HELDENDADEN VAN KAPITEIN HOD.

De halve dag van den 5n Juni en de volgende nacht werden rustig in het

kamp doorgebracht. Na zooveel vermoeienissen en doorgestane gevaren,

hadden wij die rust hoog noodig.

Het was nu niet meer het koninkrijk Oude, dat zijne vruchtbare vlakten

voor ons uitbreidde; het Stoomhuis vervolgde toen zijn reis door het

grondgebied, steeds vruchtbaar, doch met »nullahs", of bergkloven

doorsneden, dat Rohilkhande genoemd wordt. Bareilli is de hoofdstad

van den uitgestrekten vierhoek van honderd vijf en vijftig duizend

mijlen kustland, rijkelijk besproeid door de talrijke takken van de

Cogra, hier en daar bepoot met prachtige mangoboomen en bezaaid met

dichte jungles, die evenwel allengs plaatsmaken voor bebouwde velden.

Daar was het middelpunt van den opstand na de inneming van Delhi; daar

was het tooneel van een der veldtochten van sir Colin Campbell; daar

was de legerafdeeling van den brigade-generaal Walpole in den aanvang

niet gelukkig: daar kwam een vriend van sir Edward Munro om het leven,

de kolonel van het 93e regiment Schotten, dat zich in het gevecht van

den 14n April bij de twee belegeringen van Lucknow onderscheiden had.

Met het oog op de gansche inrichting van dit grondgebied, kon geen

ander gunstiger geweest zijn voor onzen trein. Fraaie, effen wegen,

gemakkelijk over te steken stroomen tusschen de twee belangrijker

slagaderen die van het noorden komen, alles bracht mede dit gedeelte

van ons reisplan gemakkelijk te maken. Er bleef ons slechts nog

eenige honderden kilometers te doorloopen over, alvorens de eerste

verheffing van den bodem te gevoelen, die de vlakte met de bergen

van Népaul verbindt.

Alleen slechts moest nu ernstig rekening gehouden worden met het

regenseizoen. De regentijd doet zich heviger in de kuststreek gevoelen

dan binnen in het schiereiland en duurt ook wat langer. De reden

hiervan is dat de wolken zich ontlasten alvorens het midden van Indië

te bereiken, doch behalve dat veranderen zij eenigszins van richting

door den slagboom der hooge bergen. Op de kust van Malabar begint de

moesson in de maand Mei; in de centrale en noordelijke provinciën,

doet hij zich slechts eenige weken later gevoelen, in de maand Juni.

Nu bevonden wij ons juist in Juni en in deze bijzondere, doch vooruit

geziene omstandigheden zou onze reis voortgezet worden.

Alvorens evenwel met de mededeeling onzer lotgevallen verder te gaan,

moet ik zeggen dat het met onzen braven Goûmi, zoo ongelukkig door den

bliksem ontwapend, den volgenden dag reeds beter ging. De verlamming

van zijn linkerbeen was slechts tijdelijk. Hij hield er niets uit over,

maar scheen toch eenigen wrok tegen het hemelvuur te koesteren.

Op de twee dagen van den 6n en 7n Juni, had kapitein Hod met behulp

van Phann en Black gelukkige jacht. Hij kon toch een paar antilopen,

hier »nilgaus" genaamd, schieten. Dit zijn de blauwe ossen der

Hindoes, die men juister herten zou moeten noemen, omdat zij meer

op herten dan op de stamgenooten van den god Apis gelijken. Men zou

ze zelfs parelgrijze herten kunnen noemen en hunne kleur herinnert

voorzeker meer aan de kleur van een stormachtige lucht dan aan die

van een azuurblauwen hemel. Men verzekert evenwel, dat bij eenigen

dezer prachtige dieren met kleine, scherpe en rechte horens, langen

en een weinig gewelfden kop, het haar bijna blauw wordt,--een kleur

die de natuur den viervoetigen dieren standvastig schijnt geweigerd

te hebben, zelfs den blauwen vos, wiens pels eerder zwart is.

Toch waren dit de roofdieren nog niet, waarvan kapitein Hod

droomde. Evenwel is de nilgau, al is het geen roofdier, gevaarlijk,

wanneer hij licht gekwetst den jager aanvalt. Een eerste kogel van den

kapitein, een tweede van Fox, stuitten deze tweede prachtige dieren

in hun vaart. Zij werden als in de vlucht geschoten. Voor Fox was

het dan ook slechts vliegend wild!

»Monsieur" Parazard, evenwel dacht er heel anders over en de heerlijk

gebraden bouten, die hij ons dien dag opdischte, deden ons tot zijne

meening overhellen.

Den 8n Juni, met het krieken van den dag, verlieten wij ons kamp,

dat bij een klein dorp van Rohilkhande was opgeslagen. Wij waren er

den vorigen avond aangekomen, na de veertig kilometers, die het van

Rewah scheiden, te hebben afgelegd. Onze trein had dus slechts met

een zeer gematigde snelheid gereisd over een grond, dien de regens

steeds weeker maakten. Bovendien begonnen de beken te zwellen,

terwijl verscheidene doorwaadbare plaatsen onze reis eenige uren

vertraagden. Doch, aan een paar dagen waren wij niet gebonden. Wij

waren toch zeker vóór het einde van Juni de bergachtige streek te

bereiken, waar wij ons gedurende eenige maanden van den zomer met

het Stoomhuis wilden ophouden, als te midden van een sanitarium. Wij

behoefden ons dus niet ongerust hierover te maken.

Dien dag van den 8n miste kapitein Hod een prachtig schot.

Terzijde van den weg bevonden zich dichte jungles van bamboes,

zooals men er velen rondom de dorpen aantreft, die gebouwd schijnen

in bloemenkorfjes. Het was nog de echte jungle niet, zooals die zoo

vaak in Hindostan op de woeste, naakte, onvruchtbare vlakte wordt

aangetroffen, en waarboven grijsachtige struiken uitsteken. Wij

bevonden ons integendeel in een bebouwd land, te midden van vruchtbare

landouwen, die gewoonlijk waren afgedeeld in moerassige rijstvelden.

De IJzeren Reus ging bedaard voorwaarts, bestuurd door de hand van

Storr en wierp fraaie rookwolkjes uit, die door den wind over het

bamboes langs den weg verspreid werden.

Eensklaps sprong een dier met verbazende vlugheid op den nek van

onzen olifant.

»Een tchîta! een tchîta!" riep de machinist.

Op dezen kreet snelde kapitein Hod naar het voorste balkon en greep

een geweer, dat daar altijd gereed stond.

»Een tchîta!" riep hij op zijn beurt.

»Schiet hem dan toch!" schreeuwde ik.

»'k Heb den tijd!" antwoordde kapitein Hod, die zich vergenoegde met

op het dier aan te leggen.

De tchîta is een soort van luipaard, in Indië thuis behoorende,

niet zoo groot als de tijger, maar bijna even zoo geducht, zoo vlug,

lenig en sterk is hij.

Kolonel Munro, Banks en ik wij hielden hem onder de veranda staande in

't oog, en wachtten altijd op het schot van den kapitein.

Blijkbaar had zich de luipaard op het gezicht van onzen olifant

vergist. Hij had zich stoutmoedig op hem geworpen, doch daar waar hij

levend vleesch meende te vinden, waarin hij zijne tanden of klauwen

kon slaan, was het vleesch van plaatijzer, dat noch zijn tanden, noch

zijn klauwen konden oprijten. Woedend over dit slechte resultaat,

klampte hij zich aan de lange ooren van het gewaande dier vast, en

was ongetwijfeld op punt het weder los te laten, toen hij ons opmerkte.

Kapitein Hod bleef steeds op hem aanleggen, als een jager, die zeker

van zijn schot is en het dier slechts op het juiste oogenblik en op

de juiste plek wil treffen.

De tchîta richtte zich brullende op. Zeker gevoelde hij het gevaar,

maar scheen het niet te willen ontvluchten. Misschien zocht hij het

gunstige oogenblik om zich op de veranda te werpen.

Werkelijk zagen wij hem weldra naar den kop van den olifant kruipen,

met zijne pooten den snuit, die tot schoorsteen diende, omvatten en

daarna naar de opening klimmen, waaruit de stoom ontsnapte.

»Schiet dan toch, Hod!" zei ik weder.

»'k Heb den tijd," antwoordde de kapitein.

Daarna, zich tot mij wendende, vroeg hij, zonder echter den luipaard,

die naar ons keek, uit het oog te verliezen:

»Heb je nooit een tchîta gedood, Maucler?"

»Nooit."

»Wil je er een dooden?"

»Kapitein," antwoordde ik, »'k wil je dat prachtige schot niet

ontnemen...."

»Wat dat betreft," zei Hod, »'t is toch geen schot voor een jager! Neem

een geweer en leg op het schoudergewricht van het dier aan! Als je

mis schiet, zal ik het in de vlucht raken!"

»Nu, goed."

Fox gaf mij een karabijn met dubbelen loop aan, die hij in de hand

hield. Ik nam haar aan, spande den haan, legde op het schoudergewricht

van het dier aan, dat zich steeds onbeweeglijk hield en schoot.

Het dier, gekwetst, doch licht, nam een geweldigen sprong, en over

het torentje van den machinist heen gaande, stortte het zich op het

eerste dak van het Stoomhuis neder.

Welk een goede jager kapitein Hod ook ware, hij had den tijd niet

gehad het in het voorbijgaan te treffen....

»Pas op, Fox, pas op!" riep hij uit.

En beiden snelden van de veranda af en posteerden zich in het torentje.

De luipaard, die heen en weer ging, wierp zich op het tweede dak,

na het brugje te zijn overgesprongen.

Op het oogenblik dat de kapitein zou schieten, nam het dier opnieuw

een aanloop, die het op den grond deed neerkomen, richtte zich met

een krachtigen sprong in de hoogte en verdween in de jungle.

»Stop! stop!" riep Banks den machinist haastig toe, die, den stoom

afsluitende, de wielen van den trein door middel van den remtoestel

oogenblikkelijk tot staan bracht.

De kapitein en Fox sprongen op den weg en wierpen zich in het dichte

kreupelhout om den tchîta te bereiken.

Eenige minuten luisterden wij niet zonder eenig ongeduld of zich ook

een geweerschot deed hooren, doch te vergeefs en de twee jagers kwamen

met ledige handen terug.

»Verdwenen! gevlogen!" riep kapitein Hod uit, »en zelfs geen spoor

van bloed op den grond!"

»'t Is mijn schuld!" zei ik tot den kapitein, »en 't zou beter geweest

zijn, als gij op dien tchîta geschoten hadt, inplaats van het aan

mij over te laten! Gij zoudt hem niet gemist hebben!"

»En gij hebt hem toch geraakt, daar ben ik zeker van," antwoordde Hod,

»maar niet op de goede plaats!"

»Die zal mijn acht en dertigste en uw een en veertigste niet zijn,

kapitein!" zei Fox, tamelijk onthutst.

»Ook goed!" zei Hod, op een toon van gemaakte onverschilligheid,

»een tchîta is geen tijger. Als dat het geval niet geweest was, mijn

waarde Maucler, zou ik het niet van me hebben kunnen verkrijgen,

u dat schot af te staan!"

»Aan tafel, mijne vrienden," zei toen kolonel Munro. »Het ontbijt

wacht ons en dat zal u troosten...."

»Des te meer nog," zei Mac Neil, »omdat alles de schuld van Fox is!"

»Mijn schuld?" antwoordde de oppasser, die niets in zijn schik was

over deze onverwachte opmerking.

»Ongetwijfeld, Fox," hernam de sergeant. »De karabijn, die je mijnheer

Maucler hebt overhandigd, was slechts met hagel No. 6 geladen!"

En Mac Neil liet de tweede patroon zien, die hij uit het geweer

gehaald had waarvan ik me bediend had. Zij bevatte werkelijk niets

anders dan patrijzenhagel.

»Fox!" zei kapitein Hod.

»Kapitein?"

»Twee dagen politiekamer!"

»Tot uw orders, kapitein!"

En Fox begaf zich naar zijn kamertje, vast besloten binnen acht en

veertig uren niet meer voor ons te verschijnen. Hij was zeer beschaamd

over zijn vergissing en wilde zijn schande verbergen.

Den volgenden dag, 9 Juni, doorkruisten Hod, Goûmi en ik, gedurende den

halven dag rust, dien Banks ons had toegestaan, de vlakte langs den

weg. Het had den geheelen morgen geregend, doch tegen den middag was

de lucht wat opgeklaard en mocht men eenige uren droog weer verwachten.

Intusschen was het niet Hod, de jager op roofdieren, die mij ditmaal

medenam, maar de jager op wild. Ter voorziening van de tafel, ging

hij bedaard langs den zoom der rijstvelden wandelen, in gezelschap

van Black en van Phann. »Monsieur" Parazard had den kapitein laten

weten, dat de voorraadkamer ledig was en hij van Zijn Achtbaarheid

verlangde dat Zijn Achtbaarheid »de noodige maatregelen" wel wilde

nemen om haar te vullen.

Kapitein Hod onderwierp zich en wij vertrokken, gewapend met eenvoudige

jachtgeweren. Gedurende twee uren zagen wij niets anders dan eenige

hazen en patrijzen, maar op zulk een afstand, dat wij, niettegenstaande

den goeden wil onzer honden, alle hoop ze te bereiken, moesten opgeven.

Kapitein Hod was dan ook niets in zijn humeur. Trouwens, midden

in die uitgestrekte vlakte, zonder jungles, zonder kreupelhout,

bezaaid met dorpen en landhoeven, kon hij niet op de ontmoeting van

eenig verscheurend dier rekenen, dat hem den gemisten luipaard van

den vorigen dag had kunnen vergoeden. Hij was slechts uitgegaan in

zijne hoedanigheid als proviandmeester en dacht aan de ontvangst van

»monsieur" Parazard als hij met ledigen weitasch thuiskwam.

Het was toch onze schuld niet. Te vier uur waren we nog niet in de

gelegenheid geweest een enkel schot te lossen. Het woei flink en,

zooals ik reeds zeide, rees al het wild buiten schot op.

»Mijn waarde vriend," sprak toen kapitein Hod tot mij, »het loopt ons

alles tegen! Toen we Calcutta verlieten heb ik je prachtige jachten

beloofd en een halsstarrig noodlot, dat me volkomen onverklaarbaar is,

belet mij mijne belofte gestand te doen."

»Kom, kom, kapitein," antwoordde ik, »we moeten niet wanhopen. Als ik

er eenig verdriet van heb, dan is dat minder voor mij, dan wel voor

u!.... We zullen onze schade trouwens inhalen in de bergen van Népaul!"

»Ja," zei kapitein Hod, »daar op de eerste hellingen van het

Himalaya-gebergte zullen de omstandigheden beter voor ons zijn. Zie

je, Maucler, 'k zou willen wedden, dat onze trein met al zijn omhaal,

het geloei van zijn stoom, en vooral zijn reusachtigen olifant, die

verwenschte roofdieren schrik aanjaagt, nog meer dan een spoortrein zou

doen en dit zal maar al te zeer het geval zijn, zoolang hij op marsch

is! Als de trein rust, moeten wij hopen, dat we gelukkiger zullen

zijn. Die luipaard was toch werkelijk dwaas! Hij moet zeker woest van

den honger geweest zijn, dat hij zich zoo op onzen IJzeren Reus wierp

en hij was waard geweest morsdood geschoten te zijn! Die satansche

Fox! 'k Zal nooit vergeten wat hij gedaan heeft!--Hoe laat is 't nu?"

»'t Is bij vijf uren!"

»Al vijf uur, en we hebben nog geen patroon verschoten!"

»Ze wachten ons eerst om zeven uur in 't kamp terug. Misschien dat

in dien tijd....!"

»Neen, 't loopt ons allemaal tegen," riep kapitein Hod uit, »en zie

je, geluk moet er bij zijn!"

»Maar volharding ook," antwoordde ik. »Kom aan, kapitein, laten we

afspreken, dat we niet met ledige handen zullen thuiskomen! Vindt u

dat goed?"

»Of ik dat goed vind!" riep Hod uit. »Een man een man, een woord

een woord!"

»Afgesproken."

»Zie je, Maucler, 'k bracht liever een veldmuis of een eekhoorn mee

dan platzak thuis te komen!"

Kapitein Hod, Goûmi en ik, we bevonden ons in een stemming om met alles

tevreden te zijn. De jacht werd dus met een hardnekkigheid voortgezet,

een beter lot waardig, maar 't was alsof de onschadelijkste vogeltjes

onze vijandige voornemens geraden hadden. Het was niet mogelijk er

een onder schot te krijgen.

Zoo gingen wij tusschen de rijstvelden door, nu eens de eene zijde

van den weg, dan de andere houdende, op onze schreden terugkeerende,

om ons niet te ver van het kamp te verwijderen. Alles te vergeefs! Ten

half zeven ure 's avonds, was er nog geen schot gevallen. We hadden

daar even goed met een rotting in de hand kunnen komen. Het resultaat

zou hetzelfde geweest zijn.

Ik keek kapitein Hod aan. Hij liep met de tanden op elkaar geklemd. Een

stille woede had zich van hem meester gemaakt, kenbaar aan een diepen

rimpel op zijn voorhoofd, tusschen de twee wenkbrauwen. Hij prevelde

tusschen zijn saamgeknepen lippen allerlei bedreigingen tegen alle

levende behaarde of gevederde wezens, waarvan geen enkel exemplaar

zich op deze vlakte vertoonde. Ik zag aankomen, dat hij zijn geweer

tegen een boom of een rots of eenig ander voorwerp ging lossen--een

jagersmanier om aan zijn toorn lucht te geven. Zijn wapen brandde

hem in de hand. Dat bleek uit zijn heele wijze van doen. Hij wierp

het op in den arm, dan op schouder, dan droeg hij het in de hand,

alles onwillekeurig, ondanks zich zelven.

Goûmi keek hem aan.

»De kapitein zal gek worden als dat zoo voortgaat!" zeide hij tot mij,

het hoofd schuddende.

»Ja," antwoordde ik, »en ik zou wel dertig shillings willen geven

voor de eenvoudigste tamme duif, die een menschenvriend in zijn bereik

wierp! Dat zou hem wat kalmeeren!"

Maar, noch voor dertig shillings, noch voor het dubbele, noch voor

het driedubbele had men op het oogenblik zich het minst kostbare

en gemeenste stuk wild kunnen verschaffen. Het was nu alles stil en

verlaten op de vlakte en zelfs zagen we geen landhoeve noch dorp meer.

Ik geloof waarlijk, dat als het mogelijk geweest was, ik Goûmi had

uitgestuurd om tegen elken prijs een of ander stuk gevogelte te koopen,

al was het een geplukte kip, om haar onzen vergramden kapitein ter

voldoening van zijn wraak over te leveren!

De avond begon nu evenwel te vallen. Overeen uur zou het zoo

donker zijn, dat het onmogelijk was onzen vergeefschen tocht voort

te zetten. Alhoewel wij waren overeengekomen in geen geval met een

ledigen weitasch in het kamp terug te komen, zouden we er toch wel toe

verplicht zijn, tenzij we den nacht op de vlakte doorbrachten. Doch,

behalve dat we een regenachtigen nacht te wachten hadden, zouden

kolonel Munro en Banks, ons niet ziende terugkeeren, in groote

ongerustheid verkeerd hebben.

Kapitein Hod keek met wijd geopende oogen, van links naar rechts en van

rechts naar links met de vlugheid van een vogel en liep een tiental

passen vooruit, in een richting, die ons nu juist niet dichter bij

het Stoomhuis bracht.

Ik wilde juist mijne schreden verhaasten en hem inhalen om hem te

zeggen, dat we het toch eindelijk maar moesten opgeven langer tegen

het noodlot te strijden, toen een luid vleugelgeklep zich rechts van

mij deed hooren. Ik keek en zag een witachtige massa zich langzaam

boven een kreupelboschje verheffen.

Snel, zonder kapitein Hod den tijd te laten zich omtekeeren, legde

ik aan en schoot achtereenvolgens mijne twee loopen af.

De onbekende vogel, dien ik geschoten had, viel zwaar aan den zoom

van een rijstveld neder.

Phann maakte zich met één sprong meester van het wild, dat ik getroffen

had en bracht het den kapitein.

»Eindelijk!" riep Hod uit, »als »monsieur" Parazard nu niet tevreden

is, mag hij zich met zijn hoofd vooruit in zijn ketel storten!"

»Maar, is 't wel wild, dat gegeten wordt?" vroeg ik.

»Wel zeker.... bij gebrek aan wat anders!" antwoordde de kapitein.

»Zeer gelukkig heeft niemand u gezien, mijnheer Maucler!" zei Goûmi.

»Welk kwaad heb ik dan gedaan?"

»Wel! u heb een pauw geschoten en het is verboden pauwen te dooden,

die in gansch Indië als gewijde vogels geëerd worden."

»De duivel hale de gewijde vogels en hen, die ze vereeren!" riep

kapitein Hod uit. »Deze is nu eenmaal gedood en men zal hem

eten.... met eerbied, als je wilt, maar gegeten zal hij worden!"

Inderdaad is in dit land der brahmanen, sedert de expeditie van

Alexander, de pauw, die zich omstreeks dezen tijd over het schiereiland

verspreidde, een dier heilig boven allen. De Hindoes hebben er het

zinnebeeld van de godin Saravasti van gemaakt, die voorzit bij de

geboorten en huwelijken. Het is verboden dezen vogel te dooden op

straffen, die door de Engelsche wet bekrachtigd zijn.

Dit exemplaar van het hoendergeslacht, dat de vreugde uitmaakte

van kapitein Hod, was prachtig met zijn donkergroene vleugels met

metaalachtigen weerglans, aan de randen omzoomd met een smal goud

randje. De goed gevulde en met schitterende oogen voorziene staart

van den vogel, vormde een prachtigen waaier met zijdeachtige franjes.

»Op marsch! op marsch!" zei de kapitein. »Morgen zal »monsieur"

Parazard ons pauwenvleesch laten eten, wat al de brahmanen van Indië

er van mogen denken! Weliswaar is de pauw maar een verwaand hoentje,

maar deze zal met zijn kunstig opgemaakte veeren, toch een goed effect

op onze tafel maken!"

»Eindelijk ben je dan toch tevreden, kapitein!"

»Tevreden.... over u, mijn waarde vriend, maar volstrekt niet over

mijzelven! Mijn ongelukkig gestarnte heeft me nog niet verlaten! Kom,

op marsch!"

Wij keerden dus nu op onze schreden naar den kant van het kamp terug,

waarvan wij omstreeks drie mijlen moesten verwijderd zijn. Onze weg

liep in bochten tusschen de dichte jungles van bamboes en noodzaakte

ons dicht bij elkander te gaan, terwijl Goûmi met ons wild een pas

of drie achter ons liep. De zon was nog niet verdwenen, doch door

dichte wolken omsluierd, zoodat wij onzen weg half in het duister

moesten zoeken.

Plotseling weerklonk een vreeselijk gebrul in een kreupelbosch

rechts. Dit gebrul maakte zulk een geduchten indruk op mij, dat ik

eensklaps stil bleef staan, als ondanks mij zelven.

Kapitein Hod greep mij bij de hand.

»Een tijger!" zeide hij.

Daarna uitte hij een vloek.

»Bij alle duivels!" riep hij uit, »we hebben slechts hagel op onze

geweren!"

Het was maar al te waar, en noch Hod, noch Goûmi, noch ik, hadden

scherpe patronen bij ons!

Trouwens zou ons de tijd ontbroken hebben om onze geweren met kogels

te laden. Tien seconden later nam het dier, na zijn gebrul herhaald

te hebben, een sprong buiten het kreupelhout en kwam op twintig passen

van daar op den weg terecht.

Het was een prachtige tijger, van de soort, die door de Hindoes

menscheneters genoemd worden, woeste roofdieren, waarvan de

slachtoffers jaarlijks bij honderden geteld worden.

De toestand was vreeselijk.

Ik keek den tijger aan, ik verslond hem met de oogen en ik moet

bekennen, dat ik bevende mijn geweer vasthield. Hij was negen à tien

voet lang, oranjekleurig en wit en zwart gestreept.

Hij keek ons ook aan. Zijn kattenoog schitterde in het halfdonker. Zijn

staart zweepte koortsachtig den grond. Hij dook ineen als om ons

te bespringen.

Hod had niets van zijn koelbloedigheid verloren en hield steeds de

tromp van zijn geweer op het dier gevestigd, terwijl hij op een toon,

die moeielijk was weer te geven, mompelde:

»No. zes! Een tijger te vernietigen met hagel no. zes! Als ik hem

niet heel dichtbij in zijn oogen schiet, zijn we...."

De kapitein kon niet uitspreken. De tijger naderde, niet bij sprongen,

maar met kleine pasjes.

Goûmi, achter ons neergehurkt, mikte ook op hem, maar ook zijn geweer

bevatte slechts hagel. Wat het mijne betreft, het was zelfs niet

meer geladen.

Ik wilde een patroon uit mijn patroontasch nemen.

»Niet de minste beweging!" fluisterde de kapitein mij in. »De tijger

zou springen en hij moet niet springen!"

Alle drie hielden we ons dus onbeweeglijk.

De tijger kwam langzaam naderbij. Zijn kop, dien hij straks nog heen

en weer schudde, bewoog zich nu niet meer. Zijne oogen keken strak,

maar als van onderen op. Met zijn half geopenden muil, dien hij dicht

bij den grond hield, scheen hij er de uitwasemingen van op te snuiven.

Weldra was het geduchte dier nog slechts tien schreden van den

kapitein af.

Hod, die zich stevig in postuur gezet had, onbeweeglijk als een

standbeeld, concentreerde zijn geheele leven in zijn blik. De

vreeselijke worsteling, die zou plaats hebben en waaruit misschien

niemand onzer levend zou ontkomen, deed hem het hart zelfs niet

sneller slaan!

Op dit oogenblik dacht ik, dat de tijger eindelijk zijn sprong

zou nemen.

Hij deed nog vijf schreden vooruit. Ik had al mijn geestkracht noodig

om kapitein Hod niet toe te roepen:

»Maar schiet dan toch! schiet!"

Neen! De kapitein had het gezegd,--en het was waarschijnlijk het

eenige reddingsmiddel,--hij wilde het dier de oogen verbranden,

maar daarvoor moest hij hem van zeer nabij schieten.

De tijger deed nog drie passen voorwaarts en richtte zich op om zijn

sprong te nemen....

Daar klonk een geweldige losbarsting, die bijna dadelijk door een

tweede gevolgd werd.

Deze tweede losbarsting had plaats in het lichaam van het dier zelf,

dat na drie of vier schokken en een gebrul van pijn, dood neerviel.

»O, wonder!" riep kapitein Hod uit. »Mijn geweer was dan toch met een

kogel geladen! en nog wel met een ontplofbaren kogel! o! ditmaal dank,

Fox, dank!"

»Is 't mogelijk!" riep ik uit.

»Kijk!"

En zijn geweer naar omlaag houdende, haalde kapitein Hod de patroon

uit den linker loop.

Het was een kogelpatroon.

Hoe was de toedracht der zaak?

Kapitein Hod had een karabijn en een geweer met dubbelen loop beiden

van hetzelfde kaliber. Terwijl nu Fox, bij vergissing, de karabijn met

jachthagel geladen had, had hij het jachtgeweer met de ontplofbare

kogels geladen. En terwijl nu die vergissing den vorigen dag het

leven van het luipaard gered had, had zij heden ons leven gered!

»Ja," antwoordde kapitein Hod, »en nooit heb ik van meer nabij den

dood onder de oogen gezien!"

Een half uur later, waren wij in het kamp terug. Hod liet Fox voor

zich komen en vertelde hetgeen gebeurd was.

»Kapitein," antwoordde de oppasser, »dat bewijst, dat ik in plaats

van twee dagen consigne er vier verdien, omdat ik mij tweemalen

vergist heb?"

»Dat is ook mijn meening," antwoordde kapitein Hod; »maar omdat ik

door je vergissing den een en veertigsten geschoten heb, is het ook

mijn meening je een guinje aan te bieden...."

»En de mijne haar aan te nemen," antwoordde Fox.

Dit waren de bijzonderheden, die de eerste ontmoeting van kapitein

Hod en zijn een en veertigsten tijger kenmerkten.

Den 12n Juni 's avonds, hield onze trein stil bij een weinig belangrijk

gehucht en den volgenden morgen vertrokken wij weder om de honderd

vijftig kilometers af te leggen, die nog tusschen ons en de bergen

van Népaul lagen.

Het Stoomhuis: De IJzeren Reus (1/2) · 第 26 / 38 题