Wij moeten nu kolonel Munro en zijne metgezellen, den ingenieur Banks,
den kapitein Hod, den Franschman Maucler een oogenblik verlaten en
eenige bladzijden het verhaal dezer reis opschorten, waarvan het
eerste gedeelte, den reisweg van Calcutta naar de Indisch-Chineesche
grens bevattende, eindigt aan den voet der bergen van Thibet.
Men herinnert zich het voorval, dat plaats had op den tocht van het
Stoomhuis naar Allahabad. Een nummer van het stedelijk dagblad,
gedateerd 25 Mei, deed kolonel Munro den dood van Nana Sahib
kennen. Deze tijding was al zoo dikwijls verspreid en daarna altijd
weder tegengesproken, dat men niet wist of zij waar of valsch was. Kon
sir Edward Munro, na zulke nauwkeurige bijzonderheden nog twijfelen
en moest hij het niet eindelijk opgeven zich op den opstandeling van
1857 te wreken?
Men zal er later zelf over oordeelen.
Zie hier wat er sedert den nacht van den 7n op den 8n Maart gebeurd
was, waarin Nana Sahib, vergezeld van zijn broeder Balao Rao,
begeleid door zijn getrouwste krijgskameraden en gevolgd door den
Hindoe Kâlagani, de grotten van Adjuntah verlaten had.
Zestig uren later bereikte de nabob de nauwe bergpassen van Sautpourra,
na de Tapi te zijn overgestoken, die zich op de westkust van het
schiereiland bij Surati in zee werpt. Hij bevond zich toen op honderd
duizend mijlen van Adjuntah, in een weinig bezocht gedeelte der
provincie, hetgeen hem voor het oogenblik eenige zekerheid verschafte.
De plaats was goed gekozen.
De Sautpourrabergen, van middelmatige hoogte, beheerschen ten zuiden
het dal der Nerbudda, waarvan de noordelijke grens bekroond wordt door
de Vindhyabergen. Deze twee bergketens, bijna evenwijdig met elkander
loopende, vertakken zich wederzijds en vormen in dit bergachtige
land moeielijk te ontdekken schuilhoeken. Doch terwijl de Vindhyas
op de hoogte van den drie en twintigsten breedtegraad Indië bijna
geheel van het westen naar het oosten doorsnijden, en zij een der
groote zijden van den centralen driehoek van het schiereiland vormen,
zoo is dit niet het geval met de Sautpourrabergen, die den vijf en
zeventigsten lengtegraad niet overschrijden en er zich met den berg
Kaligong vereenigen.
Daar bevond Nana Sahib zich bij den toegang tot het land der Gounds,
geduchte stammen van die volkeren van oud ras, die slechts ten halve
ten onder gebracht waren en die hij tot den opstand wilde aanzetten.
Het land van Goudwana, waarvan Rousselet de bewoners als oorspronkelijk
beschouwt en waar de kiemen van den opstand altijd gereed zijn zich
te ontwikkelen, bestaat uit een grondgebied van twee honderd vierkante
mijlen en een bevolking van meer dan drie millioen inwoners. Het maakt
een belangrijk gedeelte van Hindostan uit en verkeert eigenlijk slechts
in naam onder Engelsch beheer. Wel loopt de spoorweg van Bombay naar
Allahabad van het zuidwesten naar het noordoosten dwars door dit land
en geeft zelfs een tak naar het midden af van de provincie van Nagpore,
maar de stammen zijn woest gebleven, wars van alle beschaving, onwillig
zich aan de Europeanen te onderwerpen, in een woord, zeer moeielijk
in hunne ongenaakbare bergen tot onderwerping te brengen,--en Nana
Sahib wist het wel.
Daar was het dus dat hij zich het eerst had willen verschuilen,
teneinde de nasporingen der Engelsche politie te ontsnappen, totdat
het uur zou slaan de oproerige beweging uit te lokken.
Indien de nabob in zijn onderneming slaagde, indien de Gounds aan
zijne oproeping gehoorzaamden en hem volgden, zou de opstand snel
een aanmerkelijke uitbreiding kunnen erlangen.
Inderdaad is het ten noorden van Goudwana, Bundelkund, dat de geheele
bergachtige streek, gelegen tusschen het verheven bergvlak der Vindhyas
en den belangrijken stroom der Jumna bevat. In dit land, bedekt met
de schoonste maagdelijke wouden van Hindostan, woont een volk van
Boundelas, bedrieglijk en wreed, waarbij alle misdadigers, staatkundige
of andere gaarne een schuilplaats zoeken en gemakkelijk vinden; daar
hoopt zich op een oppervlakte van acht en twintig duizend vierkante
mijlen een bevolking op van twee en een half millioen bewoners;
daar zijn de provinciën onbeschaafd gebleven; daar leven nog enkele
partijgangers, die onder Tippo Sabib tegen de veroveraars streden;
daar zijn de Thugs, de beruchte worgers geboren, zoo lang de schrik
van Indië, dweepzieke moordenaars die, zonder ooit bloed te vergieten,
ontelbare slachtoffers gemaakt hebben; daar hebben benden van Pindaris
bijna straffeloos de verfoeielijkste moorden bedreven; daar wemelt
het nog van die vreeselijke Dacoits, een secte van giftmengers, die
in het bedrijven der ontzettendste misdaden met de Thugs wedijveren;
daar eindelijk had Nana Sahib zelf reeds eens de wijk genomen, na aan
de koninklijke troepen, die Jansie vermeesterd hadden, ontsnapt te
zijn; daar was hij al de nasporingen ontkomen, alvorens een veiliger
toevluchtsoord te gaan vragen aan de ontoegankelijke schuilplaatsen
van de Indisch-Chineesche grens.
Ten oosten van Goudwana is Khondistan of het land der Kounds
gelegen. Zoo worden de woeste volgers genoemd van Tado Pennor,
den god der aarde en Maunck Soro, den rooden god der gevechten,
de bloedige aanhangers der »Meriahs," of menschenoffers, die de
Engelschen zooveel moeite hebben uit te roeien, die woestelingen,
waardig vergeleken te worden met de inboorlingen van de onbeschaafde
eilanden van Australië, tegen wie van 1840 tot 1854, de generaal-majoor
John Campbell, de kapiteins Macpherson, Macviccar en Frye moeielijke en
lange krijgstochten ondernamen,--dweepers, die alles zouden durven,
als onder eenig godsdienstig voorwendsel, een machtige hand hen
zou aanzetten.
Ten westen van Goudwana bevindt zich een land van vijftien honderd
duizend à twee millioen zielen, bewoond door de Bhîls, machtig eertijds
in Malwa en Rajpoutuna, nu verdeeld in klans, door de geheele streek
der Vindhyas verspreid, bijna altijd dronken van den brandewijn,
hun door den boom van »mhowah" verschaft, doch dapper, stoutmoedig,
sterk, vlug en het oor altijd open voor den »kisri," hun oorlogskreet.
Men ziet dat Nana Sahib een goede keus gedaan had. In dat centrale
gedeelte van het schiereiland hoopte hij, in plaats van een eenvoudigen
militairen opstand, dezen keer een nationale beweging uit te lokken,
waaraan de Hindoes van alle kanten zouden deelnemen.
Doch, alvorens iets te ondernemen, moest hij zich in het land
vestigen, teneinde, naargelang de omstandigheden het medebrachten,
op de bevolking te kunnen werken. Het was dus van het hoogste belang
een veilige schuilplaats te zoeken, voor het oogenblik althans,
om haar in geval zij verdacht mocht worden, te verlaten.
Dit was de eerste zorg van Nana Sahib. De Hindoes, die hem van Adjuntah
af gevolgd hadden, konden in het geheele presidentschap vrij komen
en gaan. Balao Rao, op wien de afkondiging van den gouverneur niet
van toepassing was, zou ook dezelfde vrijheid hebben kunnen genieten,
indien hij niet zoo sterk op zijn broeder geleken had. Sedert zijne
vlucht naar de grenzen van Népaul, was de aandacht niet meer op
zijn persoon gevestigd geweest, en men had alle reden hem voor dood
te houden. Doch, voor Nana Sahib aangezien, zou hij gevat geworden
zijn,--hetgeen men tot elken prijs moest vermijden.
Voor deze twee broeders dus, door hetzelfde doel vereenigd, door
dezelfde gedachte bezield, was een zelfde schuilplaats noodig. Zulk
eene te vinden nu, kon in de bergpassen van Sautpourra niet moeielijk
zijn.
En inderdaad werd al spoedig zulk een schuilplaats door een der
Hindoes van den troep, een Gound, die de vallei tot in haar meest
afgelegen schuilhoeken kende, gevonden.
Aan den rechteroever van een kleinen bijstroom der Nerbudda bevond
zich een verlaten pâl, de pâl van Tandît genaamd.
Een pâl is minder dan een dorp, nauwelijks een gehucht, een vereeniging
van hutten, dikwijls zelfs een eenzame woning. De zwervende familie,
die haar bewoont, heeft er zich tijdelijk gevestigd. Na eenige
boomen verbrand te hebben, waarvan de asch voor een kort seizoen den
bodem eenig leven schenkt, hebben de Gound en de zijnen hunne woning
gebouwd. Doch, daar de veiligheid der streek veel te wenschen overlaat,
heeft het huis het voorkomen van een klein fort aangenomen. Het is
omringd door een rij palissaden en kan zich tegen een verrassing
verdedigen. Daarenboven is het in dicht geboomte verborgen en schuilt
het als het ware geheel weg onder een bladerengewelf van cactus en
struikgewas, zoodat het niet gemakkelijk is het te ontdekken.
Gewoonlijk is de pâl gevestigd op een kleine hoogte, aan den kant
eener nauwe vallei, tusschen twee steile berghellingen, temidden van
een ondoordringbaar kreupelbosch. Bij het zien van een dergelijk
verblijf doet zich de vraag bij ons op, hoe daar menschen kunnen
wonen. Wegen, die er heen leiden, zijn er niet en zelfs van voetpaden
is er geen spoor. Om zulk een pâl te bereiken, moet men somtijds
de uitgeholde bedding van een bergstroom, welks water elk spoor
uitwischt, volgen. Natuurlijk laat het gaan in zulk een bedding geen
spoor na zich. In het heete jaargetijde loopt men tot aan de enkels,
in het koude tot aan de knieën in het water en niets verraadt, dat
eenig levend wezen daar gepasseerd is. Daarenboven zou een stortvloed
van rotsen, die de hand van een kind zou kunnen doen nederstorten,
iedereen verpletteren, die het zou wagen den pâl te genaken tegen
den wil zijner bewoners.
Hoe afgezonderd zij evenwel in hunne ongenaakbare nesten wonen, kunnen
de Gounds van pâl tot pâl snel met elkander in gemeenschap komen. Van
de toppen der Sautpourra verspreiden zich de signalen binnen eenige
minuten over twintig mijlen in de rondte. Nu eens is het een vuur
op den top van een steile rots, nu eens een boom in een reusachtigen
fakkel veranderd, dan weder een eenvoudige rookkolom op den top van een
bergrug. Men kent de beteekenis van dergelijke signalen. De vijand,
namelijk een detachement soldaten der koninklijke armée, een kleine
afdeeling van de Engelsche politie, is in de vallei doorgedrongen,
doorzoekt de bergengten ter opsporing van een misdadiger, wien dit
land zoo gaarne een schuilplaats aanbiedt. De oorlogskreet, den
bergbewoners zoo gemeenzaam, wordt een alarmkreet. Een vreemdeling
zou hem houden voor het gehuil van nachtvogels of het gesis van
slangen. De Gound kent ze, die geluiden. Men moet waken, men waakt,
men moet vluchten, men vlucht. De verdachte pâls worden verlaten,
verbrand zelfs. Deze zwervers zoeken andere schuilplaatsen op, die
zij opnieuw gaan verlaten, als zij te dicht op de hielen gezeten
worden en op die met asch bedekte terreinen, vinden de agenten van
het openbare gezag slechts bouwvallen.
In een dezer pâls nu,--de pâl van Tandît,--waren Nana Sahib en de
zijnen een schuilplaats komen zoeken. Daarheen had de getrouwe Gound,
aan den persoon van den nabob gehecht, hen dadelijk geleid. Daar
vestigden zij zich den 12n Maart.
Zoodra de twee broeders bezit van den pâl van Tandît genomen hadden,
onderzochten zij met de grootste zorg de toegangen. Zij namen
nauwkeurig waar in welke richting en hoever het oog kon reiken. Zij
lieten zich inlichten welke de dichtstbij zijnde woningen en wie de
bewoners waren. Zij bestudeerden den verlaten bergrug, die den pâl
van Tandît te midden van een dichte boomgroep beheerschte en kwamen
eindelijk tot de overtuiging van de onmogelijkheid er zich toegang te
verschaffen zonder de bedding van een bergstroom te volgen, denzelfden
stroom, waarlangs zij zelven gekomen waren.
De pâl van Tandît mocht dus als volkomen veilig beschouwd worden, te
meer nog daar hij zich boven een sousterrein verhief, welks geheime
uitgangen uitkwamen aan de zijde van den berg, die bij een voorkomend
geval de gelegenheid aanboden te ontvluchten.
Nana Sahib en zijn broeder hadden nooit veiliger toevluchtsoord
kunnen vinden.
Maar het was Balao Rao niet voldoende te weten wat de pâl van Tandît
heden was, hij wilde ook weten wat hij geweest was en terwijl de
nabob het inwendige van het fort bezocht, ging hij voort met den
Gound te ondervragen.
»Nog eenige vragen," zeide hij tot hem. »Hoe lang is die pâl verlaten?"
»Sedert langer dan een jaar," antwoordde de Gound.
»Wie bewoonde hem?"
»Een familie van zwervers die er slechts eenige maanden gebleven is."
»Waarom hebben zij hem verlaten?"
»Omdat de bodem, die hen moest voeden, hun geen voedsel meer kon
verschaffen."
»En heeft niemand na hun vertrek, voor zoover je weet, hem bewoond?"
»Niemand."
»Heeft nooit een soldaat van het koninklijk leger, nooit een agent
van politie den voet binnen de omheining van dezen pâl gezet?"
»Nooit."
»Heeft ook geen vreemdeling hem ooit bezocht?"
»Niemand," antwoordde de Gound, »behalve een vrouw."
»Eene vrouw?" vroeg Balao Rao driftig.
»Ja, een vrouw, die sedert ongeveer drie jaren in de vallei der
Nerbudda rondzwerft."
»Wie is die vrouw?"
»Wie zij is, weet ik niet," antwoordde de Gound. »Vanwaar ze komt,
kan ik evenmin zeggen en in de geheele vallei is er niemand die iets
meer van haar weet dan ik! Is ze een vreemde, is ze een Hindoesche,
men heeft het nooit kunnen te weten komen!"
Balao Rao dacht een oogenblik na en vroeg toen:
»Wat doet die vrouw?"
»Ze komt, ze gaat," antwoordde de Gound, »en leeft alleen
van aalmoezen. Men heeft in de gansche vallei een soort van
bijgeloovigen eerbied voor haar. Meermalen heb ik haar in mijn eigen
pâl ontvangen. Zij spreekt nooit. Men zou haast denken, dat ze stom
was en 't zou me niet verwonderen of ze is het. 's Nachts ziet men
haar wandelen met een harsachtigen, brandenden tak in de hand. Ook
kent men haar niet anders dan onder den naam van de »Dwalende Vlam!"
»Maar," zei Balao Rao, »als die vrouw den pâl van Tandît kent, zou
ze er wel eens kunnen terugkomen terwijl we er wonen, en gevaarlijk
voor ons kunnen worden?"
»Dat nooit," antwoordde de Gound. »Die vrouw is niet recht bij haar
verstand, hare oogen zien zonder te weten wat ze zien, hare ooren
hooren niet wat ze meenen te hooren, haar tong kan geen woord meer
uitspreken! Ze is als een blinde, een doove, een stomme voor al de
dingen van het dagelijksch leven. Ze is krankzinnig en een krankzinnige
is een doode, die in 't leven blijft!"
De Gound had met de aan de Hindoes der bergen eigenaardige taal het
portret geschilderd van een vreemd schepsel, zeer bekend in de vallei,
»de Dwalende Vlam," der Nerbudda.
Het was een vrouw, wier bleek, nog schoon gelaat, verouderd en niet
oud, doch zonder eenige uitdrukking, noch den oorsprong, noch den
leeftijd aanduidde. Men zou gezegd hebben, dat hare verwilderde
oogen zich voor het leven des geestes gesloten hadden bij een of
ander vreeselijk tooneel, dat zij »inwendig" bleven zien.
Dit argeloos schepsel, van haar verstand beroofd, had een goede
ontvangst bij de bergbewoners genoten. Krankzinnigen zijn voor de
Gounds, gelijk trouwens voor al de wilde volkeren, heilige wezens,
die een bijgeloovige eerbied beschermt. De Dwalende Vlam werd dan
ook, overal waar zij zich vertoonde, gastvrij ontvangen. Geen pâl,
die de deur voor haar sloot. Men voedde haar wanneer zij honger had
men bereidde haar een rustplaats als zij uitgeput van vermoeienis
neerviel, zonder een woord van dank te verwachten, dat haar mond niet
meer kon uitspreken.
Hoelang duurde dat bestaan? Van waar kwam die vrouw? Op welk tijdstip
was zij in Goudwana verschenen? 't Zou moeilijk geweest zijn het juist
te zeggen. Waarom wandelde zij rond met een brandende toorts in de
hand? Was het om haar pad te verlichten? Was het om de wilde dieren op
een afstand te houden? Niemand kon het zeggen. Het gebeurde somtijds,
dat zij geheele maanden achtereen verdween. Waar was zij dan? Verliet
zij de bergpassen, der Sautpourra, om zich naar die der Vindhyas
te begeven? Dwaalde zij aan den anderen kant der Nerbudda, tot in
Malwa of in Bundelkund rond? Er was niemand die het wist. Meermalen
bleef zij zoolang weg, dat men niet anders dacht dan dat haar treurig
leven een einde had genomen. Maar neen! Men zag haar weder terugkomen,
altijd dezelfde, zonder dat noch vermoeienis, noch ziekte, noch gebrek
haar schijnbaar zoo teer gestel schenen te hebben aangedaan.
Balao Rao had den Hindoe met de grootste aandacht aangehoord. Hij
was het nog niet met zich zelven eens, of er niet eenig gevaar in
gelegen was, dat de Dwalende Vlam den pâl van Tandît kende, er reeds
een schuilplaats gezocht had en haar instinct er haar kon terugvoeren.
Hij kwam dus op dit punt terug en vroeg den Gound of hij of de zijnen
wisten waar de krankzinnige zich op dit oogenblik bevond.
»'k Weet het niet," antwoordde de Gound. »'t Is al langer dan zes
maanden geleden, dat men haar in de vallei gezien heeft. Mogelijk is ze
dus dood. Maar, al kwam ze terug en bezocht ze ook den pâl van Tandît,
dan was er toch niets van haar te vreezen. 't Is slechts een levend
standbeeld. Ze zou u niet zien, u niet hooren, ze zou niet weten wie
ge zijt. Ze zou binnenkomen, ze zou neerzitten aan uw haard, voor
een, misschien twee dagen, dan zou ze haar uitgedoofde toorts weder
aansteken, u verlaten en opnieuw beginnen met van huis tot huis te
zwerven. Dat is haar geheele leven. Trouwens is ze ditmaal zoo lang
weg geweest, dat ze waarschijnlijk wel nooit zal terugkomen. Zij, die
geestelijk reeds dood was, zal nu ook lichamelijk wel overleden zijn!"
Balao Rao meende over dit onderwerp niet met Nana Sahib te moeten
spreken en zelf hechtte hij er al spoedig niet het minste gewicht
meer aan.
Een maand na hun komst in den pâl van Tandît, was van den terugkeer
der Dwalende Vlam in de vallei van Nerbudda nog niets gebleken.