ONS SANITARIUM.

Zou de grootsche uitdrukking, »de onmeetbaren in de schepping,"

waarvan de mineraloog Haüy zich bediend heeft om de Amerikaansche

Andes aan te duiden, niet met meer recht van toepassing zijn op de

ontzagverwekkende Himalayaketen, die de mensch nog niet bij machte

is met mathematische juistheid te bepalen?

Een dergelijk gevoel bezielt mij op het gezicht van die

onvergelijkelijke streek, alwaar kolonel Munro, kapitein Hod, Banks

en ik eenige weken zouden doorbrengen.

»Niet alleen," deelt de ingenieur ons mede, »zijn deze bergen

onmeetbaar, maar hunne toppen moeten als ontoegankelijk beschouwd

worden, omdat het menschelijk lichaam op zulke hoogten, waar de

lucht niet dicht genoeg meer is om aan de behoeften der ademhaling

te voldoen, de gewone functies niet meer kan volbrengen!"

Een bolwerk van primitieve rotsen, van graniet, gneis, micaschilfer,

tweeduizend vijfhonderd kilometers lang, dat zich van den twee en

zeventigsten tot den vijf en negentigsten meridiaan uitstrekt over twee

presidentschappen, Agra en Calcutta en over twee koninkrijken, Bouthan

en Népaul;--een keten, waarvan de gemiddelde hoogte, een derde hooger

dan de top van den Mont-Blanc, in drie onderscheiden luchtstreken kan

afgedeeld worden, de eerste, vijfduizend voeten hoog, meer gematigd

dan de lager gelegen vlakte, des winters een korenoogst gevende,

des zomers een rijstoogst; de tweede van vijf tot negen duizend voet,

waar de sneeuw bij den terugkeer der lente smelt; de derde, van negen

duizend tot vijf en twintig duizend voet, met dikke ijsmassa's bezet,

die zelfs in het heete seizoen de zonnestralen trotseeren,--dwars

door die grootsche verhevenheid, de hoogste der aarde, verleenen

elf bergpassen, waarvan eenige den berg op een hoogte van twintig

duizend voet doorboren, den toegang van Indië naar Thibet, doch niet

dan ten koste van buitengewone moeielijkheden, want die bergpassen

worden onophoudelijk bedreigd door sneeuwvallen, door bergstroomen

vernield en uitgehold, overweldigd door het ijs;--boven die kruin,

nu eens in groote koepels afgerond, dan weder vlak als de Tafelberg

van de Kaap de Goede Hoop, zeven à acht spitse bergtoppen, waarvan

eenige vulkanisch, de bronnen van de Cogra, de Djoemna en den Ganges

beheerschende, de Doukia en de Kinchinjunga, zich tot een hoogte

van meer dan zeven duizend meters, de Dhiodounga tot acht duizend,

de Dawaghaliri tot acht duizend vijf honderd, de Tchamoulari tot acht

duizend zeven honderd, de berg Everest, zich tot negen duizend meters

verheffende en van welks top de blik een omtrek zou omvatten gelijk

aan dien van geheel Frankrijk;--een opeenhooping van bergen eindelijk,

die door de Alpen op de Alpen, de Pyreneeën op de Andes op de schaal

van de hoogten der aarde niet zou overtroffen worden; zoodanig

is die kolossale verhevenheid, waarvan de voet der stoutmoedigste

bergbeklimmers misschien nooit de hoogste toppen zal betreden en die

bekend is onder den naam van het Himalayagebergte!

De eerste trappen naar die reusachtige zuilengangen zijn met dichte

en uitgestrekte bosschen bedekt. Men vindt er nog verschillende

vertegenwoordigers van de rijke familie der palmboomen, die in

een hoogere luchtstreek plaats maken voor uitgestrekte wouden van

eikenboomen, cipressen en pijnboomen, voor weelderige bosschen van

bamboes en grasachtige planten.

Banks, die ons deze bijzonderheden mededeelt, vertelt ons ook,

dat, terwijl de onderste sneeuwlijn langs de Hindoesche helling der

bergketen tot vier duizend meters daalt, zij zich aan de Thibetsche

helling tot zes duizend meters verheft. De reden hiervan is, dat de

dampen, door de zuidenwinden aangevoerd, door den énormen slagboom

worden opgehouden. Daardoor hebben zich dan ook aan de andere zijde

dorpen kunnen vestigen tot een hoogte van vijftien duizend voet, te

midden van gerstevelden en prachtige weilanden. Volgens het getuigenis

der bergbewoners zouden in één nacht die weilanden met een grastapijt

bedekt zijn.

In de middelste, de gematigde luchtstreek wordt het rijk der vogelen

vertegenwoordigd door pauwen, patrijzen, fazanten, trapganzen

en kwartels. Het wemelt er van geiten en schapen. In de hoogste

luchtstreek ontmoet men slechts het wilde zwijn, de gems, de wilde

kat, terwijl de arend alleen boven de zeldzame gewassen zweeft,

die slechts tot de nederige planten der Noordpoolflora behooren.

Doch dat was het niet wat kapitein Hod aanlokte. Waarom zou die

Nimrod in de streken der Himalaya gekomen zijn, als hij niets anders

te doen had gehad dan wild voor de keuken te schieten? Zeer gelukkig

voor hem was er ook geen gebrek aan groote roofdieren, waardig door

zijn Enfield-buks en zijne ontplofbare kogels geveld te worden.

Inderdaad strekt zich aan den voet van de eerste helling der keten

een onderste streek uit, die de Hindoes den gordel van Tarryani

noemen. Het is een uitgestrekte, afhellende vlakte, zeven à acht

kilometers groot, vochtig, warm, met een somberen plantengroei, bedekt

met dichte bosschen, waarin de wilde dieren gaarne een schuilplaats

zoeken. Dit Eden van den jager, die de sterke gemoedsbewegingen van

den kampstrijd lief heeft, was slechts vijftien honderd meters onder

ons kamp gelegen. Het was dus gemakkelijk naar dit afgesloten terrein

af te dalen, dat zich zelf bewaarde.

Het was dus waarschijnlijk, dat kapitein Hod de onderste hellingen

der Himalaya liever zou bezoeken dan de bovenste streken. Daar toch

zijn zelfs na den humoristischen reiziger Victor Jacquemont, nog vele

belangrijke geografische ontdekkingen te maken.

»Die énorme bergketen is dus nog maar zeer onvolkomen bekend?" vroeg

ik aan Banks.

»Zeer onvolkomen," antwoordde de ingenieur. »Het Himalaya-gebergte

is als een soort van kleine planeet, die zich aan onzen aardbol heeft

vastgehecht en die hare geheimen bewaart."

»Maar men heeft het toch doorkruist," antwoordde ik, »men heeft het

toch zooveel mogelijk doorzocht!"

»O! voorzeker heeft het niet aan reizigers in de Himalaya

ontbroken!" antwoordde Banks. »De gebroeders Gérard de Webb,

de officieren Kirpatrick en Fraser, Hogdson, Herbert, Lloyd,

Hooker, Cuningham, Strabing, Skinner, Johnson, Moorcroft, Thomson,

Griffith, Vigne, Hügel, de zendelingen Huk en Gabet, en later de

gebroeders Schlagintweit, de kolonel Wangh, de luitenant Reuillier

en Montgomery, hebben na een belangrijken arbeid op groote schaal

de orografische gesteldheid der bergketen doen kennen. Toch,

mijne vrienden, blijft er veel over, dat nog nader moet uitgemaakt

worden. De juiste hoogte der voornaamste toppen heeft aanleiding

gegeven tot ontelbare verbeteringen. Zoo was vroeger de Dwalaghiri

de koning der geheele keten, daarna heeft deze, na nieuwe metingen,

plaats moeten maken voor den Kintchindjïnga, die op zijn beurt nu

onttroond is door den berg Everest. Tot nog toe wint deze laatste

het van al zijne mededingers. Evenwel zou volgens het zeggen der

Chineezen, de Kouin-Lun,--op welken, weliswaar, de juiste methode der

Europeesche meetkundigen nog niet zijn toegepast,--den berg Everest

iets overtreffen en zou het dus niet in de Himalaya zijn, dat men

het hoogste punt van onzen aardbol zou moeten zoeken. Doch werkelijk

kunnen deze metingen niet eerder als mathematisch beschouwd worden dan

wanneer men ze ook barometrisch en met al de voorzorgen zal verkregen

hebben, die deze rechtstreeksche bepaling medebrengt. En hoe ze te

verkrijgen, zonder een barometer te brengen naar het hoogste punt

dezer bijna ontoegankelijke bergtoppen? En, tot nog toe is dit niet

kunnen verricht worden."

»Dat zal geschieden," antwoordde kapitein Hod, »zooals eenmaal de

reizen naar de zuid- en de noordpool zullen gedaan worden!"

»Waarschijnlijk!"

»De reis naar de grootste diepten van den Oceaan!"

»Ongetwijfeld!"

»De reis naar het middelpunt der aarde!"

»Bravo, Hod!"

»Zooals alles eenmaal geschieden zal!" voegde ik er bij.

»Zelfs een reis op de planeten van het zonnestelsel!" antwoordde

kapitein Hod, die nergens meer voor stond.

»Neen, kapitein," antwoordde ik. »De mensch, als eenvoudige

aardbewoner, zal er de grenzen nooit van kunnen overschrijden! Doch,

gebonden aan haar korst, kan hij er al de geheimen van doorgronden!"

»Hij kan en moet zulks!" hernam Banks. »Alles wat binnen de grens der

mogelijkheid ligt, moet en zal volbracht worden. Dan, als er niets meer

voor den mensch overblijft te weten van den bol, dien hij bewoont....."

»Zal hij verdwijnen met dien bol, die geene geheimen meer voor hem

heeft," antwoordde kapitein Hod.

»Volstrekt niet!" hernam Banks. »Als meester zal hij er dan genot van

hebben en er nog beter partij van trekken. Maar, vriend Hod, daar we

ons in de streek der Himalaya bevinden, zal ik je in de gelegenheid

stellen onder anderen een zonderlinge ontdekking te doen, waarin je

voorzeker belang zult stellen."

»Wat meen je, Banks?"

»De zendeling Huc spreekt in het verhaal zijner reizen van een

wonderlijken boom, dien men in Thibet »den boom met de tienduizend

spreuken" noemt. Volgens de Hindoesche legende, zou Tong Kabac,

de hervormer van den Boeddhistischen godsdienst, een duizend jaren

nadat hetzelfde avontuur aan Philemon, Baucis, Daphné, die vreemde

plantenwezens in de mythologische flora, overkomen was, in een boom

veranderd zijn. Het haar van Tong Kabac zou het gebladerte van dien

heiligen boom geworden zijn en op die bladeren verzekert de zendeling

met eigen oogen Thibétaansche letters, duidelijk door hunne ribben

gevormd, gezien te hebben."

»Een boom met bedrukte bladeren!" riep ik uit.

»En waarop men spreuken van de reinste zedekunde leest," antwoordde

de ingenieur.

»Dat is de moeite waard om te onderzoek," zei ik lachende.

»Onderzoek het dan, mijne vrienden," antwoordde Banks. »Als er van

die boomen in het zuidelijke gedeelte van Thibet bestaan, moeten er

ook in de noordelijke streken, aan de zuidelijke helling der Himalaya

gevonden worden. Zoek dus, op uw tochten, zoek dien..... hoe zal ik

zeggen?.... dien spreukenschrijver...."

»Waarachtig niet!" antwoordde kapitein Hod. »'k Ben hier gekomen om

te jagen en niet om bergen te beklimmen!"

»Wel, vriend Hod!" hernam Banks. »Zoo'n stoutmoedige bergbeklimmer

als gij, zal toch hier of daar wel eens een opstijging wagen?"

»Nooit," riep de kapitein uit.

»En waarom niet?"

»'k Heb het beklimmen van bergen opgegeven!"

»En sedert wanneer?....."

»Sedert den dag toen het mij, na twintigmaal het leven er bij gewaagd

te hebben," antwoordde kapitein Hod, »eindelijk mocht gelukken den

top van den Vrigel, in het koninkrijk Bouthan te bereiken. Men had

me verzekerd, dat de top van dezen berg nooit door den voet van eenig

menschelijk wezen was betreden geworden! Mijn eigenliefde kwam er dus

bij in het spel! Nu, eindelijk, na duizend gevaren bereik ik den top

en wat zie ik? deze woorden in een rots gegrift: »Durand, tandmeester,

14, straat Caumartin te Parijs!" Sedert dien tijd bestijg ik geen

bergen meer!"

Die goede kapitein! We mogen niet onvermeld laten, dat, toen hij ons

deze treurige omstandigheid vermeldde, hij zulk een dwaas gezicht trok,

dat het onmogelijk was niet hartelijk te lachen!

Meermalen heb ik van de »sanitariums" van het schiereiland

gesproken. Deze stations in de bergen worden in den zomer druk bezocht

door de renteniers, de ambtenaren en de kooplieden van Indië, die de

brandende hitte der vlakte ontvlieden.

Bovenaan staat Simla, gelegen op den een en dertigsten breedtegraad

en ten westen van den vijf en zeventigsten meridiaan. Het is een

klein hoekje van Zwitserland met zijn bergstroomen, zijn beken, zijn

châlets, bekoorlijk gelegen in de schaduw van ceders en pijnboomen,

op twee duizend meters boven het vlak der zee.

Na Simla komt Dorjiling met zijn witte huizen, aan den voet van den

Kinchinjinga, twee duizend drie honderd meters hoog, op vijf honderd

kilometers ten noorden van Calcutta, op den zes en tachtigsten

lengtegraad en den zeven en twintigsten breedtegraad,--een

verrukkelijke plek in het schoonste land der wereld.

Op verschillende punten van de Himalayaketen bevinden zich nog andere

sanitariums.

En nu bij die frissche en gezonde stations, die het brandende

klimaat van Indië onmisbaar maakt, moet ons Stoomhuis gevoegd

worden. Maar dit hoort ons toe. Het biedt al de geriefelijkheid

aan der weelderigste woningen van het schiereiland. Er wacht ons in

een gelukkige luchtstreek, met al het genot van het moderne leven,

een kalmte, die men te vergeefs te Simla of te Dorjiling zou zoeken,

waar de Anglo-Indiërs in menigte voorkomen.

De plek is met zorg gekozen. De weg, die langs het onderste gedeelte

van den berg loopt, verdeelt zich op deze hoogte in tweeën ter

verbinding met eenige in het oosten en westen verspreide gehuchten. Het

dichtstbij gelegen dezer dorpen bevindt zich op vijf mijlen van het

Stoomhuis. Het wordt bewoond door een gastvrij ras van bergbewoners,

fokkers van geiten en schapen, bebouwers van rijke velden koren

en gerst.

Dank zij de medewerking van ons personeel onder de leiding van Banks,

heeft het slechts eenige uren gekost om een kamp in orde te brengen,

waarin we gedurende zes of zeven weken moeten verblijven.

Het bergvlak, waarop ons kamp gevestigd is, is zacht golvend

en heeft een lengte van ongeveer een mijl en een breedte van

een halve mijl. Het groene tapijt, dat het bedekt, bestaat uit

een kort, dicht, plucheachtig gras, hier en daar met viooltjes

bestrooid. Dichte boschjes van boomvormige rhododendrons, zoo groot

als kleine eikenboomen, natuurlijke korfjes met camelias, vormen er

een honderdtal bekoorlijke boeketten. De natuur heeft geen werklieden

van Ispahan of Smyrna noodig gehad om dit prachtig plantaardig tapijt

samen te stellen. Eenige duizenden zaadkorreltjes, op dien vruchtbaren

bodem door den zuidenwind medegevoerd, een weinig water, een weinig

zon, zijn voldoende geweest om dit zachte en onverslijtbaar weefsel

te fabriceeren.

Verder prijkt het plateau met een dozijn prachtige boomgroepen. Het

is alsof zij zich losgemaakt hebben van het onmetelijke bosch, dat

de berghelling bedekt en tot een hoogte van zes honderd meters tegen

de naburige bergen opklimt. Ceders, eikenboomen, pendanus met lange

bladeren, beuken, ahornboomen vermengen zich met pisangboomen, bamboes,

magnolias, St. Jan's broodboomen en Japansche vijgeboomen. Sommigen

dezer reuzen spreiden hunne hoogste takken tot meer dan honderd

voet boven den grond uit. Zij schijnen op deze plek gebracht te

zijn met het doel een boschwoning te overschaduwen. Het Stoomhuis,

op het juiste tijdstip gekomen, heeft het landschap voltooid. De

koepelsgewijze daken zijner twee pagoden paren zich gelukkig met al

dat verschillende loof, met al die stijve of buigzame takken, die nu

eens kleine en teere bladeren als vlindervleugels, dan weder breede

en lange als Australische pagaaien dragen. De rijtuigentrein schuilt

weg onder een dicht bosch van groen en bloemen. Niets verraadt het

beweegbare huis en men zou zeggen, dat het een vaste woning was,

volkomen ingericht om niet van haar plaats te gaan.

Achter, rechts van de schilderij, loopt een bergstroom, welks zilveren

band men tot een hoogte van verscheidene duizenden voeten langs de

helling van de bergsteilte kan volgen en die zich in een natuurlijk

bekken stort, dat door een groep heerlijke boomen overschaduwd wordt.

Uit dit bekken vloeit het water als een beek weg, loopt door het

grasveld en eindigt in een ruischenden waterval, die in een afgrond

valt, welks diepte niet met den blik kan gepeild worden.

Met ziet dat het Stoomhuis, wat de ligging betreft, het nuttige met

het aangename vereenigde.

Begeeft men zich naar den voorsten rand der bergvlakte, dan ziet men,

dat zij zich boven een aantal minder belangrijke bergruggen uitstrekt,

die in reusachtige trappen naar de vlakte afdalen. De helling is zoo

zacht, dat men haar in haar geheel met den blik kan omvatten.

Rechts is het eerste huis van het Stoomhuis schuins geplaatst,

zoodanig dat het gezicht van den zuidelijken horizont gespaard is,

zoowel voor het balkon der veranda als voor de zijramen van het salon,

de eetzaal en de kleine vertrekken links. Groote cederboomen breiden

hunne takken er boven uit en teekenen zich in zwarte lijnen scherp

af tegen den verren achtergrond der groote keten, die door de eeuwige

sneeuw bekleed wordt.

Links is het tweede huis aangeleund tegen de zijde van een énorme rots

van graniet, door de stralen der zon verguld. Deze rots herinnert

zoowel door haar zonderlingen vorm als door haar warme kleur aan de

reusachtige »plumpudding" van steen, die Russell-Killough in zijn reis

door Zuid-Indië vermeldt. Van die woning, toegewezen aan den sergeant

Mac Neil en zijne metgezellen van het personeel, ziet men slechts de

zijde. Zij bevindt zich twintig passen van het voornaamste huis af,

als een aanhangsel eener belangrijker pagode. Aan het uiteinde van

een der daken, die haar bedekken, ziet men een klein blauwachtig

rookkolommetje uit het keuken-laboratorium van »monsieur" Parazard

ten hemel stijgen. Meer links bevindt zich een groep boomen op de

westelijke borstwering, als een voorpost van het bosch, en vormt deze

het zijplan van het landschap.

Op den achtergrond, tusschen de twee woningen, vertoont zich een

reusachtige mastodont. Het is onze IJzeren Reus, die onder een

prieel van groote pendanus als in een koetshuis geborgen is. Met

zijn opgerichte tromp, zou men zeggen, dat hij er de bovenste takken

van af eet. Maar hij blijft stationnair en rust uit, ofschoon hij

volstrekt geen behoefte aan rast heeft. Thans de onwankelbare bewaker

van het Stoomhuis, verdedigt hij als een énorm autediluviaansch dier

er den toegang van. In tegenwoordigheid van de reusachtige bergketen,

die zich tot een hoogte van zes duizend meters boven het bergvlak

verheft, schijnt onze kunstmatige reus, waarmede de hand van Banks de

Hindoesche fauna verrijkt heeft, niets buitengewoons meer te hebben,

hoe kolossaal onze olifant ook zij, met andere woorden, hij past

volkomen in de schilderij van het landschap.

Ja zelfs had kapitein Hod recht, toen hij niet zonder eenigen spijt

de aanmerking maakte: »Een vlieg op den gevel van een hoofdkerk!"

En hij heeft volkomen gelijk. Achter ons toch bevindt zich een blok

van graniet, waarin men gemakkelijk duizend olifanten, zoo groot

als de onze, zou kunnen uithouwen en dit blok is slechts een van de

honderd treden van den trap, die naar den top van de bergketen leidt

en waarboven de Dwalaghiri zich met zijn scherpe spits verheft.

Somwijlen daalt de hemel van dit tooneel voor het oog van den

waarnemer. Niet alleen verdwijnen de hooge toppen, maar ook de lager

gelegen bergrug van de keten verdwijnt een oogenblik onder de dikke

dampen, die zich van de middelste streek der Himalaya verheffen en het

geheele bovenste gedeelte in nevelen hullen. Het landschap verkleint

zich en dan is het alsof door een lichteffect de woningen, de boomen,

de naburige bergruggen en de IJzeren Reus zelf hunne werkelijke

grootte hernemen.

Ook gebeurt het dat de nog lager hangende wolken door zekere vochtige

winden voortgedreven, zich onder het bergvlak ontrollen. Het oog

ziet dan slechts een golvende zee van wolken aan welker oppervlakte

de zon verwonderlijke lichtspelingen toovert. Dan is, zoowel in de

hoogte als in de laagte, de horizont verdwenen en schijnt het alsof

wij naar de een of andere streek van het luchtruim zijn overgebracht,

buiten de grenzen der aarde.

Doch de wind loopt naar het noorden en, zich met geweld een weg

tusschen de openingen der keten banende, jaagt hij al die nevelen

uiteen, de zee van dampen verdicht zich bijna oogenblikkelijk, de

vlakte komt aan den zuidelijken horizont weder te voorschijn, de

grootsche gevaarten van het Himalayagebergte teekenen zich opnieuw

scherp af tegen den thans helderen hemel, de schilderij doet zich

wederom in al haar oorspronkelijke grootschheid voor en de blik, die

nu door niets meer beperkt wordt, kan langs een horizont van zestig

mijlen al de bijzonderheden onderscheiden van een onvergelijkelijk

schoon panorama.

Het Stoomhuis: De IJzeren Reus (1/2) · 第 34 / 38 题