RAADGEVINGEN VOOR WIE VEGETARISCH WENSCHEN TE GAAN LEVEN.

Staan wij door onze kennis van een aantal zaken boven os en ezel,

in het vermogen het voor ons meest geschikte voedsel te kiezen staan

wij beneden deze dieren, die zoo vaak als toonbeelden van domheid

worden aangehaald.

Zij toch weten, door hun instinct geleid, het voedsel te zoeken,

dat voor hen het meest geschikt is. Maar bij den mensch is al op

vroegen leeftijd door dwang en door _zucht tot navolging_ en later

door _gewoonte_ en door _gebrekkige wetenschap_ gepaard aan _traagheid

in het denken_ en niet weinig door een _afgedwaalde kookkunst_ het

instinct bedorven, ook de gids die als trouwe wachter vlak boven den

mond geplaatst is.

Met zachten of harden _dwang_ worden jonge kinderen genoodzaakt

spijzen en dranken te slikken, waarvan ze een natuurlijken afkeer

hebben, maar die hun ouders heel goed voor hen vinden.

Zijn de kinderen wat grooter, dan strekken ze de handen gretig uit

naar allerlei genotmiddelen, die zij volwassenen zien genieten en

ze zijn er trotsch op, hun sigaar en hun glas alcoholhoudenden drank

even goed te kunnen verdragen als hun ouders en leermeesters.

Dat is de schaduwzijde van de _zucht tot navolging_, waaraan de mensch

in vele andere opzichten zooveel verplicht is.

Wat eenmaal _gewoonte_ is geworden bij het individu of in de

maatschappij, wordt dikwijls voor een werkelijke behoefte gehouden,

zèlfs bij beter inzicht niet gemakkelijk afgewend. Gewoonte maakt

vele soort van arbeid minder zwaar, doet menig lijden lichter dragen

maar kan ook heerschen als tiran.

Ik wil geen kwaad zeggen van _gebrekkige_ of _halve

wetenschap_. Wetenschap is uit den aard der zaak nooit volledig. Maar

de fout schuilt niet in de onvolledigheid der wetenschap, maar hierin,

dat de mensch _traag in het denken_, een oordeel op onvoldoende

gegevens bouwt of klakkeloos van anderen overneemt.

Ongelooflijk veel kwaads heeft onze _afgedwaalde kookkunst_ aangericht,

die er sedert eeuwen op uit is een bedorven smaak te streelen.

Gelukkig, dat de _rede_ den mensch tot het inzicht brengt, dat hij

ten opzichte zijner leefwijze op een verkeerden weg is.

De gemeenplaats "_vleesch maakt vleesch_" de leuze onzer hedendaagsche

kookkunst heeft veel kwaad gebrouwd, daar ze het geloof algemeen maakt,

dat eiwitarm voedsel geen spieren of knoken geeft. Maar het haasje

dan, op wiens knoken de jachthonden hun tanden stomp knagen, gebruikt

dat dan biefstuk en eieren, melk of bouillon? Het diertje leeft van

koolbladeren, van kroten en van wat klaver en als een sneeuwkleed

de akkers bedekt, stilt het zijn honger met den bast van boomen

en struiken. Toch kan het een geduchte spierkracht ontwikkelen. De

Engelsche natuuronderzoeker Romans heeft in de sneeuw de sporen van

een gejaagden haas gemeten en voor de spanwijdte van iederen sprong 12

à 13 Engelschen voet gevonden, d. i. daar de Eng. voet eene lengte van

30 1/2 cM. heeft, eene spanwijdte van meer dan 3 1/2 tot bijna 4 Meter.

Ook in een ander opzicht, doet de leus "vleesch maakt vleesch" kwaad:

ze doet namelijk gelooven, dat vleesch het voedsel bij uitnemendheid

is en toch levert geen soort van voedsel meer gevaar op dan hetwelk

van gedoode dieren afkomstig is. Nemen we het gunstigste geval,

dat nl. een volkomen gezond beest wordt geslacht, dan nog bevinden

zich in het gedoode dier tal van ontledingsproducten, w. o. giftige

stikstofverbindingen, als creatine, creatinine, isoninezuur enz.,

die de afscheidingsorganen van het dier zouden hebben weggevoerd,

als het in het leven ware gebleven, maar nu met het vleesch in de maag

van den gebruiker terecht komen. De organen van den vleescheter hebben

dus niet alleen de ontledingsproducten af te voeren, die zich in zijn

eigen lichaam vormen, maar ook die, welke zich in het lichaam van het

gedoode dier hadden gevormd. Maar het geval is nooit zoo gunstig; in

den regel toch eet men het vleesch van gemeste dieren, d. w. z. van

dieren, bij welke men op kunstmatige wijze een vetziekte heeft doen

ontstaan. Daarenboven bereidt men geen vleesch, voordat het _bestorven_

is, m. a. w. niet voordat de lijkverstijving reeds heeft opgehouden

en de ontbinding dus _merkbaar_ is ingetreden, al verraadt die zich

nog niet altijd aan onze afgestompte reukorganen.

Eindelijk eet men het vleesch nooit in den toestand, dat het het

lichtst verteerbaar is, nl. ontoebereid. Eerst maakt men het in

mindere of meerdere mate onverteerbaar door het te koken, te braden,

te rooken, te pekelen, met zout en kruiden toe te bereiden, om er toch

vooral den weerzinwekkenden flauwzoeten bloedsmaak aan te ontnemen.

Ook het verschijnsel, dat het aantal moeders, die niet in staat

zijn haar kinderen te zoogen, steeds toeneemt, juist het meest in

die klassen, waarin volop gebruik gemaakt wordt van vleesch, melk,

eieren, bouillon, van zoogenaamde versterkende middelen, brengt tot

het inzicht, dat wij met ons vleeschgebruik op den verkeerden weg

zijn. Maar niet alleen de rede, ook het _zedelijk gevoel_, dat bij

hooger ontwikkeling zich verzet heeft tegen kannibalisme en slavernij,

tegen pijnbank en doodstraf, doet den mensch meer en meer beseffen,

dat hij het recht mist tot streeling van zijn smaak het dier voor

een lijdend leven en gewelddadigen dood aan te fokken.

Onder de dierenvrienden zou het aantal, die een vegetarische leefwijze

volgen, zeker grooter zijn als de overtuiging algemeen was, dat die

leefwijze _kracht_ in plaats van _zwakte_ en _gezondheid_ in stede van

_ziekte_ te voorschijn roept. Daar de meening vrij algemeen verspreid

is, dat de vegetarische leefwijze nergens anders in bestaat dan

in de verwerping van vleesch en visch en bij _sommigen_ van _alle_

dierlijk voedsel, komt het meer dan eens voor dat personen, die tot

een vegetarische leefwijze waren overgegaan zonder zich voldoende

op de hoogte te hebben gesteld, wat zij bij den overgang tot een

vleeschdiëet te doen en te laten hadden en welke verschijnselen van

zulk een overgang te wachten waren, tot de meening komen, dat zij niet

sterk genoeg zijn om de nieuw aangenomen leefwijze vol te houden. Van

zulke bekeerlingen ondervindt het vegetarisme meer kwaad dan goed:

want mislukte proeven lokken niet tot navolging uit.

Algemeen geldende regels te geven bij den overgang tot een vegetarisch

diëet is niet doenlijk. Waren alle menschen gezond, verkeerden onze

spijsverteringsorganen in ongekrenkten staat, dan zou dat beter

gaan. Maar ieder weet, hoe ongelukkig het bij velen is gesteld met

de tanden, zeer dikwijls al op zeer jeugdigen leeftijd. Bij de maag,

lever, darmen en andere organen loopt dat niet zoo in het oog, maar wij

mogen helaas daaruit niet tot de gevolgtrekking besluiten, dat het met

die organen niet zoo erg is gesteld. Lijkopeningen bij verongelukten

bewijzen dat deze organen even goed als de tanden reeds op betrekkelijk

vroegen leeftijd de sporen dragen van een verkeerde levenswijze.

En dikwijls wordt de verslapping dier organen voor sterkte

aangezien. Er zijn drinkers en rookers, die in ernst meenen, dat hun

maag sterker is geworden, sedert dat orgaan zich niet meer verzet

tegen alcohol- of nicotinegif. Wat is echter het geval: de maag heeft

den strijd, die haar krachten te boven ging, moeten opgeven--en de

rooker of drinker, die nu geen last meer ondervindt van den strijd,

gaat onbekommerd voort, nu hij er tegen kan, zooals hij meent, totdat

het orgaan op het laatst door het gif geheel of gedeeltelijk verwoest,

niet meer in staat is zijn dienst naar behooren te verrichten.

Maar ook het tegenovergestelde heeft plaats. Velen die van een

onnatuurlijke levenswijs tot een natuurlijker zijn overgegaan,

meenen, dat _zij_ niet in staat zijn om die natuurlijker levenswijze

te volgen; want nu ondervinden zij last van _deze_ en _die_ spijzen,

die hun vroeger in het geheel niet bezwaarden. Tot schade van het

orgaan, dat blijk geeft van aanvankelijke versterking, als het zich

verzet tegen spijzen, die minder dienstig zijn, keeren dan velen tot

hun onnatuurlijke en onredelijke voeding terug.

Daarom wie van het gemengd diëet wil overgaan tot een verstandige

vegetarische voeding, bedenke, voordat hij met de nieuwe levenswijze

begint, dat een orgaan, dat door een ondoelmatige voeding ziek is

geworden, die ziekte niet kenbaar maakt, zoolang het gedurende

die ondoelmatige voeding nog kracht genoeg bezit om de diensten

te bewijzen, die er van gevergd worden; maar dat het wel zal gaan

waarschuwen tegen het gebruik van voedsel, dat zijn herstel in den weg

staat, als men de ongeschikte voeding door een natuurlijk diëet heeft

vervangen. Last, pijn, koorts _kunnen_ bewijzen zijn van beterschap.

Op nog een paar andere zaken dient hen gewezen te worden, die tot

een natuurlijk diëet wenschen over te gaan. Men is tegenwoordig zoo

geneigd toeneming van gewicht te vereenzelvigen met gezondheid en

afneming van gewicht met ziekte, dat velen onverwijld tot hunne oude

vleeschpotten wederkeeren, als zij merken dat tengevolge van het

vegetarisch diëet hun vet verloren gaat. Dat is te meer het geval,

omdat de arbeid, die noodig is om het overtollige vet te verwijderen

bij hen een gevoel van slapte veroorzaakt, voornamelijk dan merkbaar

als de eerste jeugd voorbij is. Die zwakte is echter van tijdelijken

aard en kan, zoo al niet _geheel_ toch _voor een groot deel_ voorkomen

worden door een langzamen overgang.

Een langzame overgang is bovendien nog gewenscht omdat een plotselinge

onthouding van prikkels, waaraan men gewoon is geraakt, aanleiding

tot stoornis geeft. Bij hen bijv. die aan alcohol of morphine

zijn verslaafd geraakt, kan een plotselinge onthouding leiden tot

tijdelijken waanzin. De overprikkelde hersenen, gewend aan den

dagelijks terugkeerenden prikkel, komen, nu zij dien missen, in een

staat van tijdelijke verslapping. Een soortgelijke verslapping is bij

de spijsverteringsorganen te verwachten als de dagelijks terugkeerende

prikkels op eenmaal wegblijven.

Bij een langzamen overgang kan men al dadelijk geheel weglaten alles,

wat met de gezondheid strijdt en slechts _van tijd tot tijd_ genoten

wordt. Dan volgt alles, waarvan men min of meer een afkeer heeft, maar

wat men gebruikte, omdat men valschelijk meende er zijn gezondheid

mee te bevoordeelen. Tevens vermindert men het gebruik van allerlei

prikkels die men dagelijks gebruikt, totdat men geleidelijk er toe

komt ze geheel te kunnen ontberen.

Bevindt men onderwijl, dat ons de eene of andere spijs, op welke wijs

ook toebereid, niet goed bekomt, dan ziet men daarvan af, al is het ook

ons lievelingsgerecht bij uitnemendheid, tot de organen weer zoover

versterkt zijn, dat ze die spijs zonder nadeelige gevolgen kunnen

verdragen. Dikwijls is een andere bereidingswijze al voldoende. Spijzen

toch, die door sommigen gebakken niet verdragen worden, kunnen door

diezelfde personen zonder bezwaar in rauwen of gekookten staat worden

genuttigd. Anderen zullen dezelfde spijs niet rauw kunnen verdragen,

maar ze zonder bezwaar gekookt kunnen eten. Dat verschijnsel zal zijn

oorzaak misschien hierin vinden, dat bij den een _deze_ bij den ander

_die_ verteringssappen van minder goede hoedanigheid zijn of in te

geringe mate worden afgezonderd.

Ook uit dezen hoofde en dus niet alleen om het verschil van smaak is

het goed, dat een keukenboek meer dan ééne bereidingswijze geeft.

Oordeelkundig kan men de hedendaagsche bereiding der spijzen over

het algemeen niet noemen. Vaak wordt de smakelijkheid opgeofferd

aan schoonen vorm en kleur. Zoo wordt de bloemkool bijv. om ze

mooi wit op tafel te krijgen bij herhaling in ruim water afgekookt,

het onsmakelijk riekend vocht, dat men uit de kool heeft geloogd,

vindt zijn weg door den gootsteen en aan het smakeloos koolgerecht

weet men een pikanten smaak mee te deelen door een saus van melk,

boter, eieren, bloem, rijkelijk gekruid met foelie of notemuskaat,

in het geheel niet gelijkend op den eigenaardigen fijnen smaak van

bloemkool, bereid als in dit kookboek wordt voorgeschreven.

Vaak ziet men, dat op smakelijkheid of op het behoud van voedende

kracht geheel geen acht wordt geslagen, als bijv. de spijzen op

een veel te sterk vuur zijn gezet, zoodat de damp de geheele keuken

vervult en naar buiten ontsnapt, alsof het er om te doen ware den

buren haarfijn te doen weten, wat er zal worden opgedischt.

Bij een oordeelkundige wijze van bereiding der spijzen dient in de

eerste plaats acht gegeven te worden, dat ze zoo weinig mogelijk

van hun voedende kracht verliezen; in de tweede plaats, wat gelukkig

haast altijd met den eersten eisch hand aan hand gaat, dat de spijs

den smaak, die haar van nature eigen is, zooveel mogelijk behoudt;

in de derde plaats, dat het voedsel geen bestanddeelen mag bevatten,

die voor de gezondheid nadeelig zijn en eindelijk, wat niet als

minst belangrijke eisch mag beschouwd worden, dient men in het

oog te houden dat het voedsel noch te veel noch te weinig van onze

spijsverteringsorganen mag vorderen.

Om aan de twee eerstgenoemde eischen te voldoen zorge men, dat de

spijzen niet te hard koken. In dat geval toch ontsnappen met den

damp het eerst die bestanddeelen, welke het gemakkelijkst oplossen

en daartoe behooren in den regel de geurigste en die welke het

gemakkelijkst verteerbaar zijn.

Als men vruchten en groenten met niet te veel water op een zacht

vuur laat gaarkoken, gaan die voedende en geurige bestanddeelen niet

verloren. Bij versche bladgroenten is gemeenlijk niet meer noodig dan

wat na het wasschen aan de bladeren blijft hangen. Soms is dat nog te

veel. Gedroogde graan-, peul- en boomvruchten moeten daarentegen ruim

worden opgezet (voordeelig is het ze eerst in zacht water te weeken)

opdat de cellen het noodige water kunnen opnemen. Wanneer weeking

aan koken is voorafgegaan, worden ze in het weekwater gekookt. Heet

water dient men bij de hand te hebben om te kunnen bijboeten als er

water te kort mocht komen. Het zoogenaamde _laten schrikken_ met koud

water is verkeerd, omdat door de plotselinge verlaging van warmtegraad

de celhuidjes een verandering ondergaan, waardoor ze niet meer week

kunnen worden.

Evenmin als men water mag te kort komen, mag men water

overhouden. Meestal is er genoeg om, waar dat noodig is, een saus te

maken, die er eigenaardig bij behoort, zie het Hoofdstuk: Sausen.

Mocht er door toeval of door den aard der gekookte spijzen meer

water overschieten dan voor den aanmaak van de saus dienen kan,

dan beware men dat voor de eene of andere soep; want dat water bevat

voedingszouten, die voor bloed-, spier- en beenvorming van het hoogste

belang zijn.

Brandt het vuur regelmatig zachtjes voort, dan duurt het wel iets

langer, eer de spijzen koken, maar als het deksel goed sluit,

dan blijft de damp in den pot, doordringt de spijs en maakt ze in

ongeveer denzelfden tijd gaar als op een sterk vuur. _Men dwaalt_

als men meent, dat als het water eenmaal kookt, men de temperatuur

van het water verhoogen kan door het vuur harder te laten branden. Dat

zou alleen kunnen als het deksel luchtdicht kon gesloten worden.

Om aan de derde der gestelde eischen te kunnen voldoen, d. i. om

zorg te dragen, dat ons voedsel geen bestanddeelen zal bevatten, die

nadeelig op de gezondheid kunnen werken, heeft men op drie dingen te

letten. In de eerste plaats wachte men zich waren te koopen, die in

bedorven toestand verkeeren, zelfs al is het bederf in zoo'n geringen

graad aanwezig, dat neus noch tong zich tegen het gebruik verzet. Alles

wat ook in de geringste mate muf, verzuurd, vunzig of beschimmeld is,

worde _weggeworpen_.

In de tweede plaats zorge men voor het keukengereedschap, dat met de

spijzen in aanraking komt. Indien men zich geen pannen van nikkel of

aluminium heeft aangeschaft, bediene men zich het liefst van aarden

en van geëmailleerde ijzeren vaten, waarvan email of glazuur geen

lood bevat.

Om zich te overtuigen of het glazuur of het email looddeelen bevat,

vulle men de pannen met een mengsel van gelijke deelen _azijn_

en _water_ en een hoeveelheid keukenzout van 10 gram per liter

vloeistof. Nadat men dat mengsel een half uur heeft laten koken,

neemt men een deel der vloeistof, die men met een gelijk deel

zwavelwaterstofwater vermengt. Indien het mengsel zwart wordt, moet

men geen spijzen in de pan koken of bewaren. Men make er een gewoonte

van om gekookte spijzen nooit den nacht over in pannen van het een

of ander metaal te laten staan zelfs niet in geëmailleerd, daar de

zuren, die de spijzen bevatten, lichtelijk het metaal aantasten onder

daarvoor gunstige omstandigheden, waardoor vergiftige verbindingen

zouden kunnen ontstaan.

Zoodra de spijzen uit het vaatwerk zijn, moeten de potten of pannen

schoongemaakt worden. Laat de gelegenheid dat niet toe, dan vult men

ze met water, dat men er in laat staan, totdat men tijd heeft om ze

schoon te maken. Bovendien kookt men om de _zes_ of _acht_ weken alle

potten en pannen _behalve die, welke van aluminium zijn gemaakt_, met

wat opgeloste potasch of soda uit. Geëmailleerd ijzeren vaatwerk duurt

heel lang als men het niet op sterk vuur zet, en er voor zorgt, dat

er geen koud water mee in aanraking komt, als het heet is. Splintert

het glazuur, dan loopt men de kans, dat er afgestooten deeltjes in

de spijzen komen.

Bij het schoonmaken van geëmailleerd vaatwerk en evenzoo van aarden

en porseleinen keukengereedschappen gebruike men twee waschvaten of

teilen, één gevuld met warm zeep- of sodawater en één met schoon heet

water om er de uitgedropen vaten in uit te spoelen. Daarna worden

ze afgedroogd. Wordt deze wijze van handelen gevolgd, dan zullen de

vaten niet streperig opdrogen; want dat gebeurt alleen als het water

of de doek, waarmee men de vaten afdroogt, vuil is. Zijn de pannen

van buiten te vuil om ze met zeep- of sodawater schoon te wasschen,

dan kan men ze met Brusselsche aarde schuren.

Verzilverde lepels en vorken worden het best met kokend water

afgewasschen, vertinde met heet zeepwater; ijzeren worden met asch

en heet water opgepoetst.

In de derde plaats vermijde men het gebruik van alle kruiden en

andere ingrediënten, die door hun prikkelende eigenschappen of op een

andere wijze nadeelig op de gezondheid werken en geen voedende kracht

bezitten. Daartoe behooren niet alleen witte, zwarte en cayennepeper,

lombok of spaansche peper, gember, mosterd, azijn; maar ook kaneel,

notemuskaat, foelie, komijn, kruidnagelen enz.

Een afzonderlijke bespreking verdienen hier keukenzout en azijn, 1e

omdat ze zoo algemeen in gebruik zijn en 2e omdat de dwaling heerscht,

dat ze noodig en nuttig zijn bij de bereiding der spijzen. Dat

zout nadeelig op de maag werkt, blijkt duidelijk, wanneer men een

zoutoplossing in de maag brengt van 1 eetlepel op 1/2 liter water. Dan

wordt de maag, zelfs van menschen die aan zoutmisbruik gewend zijn,

op hevige wijze aangedaan. Er heeft een groote afscheiding van slijm

plaats; is de maag niet al te zeer afgestompt, dan volgt braking en

anders wordt toch een groot deel, nadat er in de darmen eveneens een

groote slijmafscheiding is verwekt, door stoelgang verwijderd.

Ware het niet, dat men met het zoutgebruik op zeer jeugdigen leeftijd

begon, men zou bij het gebruik van gezouten of gepekelde spijzen een

gelijksoortige werking van maag en darmen ondervinden.

Het Engelsche geneeskundige blad _The Lancet_, naar aanleiding van

Prof. Hutchins behandeling van kanker met Röntgen-stralen, een artikel

aan de oorzaken dezer kwaal wijdend, noemt als zoodanig: in de eerste

en voornaamste plaats het zout in de voeding, in de tweede plaats een

overvloedige vleeschvoeding, in de derde plaats het gebruik van meer

voedsel dan tot onderhoud van het lichaam noodig is en eindelijk het

binnendringen van microben in het lichaam. "If salt were absent, cancer

would be absent" dus "als er geen zout gebruikt werd, zou er geen

kanker zijn" is de stelling, waarin de schrijver zijn artikel samenvat.

Maar behalve dat het zoutgebruik oorzaak is van ziekte, leidt het

tot afstomping der smaakzenuwen, waardoor den zoutgebruiker alle

spijzen flauw voorkomen, als hij er zijn geliefkoosd zout niet in

proeft. Aan te raden is het om het zoutgebruik geheel na te laten;

maar men doe het langzaam en geleidelijk; vooreerst omdat bij een

plotselinge onthouding van den zoutprikkel de slijmafscheiding der

maag tijdelijk zou kunnen worden gestaakt en ten tweede omdat licht

een tegenzin zou ontstaan in het nieuwe diëet, tengevolge van het

gemis van den zoutprikkel op de smaakzenuwen.

De geleidelijke overgang, die bij de verwerping van het keukenzout aan

te bevelen is, is onnoodig bij het afschaffen van den azijn. Vooreerst

toch maakt men in den regel geen _dagelijksch_ gebruik van azijn,

en ten tweede zullen zure vruchtensappen als bijv. bessennat maar

vooral citroensap met niet minder smaak genoten worden, als ze den

nadeeligen azijn vervangen.

Jac. Moleschott, die een matig gebruik van azijn bij vleesch en

salade goedkeurde in zijn "leer der voedingsmiddelen voor het volk"

omdat azijn "vezelstof" in een geleiachtige massa verandert en

daardoor het vleesch "kort" maakt, dat wil zeggen van taai vleesch

malsch vleesch maakt, doordat de azijn verwoestend op het bindweefsel

werkt en doordat ze zure celstof in suiker kan veranderen, waarschuwt

tegen een gelijktijdig gebruik van azijn en peulvruchten, omdat het

eiwit van erwten, boonen en linzen in azijn onoplosbaar wordt. Voorts

meldt hij als schadelijke eigenschappen van den azijn, dat het bloed

er door _verdund_ en _verkoeld_ wordt, dat bij zoogende vrouwen

tengevolge van azijn de hoeveelheid kaasstofblaasjes, waarin de boter

is ingesloten, vermindert. "_Wegens deze oplossing der belangrijkste

deelen van het bloed, die zich in het bloed door grootere vloeibaarheid

openbaart_," schrijft hij, "_is het onvergeeflijke lichtzinnigheid of

beklagenswaardige onwetendheid, wanneer jonge meisjes uit ijdelheid,

door azijn een kunstmatige magerheid trachten te verkrijgen. Maar al

te dikwijls bereiken zij dat doel te gelijk met diepwortelende ziekten,

waarin de tijd van den schoonsten maagdelijken bloei te loor gaat._"

Natuurlijk heeft deze noodlottige werking ook plaats bij matig gebruik;

alleen zijn de gevolgen niet zoo merkbaar, omdat dan onder gunstige

omstandigheden de verwoesting weer hersteld wordt, voordat ze zich

naar buiten openbaart; maar dat herstel veroorzaakt dan toch minst

genomen verspilling van kracht.

Hieruit volgt, dat het gebruik van azijn geheel dient te worden

nagelaten: plantaardige zuren, die geen nadeelige werking op het

gestel oefenen, kunnen er voor in de plaats treden, b.v. citroen-

of lemoensap, door persing verkregen, maar geen kunstmatig citroen-

of lemoensap, dat door _chemische_ bewerking is voortgebracht.

Alle mineralen, die geen deel uitmaken van de organische stof, kunnen

als gif voor het menschelijk lichaam worden beschouwd, waarom o.a. ook

de zoogenaamde _bakpoeders_ te verwerpen zijn.

Verder dient hier nog gewezen op het gebruik van _bittere_ amandelen,

die een stof bevatten (amygdaline geheeten) die niet voorkomt in zoete

amandelen, wel daarentegen in de pitten van perziken, abrikozen en

pruimen, in alle deelen van den laurierkers en in de lijsterbes. Deze

amygdaline kan oorzaak worden van vergiftiging.

Wordt tegen vergiftiging gewaarschuwd bij het bereiden der spijzen,

omdat gif, ook al is het in kleine giften, altijd nadeelig werkt, dan

vloeit daaruit van zelf voort, dat wie werkelijk vegetarisch leven wil,

ook die dranken moet vermijden, die als wijn, bier en gedistilleerd,

als koffie en thee wel gif bevatten maar geen voedsel en daardoor op

onze zenuwen een werking hebben, die vergeleken kan worden met den

prikkel van de zweep op het paard. Die dranken wekken zoogenaamd op,

d. w. z. ze verdooven het gevoel van vermoeidheid, maar zij nemen de

vermoeidheid niet weg en bovendien zij voeden niet. Men past daarbij

verkeerdelijk deze redeneering toe: "Ik ondervind er geen nadeel van,

dus waarom zou ik het laten?" terwijl men zou moeten redeneeren:

"Ik heb er geen voordeel van, dus waarom zou ik het doen?" Moeten wij

bij eenig nadenken niet tot het inzicht komen, dat alle dranken, die

een opwekkende eigenschap bezitten, zoogenaamd den geest versterken,

zonder te voeden, nadeelig moeten zijn, voor ons gestel?

Dit toch is slechts redelijk, dat wij den mond alleen dat bieden,

wat werkelijk voedt. En daarvan levert de natuur ons volop.

Laten wij ook daarom er bij voorkeur naar streven die spijzen op tafel

te hebben, die van zich zelf een aangenamen, tot eetlust opwekkenden

smaak hebben, dan kan men ook het gebruik van niet voedende maar

alleen het gehemelte streelende ingrediënten als vanille, laurierkers

enz. best missen.

Als ik thans een woord wijd aan het vetten en zoeten der spijzen,

dan is het niet omdat boter, olie en suiker giftige stoffen bevatten,

maar omdat ze op den duur te veel van onze verteringsorganen vorderen.

Boter, olie en suiker zijn meer kunst- dan natuurproducten. De vette

en vluchtige oliën komen evenals de suiker wel voor in vele deelen

van planten, maar uiterst fijn verdeeld en innig met andere stoffen

verbonden.

Theoretisch is het vetten van spijzen af te raden, maar bij den

overgang tot een mager diëet ga men met de noodige voorzichtigheid

te werk, rekening houdende met de eischen der gezondheid en met den

smaak; want een tong, die aan het gebruik van vet gewend is, wordt

niet licht tevreden gesteld met een schotel, waarin geen spoor van vet

te vinden is. Zoodra men echter merkt, dat het vetgebruik in dezen of

genen vorm last aan de maag bezorgt, bijv. door zure oprispingen en

dergelijke dan late men het vetgebruik in dien vorm na en streve er

naar, het gebruik van alle vetten of oliën zich te ontzeggen in den

vorm, waarin wel de _kunst_, maar _niet_ de _natuur_ ze ons aanbiedt.

Hoofdstuk V bevat een aantal sausen, die wel geschikt zijn om den

smaak te bevredigen van hen, die het vet nog niet kunnen missen en

die hen, die zich aan een mager diëet willen wennen, het middel aan

de hand geven, langzamerhand daartoe te geraken.

Het zoeten der spijzen geschiedt tegenwoordig schier algemeen

met suiker. Maar men make er slechts een matig gebruik van,

omdat suiker evenals gedroogde vruchten, voornamelijk rozijnen,

dadels en vijgen door hun hoog suikergehalte te veel vergen van onze

spijsverteringsorganen. Daarom verdient het aanbeveling die vruchten

vóór het gebruik--na ze zeer goed te hebben gewasschen--in zuiver water

te weeken te zetten. Dadels en sommige soorten van rozijnen behoeven

daartoe niet minder dan _vier en twintig_ uren. Bij het weeken van die

vruchten dringt het water naar binnen, doet de vruchten zwellen en

lost de suiker op, die gedeeltelijk naar buiten treedt en het water

zoet maakt, waarin de vruchten liggen, waarom dan ook _het water met

de vruchten_ genoten wordt.

In dezen vorm leent zich het water met de vruchten ook uitstekend om

verschillende spijzen te verzoeten, wat bij de prijzen van dadels en

rozijnen geen geldelijk bezwaar oplevert.

Maar niet alleen dienen zij gewaarschuwd, wier hart nog voor een groot

deel aan de bereidingswijzen van de overgeleverde kookkunst hangt,

dat zij niet te veel arbeid mogen eischen van onze verteringsorganen,

ook zij, die een voorliefde hebben voor iets nieuws en daardoor de kans

loopen dat zij tot een verandering besluiten, die geen verbetering

is. Dat gevaar loopen zij die de leuze aanheffen: "Voor vegetariërs

alleen rauwe kost."

Zeker, er ligt waarheid in die leuze, maar men zij voorzichtig in de

toepassing. Wie op het voetspoor van het "Rezeptbuch für Rohkost" van

Helene Volchert, boonen, erwten, grutten, rijst en allerlei meelsoorten

ongekookt nuttigt, is m. i. verder van de wijs dan die door bakken,

koken of stoven de houtachtige omhulsels der cellen doet springen en

het smakelooze zetmeel in voedzame suiker omzet voordat het genuttigd

wordt. Gedroogde graan- en peulvruchten, hoe geschikt ook als voedsel

voor hoenders en duiven zijn zonder behulp van het vuur ongeschikt

en onsmakelijk voor ons, die den krop ontberen, in welker bezit zich

papegaaien en hoenderachtige vogels mogen verheugen. Wie dus tot rauwen

kost wil overgaan, hij kieze zijn gerechten uit noten en amandelen,

uit peren, appelen, bessen en verdere vruchten, uit jonge groenten

en uit sappige wortelen, dan zal hij geen gevaar loopen te veel te

eischen van zijn verteringsorganen, als hij tenminste daarbij nog in

acht neemt, dat wat hij eet ook goed gekauwd moet worden. Dat geldt

natuurlijk niet alleen voor hem, maar voor ieder, die het tijdperk

van zuigeling achter zich heeft.

Kauwen, _goed kauwen_ is een zaak van gewicht; want de spijsvertering

_begint_ _in den mond_. Dat is niet algemeen bekend en die het weten,

denken er niet altijd aan. Dat is jammer; want juist met den mond

zijn we in staat op onmiddellijke wijze invloed op de vertering uit

te oefenen, wat niet het geval is met de maag en de darmen.

Met de tanden malen wij het voedsel fijn, de celwanden worden verbroken

en het onoplosbaar zetmeel wordt door de werking van _ptyalin_ in

ons speeksel omgezet in dextrine en druivensuiker.

Kauwen wij dus het eten niet fijn, dan worden de celwanden niet

verscheurd en krijgt de maag of de andere ingewanden tot taak die

wanden op te lossen. Kunnen de ingewanden de hun opgelegde taak niet

of slechts ten deele vervullen, dan blijft een deel van het voedsel

onverteerd. Die onverteerde stoffen zijn dan nuttelooze ballast,

maar dikwijls zijn ze erger dan dat en worden ze een bron van kwalen

en ongesteldheden.

Drinken we onder ons eten, dan maken we van de spijs wel een soort

van brij; maar het speeksel wordt verdund en ook de tanden komen

niet genoeg in aanraking met de afzonderlijke deelen van de bete,

die we met de koude of warme dranken te spoedig tot een brij vervormd

hebben. Is het drinken onder het eten af te keuren, ook bij gebruik van

voedende dranken als melk en chocolade, van sausen, soepen enz. ga men

met overleg te werk. Gebruikt men melk of chocolade bij het ontbijt

bijv., dan neme men beurtelings een beet brood en een dronk; maar

men neme geen slok van de melk of chocolade voordat men zijn hapje

brood behoorlijk heeft gekauwd en ingeslikt. Eet men soep of eenige

andere vloeibare spijs dan eet men er eenige vaste spijs tusschen

door, bijv. bruin- of Grahambrood; maar de vaste en vloeibare spijs

mogen zich niet te gelijk in den mond bevinden. Heeft men een hapje

van de vaste spijs goed gekauwd, zoodat die in opgelosten staat door

den slokdarm is gegaan, dan kunnen een paar lepels van de vloeibare

spijs volgen.

Veelal zijn de gekookte spijzen te week om goed genoeg gekauwd te

worden; daarom is het goed bij het middagmaal brood te gebruiken,

dat evenwel niet versch mag wezen, als het van nut zal zijn bij

het kauwen. Wittebrood ete men _nooit_ versch, omdat het niet goed

kauwbaar is en een klomp deeg vormt in de maag, waar het maagsap de

afzonderlijke deeltjes al evenmin bereiken kan als dat het geval was

in den mond met het speeksel.

Hoe steviger de spijs is, hoe krachtiger hij gekauwd en met de

mondsappen kan doordrongen worden. Zoolang er nog kruimelige deelen

in den mond zijn, mag de spijs niet worden ingeslikt, maar moet de

tong die heen en weer schuiven en van het achterste naar het voorste

gedeelte van den mond brengen, totdat alles behoorlijk is opgelost. De

pogingen om langzaam te leeren kauwen worden aanmerkelijk verlicht

als men de bewegingen der onderkaak op elkander laat volgen met de

regelmatigheid van den slinger eener klok. Houdt men dat een tijd

lang vol, dan kan men spoedig de herinneringen missen, die men in

het begin noodig had.

Zijn de spijzen te warm, dan kan men ze zooals van zelf spreekt, ook

niet goed kauwen; maar ook om andere redenen kan er tegen het gebruik

van te warme en te koude spijzen niet dringend genoeg gewaarschuwd

worden.

Vooreerst wordt het email der tanden aangetast door te heete en te

koude spijzen of dranken, wat den grond legt voor een spoedig bederf

van tanden en kiezen. Ten tweede is wel de opperhuid berekend voor

een zekere afwisseling van warmtegraad, maar niet de slijmhuid van den

mond, noch die van de maag; en al moge de maag niet zoo gevoelig zijn,

omdat haar slijmhuid niet zoo veel gevoelszenuwen als de opperhuid

van ons lichaam heeft, de werking van het slijmvlies wordt er niet

minder om gestoord.

Naast de in achtneming van deze algemeene regelen voor vetten en zoeten

der spijzen en voor het kauwen dient nog voor elk gestel afzonderlijk

te worden nagegaan, hoe _deze_ of _die_ spijze en hoe elke spijze

volgens _deze_ en volgens _gene_ bereidingswijze den gebruiker bekomt;

want verzwakte of verminkte organen zijn tijdelijk of voorgoed buiten

staat hun werk naar behooren te verrichten. Daarom dienen die organen

zooveel mogelijk gespaard, om ze door rust kans te geven op herstel

en midderwijl het lichaam te verschaffen, wat het noodig heeft.

Wie bij zich zelf of bij hen, die aan zijn of haar zorgen zijn

toevertrouwd, verschijnselen waarneemt, die hij zich niet verklaren

kan, beproeve raad en voorlichting bij geestverwanten te zoeken,

liefst bij dezulken, die hem of haar van nabij kunnen gadeslaan. Ook

het orgaan van den Bond "De Vegetarische Bode" neemt gaarne vragen

op van hen, die omtrent bijzonderheden van de vegetarische leefwijze

of wat daarmede samenhangt inlichtingen verlangen.

De Vegetarische Keuken Kookboek van den Nederlandschen Vegetariërsbond · 第 17 / 71 题