Den volgenden dag, den 26n Juni, werd ik bij het aanbreken van den
dageraad door het geluid van bekende stemmen gewekt. Ik stond dadelijk
op. Kapitein Hod en zijn oppasser Fox hadden een druk gesprek in de
eetzaal van het Stoomhuis. Ik voegde mij dadelijk bij hen.
Op hetzelfde oogenblik verliet Banks zijn kamer en werd dadelijk door
den kapitein met zijn luidklinkende stem toegesproken:
»Wel, vriend Banks," zeide hij tot hem, »eindelijk zijn we dan toch
in een goede haven aangekomen! Ditmaal is het voor goed. 't Is nu
geen halt meer van eenige uren, maar een verblijf van eenige maanden."
»Ja, waarde Hod," antwoordde de ingenieur, »en nu kunt ge uw jachten
op uw gemak organiseeren. De fluit van den IJzeren Reus zal u niet
meer in het kamp terugroepen."
»Hoor je, Fox?"
»Ja, kapitein," antwoordde de oppasser.
»De hemel sta me bij!" riep Hod uit, »maar 'k verzeker je, dat ik
ons sanitarium niet verlaat voordat ik mijn vijftigsten geschoten
heb! Mijn vijftigsten, Fox! 'k Heb zoo'n idée, dat die al bijzonder
moeilijk te snappen zal zijn!"
»Toch zal men hem snappen," antwoordde Fox.
»Hoe kom je aan dat idée, kapitein Hod?" vroeg ik.
»Wat zal 'k je zeggen, Maucler, 't is een voorgevoel, niets anders!"
»Dus," zei Banks, »ga je vandaag den veldtocht al openen?"
»Vandaag al," antwoordde kapitein Hod. »We zullen beginnen met het
terrein te verkennen, en de onderste streek gaan doorzoeken tot de
bosschen van Tarryani. Als de tijgers die streek maar niet verlaten
hebben!"
»Waarom zou je dat denken?..."
»En, mijn slechte veine?"
»Slechte veine!... in de Himalaya!..." antwoordde de ingenieur. »Is
dat mogelijk!"
»Nu, we zullen zien!--Je gaat toch mede, Maucler?" vroeg kapitein Hod,
zich tot mij wendende.
»Ja zeker."
»En gij, Banks?"
»Ik ook," antwoordde de ingenieur, »en 'k denk dat Munro zich bij u
zal voegen, zooals ik het doen zal... als liefhebber!"
»Nu, mij wel!" antwoordde kapitein Hod, »als liefhebbers, maar dan toch
als goed gewapende liefhebbers! Men kan daar moeilijk gaan wandelen
met een rotting in de hand! Dat zou vernederend zijn voor de wilde
dieren van Tarryani!"
»Dat is dus afgesproken!" antwoordde de ingenieur.
»En nu, Fox," hernam de kapitein, zich tot zijn oppasser richtende,
»geen vergissingen, dezen keer! We zijn in het land der tijgers! Vier
Enfield-karabijnen voor den kolonel, Banks, Maucler en mij, twee
geweren met ontplofbare kogels voor jou en Goûmi."
»Wees gerust, kapitein," antwoordde Fox. »'t Wild zal zich niet te
beklagen hebben!"
Deze dag zou dus gewijd zijn aan de verkenning van het bosch van
Tarryani, dat het onderste gedeelte van de Himalayaketen onder ons
sanitarium, bedekt. Tegen elf uren dus, na het ontbijt, daalden we,
Sir Edward Munro, Banks, Hod, Fox, Goûmi en ik, allen goed gewapend,
den weg af, die schuins naar de vlakte loopt, na gezorgd te hebben
de twee honden in het kamp achter te laten, die we op dezen tocht
niet noodig hadden.
Sergeant Mac Neil was met Storr, Kâlouth en den kok in het Stoomhuis
gebleven om de laatste hand aan onze installatie te leggen. Na
een reis van twee maanden, was het noodig dat de IJzeren Reus in-
en uitwendig onderzocht, schoon gemaakt en opgeknapt werd. Dat was
een lange, nauwkeurige, moeielijke arbeid, die zijn gewonen cornacs,
den stoker en den machinist niet veel rust zou geven.
Ten elf ure hadden wij het sanitarium verlaten en eenige minuten
daarna, bij de eerste kromming van den weg, hadden we het Stoomhuis
achter het dichte geboomte uit het oog verloren.
Het regende niet meer. Een frissche wind uit het noordoosten joeg het
zwerk in de hooge streken van den dampkring met drift voort. De hemel
was grijs,--de temperatuur zeer geschikt voor voetgangers; maar nu
ook miste men de schilderachtige afwisseling van licht en schaduw, die
zulk een eigenaardige bekoorlijkheid aan de groote bosschen verleent.
Een recht eind wegs van twee duizend meters af te dalen, zou het
werk van vijf en twintig à dertig minuten geweest zijn, maar nu die
weg zich verlengde door al de bochten, waardoor de steile hellingen
vermeden werden, was er meer tijd toe noodig. We hadden niet minder dan
anderhalf uur noodig om den bovensten zoom van de bosschen van Tarryani
op vijf of zes honderd voet boven de vlakte te bereiken. Natuurlijk
werd de weg in vroolijke stemming afgelegd.
»Opgepast!" zei kapitein Hod. »We komen nu op het domein der tijgers,
leeuwen, panters, luipaarden en andere lieve diertjes van de streek
der Himalaya-bergen. 't Is goed om de wilde dieren te dooden, maar
't is beter niet door hen gedood te worden! Laten we ons dus niet
van elkander verwijderen en voorzichtig zijn!"
Zulk een aanbeveling in den mond van den koenen jager was geld
waard. Ook stelden we haar allen op prijs. De karabijnen en de geweren
waren geladen, de hanen gespannen. Wij bereidden ons op alles voor.
Doch het waren niet alleen de verscheurende dieren, waartegen wij op
onze hoede moesten zijn, maar ook de slangen, waarvan de gevaarlijkste
in de wouden van Indië worden aangetroffen. De »belongas," de groene
slangen, de zweepslangen en nog zooveel andere soorten zijn zeer
vergiftig. Het aantal slachtoffers, die jaarlijks ten gevolge van de
beten dezer kruipende dieren omkomen, is vijf- of zesmaal grooter
dan dat der huisdieren of der menschen, die ten prooi der wilde
beesten bezwijken.
Het is dan ook in deze streken meer dan ooit zaak op alles te letten,
goed toe te zien waar men den voet zet, waar men de hand steunt,
het oor te leenen aan de minste geruchten, die uit het gras of van
tusschen de struiken voortkomen.
Het was half een uur toen wij onder de groote boomen aan den zoom
van het bosch aankwamen. Hunne hooge takken breidden zich boven
eenige breede lanen uit, waardoor de IJzeren Reus, gevolgd door den
trein, dien hij zooals gewoonlijk voorttrok, gemakkelijk had kunnen
passeeren. Werkelijk was dan ook dit gedeelte van den weg sedert
lang in gebruik voor het vervoer van het door de bergbewoners in den
handel gebrachte hout, hetgeen te zien was aan de versche sporen in
de weeke klei. Deze groote lanen liepen in de richting der keten
en, in de lengte loopende van het Tarryani-woud, verbonden zij de
door den bijl van den houthakker hier en daar opengehouden plekken;
maar aan elke zijde namen zij smalle voetpaden op, die zich onder
ondoordringbaar kreupelhout verloren.
Wij volgden dus deze lanen, meer als landmeters dan als jagers,
teneinde hare algemeene richting te verkennen. Geen gehuil verstoorde
de stilte in het diepst van het woud. Groote, versche in den bodem
achtergelaten indrukselen evenwel, waren het bewijs dat de roofdieren
het woud van Tarryani niet verlaten hadden.
Eensklaps, op het oogenblik dat wij een van de bochten der laan
doorliepen, die op deze plaats door den voet van een berg van de
rechte lijn was afgeweken, deed een uitroep van kapitein Hod, die
vooruitliep, ons stilstaan.
Op twintig schreden van ons af, aan den hoek van een open plek in
het bosch, omzoomd door groote pendanus, verhief zich een gebouwtje
van vrij zonderlingen vorm. Het was geen huis, want het had noch
schoorsteen, noch vensters. Het was ook geen jagershut, want het
had noch schietgaten, noch openingen voor deuren en vensters. Men
zou het eerder voor een Hindoesche grafplaats hebben kunnen houden,
verloren in het diepst van dit woud.
Men stelle zich namelijk een soort van lang vierkant voor, samengesteld
uit boomstammen, vertikaal tegen elkander geplaatst, die stevig in
den grond geheid en aan hun bovenste gedeelte door een dikken band
van takken verbonden waren. Als dak andere dwarsstammen, stevig aan
de opgaande stammen bevestigd.
Blijkbaar had de bouwer zijn best gedaan het gebouwtje tegen alle
uitwendige invloeden bestand te maken. Het was ongeveer zes voet
hoog, twaalf lang en vijf breed, Het had schijnbaar geen opening,
behalve aan den voorgevel, alwaar zij door een zwaren balk, waarvan
het afgeronde hoofd iets boven het dak uitstak, verborgen was.
Boven het dak uit waren lange, buigzame staken opgericht, op een
zonderlinge wijze met elkander verbonden. Aan het uiteinde van een
horizontale spaak, die deze stelling torschte, hing een lus, of liever
een ring, gevormd door een dikke vlecht lianen.
»Wat is dat?" riep ik uit.
»Dat is eenvoudig," antwoordde Banks, na alles goed opgenomen te
hebben, »een muizenval, maar 'k geef je te raden, mijne vrienden,
welke muizen zij bestemd is te vangen!"
»Een tijgerval?" riep kapitein Hod uit.
»Ja," antwoordde Banks, »een tijgerval, waarvan de deur, gesloten
door den balk, die door dezen strik van lianen gedragen werd
is nedergevallen, omdat de wipplank van binnen door een dier is
aangeraakt."
»Voor het eerst," antwoordde Hod, »zie ik in een bosch van Indië een
val van deze soort. Een muizenval, je hebt gelijk! Maar dat is een
jager onwaardig!"
»Een tijger ook," voegde Fox er bij.
»Zeer zeker," antwoordde Banks, »maar zoo het er op aankomt deze woeste
dieren te vernietigen en niet ze voor pleizier te jagen, dan is de
beste val die, welke de meeste vangt. Nu komt deze mij werkelijk
schrander gesteld voor om wilde beesten te lokken en gevangen te
houden, hoe wantrouwig en sterk ze ook zijn!"
»En daar," zei toen kolonel Munro, »het evenwicht der wipplank, die
de deur van den val ophield, verbroken is, is het waarschijnlijk dat
werkelijk een dier zich heeft laten vangen."
»We zullen het gauw weten!" riep kapitein Hod uit, »en als de muis
niet dood is!..."
Dit zeggende gaf de kapitein het voorbeeld en hield zich gereed zijn
karabijn aan te leggen, hetgeen door allen gevolgd werd.
Natuurlijk twijfelden wij geen oogenblik of dit gebouwtje was
werkelijk een val van die soort, welke dikwijls in de bosschen van Java
wordt aangetroffen. Doch, al was het niet het werk van een Hindoe,
dan beantwoordde het toch ten volle aan al de voorwaarden die deze
vernielingswerktuigen zoo praktisch maken, buitengewone gevoeligheid,
gepaard aan beproefde stevigheid.
Nadat onze beschikkingen genomen waren, naderden kapitein Hod,
Fox en Goûmi den val, dien zij eerst van alle kanten wilden
opnemen. Ongelukkig was er geen opening tusschen de vertikale stammen,
die hun veroorloofde een blik in het inwendige te slaan.
Zij luisterden met de grootste aandacht. Geen enkel geluid verried
de tegenwoordigheid van een levend wezen binnen het houten vierkant,
zoo stom als het graf.
Kapitein Hod en zijne metgezellen kwamen aan de voorzijde terug. Zij
overtuigden zich, dat de beweegbare balk in twee groote vertikaal
gestelde groeven gegleden was. Men behoefde hem dus slechts op te
lichten om tot het inwendige van den val door te dringen.
»Niet het minste geluid!" zei kapitein Hod, die zijn oor tegen de
deur had aangelegd, »geen zuchtje zelfs! De muizenval is ledig!"
»Het doet er niet toe, weest voorzichtig!" antwoordde kolonel Munro.
En hij zette zich op een boomstam, links van de open plek. Ik plaatste
mij naast hem.
»Kom Goûmi!" zei kapitein Hod.
Goûmi, vlug, hoewel klein van persoon, toch slank, snel in zijn
bewegingen als een aap, lenig als een luipaard, een echte Hindoesche
clown, begreep wat de kapitein wilde. Door al deze hoedanigheden
was hij de aangewezen persoon voor den dienst, welken men van hem
verwachtte. Met één sprong was hij op het dak van den val en in een
oogenblik had hij een der staken bereikt die de bovenste stelling
vormden. Daarna liet hij zich langs de spaak, die tot hefboom diende,
tot den ring van lianen afglijden en door zijn gewicht boog hij haar
tot het boveneinde van den balk, die de opening sloot.
Deze ring werd vervolgens in een keep boven aan den balk geschoven en
nu had men niets anders te doen dan even te wippen, door het andere
uiteinde van de spaak of hefboom naar beneden te drukken.
Maar toen moesten al de vereenigde krachten van onzen kleinen troep
te hulp geroepen worden. Kolonel Munro, Banks, Fox en ik, we begaven
ons dus achter den val om deze beweging voort te brengen.
Goûmi was in de stelling gebleven, om den hefboom los te maken,
ingeval hij door eenigen hinderpaal belet werd vrij te werken.
»Mijne vrienden," riep kapitein Hod ons toe, »als het noodig is dat
ik me bij je voeg, kom ik, maar als je 't zonder me kunt doen, blijf
ik liever bij de opening staan. Als er dan althans een tijger uit
tevoorschijn komt, begroet ik hem in het voorbijgaan met een kogel!"
»En telt die dan voor den twee en veertigsten?" vroeg ik den kapitein.
»Waarom niet?" antwoordde Hod. »Als hij onder mijn schot valt, zal
hij altijd in volle vrijheid gevallen zijn!"
»Laten we het vel van den beer niet verkoopen....." hernam de
ingenieur, »voordat hij geschoten is!"
»Vooral als die beer wel eens een tijger kon zijn!....." voegde
kolonel Munro er bij.
»Tegelijk, mijne vrienden," riep Banks, »tegelijk!"
De balk was zwaar en gleed slecht in zijn sponningen. Toch gelukte
het ons hem in beweging te brengen, hij schommelde een oogenblik en
bleef een voet van den grond af hangen.
Kapitein Hod trachtte in half gebogen houding, met aangelegde karabijn,
te zien of er geen énorme poot of open muil in de opening van den
val te voorschijn kwam, doch niets vertoonde zich nog.
»Nog één poging, mijne vrienden!" riep Banks.
En dank zij Goûmi, die het achtereinde van den hefboom eenige schokken
kwam geven, werd de balk langzamerhand in de hoogte geheschen. Weldra
was de opening wijd genoeg om zelfs een groot dier door te laten.
Doch er vertoonde zich geen dier, welk ook.
Evenwel was het mogelijk, dat, tengevolge van al het leven in den
omtrek van den val, de gevangene in het achterste gedeelte van zijn
gevangenis de wijk had gekomen. Misschien zelfs wachtte hij slechts
op het geschikte oogenblik om zijn sprong te nemen, iedereen omver
te werpen, die zich tegen zijn vlucht zou verzetten en in het dichtst
van het woud te verdwijnen.
Het was waarlijk een kritiek oogenblik.
Kapitein Hod deed nu eenige schreden voorwaarts met den vinger aan
den trekker van zijn karabijn en spande zich in om met den blik tot
in het achterste gedeelte van den val door te dringen.
Eindelijk was de balk geheel opgelicht en stroomde het licht door de
opening naar binnen.
Op dit oogenblik meende men door de wanden van den val heen een
lichte beweging te vernemen, daarna een dof geronk of liever een
geducht gegeeuw, dat ik zeer verdacht vond.
Hoogst waarschijnlijk was daar een dier, dat sliep en dat we plotseling
hadden wakker gemaakt.
Kapitein Hod kwam nog wat naderbij en richtte zijn karabijn op iets,
dat hij in de halve duisternis zag bewegen.
Eensklaps bewoog zich iets van binnen en weerklonk een kreet van
schrik, die dadelijk gevolgd werd door deze woorden, in goed Engelsch
uitgesproken:
»Schiet niet, in God's naam! Schiet niet!"
Daar sprong een man buiten den val.
We waren zoo verbaasd, dat wij den balk loslieten en hij met een dof
geluid voor de opening neerviel, die hij wederom sloot.
Intusschen liep deze zoo geheel onverwachte persoon op kapitein Hod
toe, wiens karabijn hem steeds bleef bedreigen, en zeide op een vrij
verwaanden toon, gepaard met een sprekend gebaar:
»Wees zoo goed, mijnheer, en wend uw wapen af. Ge hebt met geen tijger
van Tarryani te doen!"
Kapitein Hod bracht na eenige aarzeling zijn karabijn in een minder
gevaarlijke positie.
»Tot wien hebben we de eer te spreken?" vroeg Banks.
»Tot den natuurkundige Matthias van Guitt, gewoon leverancier van
dikhuidige dieren, luiaards, zoolgangers, snuitdragers, verscheurende
en andere zoogdieren voor het huis Charles Rice van Londen en het
huis Hagenbeck van Hamburg!"
Vervolgens een zwierig gebaar in de rondte makende:
»En de heeren?...."
»Kolonel Munro en zijne reisgenooten," antwoordde Banks, ons met de
hand aanduidende.
»Op een wandeling in de wouden van het Himalayagebergte!" hernam de
leverancier. »Werkelijk een bekoorlijk tochtje! Uw onderdanige dienaar,
mijne heeren, uw onderdanige dienaar!"
Wie was de origineel met wien we te doen hadden? Zijne hersenen
waren toch niet gekrenkt tengevolge zijner gevangenschap in den
tijgerval? Was hij krankzinnig of bij zijn verstand? Tot welke
categorie van tweehandige schepselen behoorde toch dat wezen?
We zouden het spoedig weten en in het vervolg leerden wij dat
zonderlinge personage, dat zich natuurkundige noemde en het inderdaad
geweest was, beter kennen.
De heer Matthias van Guitt, leverancier van menagerieën, droeg een
bril en was vijftig jaar oud. Zijn glad gelaat, zijn knippende oogen,
zijn neus in den wind, de aanhoudende beweeglijkheid van zijn geheelen
persoon, zijn levendige gebaren bij elken volzin, die aan zijn wijden
mond ontrolde, dat alles deed hem kennen als het overbekende type
van den reizenden komediant. Wie heeft niet hier of daar een van die
acteurs ontmoet, wier geheele leven verloopt tusschen het voetlicht en
den achtergrond van een tooneel? Als onvermoeide praters, vervelende
gebarenmakers, bluffers met zich zelve ingenomen, dragen ze het hoofd
hoog, dat te ledig is in den ouderdom om op jeugdigen leeftijd ooit
goed gevuld geweest te zijn. Werkelijk had Matthias van Guitt veel
van den ouden komediespeler.
Misschien heeft men de aardige anecdote wel eens hooren vertellen,
betreffende dien armen drommel van een zanger, die elk woord van zijn
rol door een bijzonder gebaar meende te moeten doen vergezeld gaan.
Hief hij bijvoorbeeld in de opera Masaniello uit volle borst aan:
Als van een Napelschen visscher....
dan zwaaide hij zijn rechter arm, naar de zaal uitgestrekt,
koortsachtig alsof hij een snoek aan zijn hengel had, die den haak
had ingeslikt. Daarna voortgaande:
De hemel een monarch wilde maken,
terwijl hij een zijner handen naar boven uitstak om den hemel aan te
wijzen, vertoonde de andere, een kring om zijn fier opgericht hoofd
beschrijvende, een koningskroon.
Zich verzettende tegen de beslissing van het noodlot,
zijn geheele lichaam bood hevig weerstand tegen een kracht, die poogde
hem achterover te doen vallen.
Zou hij, zijn bootje besturende, zeggen....
en nu bewogen zich zijn beide armen snel van links naar rechts en
van rechts naar links, alsof hij den wrikriem behandelde en toonde
hij daarmede zijne handigheid in het besturen van een bootje.
Welnu, dergelijke gebaren, die vermelden zanger tot een tweede natuur
geworden waren, waren nagenoeg die van den leverancier Matthias van
Guitt. Hij maakte in zijn spreken slechts van uitgezochte termen
gebruik en moest voor hem, die met hem sprak en zich niet buiten het
bereik zijner gebaren kon stellen, al zeer hinderlijk zijn.
Zooals wij later van hem zelven vernamen was Matthias van Guitt
oud-hoogleeraar in de natuurkunde, die evenwel niet veel succes van
zijn professoraat gehad had. Het is zeker, dat de waardige man veel
stof tot lachen moest geven en dat, zoo hij al veel toehoorders kreeg,
dit meer was om zich te vermaken, dan om te leeren. Het kwam eindelijk
zoo ver, dat het hem begon te vervelen zonder succes de theoretische
zoölogie te onderwijzen en hij liever naar de Indiën ging om de
practische zoölogie te bestudeeren. Deze soort van handel beviel hem
beter en hij werd aangesteld als leverancier der belangrijke huizen
van Hamburg en Londen, die meerendeels de publieke en bijzondere
diergaarden der twee werelden voorzien.
En de reden waarom Matthias van Guitt zich thans in Tarryani ophield,
was dat een belangrijke bestelling van wilde dieren voor Europa hem
daar gebracht had. Inderdaad was zijn kamp niet meer dan twee mijlen
van den val verwijderd, waaruit wij hem pas verlost hadden.
Maar hoe kwam toch de leverancier in den val? Dit was de eerste vraag,
die Banks hem deed en ziehier wat hij antwoordde in een taal door
een menigte gebaren opgeluisterd:
»Het was gisteren. De zon had reeds de helft van haar dagelijkschen
weg afgelegd, toen de gedachte bij mij opkwam een der tijgervallen te
gaan bezoeken, door mijne handen gesteld. Ik verliet dus mijn kraal,
dien ge wel met een bezoek zult willen vereeren, mijne heeren, en ik
kwam op deze open plek in het bosch. 'k Was alleen, mijn personeel
hield zich met allernoodzakelijkste bezigheden onledig en ik had
er hen niet in willen stooren. Dat was onvoorzichtig. Toen ik mij
voor den val bevond, zag ik dadelijk dat de schuifdeur, door den
beweeglijken balk gevormd, was opgehaald, waaruit ik niet zonder een
logische opeenvolging van feiten besloot, dat zich tot nog toe geen
wild dier in den val had laten vangen. Evenwel wilde ik mij overtuigen
of het lokaas nog altijd aanwezig was en de wipplank goed werkte. Met
een handige kruipende beweging, sloop ik dus door de nauwe opening."
En met een sierlijk gebaar bootste Matthias van Guitt de beweging na
van een slang, die door het hooge gras kruipt.
»Achter in den val gekomen," hernam de leverancier, »verzekerde ik mij
dat het stuk geitenvleesch, waarvan de reuk de gasten van dit gedeelte
van het bosch moest aantrekken, onaangeroerd was. Toen ik wilde
heengaan, stootte ik onwillekeurig met mijn arm tegen de wipplank,
de stelling boven ontspande zich, de schuifdeur viel neder en 'k was
in mijn eigen val gevangen, zonder eenig middel er uit te komen."
Hier hield Matthias van Guitt even op om al het ernstige van zijn
toestand te doen begrijpen.
»Evenwel, mijne heeren," hernam hij, »wil ik u niet verzwijgen,
dat ik de zaak eerst geheel van haar komieke zijde beschouwde. 'k
Was gevangen, goed! Geen cipier om de deur mijner gevangenis te
openen, volkomen waar! Maar ik verkeerde in het gelukkige denkbeeld,
dat mijne onderhoorigen, zoodra ze mij niet zagen terugkeeren, zich
over mijn langdurige afwezigheid ongerust zouden maken en nasporingen
zouden gaan doen, die vroeger of later met een goeden uitslag zouden
bekroond worden. 't Was slechts een quaestie van tijd. 'k Gaf mij
dus, om den tijd door te brengen, aan mijne overpeinzingen over en
uren verliepen, zonder dat iets verandering in mijn toestand kwam
brengen. Toen de avond gevallen was, begon de honger zich te doen
gevoelen en 't beste wat ik meende te kunnen doen, was in den slaap
verlichting van mijn leed te zoeken. 'k Nam dus vrij philosophisch
mijn partij en 'k viel in een diepen slaap. De nacht was kalm te
midden van de diepe stilte des wouds. Niets verstoorde mijn slaap en
misschien zou ik op dit oogenblik nog slapen, zoo een vreemd geluid me
niet gewekt had. De schuifdeur van den val werd opgehaald, het licht
drong in stroomen mijn duister verblijf binnen en 'k had niet anders
te doen dan naar buiten te snellen!..... Wat was ik verschrikt toen
ik het doodelijk werktuig op mijn borst gericht zag! Een oogenblik en
'k was getroffen! Het uur van mijn verlossing zou het laatste mijns
levens geweest zijn!..... Maar mijnheer de kapitein wilde wel een
schepsel van zijn soort in mij zien..... en er blijft mij nog slechts
over u te danken, mijne heeren, mij de vrijheid te hebben weergegeven."
Dit was het verhaal van den leverancier. Ik moet bekennen, dat we
niet zonder moeite een glimlach konden weerhouden, dien zijn toon en
zijn gebaren ons ontlokten.
»Dus, mijnheer," vroeg Banks hem, »is uw kamp in dit gedeelte van
Tarryani gevestigd?"
»Ja, mijnheer," antwoordde Matthias van Guitt. »Zooals ik het genoegen
had u medetedeelen, is mijn kraal niet meer dan twee mijlen van hier
verwijderd, en mocht u hem met uwe tegenwoordigheid willen vereeren,
zal ik zeer gelukkig zijn er u te ontvangen."
»Ongetwijfeld, mijnheer van Guitt," antwoordde kolonel Munro, »zullen
we u een bezoek komen brengen!"
»We zijn jagers," voegde kapitein Hod er bij, »en de inrichting van
een kraal boezemt ons veel belang in."
»Jagers!" riep Matthias van Guitt uit, »jagers!"
En er kwam een uitdrukking op zijn gelaat, waaruit te lezen was,
dat hij de zonen van Nimrod nu juist niet veel telde.
»U jaagt op wilde dieren.... om ze te dooden zeker?" hernam hij,
zich tot den kapitein wendende.
»Alleen om ze te dooden," antwoordde Hod.
»En ik, alleen om ze te vangen!" zei de leverancier, met een zeker
gevoel van fierheid.
»Welnu, mijnheer van Guitt, we zullen, hoop ik, geen concurrenten
zijn!" antwoordde kapitein Hod.
De leverancier schudde het hoofd. Intusschen belette onze hoedanigheid
van jager niet zijne uitnoodiging aan te nemen.
»U hebt me slechts te volgen, mijne heeren!" zeide hij bevallig
buigende.
Doch op dit oogenblik deden zich verscheidene stemmen in het bosch
hooren en verscheen een half dozijn Hindoes om den hoek der groote
laan, die aan geene zijde der open plek begon.
»O! daar zijn mijn onderhoorigen," zei Matthias van Guitt.
Daarna kwam hij naar ons toe met den vinger op den mond en zeide,
de lippen een weinig vooruitstekende:
»Geen woord over ons avontuur! Het personeel van den kraal moet niet
weten, dat ik me als een gewoon dier in mijn eigen val heb laten
vangen! Dat zou het gevoel van onderdanigheid, dat ze jegens mij
koesteren kunnen verzwakken!"
Een teeken van instemming onzerzijds stelde den leverancier gerust.
»Meester," zei toen een der Hindoes, wiens strak maar schrander gelaat
mijn aandacht trok, »meester, we zoeken u sedert langer dan een uur
zonder u......"
»'k Heb kennis gemaakt met deze heeren, die me wel tot onzen kraal
willen vergezellen," antwoordde van Guitt. »Maar voordat we op weg
gaan, dient deze val in orde gebracht te worden."
Op bevel van den leverancier, gingen de Hindoes over tot het op nieuw
stellen van den val.
Inmiddels noodigde Matthias van Guitt ons uit het inwendige van den
val te onderzoeken. Kapitein Hod sloop er na hem in en ik volgde hem.
De plaats was wel wat bekrompen voor de gebaren van onzen gastheer,
die zich weerde alsof hij in een salon geweest was.
»'k Maak u mijn kompliment," zei kapitein Hod, na den toestel bekeken
te hebben. »'t Is waarlijk vernuftig bedacht."
»'k Kan u verzekeren, mijnheer de kapitein," antwoordde Matthias
van Guitt, »dat deze soort van vallen verre de voorkeur verdient
boven de oude kuilen, voorzien van palen van gehard hout en de
buigzame als bogen gespannen boomen, van een strik voorzien. In het
eerste geval wordt de buik opengereten, in het tweede wordt het dier
geworgd. Nu komt er dat weinig op aan als het alleen te doen is om
de wilde dieren te dooden! Maar ik moet ze levend, volkomen gaaf,
zonder gebreken hebben!"
»'t Is duidelijk," antwoordde kapitein Hod, »dat we niet op dezelfde
wijze te werk gaan."
»De mijne is zeker wel de beste!" hernam de leverancier. »Als men de
wilde dieren raadpleegde....."
»Maar ik raadpleeg ze niet!" antwoordde de kapitein.
Het bleek, dat kapitein Hod en Matthias van Guitt wel eenige moeite
zouden hebben elkander te verstaan.
»Maar," vroeg ik den leverancier, »hoe doet u om deze dieren uit den
val te halen?"
»Er wordt een kooi op rollen voor de opening geplaatst, antwoordde
Matthias van Guitt, »de gevangenen gaan er uit zich zelve in over en
'k heb niets anders te doen dan ze naar den kraal over te brengen,
met den bedaarden en langzamen stap van mijn tamme buffels."
Nauwelijks had hij deze woorden uitgesproken, of er deed zich buiten
een geschreeuw hooren.
Onze eerste beweging, van kapitein Hod en mij, was ons buiten den
val te storten.
Wat was er gebeurd?
Een zweepslang van de boosaardigste soort was door een stokje dat
een Hindoe in de hand hield, door midden geslagen en wel op hetzelfde
oogenblik dat het vergiftige dier zich op den kolonel wierp.
Het was dezelfde Hindoe, dien ik reeds had opgemerkt. Zijn snelle
tusschenkomst had ongetwijfeld Sir Edward Munro van een onmiddellijken
dood gered, waarvan we ons allen konden overtuigen.
Werkelijk kwam het geschreeuw, dat we gehoord hadden, van een der
bedienden van den kraal, die zich in de laatste stuiptrekkingen van
den doodstrijd op den grond lag te wringen.
Een betreurenswaardig noodlot wilde, dat de kop der slang, glad
afgesneden, op zijn borst was terecht gekomen, alwaar hij zich met
de tanden had vastgehecht, zoodat de ongelukkige, doordrongen van het
scherpe vergif, in minder dan een minuut den laatsten adem uitblies,
zonder dat het mogelijk was hem hulp te verleenen.
In het eerste oogenblik, ontzet door dit vreeselijk tooneel, snelden
we op den kolonel toe.
»Ben je niet gebeten?" vroeg Banks, die hem haastig bij de hand vatte.
»Neen, Banks, stel je gerust," antwoordde Sir Edward Munro.
Vervolgens, zich oprichtende en op den Hindoe toetredende, wien hij
het leven verschuldigd was, zeide hij tot hem:
»Dank, mijn vriend."
De Hindoe gaf hem met een gebaar te kennen, dat hem daarvoor volstrekt
geen dank verschuldigd was.
»Hoe is je naam?" vroeg kolonel Munro hem.
»Kâlagani," antwoordde de Hindoe.