VOORGERECHTEN.

De recepten in dit hoofdstuk zijn uitnemend geschikt bij den

overgang tot het vegetarisme, zoolang men zijn vleesch nog niet

vergeten is en den prikkel van de vleeschjus mist. Voor hen, die

aan de zenuwprikkelende vleeschgerechten gewoon waren geraakt, is

het ongetwijfeld een groote stap voorwaarts als de entrées, de hors

d'oeuvre's enz. van vleesch en visch hun plaats hebben afgestaan aan

gerechten uit eieren of uit graan- en peulvruchten bereid.

R. 70. Aardappelcroquetten. Overgebleven of opzettelijk voor het doel

gekookte aardappelen worden door een grove zeef fijngewreven of met

een groentemolen gemalen. Men vermengt de aardappelen met wat melk, een

kluitje boter, een paar rauwe eieren, wat gefruite fijn gehakte uien,

wat gehakte peterselie en zout naar smaak. Heeft men een stevig deeg,

dan steekt men er brokken uit, die men langwerpig rond rolt. Men doopt

de croquetten eerst in eiwit en daarna in paneermeel of fijngestampte

beschuit en bakt ze daarna als oliebollen in kokend plantenvet.

R. 71. Aardappelgebraad. Warme gekookte aardappelen worden

fijngemaakt. Men hakt wat rauwe uien, peterselie en kervel met

wat gekookte linzen goed fijn. Vervolgens mengt men alles goed

dooreen onder toevoeging van wat melk, een flink kluitje boter, een

paar rauwe eieren en wat soja en zout naar smaak. Van dit mengsel

maakt men balletjes, die men door eiwit haalt, dan in gestampte

beschuit wentelt en vervolgens met een breed mes wat plat drukt,

waarna men met een mes of vork er figuurtjes op maakt. Men bakt ze

in een koekepan lichtbruin. Men garneert den schotel met wat sla,

doperwtjes, worteltjes en takjes peterselie, besproeit ze ze met een

bruine botersaus (R. 123 of 124) en dient ze op.

R. 72. Boonencroquetten. Overgebleven of opzettelijk gekookte (bruine,

witte of welke andere soort van) boonen vermengd met een paar rauwe

eieren, in boter lichtbruin gefruite fijngesneden uien en met zooveel

geraspt brood, beschuitkruim of fijngemaakte aardappelen, dat men

een stevig deeg verkrijgt. Zout naar smaak. Verder handelt men als

bij de aardappelcroquetten (R. 70) is voorgeschreven.

R. 73. Bruine-boonencroquetten. (Zie R. 72).

R. 74. Capucijnercroquetten. Met overgebleven of opzettelijk gekookte

capucijners handelt men als met boonencroquetten. (Zie 72). Van grauwe

erwten kan men op dezelfde wijze grauwe-erwtencroquetten maken.

R. 75. Champignoncroquetten. Men neemt droog gekookte rijst, behandeld

volgens R. 331 of 332 en mengt ze met een kluitje boter en de ragoût

volgens R. 76 bereid (maar niet gebonden) goed dooreen. Men voegt er

zout naar smaak bij en handelt verder als bij R. 70 is voorgeschreven.

R. 76. Champignonragoût met pommes frites. Gave champignons worden

goed gewasschen, in stukken gesneden en weer gewasschen, zoodat alle

zand er uit is. Als men ze opzet, moet het water met de champignons

gelijk staan. Men doet er soja naar smaak bij en een paar tomaten en

brengt ze zachtjes aan de kook. Heeft men geen tomaten bij de hand dan

een paar fijngesneden uitjes, in boter gefruit, en het geel van een

citroenschil fijn geraspt, zoo dat het wit niet geraakt wordt. Zijn de

champignons gaar, wat na ongeveer anderhalf uur het geval zal zijn, dan

voegt men er fijngehakte peterselie bij en laat het nog enkele minuten

doorkoken, waarna men de ragoût bindt met bloem in boter lichtgeel

gefruit. Zout naar smaak. Zie voor de pommes frites R. 175 en 176.

R. 77. Eierbroodjes. Men snijdt van geraspte broodjes het bovenste

deel af, holt het overblijvende deel voorzichtig uit, besmeert ze van

binnen met wat boter. Daarna vult men ze met een mengsel van rauwe

en gekookte eieren, wat room en geraspte Parmesaansche kaas en een

weinig zout. Men zet er vervolgens de dekseltjes weer op, besmeert ook

de buitenzijde met wat gesmolten boter en zet ze daarna in den oven.

R. 78. Eierragoût met pommes frites. Harde eieren worden gepeld en in

vierde parten gedeeld. Fijngesneden uitjes worden gefruit en in kokend

water met wat fijngehakte peterselie en wat fijngemalen amandelen

gaargekookt daarna gebonden met bloem in boter lichtbruin gefruit,

waarna er de eieren bij gedaan worden. Soja en zout naar smaak. Zie

voor de pommes frites R. 175 en 176.

R. 79. Ei-, Kievits-, Piethein- of Spikkelboonencroquetten. Met

overgebleven of opzettelijk gekookte boonen van deze soort handelt

men als bij boonencroquetten is voorgeschreven. (Zie R. 72).

R. 80. Erwtencroquetten. Met overgebleven of opzettelijk

gekookte groene erwten handelt men als bij boonencroquetten is

voorgeschreven. (Zie R. 72).

R. 81. Flageolet-boonencroquetten. Met overgebleven of opzettelijk

gekookte flageoletboonen handelt men als bij boonencroquetten is

voorgeschreven. (Zie R. 72).

R. 82. Gele-erwtencroquetten. Met overgebleven of opzettelijk

gekookte gele erwten handelt men als bij boonencroquetten is

voorgeschreven. (Zie R. 72).

R. 83. Gevulde broodjes. Men handelt met geraspte broodjes als voor

eierbroodjes in R. 77 is voorgeschreven, maar in plaats van met het

daar beschreven vulsel vult men ze met de champignonragoût van R. 76,

of met de eierragoût van R. 78 of met het schijngehakt van R. 91 of

wel met de uienragoût van R. 94.

R. 84. Groentegebraad. Verschillende soorten van groenten worden

schoongemaakt, goed fijngehakt en daarna nogmaals gewasschen. Men

laat ze daarna goed uitlekken en vervolgens fruit men ze met boter of

met olie. Versch gekookte aardappelen worden fijngestampt of met een

groentemolen gemalen en daarna met de gefruite groenten vermengd. Men

voegt er nog een paar rauwe eieren, wat gebakken uien, wat boter,

een weinig soja en zout naar smaak aan toe. Vervolgens mengt men

alles goed dooreen, vormt er balletjes van, die men door eiwit haalt

en daarna door fijngestampte beschuit wentelt. Men drukt de balletjes

met een breed mes wat plat, maak er figuurtjes op en bakt ze in ruim

olie of plantenvet. Men kan den schotel garneeren met blaadjes sla,

schijfjes tomaten, halve of vierdedeelen van harde eieren en takjes

peterselie. Bij het opdienen van het gebraad giet men er bruingebakken

boter over.

R. 85. Kastanjebroodjes. Na kastanjes te hebben behandeld als in

R. 302 of 303 is voorgeschreven, laat men ze met wat boter tot een

dikke brij stoven. Die brij vermengt men met een geklutst ei. Mocht ze

dan nog wat schraal smaken, dan doet men er nog wat boter door. Met

dit mengsel vult men uitgeholde broodjes, die men met wat gesmolten

boter besproeit en in een vuurvasten schotel in een vrij heeten oven

nog ongeveer 20 minuten laat staan.

R. 86. Koolcroquetten. Overgebleven of opzettelijk daarvoor gekookte

witte, savoye- of groene savoyekool wordt fijngehakt en vermengd met

fijngemaakte gekookte aardappelen, met een paar rauwe en een paar

gekookte eieren en wat zout naar smaak. Heeft men een stevig deeg,

dan steekt men er brokken van en handelt er verder mee als bij de

aardappelcroquetten is voorgeschreven. (Zie R. 70).

R. 87. Koolcroquetten (Gevulde). Middelgroote bladeren van witte kool

worden in ruim water goed half gaar gekookt, desverkiezende met wat

zout; daarna laat men ze uitdruipen. Nu legt men op elk koolblad wat

schijngehakt (zie R. 91), rolt het op, slaat het toe en bindt het

dicht met een niet te dunnen draad, opdat men dien er gemakkelijk na

't roosteren zal kunnen afhalen. Daarna wentelt men de croquetten

eerst in eiwit en daarna in paneermeel of fijngestampte beschuit en

bakt ze met boter lichtbruin in de koekepan.

R. 88. Linzencroquetten. Met overgebleven of opzettelijk gekookte

linzen handelt men als bij boonencroquetten is voorgeschreven. (Zie

R. 72).

R. 89. Pasteitjes. Men neemt bladdeeg, bereid volgens R. 517 of

518. Met een uitsteekvorm of met een bierglas steekt men er ronde

plakken van 1 cM. dikte uit. Men plaatst een plakje op een bakblik

en uit een tweede dergelijke plak steekt men eerst een dekseltje. De

overschietende rand wordt met een weinig geklutst ei bestreken en

daarna op de eerste plak geplaatst. Een vulling volgens R. 91 bereid,

maar niet gebakken, alleen even gestoofd, wordt met wat eiwit bestreken

en daarna in het pasteitje geplaatst. Het dekseltje gaat er pas na

het bakken op. Men bakt ze in een flink verhitten oven. Ook kan men

ze eerst bakken en ze daarna vullen met champignonragoût (R. 76)

en ze dan nog eenige minuten in den heeten oven plaatsen.

R. 90. Rijstcroquetten. Droog gekookte rijst, behandeld volgens R. 331

of 332, wordt met wat peterselie, een of twee eieren, een kluitje boter

en wat soja goed dooreengemengd. Van het deeg steekt men brokken en

handelt verder als voor aardappelcroquetten (R. 70) is voorgeschreven.

R. 91. Schijngehakt I. Men neemt gekookte linzen, niet te gaar, laat ze

op een vergiet uitdruipen, drukt ze door een zeef of maalt ze door een

groentemolen, vermengt ze met wat gefruite fijngesneden uitjes, met een

paar rauwe en een paar hard gekookte eieren en wat zout. Men kneedt het

deeg goed en voegt er desverkiezende nog wat fijngehakte peterselie

aan toe. Men kan dit deeg gebruiken voor vulsel of om er balletjes

van te maken, die men eerst in eiwit en vervolgens in paneermeel of

beschuitkruim doopt en dan als oliebollen bakt in kokende plantenboter.

R. 92. Schijngehakt II. Op 40 gekookte aardappelen neemt men 5

gestampte beschuiten, twee hard gekookte en twee rauwe eieren, een

weinig sjalotten en peterselie, heel fijngehakt. Men maakt er een bal

van, die men in de boter braadt. Om de tien minuten bedruipt men den

bal met de bradende boter, keert hem vervolgens, om hem ook op de

andere zijde te braden. Als de boter bruin is, doet men er van tijd

tot tijd een weinigje heet water bij.

R. 93. Spinaziecroquetten. Overgebleven of opzettelijk gekookte

spinazie wordt vermengd met fijngemaakte gekookte aardappelen, door

de zeef gewreven of met de groentemolen gemalen. Men kneedt door het

deeg een paar rauwe en een paar gekookte eieren, een kluitje boter

en zout naar smaak. Men steekt van het deeg brokken en handelt verder

als in R. 70 bij de aardappelcroquetten is voorgeschreven.

R. 94. Uienragoût met pommes frites. Mooie groote uien worden zeer

fijngesneden, daarna in natuurboter lichtbruin gefruit. Men zet ze

vervolgens op met heet water en voegt er wat soja bij, wat fijngemalen

amandelen en het geel van een citroen, voorzichtig geraspt, omdat

men het wit niet mag raken. Met bindt de ragoût met in boter geel

gefruite bloem en voegt er zout naar smaak bij. Voor de pommes frites

zie R. 175 en 176.

R. 95. Witte-boonencroquetten. Zie R. 72.

De Vegetarische Keuken Kookboek van den Nederlandschen Vegetariërsbond · 第 21 / 71 题