PANSPIJZEN.

R. 407. Panbloemkool. Versch gekookte of overgebleven bloemkool (mits

zonder melksaus bereid) maakt men fijn, en vermengt ze met fijngemaakte

aardappelen, liefst in het nat der bloemkool gekookt, waarbij men wat

boter voegt; men stort het mengsel in een vuurvasten schotel. Nadat

men er gestampte beschuit over heeft gestrooid, laat men het in een

flink heeten oven staan, totdat zich een mooie korst gevormd heeft.

R. 408. Panboonen. Aardappelen, gekookt volgens R. 171 en

bruineboonenpuree, gekookt volgens R. 308 worden door elkaar

gestampt. Men zout het gerecht naar smaak en mengt er wat bruin

gebakken boter door, doet het in een vuurvasten schotel, bestrooit het

met fijngestampte beschuit, plaatst er hier en daar een klein kluitje

boter op en laat het in een vrij warmen oven staan, totdat het mooi

bruin ziet, zorgdragende, dat het niet te droog in den oven komt.

Het nat van de boonen kan men bewaren om er soep van te koken.

R. 409. Panbrood met appelen. Van oudbakken wittebrood snijdt men

de bruine korst af, snijdt het daarna in sneedjes, die ieder mager

met boter worden besmeerd. Van die sneedjes legt men een laag in een

vuurvasten schotel. Op deze laag spreidt men een dikke laag appelmoes,

bereid volgens R. 272. Men maakt een aantal lagen naar verkiezing

beurtelings brood en appelmoes, in aanmerking nemende, dat de bovenste

laag brood moet zijn. Daarover strooit men fijngestampte beschuit,

die men drenkt met gesmolten boter. Het gerecht laat men in een goed

verwarmden oven, tot het lichtbruin ziet.

R. 410. Panbrood met appelmoes I. Bruin brood wordt fijngekruimd en met

een beetje boter in den oven of op een zacht vuur langzaam geroost,

tot het mooi lichtbruin ziet. Hiervan legt men in een vuurvasten

schotel een laagje en daarop een laag appelmoes, dan een laagje brood

enz. Naar verkiezing kan men er gesnipperde zoete amandelen bijvoegen;

men zorgt dat het bovenste laagje uit gekruimd brood bestaat met wat

gesmolten boter besproeid. Het schoteltje moet ongeveer 3 kwartier

in den oven staan, die niet te heet mag zijn.

R. 411. Panbrood met appelmoes II. Men legt in een vuurvasten schotel,

met wat boter bestreken, een laagje wittebrood aan sneedjes, met water

eenigszins vochtig gemaakt, daarover een laag appelmoes, daarop een

laagje gekookte krenten en zoo beurtelings. De bovenste laag moet

weer wittebrood zijn. Daarover een weinig gesmolten boter. Men laat

het in den oven staan, totdat zich een mooie korst gevormd heeft.

R. 412. Panbrood met champignons. Men reinigt champignons zooals

in R. 192 is voorgeschreven. Na het uitlekken fruit men ze met een

weinig knoflook en peterselie in wat boter. Vervolgens legt men een

laag geroosterde sneedjes brood in een vuurvasten schotel en daarop

de gefruite champignons. Op de champignons legt men een aantal niet

te hard gekookte eieren in vierdeparten gesneden. Dan drenkt men den

inhoud van den schotel met een pikante saus. (Zie R. 125). Men kan

op dezelfde wijze voortgaan, maar men zorge, dat de bovenste laag

uit geroosterd brood bestaat. Ook deze wordt dan met pikante saus

begoten. Men bestrooit het geheel dan met fijngestampte beschuit,

plaatst hier en daar een kluitje boter en laat het gerecht in een

goed verwarmden oven licht bruin worden.

R. 413. Panbrood met tomaten. Van oudbakken brood worden de korsten

afgesneden. Daarna snijdt men het brood in sneedjes. Mooie rijpe

tomaten worden even in kokend water gedompeld en van de schil ontdaan,

daarna in dikke schijven gesneden. Men legt nu eerst een laag sneedjes

brood en daarover een laag schijven tomaten. Men strooit er een

weinig zout over en besprenkelt ze met gesmolten boter, waardoor een

weinig soja is geroerd. Men kan verschillende lagen in den schotel

leggen, als men zorgt dat de bovenste laag brood met wat boter is

besproeid. Men laat het gerecht een uur in een matig verhitten oven

en zorge, dat de bovenkorst mooi bruin ziet.

R. 414. Panbrood met zuring. Na de zuring te hebben behandeld als

in R. 234 of als in R. 235 is voorgeschreven, neemt men oudbakken

wittebrood, waarvan men eerst de bruine bovenkorst afsnijdt en het

daarna aan kleine sneedjes snijdt. Men legt in een diepen vuurvasten

schotel of braadslee een laag sneedjes brood, die mager met boter

besmeerd zijn, daarna een laag zuring en zoo beurtelings, zooveel men

meent noodig te hebben. Over de bovenste laag strooit men beschuitkruim

en plaatst hier en daar een klein kluitje boter. Men plaatst het

gerecht in een flink verhitten oven, waarin het een uur moet blijven.

R. 415. Pangierst. In een met boter bestreken vuurvasten schotel

doet men 250 gr. gebroeide gierst, 1/4 liter melk, een kluitje boter

ter grootte van een okkernoot, strooit er fijngestampte beschuit

over, plaatst hier en daar een kluitje boter en zet het in een goed

gestookten oven, totdat er zich een lichtbruine korst op gevormd heeft.

R. 416. Pangroenten met aardappelpuree. Na een aardappelpuree te

hebben gemaakt volgens R. 172, maar in plaats van melk met heet

water en een kluitje boter, hakt men overgebleven groenten fijn. Die

groenten mogen niet met melk bereid zijn. Men roert boter en citroensap

naar smaak door de fijngehakte groenten, die men uitspreidt over een

laag aardappelpuree in een vuurvasten schotel en die men weer met een

laag aardappelpuree dekt. Men strooit er fijngestampte beschuit over,

plaatst hier en daar een kluitje boter en laat den schotel in den oven,

totdat zich een mooie korst gevormd heeft.

R. 417. Pankool. Men kookt kool (savoye- (R. 245), groene savoye-

(R. 246), of roode (R. 242) kool) en aardappelen volgens R. 171. Men

neemt bij het stampen gelijke deelen van het nat der kool en van het

nat der aardappelen. Er moet meer nat bij dan bij gewone stamppot. Als

het goed door elkander is gemengd, doet men alles in een vuurvasten

schotel. Na er nog wat boter te hebben doorgeroerd en zout naar

smaak, dekt men het met een goed vochtig laagje van achtergehouden

fijngemaakte aardappelen, waarover men fijngestampte beschuit strooit

met hier en daar een kluitje boter. Men laat het in den oven staan,

totdat zich een bruine korst gevormd heeft.

R. 418. Pankroten, Panbieten. Men kookt kroten volgens R. 198 en

maakt een aardappelpuree volgens R. 172. Men hakt de kroten fijn

en mengt ze met bruine botersaus (R. 123), soja en citroensap door

de aardappelpuree. Van de aardappelpuree houdt men wat afzonderlijk

voor een laagje bovenop. Men bestrooit het laagje met fijngestampte

beschuit, plaatst hier en daar een kluitje boter, zet den vuurvasten

schotel met de pankroten in den oven en laat hem staan, totdat zich

een mooie korst gevormd heeft.

R. 419. Panmacaroni I. Men vermengt met overgebleven of volgens R. 384

bereide macaroni 3 eierdooiers en 60 gram geraspte Parmesaansche

of jonge zoetemelksche kaas. Van 125 gram boter gebruikt men een

gedeelte om een vuurvasten schotel te besmeren; het overige doet

men in de macaroni. Het wit der 3 eieren, tot schuim geklopt, mengt

men er vervolgens door. Men stort alles in den schotel, strooit er

fijngestampte beschuit over, legt hier en daar een kluitje boter en

laat ze in een goed gestookten oven staan, tot er zich een mooie gele

korst gevormd heeft.

R. 420. Panmacaroni II. Men kookt macaroni volgens R. 384 en maakt

daarna aardappelen volgens R. 170 of 171 bereid onder toevoeging van

wat boter en heet water tot een puree. Vervolgens legt men laagsgewijze

een laag macaroni en een laag aardappelpuree in een vuurvasten schotel,

waarbij men zorgt, dat er een aardappellaag boven komt; die bestrooit

men met kruim van beschuit met hier en daar een kluitje boter er

op. Men zet den schotel in een matig gestookten oven. Als de korst

mooi bruin is, kan men het gerecht opdisschen.

R. 421. Panmacaroni met kastanjes en tomaten. Men bereidt macaroni

volgens R. 384, kastanjes volgens R. 302 en tomaten volgens R. 298. In

een vuurvasten schotel spreidt men een laag van de macaroni, vervolgens

een laag van de kastanjes en dan een laag tomaten. Men kan deze

opvolging herhalen, wat natuurlijk afhangt van de bereide hoeveelheid

en van de grootte van den schotel, met dien verstande evenwel dat de

bovenste laag even als de onderste uit macaroni moet bestaan.

De bovenste laag bedekt men met fijngestampte beschuit, plaatst hier

en daar een kluitje boter, waarna men het gerecht in den oven zet. Is

de korst mooi bruin dan neemt men het er uit.

R. 422. Panpuree van aardappelen I. Een liter overgebleven of

opzettelijk gekookte aardappelen worden fijngemaakt en met melk tot een

stijve brij vermengd, in een met boter besmeerden schotel gedaan. Men

voegt er boter en zout naar smaak bij, strooit er fijngestampte

beschuit over met hier en daar een kluitje boter er op, zet dan den

schotel in een matig gestookten oven, waarin de puree blijft, totdat

zich een mooie korst gevormd heeft.

R. 423. Panpuree van aardappelen II. In plaats van melk (Zie R. 422)

neemt men kokend water met fijngehakte peterselie en uien. Zijn

de aardappelen pas gekookt, dan gebruikt men het water, waarin ze

gekookt zijn, om er den brijvorm aan te geven. Verder handele men

als in R. 422 is voorgeschreven.

R. 424. Panrijst met zuring. Na de zuring bereid te hebben volgens

R. 234 of R. 235 legt men een laag rijst, die volgens R. 332 is

klaargemaakt in een diepen vuurvasten schotel (of braadslee) na dien

eerst met boter te hebben besmeerd. Op de laag rijst, spreidt men

een laag zuring, en zoo vervolgens om de ander. Over de bovenste

laag strooit men beschuitkruim en plaatst hier en daar een kluitje

boter. Het gerecht wordt in een flink verhitten oven geplaatst,

waarin het een uur moet verblijven.

R. 425. Pantomaten. Rijpe tomaten worden gewasschen en met weinig water

opgezet. Nadat ze even gekookt hebben, ontdoet men ze van de schil en

voegt ze bij versch gekookte aardappelen (Zie R. 171) nadat deze zijn

afgegoten. Men stampt de aardappelen en tomaten door elkander, onder

toevoeging van boter en zout naar smaak en wat gebakken uitjes. Men

doet het gerecht vervolgens in een vuurvasten schotel of braadslee,

bestrooit het met fijngestampte beschuit, zet hier en daar een kluitje

boter en laat het gerecht in een matig verhitten oven staan, tot zich

een mooi bruine korst heeft gevormd.

R. 426. Panuien. Men maakt uien schoon, snijdt ze en fruit

ze in boter. Aardappelen worden fijngemaakt en met de uien

dooreengemengd. Boter naar smaak. Men doet alles in een vuurvasten

schotel, strooit er beschuitkruimels over, plaatst hier en daar een

kluitje boter en laat den schotel in een matig verhitten oven staan,

tot zich een mooie korst gevormd heeft.

De Vegetarische Keuken Kookboek van den Nederlandschen Vegetariërsbond · 第 37 / 71 题