DE DWALENDE VLAM.

Gedurende een geheele maand, van den 12n Maart tot den 12n April,

bleef Nana Sahib in den pâl verborgen. Hij wilde het Engelsche bewind

den tijd geven, hetzij de opsporingen op te geven, hetzij het op een

valsch spoor te brengen.

Mochten al de twee broeders overdag niet uitgaan, hunne vrienden

daarentegen doorliepen de vallei, bezochten de dorpen en de gehuchten,

kondigden in bedekte termen de op handen zijnde verschijning aan van

een »geduchten moulti," half god, half mensch, en zij bereidden de

gemoederen voor op een nationale omwenteling.

Zoodra de nacht was aangebroken, waagden Nana Sahib en Balao Rao

het hunne schuilplaats te verlaten. Zij begaven zich dan naar de

oevers der Nerbudda en gingen van dorp tot dorp, van pâl tot pâl,

het oogenblik verbeidende waarop zij met eenige zekerheid het domein

konden bezoeken der aan de Engelschen schatplichtige rajahs. Nana

Sahib wist trouwens, dat vele halfonafhankelijken, ongeduldig om het

vreemde juk af te werpen, zich op zijne stem zouden vereenigen. Doch,

op dit oogenblik gold het slechts de woeste bevolking van Goudwana.

Die onbeschaafde Bhîls, die zwervende Kounds, die Gounds, wild en woest

als de inboorlingen van de eilanden van den stillen Oceaan, vond de

Nana gereed, om hem te volgen. Indien hij zich uit onvoorzichtigheid

slechts aan twee of drie machtige stamhoofden bekend maakte, was

dat voldoende om hem te bewijzen, dat zijn naam alleen verscheidene

millioenen Hindoes zou medesleepen, die over de centrale bergvlakten

van Hindostan verspreid zijn.

Toen de beide broeders in den pâl van Tandît waren teruggekeerd,

deelden zij elkander mede wat zij gehoord, gezien en gedaan

hadden. Hunne metgezellen voegden zich toen bij hen, van alle kanten

de tijding medebrengende, dat de geest van oproer als een stormwind in

de vallei der Nerbudda was losgebroken. De Gounds wilden niet anders

dan den »kisri" doen weergalmen, den oorlogskreet der bergbewoners,

en de militaire kantonnementen van het presidentschap te overrompelen.

Het oogenblik was nog niet gekomen.

Het was namelijk niet voldoende, dat de geheele landstreek tusschen de

Sautpourrabergen en de Vindhyas in vuur en vlam gezet werd, de brand

moest al verder en verder om zich heen grijpen. Het was dus noodig de

brandstoffen in de nabij de Nerbudda gelegen provinciën op te hoopen,

die meer rechtstreeks onder Engelsche heerschappij verkeerden. Van

al de steden en gehuchten van Bhopal, Malwa, Bundelkund en van het

geheele uitgestrekte koninkrijk van Scindia moest een onmetelijke

brandstapel gebouwd worden, gereed om ontstoken te worden. Doch Nana

Sahib wilde met recht aan niemand anders dan aan zich zelven de zorg

toevertrouwen de oude deelnemers aan den opstand van 1857 te bezoeken;

al die landgenooten, die zijn zaak getrouw gebleven waren en nooit

aan zijn dood geloofd hadden, verwachtten hem elken dag weder te

zien verschijnen.

Een maand na zijn aankomst in den pâl van Tandît meende Nana Sahib

veilig te kunnen handelen, daar toch het feit zijner wederverschijning

in de provincie als valsch was erkend geworden. Partijgangers hielden

hem op de hoogte van alles wat de gouverneur van het presidentschap

van Bombay gedaan had om hem te vangen. Hij wist dat de overheid in

de eerste dagen een nauwkeurig onderzoek had ingesteld, maar zonder

gevolg. De visscher van Aurungabad, de oude gevangene van den Nana,

was door een dolksteek omgebracht en niemand had kunnen vermoeden,

dat de ontvluchte fakir de nabob Dandou-Pant was, op wiens hoofd een

prijs gesteld was. Een week later, waren de geruchten tot zwijgen

gekomen, de mededingers naar de premie van duizend gulden hadden alle

hoop verloren en de naam van Nana Sahib kwam weder in vergetelheid.

De nabob kon dus in eigen persoon handelen en zonder vrees van erkend

te worden, zijne omwentelingsplannen verwezenlijken. Nu eens in het

kostuum van een parsi, dan weder in dat van een eenvoudigen raïot,

vandaag alleen, morgen van zijn broeder vergezeld, begon hij zich van

den pâl van Tandît te verwijderen, aan den anderen oever der Nerbudda

naar het noorden en zelfs naar de andere zijde van de noordelijke

helling der Vindhyas te reizen.

Een spion, die hem in al zijne gangen had willen bespieden, zou hem

den 12n April te Indore hebben aangetroffen.

Daar, in die hoofdstad van het koninkrijk Holcar stelde Nana Sahib,

een streng incognito bewarende, zich in gemeenschap met de talrijke

landelijke bevolking, die zich met den bouw der slaapbollenvelden

bezig hield. Het waren Rihillas, Mekranis, Valayalis, vurige, moedige,

dweepzuchtige lieden, waarvan de meesten gedeserteerde Sipayers der

inlandsche armée waren, die zich in de kleeding van den Hindoeschen

boer verborgen hielden.

Daarna stak Nana Sahib de Betwa, een tak van de Jumna over, die naar

het noorden aan de westelijke grens van Bundelkund loopt en kwam den

19n April, door een prachtige vallei met een overvloed van dadel-

en mangoboomen, te Souari aan.

Daar bevinden zich zonderlinge bouwgewrochten van zeer hooge

oudheid. Het zijn »tôpes," een soort van tumuli, bedekt met

halfbolvormige koepeldaken, die ten noorden der vallei de voornaamste

groep van Saldhara vormen. Uit die praalgraven, uit die woningen

der dooden, waarvan de altaren, aan den Boeddhistischen eeredienst

gewijd, beschut zijn onder steenen zonneschermen, uit die sedert

zoovele eeuwen ledige graven kwamen, op de stem van Nana Sahib

honderden vluchtelingen te voorschijn. Verscholen in de bouwvallen,

om de vreeselijke weerwraak der Engelschen te ontgaan, was een woord

voldoende hun te doen begrijpen wat de nabob van hunne medewerking

verwachtte; een wenk zou op het bepaalde uur voldoende zijn om hen

in massa op de veroveraars te werpen.

Den 24n April was Nana Sahib te Bhilsa, de hoofdplaats van een

belangrijk distrikt van Malwa en daar, te midden van de bouwvallen

der oude stad, verzamelde hij bouwstoffen voor den opstand, die de

nieuwe hem niet zou verschaft hebben.

Den 27n April bereikte Nana Sahib Raygurh, op de grenzen van het

koninkrijk Pannah en den 30n de overblijfselen van de oude stad Sangar,

niet ver van de plek waar de generaal sir Hugh Rose den opstandelingen

een bloedigen veldslag leverde, die hem met den Maudanporepas den

sleutel gaf van de bergengten der Vindhyas.

Daar voegde zijn broeder, door Kâlagani vergezeld, zich bij den nabob

en beiden maakten zich bekend aan de hoofden der voornaamste stammen,

waarvan zij volkomen zeker waren. In deze geheime vergaderingen, werden

de voorloopige handelingen van een algemeenen opstand besproken en

vastgesteld. Terwijl Nana Sahib en Balao Rao dan in het zuiden zouden

werken, moesten hunne bondgenooten aan de noordelijke hellingen der

Vindhyas hunne maatregelen nemen.

Alvorens naar de vallei der Nerbudda terug te gaan, wilden de twee

broeders het koninkrijk Pannah nog bezoeken. Zij waagden zich langs

de Keyne, onder bedekking van reusachtige teks, van kolossale bamboes

en onder de beschutting van die ontelbare Indische vijgeboomen, welke

bestemd schijnen gansch Indië in te nemen. Daar werden talrijke en

woeste aanhangers geworven onder het ellendige personeel, dat voor

rekening van den rajah, de rijke diamantmijnen exploiteert. »Deze

rajah," zegt Rousselot, »de positie begrijpende, die de Engelsche

overheersching den vorsten van Bundelkund bereidt, heeft de rol

van een rijken grondeigenaar verkozen boven die van een weinig

beteekenend vorstje." Een rijke grondbezitter is hij inderdaad! De

diamanten bevattende streek, in zijn bezit, strekt zich uit over een

lengte van dertig kilometers ten noorden van Pannah en de exploitatie

zijner diamantmijnen, waarvan de producten op de markten van Bénares

en Allahabad het meest geacht zijn, houdt een groot aantal Hindoes

bezig. Maar onder de ongelukkigen, gewoon aan den zwaarsten arbeid,

die de rajah doet onthoofden, zoodra de opbrengst van de mijn aan het

dalen is, moest Nana Sahib duizenden aanhangers vinden, die gereed

waren zich voor de onafhankelijkheid van hun land te laten dooden,

en hij vond ze.

Van dit punt af, keerden de beide broeders naar de Nerbudda terug,

teneinde de pâl van Tandît wederom te bereiken. Evenwel wilden zij,

alvorens den opstand van het zuiden voor te bereiden, die tegelijk met

dien van het noorden moest losbreken, zich te Bhopal ophouden. Dit

is een belangrijke muzelmansche stad, die het middelpunt van het

Islamisme in Indië gebleven is en waarvan de bégoem gedurende het

gansche tijdperk van den opstand den Engelschen getrouw is gebleven.

Nana Sahib en Balao Rao, vergezeld van een dozijn Gounds, kwamen

den 24n Mei, den laatsten dag van de feesten van Moharum, ingesteld

ter viering van de hernieuwing van het Muzelmansche leger, te

Bhopal aan. Beiden waren gekleed als »joguis," sombere godsdienstige

bedelaars, met lange dolken gewapend waarmede zij zich uit dweepzucht

treffen, doch zonder zich gevaarlijke wonden toe te brengen.

De twee broeders, die in deze vermomming onherkenbaar waren, hadden

de processie in de straten der stad gevolgd, te midden der talrijke

olifanten, die »tadzias," een soort van kleine tempels van twintig

voet hoog op den rug droegen; zij hadden zich kunnen mengen onder

de rijk met goud gestikte onderrokken gekleede en met moesselinen

mutsen gedekte muzelmannen en zich kunnen wegschuilen in de rangen

der muzikanten, der soldaten, der bajaderen, der als vrouwen vermomde

jongelingen,--een vreemde opeenhooping van menschen, die aan deze

plechtigheid het voorkomen gaf van een vastenavondsvertooning. Met

deze Hindoes van allerlei kasten, waaronder zij talrijke aanhangers

telden, hadden zij een soort van maçonniek teeken kunnen wisselen,

dat bij de oude opstandelingen van 1857 in zwang was.

Met het vallen van den avond hadden al die menschen zich naar het

meer begeven, dat de oostelijke voorstad bespoelde.

Daar wierpen onder een oorverdoovend geschreeuw, het ontbranden van

vuurwapenen, het geknetter van voetzoekers en ander klein vuurwerk,

bij het licht van duizenden toortsen, al deze geestdrijvers de tadzias

in het meer. De feesten van Moharum waren hiermede geëindigd.

Op dit oogenblik voelde Nana Sahib een hand op zijn schouder. Hij

keerde zich om. Een Bengali stond voor hem.

Nana Sahib herkende in dezen Hindoe een zijner oude krijgskameraden

van Lucknow. Hij ondervroeg hem met de oogen.

De Bengali bepaalde zich tot het fluisteren van de volgende woorden,

die Nana Sahib hoorde zonder dat een enkel gebaar zijn ontroering

verraden had.

»Kolonel Munro heeft Calcutta verlaten."

»Waar is hij?"

»Hij was gisteren te Bénares."

»Waar gaat hij heen?"

»Naar de grenzen van Népaul."

»Met welk doel?"

»Om er eenige maanden te verblijven."

»En dan?"

»Naar Bombay terug te keeren."

Eensklaps deed zich een scherp geluid hooren. Een Hindoe sloop door

de verzamelde menigte en was weldra Nana Sahib genaderd.

Het was Kâlagani.

»Vertrek dadelijk," zei de nabob. »Zoek Munro op, die zich op 't

oogenblik naar het noorden begeeft. Dring je aan hem op, maak je

noodzakelijk door hem den een of anderen dienst te bewijzen en waag

je leven, als 't moet. Verlaat hem niet voordat hij aan gene zijde der

Vindhyas weder naar de vallei der Nerbudda is teruggekeerd en kom dan,

maar alleen dan mij zijn tegenwoordigheid melden."

Kâlagani vergenoegde zich met een bevestigend teeken te geven en was

weldra onder de menigte verdwenen. Een gebaar van den nabob was voor

hem een order. Tien minuten later, had hij Bhopal achter den rug.

Op dit oogenblik naderde Balao Rao zijn broeder.

»Het is tijd om te vertrekken," zeide hij tot hem.

»Ja," antwoordde Nana Sahib, »en vóór den morgen moeten we den pâl

van Tandît bereikt hebben."

»Op marsch dan."

Beiden, door hunne Gounds gevolgd, begaven zich langs den noordelijken

oever van het meer naar een afgezonderde landhoeve. Daar werden zij

opgewacht door paarden voor hen en hun geleide. Het waren van die

snelloopende paarden, die met een zeer gekruid voedsel gevoerd worden,

en die vijftig mijlen in een enkelen nacht kunnen afleggen. Ten acht

ure galoppeerden zij op den weg van Bhopal naar de Vindhyas.

Dat de nabob vóór den dageraad in den pâl van Tandît terug wilde zijn,

was slechts een maatregel van voorzichtigheid. Natuurlijk was het

beter, dat zijn terugkeer in de vallei onopgemerkt voorbijging.

De kleine troep ging dus zoo snel als de paarden slechts loopen

konden, vooruit.

Nana Sahib en Balao Rao, hoewel dicht bij elkander, reden stilzwijgend

voort, maar dezelfde gedachte hield hen bezig. Van dien tocht aan

gene zijde der Vindhyas, brachten zij niet alleen de hoop, maar ook

de zekerheid mede, dat ontelbare aanhangers hunne zaak omhelsden. De

centrale hoogvlakte van Indië was geheel in hunne handen. De militaire

kantonnementen, over dit uitgestrekte grondgebied verdeeld, konden aan

de eerste aanvallen der opstandelingen geen weerstand bieden. Hunne

vernietiging zou de omwenteling vrij spel geven en weldra zou van

het eene strand naar het andere een gansche muur dweepzieke Hindoes

in opstand komen, waartegen de koninklijke armée zich te bersten

zou stooten.

Doch terzelfder tijd was Nana Sahib met de gedachte vervuld aan het

gelukkige toeval, dat hem Munro in handen zou leveren. De kolonel

had eindelijk Calcutta verlaten, alwaar het moeielijk was hem

te bereiken. Voortaan zou geen enkele zijner bewegingen den nabob

ontgaan. Geheel onbewust, zou de hand van Kâlagani hem naar de woeste

streek der Vindhyas geleiden en eenmaal daar, zou niemand hem aan het

vonnis kunnen onttrekken, dat de haat van Nana Sahib hem bereid had.

Balao Rao wist nog niets van hetgeen tusschen den Bengali en zijn

broeder gesproken was. Eerst bij de nadering van den pâl van Tandît,

terwijl de paarden een oogenblik uitbliezen, vergenoegde Nana Sahib

zich het hem in deze termen te zeggen:

»Munro heeft Calcutta verlaten en richt zich naar Bombay."

»De weg van Bombay," riep Balao Rao uit, »loopt naar het strand van

de Indische Zee!"

»De weg van Bombay, ditmaal," antwoordde Nana Sahib, »zal ophouden

bij de Vindhyas!"

In dit antwoord lag alles opgesloten.

De paarden werden op nieuw in galop gebracht en sloegen den weg in door

het bosch, dat zich aan den zoom van de vallei der Nerbudda verhief.

Het was toen vijf uur 's morgens. De dag was pas aangebroken. Nana

Sahib, Balao Rao en hunne metgezellen waren aan den woest stroomenden

Nazzur aangekomen, die naar den pâl liep.

De paarden werden hier achtergelaten en aan de hoede toevertrouwd

van twee Gounds, belast ze naar het dichtstbijzijnde dorp te geleiden.

De anderen volgden de beide broeders, die de door het water van den

bergstroom schuddende treden bestegen.

Alles was stil en de eerste geluiden van den dag hadden de plechtige

stilte van den nacht nog niet afgebroken.

Eensklaps barstte een geweerschot los, dat door vele andere gevolgd

werd. Terzelfder tijd deden zich deze kreten hooren:

»Hoera! hoera! voorwaarts!"

Een officier, aan het hoofd van een vijftig soldaten van het koninklijk

leger, verscheen op den rug van den pâl.

»Vuur! Dat niemand ontsnappe!" riep hij opnieuw.

Nieuwe losbranding, van zeer nabij gericht op de groep Gounds, die

Nana Sahib en zijn broeder omringde.

Vijf of zes Hindoes vielen. De anderen wierpen zich terug in de bedding

van den Nazzur en verdwenen onder de eerste boomen van het woud.

»Nana Sahib! Nana Sahib!" schreeuwden de Engelschen, de nauwe bergkloof

betredende.

Toen richtte een van hen, doodelijk getroffen, zich op met de hand

naar hen uitgestrekt.

»Dood aan de veroveraars!" schreeuwde hij met een nog vreeselijke

stem en viel toen onbeweeglijk neder.

De officier naderde nu het lijk.

»Is dit werkelijk Nana Sahib?" vroeg hij.

»Hij is het," antwoordden twee soldaten van het détachement, die te

Cawnpore in garnizoen geweest zijnde, den nabob van nabij kenden.

»En de anderen!" riep de officier.

En het geheele détachement ijlde het bosch in ter vervolging der

Gounds.

Nauwlijks was het verdwenen, of een schaduw gleed over de steilte

waarboven de pâl zich verhief.

Het was de Dwalende Vlam, in een lang bruin kleed gewikkeld, dat met

een gordel om haar middel bevestigd was.

Den vorigen avond was deze krankzinnige de onbewuste gids geweest

van den Engelschen officier en zijne manschappen. Sedert den vorigen

dag in de vallei teruggekomen, was zij werktuiglijk naar den pâl van

Tandît gegaan, waarheen een soort van instinct haar terugvoerde. Doch

dezen keer liet het zonderlinge schepsel, dat men stom waande, aan

hare lippen een naam ontsnappen, slechts een enkelen, dien van den

moordenaar van Cawnpore!

»Nana Sahib! Nana Sahib!" herhaalde zij, alsof het beeld van den

nabob, door eenig onverklaarbaar voorgevoel, in hare herinnering

was opgekomen.

Deze naam deed den officier ontroeren. Hij volgde de schreden der

krankzinnige. Zij scheen hem niet te zien, noch de soldaten die haar

naar den pâl volgden. Was het daar dus, dat de nabob, op wiens hoofd

een prijs gesteld was, de wijk genomen had? De officier nam de noodige

maatregelen en liet de bedding van den Nazzur bezetten totdat de dag

aanbrak. Toen nu Nana Sahib en zijne Gounds er zich in hadden begeven,

ontving hij ze met een losbranding, die er verscheidenen neervelde

en onder hen, het hoofd van den opstand der Sipayers.

Dit was de ontmoeting, die de telegraaf denzelfden dag den gouverneur

van het presidentschap van Bombay berichtte. Deze telegram verspreidde

zich over het geheele schiereiland, de dagbladen namen hem onmiddellijk

over en zoo kwam het, dat kolonel Munro er den 26n Mei in het dagblad

van Allahabad kennis van kon nemen.

Het was dus ditmaal niet te betwijfelen of Nana Sahib was wel degelijk

dood. Zijn identiteit was nu werkelijk vastgesteld en het dagblad kon

met volle recht zeggen: »Het koninkrijk Indië heeft voortaan niets meer

te vreezen van den wreeden rajah, die het zooveel bloed gekost heeft!"

Intusschen daalde de krankzinnige, na den pâl verlaten te hebben,

langs de bedding van den Nazzur naar beneden. In hare oogen blonk de

glans van een inwendig vuur, dat plotseling in haar scheen ontbrand

te zijn, terwijl zij werktuiglijk in zich zelve den naam van den

nabob herhaalde.

Zoo kwam zij op de plaats waar de lijken lagen en hield stil bij dat

wat door de soldaten van Lucknow was herkend geworden. Het vertrokken

gelaat van den doode scheen nog te dreigen. Het was alsof, na slechts

voor de wraak geleefd te hebben, de haat in hem overleefde.

De krankzinnige knielde, betastte met beide handen het met kogels

doorboorde lijk, waarvan het bloed de plooien van haar kleed

bevlekte. Zij beschouwde het langen tijd, richtte zich daarna op en

het hoofd schuddende, daalde zij langzaam langs de bedding van den

Nazzur naar beneden.

Maar toen was de Dwalende Vlam weder in hare gewone onverschilligheid

vervallen en herhaalde haar mond niet meer den vervloekten naam van

Nana Sahib.

Het Stoomhuis: De IJzeren Reus (1/2) · 第 32 / 38 题