SOEPEN.

Het gebruik van soep is niet streng vegetarisch. Immers het

hoofdvereischte voor een goede spijsvertering is, dat het voedsel

gekauwd wordt, wat veel beter gaat met de sappigste vruchten dan met

soep. Bovendien leidt een diëet dat te veel vocht in het spijskanaal

brengt tot verminderende werkzaamheid der darmen.

Toch zal in den regel voor hen, die tot het vegetarisme overgaan,

soep nog een geruimen tijd aantrekkelijkheid behouden.

En zij die nog te worstelen hebben, dat er te veel nat op de groenten

komt, vinden bij de bereiding van soep een doeltreffend middel om

het nat, dat in ruime mate voedingszouten bevat, nuttig aan te wenden.

A. Botersoepen.

R. 1. Aardappelsoep I. Overgebleven of opzettelijk gekookte aardappelen

maakt men fijn, en wrijft ze met heet water door de zeef; men hakt

eenige uien en wat peterselie fijn, voegt er ook een paar wortels,

aan reepjes bij. Men kookt alles te zamen op een zacht vuur en mengt er

het overgebleven nat van groenten bij. Men rekent 1 Liter vocht op 4 à

5 aardappels van middelmatige grootte. Heeft alles goed doorgekookt,

dan mengt men er gewelde boter door of boter en bloem lichtbruin

gefruit. Om den smaak te verhoogen kan men er eenige champignons aan

toevoegen. Daarna nog ruim een half uur koken.

R. 2. Aardappelsoep II. Men handelt als bij R. 1 maar vervangt de

peterselie door kervel met een weinig dragon, die fijngehakt in de

soep wordt gedaan, een oogenblik, voordat ze wordt opgedragen. Men

dient ze op met in boter gefruite dobbelsteentjes wittebrood.

R. 3. Andijviesoep. Andijvie snijdt men fijn, wascht ze totdat er geen

zand meer in voorkomt en laat ze in ruim water gaar koken. Dan voegt

men er wat soja en zout en een kluit boter bij en bindt de soep met

boter en bloem, die men eerst licht gefruit heeft, totdat de soep

de gewenschte dikte heeft. Men kan de soep kruiden met wat kervel

of peterselie.

R. 4. Aspergesoep. Men kookt stoofasperges volgens R. 190, maar zet

de in stukken gebroken asperges in ruim water op. Vervolgens fruit

men bloem in boter lichtgeel, voegt daarbij eerst wat aspergenat,

vervolgens weer wat, totdat het de gewenschte dikte heeft bekomen. Dan

voegt men de asperges er bij met boter naar smaak en laat de soep

nog een minuut of tien doorkoken.

R. 5. Bietensoep (Krotensoep). Men kookt volgens R. 198 bieten, maar

thans in ruim water. Men fruit bloem in boter lichtbruin, evenzoo

een uitje en voegt er wat bietennat bij, vervolgens weer wat, dat

herhalend tot de soep de gewenschte dikte heeft bekomen. Dan voegt men

de bieten er bij, die men eerst aan kleine stukjes heeft gesneden,

ook soja en zout naar smaak. Als de soep nog eenige minuten heeft

doorgekookt, kan men ze opdienen met geroosterde dobbelsteentjes van

oudbakken wittebrood.

R. 6. Boonensoep. Nadat de boonen (bruine, witte of welke andere

soort) gekookt zijn (1/2 L. boonen op 2 1/2 L. water) wrijft men

ze door een zeef. Men fruit fijn gesneden uien in boter lichtbruin,

doet deze er bij, laat alles doorkoken, vet dan de soep naar keuze

met natuurboter of plantenvet, zout de soep naar smaak en laat ze

dan nog ongeveer een kwartier op een zacht vuur doorkoken. Men kan

er ook een weinig soja aan toevoegen.

R. 7. Brandnetelsoep. De toppen van brandnetels worden gehakt en

een kwartier lang met boter gestoofd; vervolgens doet men er kokend

water bij. Als de soep weer kookt doet men er aangemengde bloem bij

met soja en zout naar smaak.

R. 8. Bloemkoolsoep. Men kookt volgens R. 236 bloemkool, maar zet ze

thans in ruim water op. Men fruit bloem in boter lichtgeel en voegt

er wat nat van bloemkool bij, vervolgens weer wat, dat herhalend,

totdat de soep de gewenschte dikte heeft gekregen. Dan voegt men er de

bloemkool bij, die men in kleine stukjes heeft gesneden. Men doet er

boter, wat soja en zout naar smaak bij en wat gehakte peterselie. Als

alles nog enkele minuten heeft doorgekookt, dient men de soep op met

geroosterde dobbelsteentjes van oudbakken wittebrood.

R. 9. Boschbessensoep. Na boschbessen goed gereinigd en gewasschen

te hebben, doet men ze in kokend water en laat ze even doorkoken,

wrijft ze daarna door een zeef, doet er het noodige water bij, bindt

het verdunde sap met maizena en zoet het met donkerbruine suiker. Men

dient de soep op koud of warm naar verkiezing met een groote beschuit.

R. 10. Broodsoep. Als men van oudbakken brood de bruine korsten heeft

afgesneden, laat men het met water fijnkoken, wrijft het door een

zeef en voegt er wat prei, selderij, peterselie, een weinig kervel

en wat fijngehakte uien bij, nadat alles zorgvuldig is schoongemaakt

gewasschen en fijngesneden. Men laat alles te zamen gaar koken onder

toevoeging van wat zout en wat soja. Mocht de soep wat te dun zijn,

dan bindt men ze met wat lichtbruin gefruite bloem en boter. Als de

soep de vereischte dikte heeft, roert men er wat boter door.

R. 11. Bruine-boonensoep. De bereiding van bruine-boonensoep geschiedt

volgens R. 6.

R. 12. Capucijnersoep. Men bereidt capucijnersoep als boonensoep. Zie

R. 6.

R. 13. Champignonsoep. Men neemt gave champignons, wascht ze goed

in ruim water, snijdt ze in stukken en wascht ze op nieuw, totdat

alle zand verwijderd is. Men hakt ze vervolgens aan stukjes en zet

ze met ruim water op, laat ze ongeveer een uur koken, voegt er wat

gefruite uitjes en wat peterselie aan toe en bindt ze met boter en

licht gefruite bloem. Na er nog soja en zout naar smaak aan toegevoegd

te hebben, laat men alles tezamen nog 10 minuten doorkoken.

R. 14. Ei-, Kievits-, Piethein- of Spikkelboonensoep. Zie R. 6.

R. 15. Erwtensoep. Groene erwten, desverkiezende spliterwten, kookt

men volgens R. 320, maar thans 1/2 L. erwten en 2 1/2 à 3 L. water,

waarin men bovendien 4 à 5 aardappels laat meekoken. Zijn de erwten

goed gaar, dan worden ze door een zeef gewreven, en na er prei,

selderij en zout naar smaak aan te hebben toegevoegd, weer op een zacht

vuur gezet, vervolgens laat men de soep nog een paar uur doorkoken,

na ze te hebben gevet naar keuze met natuurboter of plantenvet.

R. 16. Flageoletboonensoep. Zie R. 6.

R. 17. Gele-erwtensoep. Men neemt gele erwten en handelt verder als

in R. 15 is voorgeschreven.

R. 18. Grauwe-erwtensoep. Men bereidt grauwe-erwtensoep als

boonensoep. Zie R. 6.

R. 19. Groentesoep I. Rijst wordt na zeer goed gewasschen te zijn (zie

R. 330) in heet water gekookt, thans 1 1/2 L. water op 50 of 60 gram

rijst. Selderij, kervel, peterselie, worteltjes, bloemkool, spinazie,

doperwten, schorseneren, of wat de tijd van het jaar oplevert, wordt

schoongemaakt en gewasschen, daarna fijngehakt. Als de rijst half

gaar is, worden de fijngehakte groenten er aan toegevoegd. Zijn de

groenten gaar, dan wordt de soep naar keuze gevet met natuurboter of

met plantenvet en wordt er zout en soja naar smaak alsmede een paar

gefruite uitjes aan toegevoegd. Daarna laat men de soep nog enkele

minuten op een zacht vuur doorkoken, tot ze recht smedig is.

R. 20. Groentesoep II. Verschillende soorten groenten worden fijn

gesnipperd, gewasschen en met een kluitje boter op een zacht vuur

gezet, waarop ze ongeveer een uur of drie moet staan.

Tegelijk met de groenten wordt een groote pan met water op het

vuur gezet, waarin een handvol linzen zijn gedaan. Een uur vóór de

opdiening zet men een stuk boter op het vuur, waarin men een paar

fijngeraspte sjalotten en een theelepeltje meel roert en daarna

nog even laat doorkoken. Daarna doet men de boter in de groote pan,

waarin vooraf ook de groenten met een half kopje rijst zijn bijgevoegd.

Alles te zamen moet dan nog circa een uur doorkoken op een zacht

vuur. Mocht de soep niet dik genoeg zijn dan kan men 1 à 2 lepels

bloem er bijvoegen en ze nog enkele minuten laten doorkoken.

R. 21. Groentesoep III. Prei, selderij, peterseliewortel, een weinig

dragon, een weinig boonenkruid, jonge peentjes (worteltjes) worden

schoongemaakt, gesneden en met water opgezet; men doet er een stuk

of wat dun geschilde rauwe aardappelen in en voegt er later rijst of

gries of macaroni of vermicelli bij om de soep te binden. Anderhalf

uur zachtjes koken. Zout en boter naar smaak. Opdienen met geroosterde

dobbelsteentjes van oudbakken wittebrood.

R. 22. Groentesoep IV. Neem kervel peterselie, zuring, postelein,

prei, gedopte erwtjes; hak de kervel, peterselie en prei heel fijn,

de zuring en postelein aan kleine stukken, en zet alles op een zacht

vuur en voeg er later rijst, griesmeel, macaroni of vermicelli bij

om de soep te binden (anderhalf uur zachtjes koken). Boter en zout

naar smaak.

R. 23. Groentesoep V. Neem peen, knolrapen, uien en aardappelen,

van elk 25 gram, parelgerst 40 gram. De fijngesneden groenten met de

parelgerst, die den nacht in de week gestaan heeft, met 1 L. water

opzetten en 2 uur zachtjes laten koken. Men kan er andere groenten

bijvoegen, bijv. selderij. Verkiest men een pikanten smaak er aan te

geven, dan kan men de groenten eerst in een weinig boter fruiten. Door

toevoeging van een theekop Egyptische linzen verkrijgt de soep een

krachtiger smaak.

R. 24. Groentesoep VI. Men zet een redelijke portie groene erwten in

een pot te koken, daarbij voegende een prei, een halve knolselderij

en een wortel. Verder snijdt men, aan gelijke langwerpige reepjes,

eenige bladen savoyekool en wortels, het groen van een selderij, een

prei en wat kleine stukjes bloemkool en jonge erwtjes. Dit doet men

in een pan, met een groot stuk boter en heel weinig water, en laat dit

heel zachtjes koken; verder giet men dit alles, een uur vóór het eten,

in het nat van de erwten, dat behoorlijk door een zeef gegoten moet

zijn, opdat het er helder uitziet; men laat alles te zamen een uur

koken, en dient het op met kleine dobbelsteentjes van eieren, (gekookt

"au bain Marie"), die men in de terrine tegelijk met de soep opdient.

R. 25. Kastanjesoep. Men kookt kastanjes volgens R. 302 of 303. Zijn

ze gaar, dan worden ze fijngemaakt en door een zeef gewreven. Daarna

wordt de kastanjebrij met zooveel heet water aangemengd, dat ze

op de gewenschte dikte komt. De soep wordt gebonden met bloem in

boter lichtbruin gefruit. Zout naar smaak. Men dient de soep op met

dobbelsteentjes geroosterd oudbakken wittebrood.

R. 26. Koolsoep I. Rauwe kool wordt fijn gesneden, daarna met boter

gefruit. De gefruite kool zet men ruim met heet water op. Is de

kool gaar, dan wordt de soep gebonden met bloem, licht gefruit in

boter. Zout naar smaak en desverkiezende een paar licht gefruite

uitjes. Als de soep daarna nog enkele minuten op een zacht vuur

heeft doorgekookt, dient men ze op met geroosterde dobbelsteentjes

van oudbakken wittebrood.

R. 27. Koolsoep II. Men kookt een kool en eenige aardappelen te samen

gaar, dan giet men alles op een vergiet en fruit een gedeelte van

de kool en aardappelen in wat boter. Daarna doet men alles weer bij

elkaar en bindt de soep met gefruit meel en de noodige uien. Zout en

soja naar smaak.

R. 28. Linzensoep I. Men fruit een paar fijngesneden uien

lichtgeel. Men doet er de vooraf in zacht water geweekte linzen bij

met eenige fijngekookte aardappelen, wat selderij, eenige fijngesneden

worteltjes en wat koud water. Als alles te zamen kookt, doet men er

van tijd tot tijd wat koud water bij, totdat de soep de vereischte

dikte heeft. Men vet de soep naar keuze met boter of plantenvet en

voegt er zout bij naar smaak. (Zie N.B. bij R. 322).

R. 29. Linzensoep II. Gekookte linzen worden met toevoeging van

heet water door een zeef gewreven, men laat ze daarna op een zacht

vuurtje staan, tot het nat lijmig is. Men roert er een of twee in

boter gefruite uitjes door en zout de soep naar smaak.

Bij het aanrechten voegt men er in boter gefruite dobbelsteentjes

van oudbakken wittebrood aan toe. (Zie N.B. bij R. 322).

R. 30. Linzensoep III. Handel als in R. 20 wordt voorgeschreven en

meng er wat uien, prei enz. door. (Zie N.B. bij R. 322).

R. 31. Macaronisoep. Men neemt 50 à 60 gram macaroni op 1 liter

water. De macaroni breekt men in stukken en doet ze in kokend water

met wat zout. Men roert van tijd tot tijd, tot de macaroni gaar is,

om het aanbranden te voorkomen. Vervolgens doet men er een paar

gesnipperde worteltjes door en bindt de soep met in boter licht geel

gefruite bloem. Men voegt er soja aan toe naar smaak. Voor het opdoen,

roert men er wat fijngehakte peterselie door.

R. 32. Peterseliesoep. Peterseliewortel, in stukjes gesneden, en de

blaadjes der peterselie, fijngehakt, worden ruim gekookt. De soep

wordt gebonden met rijst als in Groentesoep I (R. 19) of met bloem,

in boter (desverkiezend in plantenvet) licht gefruit. Zout naar

smaak. De soep wordt opgediend met geroosterde dobbelsteentjes brood.

R. 33. Preisoep. De preien worden fijngesneden en vervolgens handelt

men als bij de peterseliesoep is voorgeschreven (R. 32).

R. 34. Schorsenerensoep I. Men kookt schorseneren zooals in R. 205 of

206 is voorgeschreven, maar zet de in stukken gebroken schorseneren in

ruim water op. Verder handele men als bij de aspergesoep. (Zie R. 4).

R. 35. Schorsenerensoep II. Na de schorseneren goed te hebben

geschraapt (zie R. 205) en in kleine stukjes te hebben gesneden,

kookt men ze in ruim water gaar, doet er wat melk bij, bindt ze met

boter en bloem, voegt er zout naar smaak bij en laat ze daarna nog

ongeveer tien minuten koken.

R. 36. Selderijsoep. Neem knolselderij en selderijlof en handel

vervolgens als bij de peterseliesoep is voorgeschreven (R. 32).

R. 37. Tomatensoep I. Men laat een kilo tomaten gaarkoken, giet er

het water van af en laat in dat water vijf groote aardappelen, drie

groote wortels en wat selderij gaarkoken. Men snijdt drie uitjes,

fruit ze in wat boter, wrijft de tomaten door een zeef en laat alles

nog eens te zamen goed doorkoken en voegt er wat maizena of in boter

gefruite bloem bij om te binden. Zout naar smaak.

R. 38. Tomatensoep II. Men breekt wat macaroni in kleine stukjes,

laat ze in kokend water gaar worden, voegt er schijfjes of partjes

tomaten aan toe, bindt de soep met boter en bloem, doet er dan wat

gefruite uien, peterselie, zout en soja naar smaak bij en laat alles

te zamen nog enkele minuten doorkoken.

R. 39. Uiensoep I. Ter bereiding van uiensoep snijdt men uien in

dunne schrijven, fruit die met wat tarwemeel in boter of olie, giet

er kokend water op en laat het een half uur lang koken. Men kan er wat

citroensap bij doen. Mocht de soep niet genoeg gebonden zijn, dan roert

men er wat geraspt brood of beschuitkrummels door. Zout naar smaak.

R. 40. Uiensoep II. Men snijdt uien aan stukken, zet ze met wat water

en met wat boter op. Zijn de uien gaar, dan giet men er kokend water

bij, vervolgens brokkelt men geel geroosterd brood in de soep en laat

het te zamen koken, tot de soep goed gebonden is. Zout naar smaak.

R. 41. Vermicellisoep. Men neemt 50 à 60 gram vermicelli

op 1 liter water en handelt verder als bij macaronisoep is

voorgeschreven. (R. 31).

R. 42. Witte boonensoep. Men volgt R. 6, maar voegt er behalve gefruite

uien ook fijn gesneden prei en gehakte peterselie, kervel en selderij

bij. Heeft de soep nog niet de gewenschte dikte, dan bindt men ze

met boter en bloem. Men laat ze een half uur doorkoken en roert er

vóór het opdienen nog een goed kluitje boter door.

R. 43. Wortelsoep I. Men kookt acht groote aardappelen fijn en

eveneens twaalf wortelen; de laatste wrijft men door een zeef en

laat ze dan met de fijngekookte aardappelen nog eens doorkoken, na

er een paar in boter gefruite uitjes te hebben bij gedaan. Zout naar

smaak. Desgewenscht kan men er nog wat boter doorroeren.

R. 44. Wortelsoep II. Men snijdt worteltjes fijn, kookt ze in

ruim water gaar, voegt er zout en soja naar smaak aan toe met wat

fijngehakte peterselie, bindt ze met boter en gefruite bloem en

laat ze nog tien minuten doorkoken. Men dient ze op met geroosterde

dobbelsteentjes van oudbakken wittebrood.

R. 45. Zuringsoep. Men neemt ter bereiding van zuringsoep een kleine

hoeveelheid zuring en een gelijke hoeveelheid van verschillende

soepgroenten, bijv. kervel, boonenkruid, kropsla, prei, peterselie

enz., hakt ze fijn en zet ze met wat boter op. Na eenige minuten doet

men er kokend water op en roert er wat boter en bloem door. Als de

soep gaar is, zet men ze af. Even voor het opdoen, als de soep genoeg

is afgekoeld, klopt men een paar eieren, roert daar wat boter door,

verder onder aanhoudend roeren eenige lepels soep, totdat men merkt,

dat de geklopte eieren dun genoeg zijn om door de soep geroerd te

worden. Zout naar smaak.

B. Zoete soepen.

R. 46. Aalbessensoep I. Men zet koud water op met een aantal versche

frambozen of met wat frambozensiroop. Men bindt het nat als het kookt

met maizena en als het goed doorkookt, voegt men er de aalbessen bij,

na deze eerst goed te hebben gewasschen, gerist en door de zeef te

hebben gedrukt. Suiker naar smaak. Men dient ze op, hetzij warm of

koud, met een keukenbeschuit.

R. 47. Aalbessensoep II. Men kookt parelgort zeer ruim. Als ze 2 à

2 1/2 uur gekookt heeft, voegt men er wat versche frambozen of wat

frambozensiroop bij. Daarna doet men het sap van de goed gewasschen

en door de zeef gedrukte aalbessen er bij, voegt er suiker aan toe

naar smaak. Men kan ze warm of koud opdienen.

R. 48. Aardbeiensoep I. Men zet koud water op met wat versche frambozen

of met wat frambozensiroop. Als het nat kookt, bindt men het met

maizenameel. Daarna doet men er voorzichtig de aardbeien bij, na ze

goed te hebben nagezien, gewasschen en van de steeltjes te hebben

ontdaan. Suiker naar smaak. Men dient ze warm of koud op.

R. 49. Aardbeiensoep II. Men kookt parelgort zeer ruim, gedurende 2 à

2 1/2 uur en voegt er dan wat versche frambozen of frambozensiroop aan

toe. Is ze weer een poosje aan de kook, dan voegt men er voorzichtig

de aardbeien bij, die men vooraf goed heeft nagezien, gewasschen

en van de steeltjes ontdaan. Suiker naar smaak. Daarna nog enkele

minuten doorkoken. Men dient ze warm of koud op.

R. 50. Abrikozensoep I. Men kookt parelgort zeer ruim gedurende 2

à 2 1/2 uur, voegt er dan de goed gewasschen versche abrikozen aan

toe. Suiker naar smaak. Na ze een kwartier op een zacht vuur te hebben

laten koken, kan men ze opdienen. Ook kan ze koud worden opgediend.

R. 51. Abrikozensoep II. Men kookt parelgort zeer ruim gedurende

een paar uur, voegt er dan goed gewasschen gedroogde abrikozen bij

(75 gram op 1 liter water). Suiker naar smaak. Vervolgens laat men

de soep nog twee uur op een zacht vuur koken of, liever nog, zet men

de soep in een goed verhitten oven. Koud of warm op te dienen.

R. 52. Appelsoep. Men kookt moesappelen volgens R. 272 of 273, maar

zet ze ruimer op. Als de appelen door de zeef zijn gewreven, lengt men

ze aan met heet water, tot de gewenschte dikte. Men voegt er suiker

en wat citroensap naar smaak aan toe. Men kan ze koud of warm opdienen.

R. 53. Chocoladesoep. Op een liter melk neemt men een lepel chocolade

en vier lepels suiker. Men roert de chocolade en suiker met een

weinig water of koude melk aan en roert ze door de kokende melk,

voegt er een weinig geraspte citroenschil door, desverkiezende ook

wat vanille en bindt ze met een weinig maizena. Men dient ze koud of

warm op met een keukenbeschuit.

R. 54. Citroensoep. Parelgort, ruim opgezet, laat men gedurende 2

à 2 1/2 uur koken, voegt er het sap van eenige citroenen aan toe,

zoodat de soep een aangenamen smaak krijgt. Voor de kleur raspt men

citroenen voorzichtig af zoo dat het wit niet wordt geraakt en evenzoo

een paar sina's appels. Als men het geraspte geel der schillen door

de soep heeft geroerd, laat men ze nog enkele minuten op een zacht

vuur staan. Suiker naar smaak. Men kan ze koud of warm opdienen.

R. 55. Frambozensoep I. Men zet koud water op met sap van versche

aardbeien. Als het nat kookt bindt men het met maizena. Frambozen, die

men van te voren goed heeft gewasschen en nagezien met het oog op de

wormpjes, die er vaak in worden gevonden, doe men er voorzichtig bij,

zoodat ze heel blijven. Men voegt er suiker naar smaak aan toe. Koud

of warm op te dienen.

R. 56. Frambozensoep II. Men zet parelgort zeer ruim op en kookt ze

2 of 2 1/2 uur, voegt er dan het sap van wat versche aardbeien aan

toe. Is de gort weer aan de kook, dan voegt men er voorzichtig de

frambozen bij, die men te voren goed heeft gewasschen en onderzocht,

of er geen bij waren met wormpjes. Suiker naar smaak. Men kan ze koud

of warm opdienen.

R. 57. Kersensoep. Men wascht de kersen goed, ontdoet ze

van de steeltjes, zet koud water op met bruine suiker en wat

frambozensiroop. Als het vocht kookt, doet men de kersen er bij,

laat ze even doorkoken en bindt het nat met maizena.

R. 58. Kervelsoep (Zoete). Op één liter karnemelk neemt men 50 gram

sultana-rozijnen en 50 gram krenten, laat het te zamen koken, voegt

er fijngehakte kervel bij en suiker naar smaak. Om de soep te binden,

gebruikt men havermout of aangemaakte bloem. Indien men parelgort

als bindmiddel wenscht, dan moet de parelgort met de melk gekookt

worden. Men voegt er dan de kervel bij, als de parelgort gaar is. Men

dient de soep koud of warm op.

R. 59. Kruisbessensoep. Nadat de kruisbessen van den bloesem zijn

ontdaan en goed gewasschen zijn, worden ze met koud water opgezet. Als

de kruisbessen goed gaar zijn, worden ze door de zeef gewreven

en met heet water aangemengd totdat de soep de vereischte dikte

heeft. Daarna klutst men een ei in de soepterrine, neemt telkens

wat van de afgekoelde soep, roert het door het geklutste ei, zorg

dragende steeds in één richting te roeren. Men gaat zoo voort totdat

al de soep in de terrine is overgegaan. Men zoet de soep naar smaak.

R. 60. Melksoep met kokosnoot. Men raspt of maalt kokosnoot zooals

in R. 509 wordt beschreven. Terwijl brengt men melk aan de kook, die

men met Javaansche suiker of arènsuiker naar smaak zoet. Men bindt de

melk met maizena, neemt ze dan van het vuur en roert er de geraspte

of gemalen kokosnoot door met nat, dat van de kokosnoot afkomstig is,

zorgdragende dat de soep niet te dun wordt.

R. 61. Perensoep. De peren worden dun geschild, in vierdeparten

gesneden, daarna gewasschen en met koud water opgezet. De peren moeten

lang koken, totdat ze een mooie roode kleur hebben. Men voegt er wat

bessennat aan toe en suiker naar smaak. Het nat wordt met maizena

gebonden.

R. 62. Perzikensoep. Men ontdoet de perziken voorzichtig van de schil,

halveert ze en verwijdert de kernen. Men zet ze vervolgens op in

kokend water. Als ze koken, voegt men er wat frambozensiroop bij en

suiker naar smaak. Het nat wordt gebonden met maizena.

R. 63. Pruimensoep I. Versche pruimen worden gewasschen, van de schil

ontdaan en ontkernd. Men zet ze met kokend water op. Als ze koken,

doet men er wat frambozensiroop bij en suiker naar smaak en bindt

het nat met maizena.

R. 64. Pruimensoep II. Men kookt parelgort zeer ruim, gedurende

een uur, voegt er dan goed gewasschen gedroogde pruimen bij (350

gram op 1 liter water) en zet de soep nog een paar uren in een goed

verhitten oven.

R. 65. Rhabarbersoep. Men kookt parelgort zeer ruim, gedurende 2

1/2 uur, doet er dan de gewasschen en in kleine stukjes gesneden

rhabarberstelen bij, die men dan met een citroenschilletje nog 1/2

uur laat doorkoken. Men zoet de soep naar smaak.

R. 66. Rozijnensoep. Parelgort zet men in ruim water op. Als ze een

paar uur gekookt heeft, doet men er sultana-rozijnen in benevens wat

bessennat, frambozensiroop, alsmede een citroenschil. Daarna laat

men de soep nog op een zacht vuur ruim een uur doorkoken. Suiker

naar smaak.

R. 67. Sina's-appelsoep. Eenige sina'sappelen worden uitgeperst en het

sap met koud water opgezet. Er wordt wat citroensap aan toegevoegd. Ook

raspt men het geel van een paar sina'sappelen en een paar citroenen

zonder het wit te raken. Nadat men de geraspte schil bij de soep

heeft gedaan en suiker naar smaak er aan heeft toegevoegd, bindt men

de soep met maizena en dient ze op met een keukenbeschuit.

R. 68. Vruchtensoep. Verschillende vruchten, zooals de tijd die

oplevert, worden goed schoongemaakt en goed gewasschen. Men lette

er op dat vruchten, die lang kunnen of moeten koken, zooals appelen

en peren het eerst in den soeppot komen en vruchten, die niet tegen

het koken kunnen, zooals aardbeien en perziken bijv. pas in de soep

worden gedaan, als de soep met de maizena gebonden is, waarna men ze

nog even laat doorkoken. Koud of warm op te dienen.

R. 69. Zuringsoep (Zoete). De zuring wordt goed nagezien, maar

niet afgerist, daarna goed gewasschen en met water opgezet. Als ze

gesmolten is, giet men ze door een zeef, voegt er krenten, rozijnen

en suiker naar smaak aan toe, bindt ze met maizena en laat ze dan nog

een kwartier op een zacht vuur staan. Vóór het opdienen roert men er

wat boter door.

De Vegetarische Keuken Kookboek van den Nederlandschen Vegetariërsbond · 第 19 / 71 题