsla I. Men hakt drie groote appels niet te fijn, eveneens

pinda's (aardnoten). De hoeveelheid pinda's mag niet grooter zijn dan

de helft van de gehakte appels. Men mengt de gehakte appels en de

gehakte aardnoten goed dooreen, roert er dobbelsteentjes oudbakken

wittebrood door, giet er een passende vruchtensaus over (Hoofdstuk

V. Afd. C.) en laat de sla een uur staan, voor men ze opdient.

R. 443. Appelsla II. Men neemt appels van gelijke grootte, steekt met

de appelboor door den appel, totdat men haast de schil van onderen

raakt, holt dan zoover mogelijk den appel uit, vermengt het vleesch,

dat men uit den appel heeft gehaald na verwijdering van het klokhuis,

met bleekselderij en hakt dat samen fijn. Men doet er vervolgens

een paar lepels mayonnaise door, vult er de appels mee, zoodat het

mengsel hoog boven de appels uitkomt. De appels worden daarna op een

bed van waterkers geplaatst en opgediend.

R. 444. Australische sla. Gelijke hoeveelheden appelen en tomaten

met een paar uien worden schoongemaakt en aan stukjes gesneden. Alles

wordt goed door elkaar vermengd, zonder toevoeging van eenige saus. Men

laat den schotel minstens drie uur lang op eene koele plaats staan,

voor men hem opdient.

R. 445. Bladselderijsla (gemengde). Men neemt voor deze sla mooie,

gele bleekselderij, snijdt ze goed fijn en wascht ze dan, waarna

men ze laat uitlekken. Mooie rijpe tomaten worden even in kokend

water gedompeld en dan van de schil ontdaan, daarna aan schijven

gesneden en bij de selderij gevoegd. Pas gekookte aardappelen worden

fijngemaakt en eveneens bij de sla gevoegd, evenzoo een paar hard

gekookte eieren. Alles wordt nu dooreengeroerd, naar smaak met slaolie,

citroensap, een weinig soja en een weinig zout aangemaakt. Daarna laat

men de sla vóór het opdienen nog een uur op een koele plaats staan.

R. 446. Boschbessenschotel met beschuit. Men rangschikt in een vrij

diepen schotel beschuiten en stort er de volgens R. 114 bereide

boschbessensaus over, waarna men den schotel koud laat worden. Men

kan het gerecht opdienen met geslagen room of met vanillevla volgens

R. 158.

R. 447. Boschbessenschotel met brood. Men legt een laag geroosterd

brood in een diepen schotel, daarover een laag goed gereinigde en

gewasschen boschbessen, beurtelings voortgaande totdat men genoeg

heeft voor het gebruik. Men besproeit den schotel rijkelijk met de

citroensaus bereid volgens R. 146, die voor dezen schotel rijkelijk

zoet moet wezen. Men laat den schotel minstens twee uur staan,

voordat hij opgediend wordt.

R. 448. Boschbessenschotel met melk. Goed gereinigde en gewasschen

boschbessen laat men op een vergiet uitdruipen, doet ze daarna in

een diepen schotel en overgiet ze met koude melk, waarin donkerbruine

suiker naar smaak is opgelost. Vóór het opdienen stelt men den schotel

minstens een uur op een koele plaats. Er mag niet te veel melk op

zijn. Desverkiezende voegt men vóór het opdienen er beschuit aan toe.

R. 449. Hovenierstersla. Na komkommers, aardappelen, appelen, tomaten,

bloemkool, peultjes of princessenboontjes enz. naar den aard der

spijzen en naar eigen smaak rauw of gekookt te hebben toebereid,

rangschikt men ze elk afzonderlijk op een ronden schotel in driehoeken,

die met de toppunten in het middelpunt van den schotel samenkomen. De

schotel wordt rondom gegarneerd met rauwe kropsla en met hardgekookte

eieren overlangs in vierdeparten gesneden. Hier en daar plaatst men

balletjes schijngehakt. (Zie R. 91).

R. 450. Italiaansche sla. Men neemt zooveel soorten van groente als het

jaar oplevert, naar hun aard rauw of gekookt, bijv. rauwe andijvie,

gekookte doperwtjes, rauwe jonge worteltjes en gekookte kroten,

rauwe komkommerschijfjes en gekookte slaboontjes. Van de doperwten,

de dunne schijfjes der jonge wortelen, dobbelsteentjes van kroten,

de dunne schijfjes of reepjes der komkommers enz. bezigt men een deel

voor garneering in vakken, waartoe men ook harde eieren gebruikt,

overlangs in vierdeparten gesneden. Het overige van de groenten

(doperwtjes uitgezonderd) en eenige harde eieren hakt men met eenige

rauwe eieren fijn, voegt er de doperwtjes bij, roert door het mengsel

een mayonnaise en vult er de vakken van den schotel mede.

R. 451. Kokosnoot met geslagen room. Na kokosnoot te hebben behandeld

als is voorgeschreven in R. 329 doet men ze, nadat ze is geraspt,

in een glazen schaal en roert er een genoegzame hoeveelheid geslagen

room door, waarin men wat poedersuiker heeft gedaan. Men kan de schaal

garneeren met aan stukjes gesneden geconfijte vruchten.

R. 452. Komkommersla (gemengde). Rijpe tomaten worden even in

kokend water gedompeld, dan van de schil ontdaan en vervolgens

aan schijfjes gesneden en gevoegd bij een schotel komkommersla,

behandeld volgens R. 432. Men vermengt de komkommers met de tomaten,

roert er zeer fijngehakte rauwe uitjes, wat gehakte peterselie en

wat aan dobbelsteentjes gesneden oudbakken wittebrood door en maakt

de sla aan met slaolie, citroensap, een weinig soja en een weinig

zout. Terwille van de tomaten roert men voorzichtig.

R. 453. Koolsla (gemengde) I. Men neemt roode kool, witte en

savoyekool, waarvan men alleen de malsche bladeren gebruikt,

men snijdt ze fijn, elke soort afzonderlijk. Daarna plaatst men

de verschillende soorten zoo op den schotel, dat zij een aangenaam

gezicht opleveren. Men kan de kool aanmaken met olie en citroennat,

maar dan een langen tijd laten staan (opdat de olie en het citroensap

er goed intrekke) of met een warme botersaus met citroen.

R. 454. Koolsla (gemengde) II. Men ontdoet groene savoyekool van de

buitenste bladeren, snijdt ze heel fijn, wascht ze dan goed en laat

ze uitlekken. Men voegt er dan pas gekookte aardappelen aan toe,

aan schijven gesneden, met wat gebakken uien. Men maakt deze sla aan

naar smaak met slaolie, citroensap, een weinig soja en een weinig

zout. Daarna laat men ze nog een uur staan op een koele plaats vóór

het opdienen.

R. 455. Kroten- (bieten-) sla (gemengde). Bij kroten- of bietensla,

bereid volgens R. 435, voegt men nog wat geplukte blaadjes kropsla

en een aantal koude aardappelen aan schijfjes gesneden voordat men

ze aanmaakt als in R. 435 is voorgeschreven. Men laat de sla na het

aanmaken nog een half uur staan, voor dat men ze opdient.

R. 456. Parijsche sla. Men maakt een mayonnaise volgens R. 137 of

138, doet daarin aan stukjes gesneden tomaten (versch of ingemaakt),

fijngesneden kropsla, warme gekookte aardappelen, in schijfjes

gesneden, een weinig fijngehakte peterselie, een fijn gesneden ui,

een klein weinig zout en mengt dan alles dooreen. Men versiert den

schotel met schijfjes van tomaten en met een krans van peterselie.

R. 457. Perzikensla. Men ontdoet groote rijpe perziken van de schil,

snijdt van het bovenste deel een stuk, groot genoeg om er de pit uit

te kunnen halen; vult ze op met room.

R. 458. Tomatensla I. Na de tomaten te hebben gewasschen snijdt men ze

in dunne schijven. Men bedekt ze met een mayonnaise, laat ze anderhalf

uur zoo staan. Men maakt kropsla schoon, wascht en slaat ze uit zooals

in R. 434 is voorgeschreven en vermengt ze dan met de tomaten.

R. 459. Tomatensla II. Men ontdoet rijpe tomaten van de schil, holt

ze uit, zet ze een uur lang op een koele plaats (in koelen kelder

of ijskast), vult ze daarna met een mengsel van fijngehakte noten

en niet te fijn gehakte bleekselderij. Men zet elke tomaat op een

afzonderlijk slablad en vult den schotel ter versiering aan met de

gele binnenblaadjes der kropsla. Op elke tomaat doet men een theelepel

slasaus (R. 140).

R. 460. Tulpsla. Men neemt kleine gladde tomaten. In elke tomaat maakt

men 6 insnijdingen van boven af tot dicht aan den steel, zoodat de

tomaten in zes gelijke deelen worden verdeeld, die van onderen aan de

steel verbonden zijn. Van elk der deelen snijdt men het bovenstuk in de

schuinte door, zoodat de tomaat zich als een tulp opent. Op een schotel

maakt men een bed van slabladeren. Waar een tomaattulp zal geplaatst

worden, legt men twee lepels geslagen room met citroensap. Men garneere

verder den schotel met plakjes komkommer als driehoekjes gesneden.

R. 461. Vruchtensla I. Rijpe tomaten worden geschild, met een scherp

mes in zeer dunne schijven gesneden, en met citroensap bedruppeld

(niet begoten). Daarna vermengt men de tomatenschijven met dunne

schijven van appelen of peren. De appelen of peren moeten in kleinere

hoeveelheid genomen worden dan de tomaten.

R. 462. Vruchtensla II. Men schilt zeer zachte appelen, snijdt

ze in dunne schijfjes en vermengt ze met dunne schijfjes van

sina'sappelen. Men voegt er suiker bij en een weinig water en laat

ze daarna nog 3 à 4 uur staan, eer men ze opdient.

R. 463. Vruchtensla III. Men bereidt mooie doffe kastanjes volgens

R. 302, maar laat ze na te zijn gedopt en gepeld met een weinig water

en een kluitje boter _bijna_ gaar koken. Een paar mooie rijpe tomaten

worden even in kokend water gedompeld, van de schil ontdaan en aan

schijven gesneden. Een aantal rijpe zure appelen worden eveneens aan

schijven gesneden. Als de kastanjes koud zijn, worden ze met de appelen

en tomaten vermengd onder toevoeging van de citroensaus, bereid volgens

R. 146. Men laat den schotel nog een uur staan vóór het opdienen.

R. 464. Zwitsersche Sla. Men raspt een weinig Gruyèrekaas, mengt de

geraspte kaas met mayonnaise (R. 137 of R. 138) en blijft 10 minuten

roeren. Daarna moet men de kropsla, behandeld volgens R. 434, er

goed doorroeren.

De Vegetarische Keuken Kookboek van den Nederlandschen Vegetariërsbond · 第 39 / 71 题