EEN TEGEN DRIE.

Nog eenige dagen en we zouden eindelijk de eerste hellingen beklimmen

van die noordelijke streken van Indië, die al hooger en hooger, van

heuvel tot heuvel, van berg tot berg, de grootste hoogten van den

aardbol bereiken. Tot nog toe was de helling van den bodem slechts

ongevoelig geweest en scheen ook onze IJzeren Reus er niets van

te bemerken.

Het weer was stormachtig, regenachtig vooral, doch het bleef overigens

een zeer draaglijke gemiddelde temperatuur. De wegen waren nog niet

slecht en nog hard genoeg om de wielen van den zwaren trein met hare

breede vellingen niet te diep te doen inzakken. Gebeurde het somtijds

dat de gaten te diep waren, dan was een lichte druk van de hand van

Storr op den regulateur voldoende om den stoom krachtiger te doen

werken en den trein den hinderpaal te doen overwinnen. Men weet,

dat onze machine kracht in overvloed bezat en, werd de toelaatklep

een vierde slag meer geopend, zoo werd onmiddellijk de effectieve

werking met eenige dozijnen paardekracht vermeerderd.

En inderdaad hadden we slechts reden tot tevredenheid, zoowel over

de wijze van vervoer als over de beweegkracht, door Banks aangenomen

en de geriefelijkheid onzer rollende huizen, met hunne telkens zich

hernieuwende gezichtspunten.

Want nu was het niet meer de onbegrensde vlakte, die zich uitstrekt

van de vallei van den Ganges tot het grondgebied van Oude en

Rohilkhande. De toppen toch van het Himalayagebergte vormden in

het noorden een reusachtigen rand, waartegen de door den zuidwesten

wind voortgedreven wolken kwamen aanbotsen. Het was nog onmogelijk

het schilderachtige profiel goed te bewonderen van een bergketen,

die zich op een gemiddelde hoogte van acht duizend meters boven het

vlak der zee tegen den hemel afteekende; doch bij het naderen van de

grenzen van Thibet, werd het voorkomen van het land woester en maakten

zich de jungles ten koste der bebouwde velden van den bodem meester.

Ook de flora van dit gedeelte van het Hindoesche grondgebied was

dezelfde niet meer. Reeds hadden de palmboomen plaats gemaakt voor

prachtige pisangboomen, voor die dichte mangoboomen, die de lekkerste

vruchten van Indië geven, doch vooral voor de groepen bamboes, welker

takken en bladeren tot een hoogte van honderd voet boven den grond

ontloken. Daar ook vertoonden zich magnolias, met groote bloemen,

die de lucht met hare doordringende geuren vervulden, prachtige

ahornboomen, verschillende soorten van eikenboomen, kastanjeboomen

met de met stekels als zeeëgels bezette vruchten, caoutchoucboomen,

waarvan het sap uit hunne geopende aderen stroomde, pijnboomen met

hunne énorme bladeren; vervolgens kleiner van stuk, schitterender van

kleuren, geraniums, rhododendrons, laurierboomen, in bedden geschikt,

die de wegen omzoomden.

Ook vertoonden zich nog eenige dorpen met hutten van stroo of bamboes,

twee of drie landhoeven, verloren te midden der hooge boomen, maar

reeds door een grooter aantal mijlen van elkander afgescheiden. De

bevolking nam bij de nadering der hooge gronden af.

Als achtergrond van de schilderij denke men zich nu over dat

uitgestrekte landschap, een grijze en nevelachtige lucht verspreid,

terwijl de regen meestal in stroomen nederviel. Gedurende vier dagen,

van den 14n tot den 17n Juni, hadden wij misschien geen halven dag

goed weer. Men was dus verplicht in het salon van het stoomhuis te

blijven en moest dus de lange uren doorbrengen als in een vaste woning,

rookende, pratende en whist spelende.

Gedurende al dien tijd hadden de geweren niets te doen, tot groot

verdriet van kapitein Hod, maar twee »schlems" op een enkelen avond,

brachten hem weder in zijn gewoon humeur.

»Men kan altijd een tijger dooden," zeide hij, »maar men kan niet

altijd schlem maken!"

Op zulk een ware en juist uitgedrukte bewering viel niet veel te

antwoorden.

Den 17n Juni werd het kamp opgeslagen bij een seraï,--de naam der

bungalows, die inzonderheid voor de reizigers bestemd zijn. Het weder

was een weinig opgehelderd en de IJzeren Reus, die gedurende die vier

dagen gewerkt had, vorderde zooal niet eenige rust, dan toch eenige

zorg. Men besloot dus den halven dag en den volgenden nacht op deze

plaats door te brengen.

De seraï is de karavansera, de openbare herberg der groote wegen van

het schiereiland, een vierhoek van lage gebouwen, die een binnenplein

omgeven, en meestal voorzien van vier hoektorens, hetgeen er een

recht Oostersch voorkomen aan geeft. In die seraïs wordt de bediening

waargenomen door een bijzonder daartoe aangewezen personeel, den

»bhisti," of waterdrager, den kok, die voorzienigheid der reizigers

die, niet veel eischend, zich met eieren en kippen weten te behelpen,

en den »khansama," of bezorger van levensmiddelen, met wien men

rechtstreeks en gewoonlijk tegen lagen prijs kan handelen.

De bewaarder van den seraï is eenvoudig een agent der zeer achtbare

Compagnie, waaraan de meesten dezer inrichtingen behooren en die ze

door den hoofdingenieur van het distrikt laat inspecteeren.

Een vrij zonderlinge regel, maar die gestreng in deze inrichtingen

gehandhaafd wordt, is deze: iedere reiziger kan gedurende vier en

twintig uren van den seraï gebruik maken, doch, wil hij er langer

in vertoeven, dan moet hij verlof van den inspecteur hebben. Heeft

hij deze machtiging niet, dan kan de eerste de beste Engelschman of

Hindoe, vorderen dat hij hem zijn plaats afstaat.

Het spreekt van zelf dat, zoodra wij onze halt bereikt hadden, de

IJzeren Reus zijn gewone uitwerking teweegbracht, namelijk zeer werd

opgemerkt en misschien wel benijd werd. Toch beschouwden de aldaar

toen aanwezige gasten van den seraï hem eerder met een soort van

minachting,--een minachting evenwel, die te gemaakt was om gemeend

te zijn.

Nu hadden wij weliswaar met geen eenvoudige stervelingen te doen,

die voor hun pleizier of hun handel reisden. Het was geen Engelsch

officier, zich naar zijne kantonnementen aan de Népaulsche grenzen

begevende, noch een Hindoesche koopman, die zijn karavaan naar

de steppen van Afghanistan, aan gene zijde van Lahore of Peshawar

geleidde, neen, het was niemand anders dan de prins Gourou Singh in

eigen persoon, de zoon van een onafhankelijken rajah van Guzarate,

zelf een rajah en die met groote staatsie het noorden van het Indische

schiereiland bereisde.

Deze prins bewoonde niet alleen de drie of vier zalen van den seraï,

maar ook al de toegangen, die zoodanig waren ingericht, dat zij de

lieden van zijn gevolg konden herbergen.

Ik had nooit een rajah op reis gezien. Toen dus nu onze halt op een

kwartier uur afstand van den Seraï, op een bekoorlijke plek, aan den

oever van een kleinen stroom en in de schaduw van prachtige boomen

was ingericht, ging ik in gezelschap van kapitein Hod en Banks het

kamp van den prins Gourou Singh bezoeken.

De zoon van een rajah, die zich verplaatst, verplaatst zich niet

alleen, verre van daar! Onder de menschen, die ik niet benijd,

rangschik ik hen, die geen voet kunnen verzetten zonder dadelijk

honderden van menschen in beweging te brengen! Naar mijn inzien is

het beter een eenvoudige voetganger, met zijn bagage op den rug,

zijn stok in de hand, zijn geweer op schouder te zijn, dan een prins

in Indië reizende, met al de staatsie, hem door zijn rang opgelegd.

»'t Is geen mensch, die van de eene stad naar de andere gaat," zei

Banks tot mij, »'t is een geheel gehucht, dat zich op reis begeeft."

»Ik reis liever met ons Stoomhuis," antwoordde ik, »en 'k zou niet

graag ruilen met dien zoon van een rajah!"

»En wie weet," hernam kapitein Hod, »of die prins ons rollend huis

niet ver zou verkiezen boven al dien omslag op reis!"

»Hij heeft maar één woord te zeggen," riep Banks uit, »en 'k zal hem

een stoompaleis maken, als hij 't maar goed betaalt! Maar laten we,

al wachtende op zijn bestelling, dat kamp eens zien, of 't ook de

moeite waard is!"

Het gevolg van den prins bedroeg niet minder dan vijf honderd

personen. Buiten, onder de groote boomen op de vlakte, stonden twee

honderd symmetrisch geplaatste wagens geschaard, als de tenten van

een uitgestrekt kamp. Om deze wagens te trekken, hadden dezen zebus,

anderen buffels, zonder drie prachtige olifanten te rekenen, die op

hun rug palankijns van den grootsten rijkdom droegen, behalve nog

een twintig kameelen, afkomstig uit de landstreken ten westen van

den Indus, die à la Daumont worden voorgespannen. Niets ontbrak aan

deze vorstelijke karavaan, noch de muzikanten, die de ooren van Zijn

Hoogheid streelden, noch de bajaderen, die zijne oogen bekoorden, noch

de kunstenaars, die hem in zijn ledige oogenblikken vermaakten. Drie

honderd dragers en twee honderd hellebardiers voltooiden dit personeel,

waarvan de soldij iedere andere beurs zou uitgeput hebben dan die

van een onafhankelijken rajah van Indië.

De muzikanten bespeelden de tamboerijn, cimbalen, den tamtam en

behoorden tot de school, die de toonen door geraas doet vervangen;

vervolgens bespelers van gitaar en viool met vier snaren, welke

instrumenten nooit in de hand van den stemmer geweest waren.

Onder de kunstemakers waren eenige »sapwallahs" of slangenbezweerders,

die door hunne betooveringen kruipende dieren wegjagen en aanlokken;

»nutuis", zeer bekwaam in de behandeling van de sabel; koordedansers

die op de losse koord dansen, het hoofd bedekt met een pyramide van

aarden potten en buffelhorens aan de voeten en eindelijk goochelaars,

die het talent hebben oude slangenvellen in vergiftige »cobra's"

te veranderen, of andersom, naar gelieve des toeschouwers.

Wat de bajaderen aangaat, zij behoorden tot de klasse van die schoone

»boundelis", zoo gezocht voor de »nautchs" of soirées, waarop zij

de dubbele rol van zangeressen en danseressen vervullen. Zeer zedig

gekleed, sommigen van haar in moesseline met goud geborduurd, anderen

met geplooide rokken en sluiers, die zij bij hunne passen ontvouwen,

droegen deze balletdanseressen kostbare juweelen, rijke armbanden,

gouden ringen aan de vingers en teenen, zilveren schelletjes aan

den enkel. Aldus opgeschikt, voeren zij den beroemden eierdans uit

met een wezenlijk buitengewone bevalligheid en behendigheid, en ik

rekende er op, dat wij in de gelegenheid zouden zijn ze op speciale

uitnoodiging van den rajah te bewonderen.

Dan was er nog een zeker aantal mannen, vrouwen en kinderen, die onder

geen bepaalden titel bij het personeel der karavaan voorkwamen. De

mannen waren omhangen met een lange strook eener stof, die »dhoti"

genoemd wordt, of gekleed met het hemd »angarkah" en het lange witte

kleed »jamah", waarmede zij er recht schilderachtig uitzagen.

De vrouwen droegen den »choli", een soort van jakje met korte mouwen en

den »sarrie", overeenkomende met den dhoti der mannen, dien zij om de

lendenen wikkelen en waarvan zij het eind koket over het hoofd slaan.

Deze Hindoes rookten onder de boomen uitgestrekt en het uur van den

maaltijd afwachtende, sigaartjes, gewikkeld in een groen blad, of den

»gurago", een soort van zwartachtig mengsel, samengesteld uit tabak,

suikersiroop en opium. Anderen kauwden het mengsel van betelbladeren,

arekanoten en gebluschte kalk, dat zekere spijsverterende eigenschappen

bezit, zeer nuttig in het heete klimaat van Indië.

Al die menschen, gewoon aan het onrustige leven der karavanen,

leefden in de beste verstandhouding en vertoonden alleen bij de

feestelijkheden eenige levendigheid. Zij hadden veel van de figuranten

bij een komedietroep, die, zoodra zij niet meer op het tooneel zijn,

zich volkomen onverschillig houden.

Toen wij evenwel bij het kamp waren aangekomen, haastten deze

Hindoes zich ons met eenige »salams" te begroeten, zich tot den grond

buigende. De meesten schreeuwden: »Sahib! sahib!" hetgeen wil zeggen:

Mijnheer! mijnheer! dat wij met teekenen van vriendschap beantwoordden.

Zooals ik zei, was het mij in de gedachte gekomen, dat de prins Gourou

Singh ter onzer eere misschien een van die feesten wilde geven,

waarmede de rajahs niet karig zijn. Het groote binnenplein van den

bungalow was als aangewezen voor een soortgelijke plechtigheid en

scheen mij bijzonder geschikt toe voor de dansen der bajaderen, de

betooveringen der slangenbezweerders en de kunsten der koorddansers. Ik

moet bekennen, dat ik verrukt zou geweest zijn als ik te midden

van een seraï, in de schaduw van prachtige boomen dit schouwspel

had kunnen bijwonen en daarenboven bekend had kunnen worden met de

natuurlijke tooneelmatige inrichting, door het personeel der karavaan

gevormd. Het zou ongetwijfeld beter geweest zijn dan de planken van

een bekrompen theater, met zijn wanden van geschilderd doek, zijn

randen van valsch groen en zijn beperkte ruimte.

Ik deelde mijne gedachten aan mijne metgezellen mede, die, hetzelfde

verlangen koesterende, niet aan de verwezenlijking geloofden.

»De rajah van Guzarate," vertelde mij Banks, »is een onafhankelijk

vorst, die zich na den opstand der Sipayers, waarin hij een vrij

dubbelzinnige rol gespeeld heeft, nauwlijks onderworpen heeft. Hij

houdt niet van de Engelschen en zijn zoon zal voorzeker niets doen

om het ons aangenaam te maken."

»Welnu, we kunnen zeer goed buiten zijne nautchs!" antwoordde kapitein

Hod, met een minachtend schouderophalen.

En het geschiedde zooals Banks wel gedacht had en wij werden zelfs

niet tot het inwendige bezoek van den seraï toegelaten. Misschien

verwachtte de prins Gourou Singh het officieele bezoek van den kolonel,

maar sir Edward Munro had dit personage niets te vragen, hij verwachtte

er niets van en bekreunde zich niets om hem.

Wij kwamen dus in ons kamp terug en bewezen het uitstekende diner, dat

»monsieur" Parazard ons opdischte, alle eer. Ik moet evenwel zeggen,

dat de verduurzaamde levensmiddelen er het voornaamste menu van

uitmaakten. Sedert verscheidene dagen hadden wij wegens het slechte

weer niet kunnen jagen, maar onze kok was een knap man en onder zijn

bekwaam toezicht kregen onze verduurzaamde vleezen en groenten hunne

natuurlijke frischheid en smaak terug.

Gedurende den geheelen avond en niettegenstaande de beweringen van

Banks, verwachtte ik, door een gevoel van nieuwsgierigheid gedreven,

een uitnoodiging, die niet kwam. Kapitein Hod lachte mij uit om mijn

smaak voor de balletten in de open lucht en verzekerde mij zelfs,

dat het in de Opera veel beter was. Ik wilde er niets van gelooven,

doch, wegens de weinige beminnelijkheid van den prins, was het mij

niet mogelijk dit uit te maken.

Den volgenden dag, den 18n Juni, werd alles in gereedheid gebracht

om met het krieken van den dag te vertrekken.

Te vijf uur begon Kâlouth te stoken. Onze olifant, die uitgespannen

was, bevond zich een vijftig passen van den trein verwijderd en de

machinist hield zich bezig met den voorraad water te vernieuwen.

Onderwijl wandelden wij aan den oever der kleine rivier.

Veertig minuten later had de ketel de noodige drukking en Storr zou

juist zijn achterwaartsche beweging beginnen, toen een groep Hindoes

kwam aanwandelen.

Zij waren met hun vijven of zessen, rijk gekleed in witte toga's,

zijden onderkleederen en tulbanden met goud borduursel. Zij

werden vergezeld door een twaalftal wachters, met geweren en sabels

gewapend. Een dezer soldaten droeg een kroon van groene bladeren,--'t

geen de tegenwoordigheid van een voornaam personage aanduidde.

Werkelijk was dit voornaam personage niemand anders dan de prins

Gourou Singh in eigen persoon, een man van ongeveer vijf en dertig

jaar, trotsch van voorkomen,--de vrij goed geslaagde type van de

afstammelingen dier rajahs van vroegere tijden, in wiens trekken het

maharatten-karakter niet te miskennen was.

De prins verwaardigde zich zelfs niet onze tegenwoordigheid

op te merken. Hij deed eenige passen voorwaarts en naderde den

reusachtigen olifant, dien de hand van Storr weldra in beweging zou

brengen. Vervolgens, na hem niet zonder nieuwsgierigheid bekeken

te hebben, ofschoon hij er niets van wilde laten blijken, vroeg hij

aan Storr:

»Wie heeft die machine gemaakt?"

De machinist wees den ingenieur aan, die eenige schreden van ons

afstond.

Prins Gourou Singh drukte zich zeer gemakkelijk in 't Engelsch uit

en zich tot Banks wendende, zeide hij gedwongen:

»Is u het, die....?"

»Ik ben het, die....!" antwoordde Banks.

»Men heeft, meen ik, me gezegd, dat het een fantasie was van den

overleden rajah van Bouthan?"

Banks knikte.

»Waartoe," hernam Zijn Hoogheid, onbeleefd de schouders ophalende,

»waartoe zich dan door een machine te laten trekken, als men olifanten

van vleesch en beenderen tot zijn dienst heeft!"

»Omdat," antwoordde Banks, »deze olifant waarschijnlijk sterker is

dan al de olifanten, die de overleden rajah in gebruik had."

»Wat zeg je!" zei Gourou Singh, ongeloovig glimlachende, »sterker?...."

»Oneindig sterker!" antwoordde Banks.

»Niet een van uw lieden," zei toen kapitein Hod, wien dit gesprek

bijzonder hinderde, »niet een van uw lieden is in staat dien olifant

een poot te doen verzetten, als hij 't niet wilde."

»U zegt?"..... zei de prins.

»Mijn vriend zegt," antwoordde de ingenieur, »en ik zeg het hem na,

dat dit kunstdier alleen is opgewassen tegen de trekkracht van tien

spannen paarden en dat uw drie olifanten, te zamen aangespannen,

hem geen stroobreedte zouden kunnen doen wijken!"

»'k Geloof er letterlijk niets van," antwoordde de prins.

»U hebt ongelijk er letterlijk niets van te gelooven," antwoordde

kapitein Hod.

»En als uw Hoogheid er een behoorlijke prijs voor geven wil," voegde

Banks er bij, »neem ik aan hem er een te leveren, die zoo sterk zal

zijn als twintig olifanten, gekozen uit de beste van zijn stallen!"

»Men kan dat licht zeggen," hernam Gourou Singh droog.

»En men kan het doen," antwoordde Banks.

De prins maakte zich warm. Men zag dat hij niet gaarne tegengesproken

werd.

»Men zou er nu dadelijk de proef van kunnen nemen," zeide hij na een

oogenblik nagedacht te hebben.

»Dat zou kunnen," antwoordde de ingenieur.

»En zelfs," voegde prins Gourou Singh er bij, »zou men met deze proef

een aanzienlijke weddenschap kunnen verbinden,--of je zoudt moeten

achteruitgaan voor de vrees haar te verliezen, zoo als je olifant

ongetwijfeld zou achteruitgaan, als hij met de mijne moest kampen!"

»De IJzeren Reus achteruitgaan!" riep kapitein Hod uit. »Wie durft

beweren, dat de IJzeren Reus zou achteruitgaan?"

»Ik," antwoordde Gourou Singh.

»En wat zou Uwe Hoogheid verwedden?" vroeg de ingenieur de armen

kruisende.

»Vier duizend ropijen," antwoordde de prins, »als je vier duizend

ropijen te verliezen hebt!"

Dat bedroeg ongeveer vijf duizend gulden. Het was voorzeker geen

geringe som en 'k zag wel, dat Banks, in weerwil van zijn vertrouwen,

niet gaarne zooveel geld waagde.

Kapitein Hod zou met pleizier het dubbele gehouden hebben, als zijn

vrij bescheiden soldij het had toegelaten.

»Je weigert!" zei toen Zijn Hoogheid, voor wien vier duizend ropijen

niet veel beteekenden. »Je durft dus geen vierduizend ropijen te

wagen?"

»Gehouden," zei kolonel Munro, die dichterbij gekomen was en met dit

enkele woord tusschenbeiden kwam.

»Kolonel Munro houdt dus vier duizend ropijen?" vroeg prins Gourou

Singh.

»En zelfs tienduizend," antwoordde sir Edward Munro, »als Uwe Hoogheid

het goedvindt."

»Best!" antwoordde Gourou Singh.

Het werd waarlijk interessant. De ingenieur drukte den kolonel de

hand, als om hem dank te zeggen, dat hij hem, Banks, niet door dien

minachtenden rajah had laten uittarten, maar een oogenblik had hij

zijne wenkbrauwen gefronst en dacht bij zich zelven of hij geen te

hoogen dunk had van het vermogen zijner machine.

Wat kapitein Hod aangaat, hij was verrukt, hij wreef zich in de handen

en den olifant naderende, riep hij uit:

»Opgepast, IJzeren Reus! Het geldt hier de eer van ons vaderland!"

Al onze lieden hadden zich aan een der zijden van den weg geschaard

en ook een honderdtal Hindoes hadden den seraï verlaten en kwamen

den kampstrijd bijwonen.

Banks had zich in het torentje bij Storr begeven, die door een

kunstmatige trekking den vuurhaard opstookte.

Intusschen waren op een wenk van prins Gourou Singh eenigen zijner

dienaars naar den seraï gegaan en kwamen zij terug met drie olifanten,

ontdaan van hun reisbagage. Het waren drie prachtige dieren, afkomstig

uit Bengalen en grooter dan hunne stamgenooten uit Zuid-Indië. Deze

trotsche dieren, in de kracht huns levens, deden mij toch wel wat

ongerust zijn.

De »mahouts", op hun énormen nek gezeten, bestuurden ze met de hand

en dreven ze aan met de stem.

Toen deze olifanten voorbij Zijne Hoogheid gingen, bleef de grootste

van de drie,--een echte reus van zijn geslacht,--stilstaan, boog de

knieën, lichtte zijn snuit op en groette den prins als een volleerde

hoveling. Daarna naderden zijn twee makkers en hij den IJzeren Reus,

dien zij met verwondering en niet zonder eenigen schrik schenen op

te nemen.

Nu werden sterke kettingen aan den tender en aan de trekstangen,

die door het achterdeel van onzen olifant verborgen waren, vastgemaakt.

Ik beken dat mijn hart klopte. Kapitein Hod beet koortsachtig op zijn

knevel en kon geen oogenblik blijven staan.

Wat kolonel Munro betreft, hij was even bedaard en zelfs nog bedaarder

dan de prins Gourou Singh.

»We zijn gereed," zei de ingenieur. »Als het Zijne Hoogheid

behaagt?...."

»'t Behaagt me," antwoordde de prins.

Gourou Singh gaf een teeken, de mahouts deden een eigenaardig gefluit

hooren, en de drie olifanten, hunne kolossale pooten schrap zettende,

trokken volkomen gelijk aan. De machine ging eenige schreden achteruit.

Ik gaf een schreeuw. Hod stond te trappelen.

»Rem de wielen!" zei de ingenieur kalm, zich tot den machinist

wendende.

En met een enkelen druk, waarop een stoomgesis volgde, werd

onmiddellijk de atmosfeerische remtoestel toegepast.

De IJzeren Reus stond stil.

De mahouts zetten de drie olifanten aan, die, met gespannen spieren,

een nieuwe poging deden.

Alles te vergeefs. Onze olifant stond als aan den grond geworteld.

De prins Gourou Singh beet zich de lippen ten bloede.

Kapitein Hod klapte in de handen.

»Vooruit!" schreeuwde Banks.

»Ja, vooruit," herhaalde de kapitein, »vooruit!"

De regulateur werd geheel geopend, dikke rookkolommen ontsnapten

slag op slag uit den snuit, de ontremde wielen draaiden langzaam rond

en sloegen in den macadamweg, met dat gevolg dat de drie olifanten,

niettegenstaande hun hardnekkigen wederstand, achteruitgesleept werden,

diepe gaten in den grond borende.

»Vooruit! vooruit!" gilde kapitein Hod het uit.

En, terwijl de IJzeren Reus werkelijk steeds vooruitging, vielen de

drie ontzaglijke dieren omver en werden zij een twintig schreden

voortgesleurd, zonder dat onze olifant er zelfs iets van scheen

te merken.

»Hoera! hoera! hoera!" schreeuwde kapitein Hod, die zich geen meester

meer was. »Voeg den geheelen seraï van Zijn Hoogheid er ook nog maar

bij! 't Zal er voor onzen IJzeren Reus geen greintje zwaarder om zijn!"

Kolonel Munro gaf een teeken met de hand. Banks sloot nu den regulateur

en de toestel stond stil.

Geen jammerlijker gezicht dan de drie olifanten van Zijn Hoogheid,

met den snuit en de pooten in de lucht, zich werende als reusachtige

torren op den rug!

Wat den prins aangaat, boos en beschaamd ging hij heen, zonder zelfs

het eind der proef af te wachten.

De drie olifanten werden toen uitgespannen. Zij stonden op, zichtbaar

vernederd door hun nederlaag. Toen zij weder voorbij den IJzeren

Reus kwamen, kon de grootste, in spijt van zijn cornac, zich niet

weerhouden de knie te buigen en met de tromp te groeten, gelijk hij

voor prins Gourou Singh gedaan had.

Een kwartier later kregen wij een bezoek van een Hindoe, den

»kâmdar" of secretaris van Zijn Hoogheid, die den kolonel een zak

met tienduizend ropyen kwam brengen, het bedrag van de verloren

weddingschap.

Kolonel Munro nam den zak en zeide, hem met minachting den verbluften

secretaris voor de voeten werpende:

»Voor de bedienden van Zijn Hoogheid!"

Daarna wendde hij zich bedaard naar het stoomhuis.

Men kon dien verwaanden prins, die ons zoo minachtend had uitgedaagd,

niet beter op zijn plaats zetten.

Zoodra intusschen de IJzeren Reus was ingespannen, gaf Banks het

teeken van vertrek en, te midden van een ontzaglijken toeloop van

verbaasde Hindoes, vertrok onze trein in volle vaart.

Jubelende kreten begroetten hem bij zijn vertrek en weldra hadden

wij bij een kromming van den weg den seraï van den prins Gourou Singh

uit het gezicht verloren.

Den volgenden dag begon het Stoomhuis de eerste hellingen te

beklimmen, die het vlakke land met den voet van het Himalaya-gebergte

verbinden. Het was slechts spel voor onzen IJzeren Reus, die met zijn

vermogen van tachtig paardenkracht, in zijn schoot verborgen, in staat

was geweest zonder moeite te kampen tegen de drie olifanten van prins

Gourou Singh. Hij waagde zich dus gemakkelijk op de hellende wegen

van die streek, zonder dat het noodig was de normale stoomdrukking

te versterken.

Het was wezenlijk een vreemd gezicht den kolos te zien, stroomen vonken

uitbrakende, met minder snelle, maar diepere zuchten de twee wagens

voorttrekkende, die langs de wegen in de hoogte stegen. Weliswaar

liet ons zware dier diepe gaten achter en bedierf het den weg, die

door de stortregens reeds zacht geworden was, nog meer.

Toch steeg het Stoomhuis langzamerhand al hooger en hooger, steeds

ontvouwde zich het panorama achter ons al verder en verder, al dieper

en dieper zakte de vlakte onder ons weg en naar het zuiden ging de

horizont zoover het oog reikte, achteruit.

De uitwerking was nog merkbaarder wanneer de weg eenige uren achtereen

onder de boomen van een dicht woud liep. Als dan, als een onmetelijk

venster op den top eens bergs, een uitgestrekte open plek in het

woud zich voordeed, bleef de trein stilstaan,--een oogenblik slechts

als een vochtige mist het landschap als met een sluier bedekte,--een

halven dag, als het zich duidelijker aan onze blikken vertoonde. Dan

kwamen wij alle vier onder de prachtige achterveranda gezeten, het

prachtige panorama, dat zich aan onze blikken ontrolde, genieten en

waren niet spoedig van dat treffende schouwspel verzadigd.

Deze opstijging, afgebroken door kortere of langere halten, al naar

het uitkwam, duurde niet minder dan zeven dagen, van den 19n tot den

25n Juni.

»Met een weinig geduld," zei kapitein Hod, »zou onze trein tot de

hoogste toppen der Himalaya stijgen!"

»Toch vooral geen al te grootsche verwachtingen, kapitein," antwoordde

de ingenieur.

»Hij zou het werkelijk doen, Banks!"

»Ja, Hod, 'k wil gelooven, dat hij het doen zou, als de weg maar goed

bleef en we brandstoffen mede konden nemen, die hij over de ijsvelden

niet vinden zou en dan, als we op die hoogten maar lucht hadden,

geschikt om in te ademen, maar op een hoogte van twee duizend vademen

zou deze ons al gaan ontbreken. En wat hebben we er ook aan verder

te gaan dan de bewoonbare grens van het Himalayagebergte! Zoodra

de IJzeren Reus de gemiddelde hoogte der satitariums zal bereikt

hebben, zal hij halt houden op de een of andere bekoorlijke plek,

aan den zoom van een bergwoud, in een door de bovenstroomen van het

luchtruim verfrischte atmosfeer. Onze vriend Munro zal dan eenvoudig

zijn bungalow van Calcutta naar de bergen van Népaul verplaatst hebben

en we zullen er zoolang blijven als hij wil."

Deze plek, waar wij eenige maanden zouden kampeeren, werd gelukkig

den 25n Juni gevonden. Sedert acht en veertig uren werd de weg al

minder en minder begaanbaar, hetzij hij onvolkomen was aangelegd,

hetzij de zware regens hem te sterk gehavend hadden. De IJzeren

Reus moest hier werkelijk sjouwen en had een weinig meer brandstof

noodig. Eenige stukken hout meer in den vuurhaard van Kâlouth geworpen,

waren voldoende om de spankracht van den stoom te doen toenemen. Maar

het was nooit noodig de veiligheidskleppen te belasten, waarvan de

smoorklep den stoom slechts onder een drukking van zeven atmosfeeren

liet ontsnappen,--een drukking, die nooit overschreden werd.

Sedert acht en veertig uren trok onze trein dan ook door een

nagenoeg verlaten streek. Van dorpen of gehuchten was niets meer te

vinden. Nauwelijks nog eenige eenzame woningen, somtijds een landhoeve

in de groote dennenwouden verloren, die de zuidelijk gelegen zijden

der bergkruinen bedekten. Drie of vier malen werden wij door de

bewonderende uitroepen der enkele bergbewoners begroet. Moesten ze op

het gezicht van dat wonderbaarlijk gevaarte, dat den berg besteeg,

niet denken, dat Brahma het in zijn hoofd had gekregen een geheele

pagode naar een ontoegankelijke hoogte aan de Népaulsche grens over

te brengen?

Eindelijk, den 25n Juni, riep Banks ons een laatste maal het woord:

»Halt!" toe, dat het eerste gedeelte van onze reis in Noord-Indië

voleindigde. De trein hield stil op een ruime open plek, bij een

bergstroom, welks helder water aan al de behoeften van een kamp van

eenige maanden kon voldoen. Van daar uit kon men den blik laten weiden

over een vlakte van vijftig of zestig mijlen in omtrek.

Het Stoomhuis bevond zich toen op drie honderd vijf en twintig mijlen

van zijn uitgangspunt af, op twee duizend meters ongeveer boven het

vlak der zee en aan den voet van den Dwalaghiri, wiens top zich op

vijf en twintig duizend voet in het luchtruim verloor.

Het Stoomhuis: De IJzeren Reus (1/2) · 第 28 / 38 题