Indië deelt met zekere oorden van Brazilië,--die van Rio-Janeiro onder
andere,--het voorrecht om van alle landen van den aardbol het meest
door onweders geteisterd te worden. Wordt in Frankrijk, Engeland en
Duitschland, in Midden-Europa dus, het aantal dagen van donder niet
meer dan op twintig per jaar geteld, dan bedraagt dit getal jaarlijks
in het Indische schiereiland meer dan vijftig.
Zooveel wat de algemeene meteorologie betreft. In dit bijzondere
geval moesten wij met het oog op de omstandigheden waaronder het zich
voordeed, een onweer van buitengewone hevigheid verwachten.
Zoodra wij in het stoomhuis waren teruggekomen, raadpleegde ik
den barometer. Er had een plotselinge daling van twee duim--van
negenentwintig tot zevenentwintig duim, [8] der kwikkolom plaatsgehad.
Ik deed dit kolonel Munro opmerken.
»'k Maak me ongerust over het lang wegblijven van kapitein Hod en zijn
metgezellen," antwoordde hij mij. »Het onweer is op punt van los te
barsten, de nacht komt, het wordt steeds donkerder. Jagers gaan altijd
verder dan ze beloven en zelfs verder dan ze zelven willen. Hoe zullen
ze den weg in die diepe duisternis vinden?"
»Die dwazen!" zeide Banks. »'t Is onmogelijk geweest ze reden te doen
verstaan! Zeer zeker zouden ze beter gedaan hebben niet te vertrekken!"
»'t Is waar, Banks, maar ze zijn nu eenmaal vertrokken," antwoordde
kolonel Munro, »en we moeten al 't mogelijke doen om ze te vinden."
»Is er geen middel hun de plaats te doen kennen waar we zijn?" vroeg
ik den ingenieur.
»Jawel," antwoordde Banks, »door onze electrische vuren te ontsteken,
die een groot lichtvermogen bezitten en van zeer ver gezien worden. 'k
Ga den stroom stellen."
»Uitmuntend idée, Banks."
»Wilt u dat ik er op uit ga om kapitein Hod op te zoeken?" vroeg
de sergeant.
»Neen, mijn oude Neil," antwoordde kolonel Munro, »je zoudt hem toch
niet vinden en ook verdwalen."
Banks haastte zich nu om gebruik te maken van de vuren waarover hij
beschikte. De elementen der kolom werden in werking gesteld, de stroom
geleid en al spoedig wierpen de twee oogen van den IJzeren Reus,
als twee electrische seinvuren hun schitterenden lichtbundel onder
en door het sombere bladerengewelf der vijgeboomen. Zeker is het,
dat dit licht in den donkeren nacht van zeer ver moest gezien worden
en onze jagers tot gids kon verstrekken.
Op dit oogenblik barstte er een soort van orkaan van ongekende
hevigheid los. Hij verscheurde de takken der boomen, richtte zich
schuins naar den bodem en floot door de dunne zuilen der vijgeboomen,
alsof hij door de welluidende pijpen van een kabinetorgel gesuisd had.
In een oogenblik werd de weg als bezaaid met een stortvloed van
losgerukte takken en bladeren. Deze aanhoudende regen van met kracht
op het dak van het stoomhuis neergeworpen boomloof, veroorzaakte een
geluid als van aanhoudenden donder.
Wij moesten de wijk nemen naar het salon en al de vensters sluiten. Er
viel nog geen regen.
»'t Schijnt een soort van »tofan" te zijn," zei Banks.
De Hindoes geven dezen naam gewoonlijk aan de woeste en plotseling
opkomende orkanen, die meer in het bijzonder de bergachtige streken
verwoesten en zeer in het land geducht zijn.
»Storr!" riep Banks den machinist toe, »heb je de schietgaten van
het torentje zorgvuldig gesloten?"
»Ja, mijnheer Banks," antwoordde de machinist. »Van dien kant is er
niets te vreezen."
»Waar is Kâlouth?"
»Hij heeft juist den tender van brandstof voorzien."
»Morgen," antwoordde de ingenieur, »ligt het hout overal voor 't
oprapen! De wind wordt houthakker en bespaart ons veel arbeid! Blijf
onder stoom, Storr en kom weer schuilen!"
»Dadelijk, mijnheer."
»Zijn je kuipen vol, Kâlouth?" vroeg Banks.
»Ja, mijnheer Banks," antwoordde de stoker. »We hebben nu genoeg
water."
»Goed, maar kom binnen! kom binnen!"
De machinist en de stoker hadden weldra in het tweede rijtuig
plaatsgenomen.
De bliksemstralen volgden elkander toen snel op, terwijl de ontploffing
der electrische wolken een dof gerommel deed hooren. De »tofan"
had den dampkring niet verfrischt. Het was een verschroeiende wind,
die verbrandde alsof hij uit een heeten oven woei.
Sir Edward Munro, Banks, Mac Neil en ik, we verlieten de zaal
slechts om onder de veranda te gaan. Onze blikken naar de toppen
der vijgeboomen richtende, zag men het gebladerte zich als fijn zwart
kantwerk tegen de brandende lucht afteekenen. Geen bliksemstraal of hij
werd een paar seconden later door donderslagen gevolgd. Nauwlijks had
de echo tijd gehad uit te sterven of een nieuwe donderslag werd door
haar teruggekaatst. Ook was aanhoudend een diepe bas als grondtoon te
hooren, waartegen dan de eigenaardige kort afgebroken ontploffingen
uitkwamen, die Lucretius zoo te recht vergeleken heeft met het scherpe
geluid van papier dat verscheurd wordt.
»Hoe is 't mogelijk, dat de storm ze nog niet naar huis gejaagd
heeft!" zei kolonel Munro.
»Misschien," antwoordde de sergeant, »hebben kapitein Hod en zijne
metgezellen een schuilplaats in het bosch gevonden, in een hollen
boom of in een rotsholte en staan ze eerst morgen voor onze oogen! Het
kamp is altijd daar om ze te ontvangen!"
Banks schudde het hoofd als iemand, die niet gerust is. Hij scheen
de meening van Mac Neil niet te deelen.
Op dit oogenblik,--het was bijna negen uren,--begon het buitengewoon
hard te regenen. Deze regen was vermengd met énorme hagelsteenen,
die ons steenigden en op het luidklinkend dak van het Stoomhuis neer
knetterden. Het was als het geroffel van honderden trommen, zoodat
het onmogelijk was zich te hooren spreken, al had het geratel van den
donder het luchtruim niet vervuld. Van alle kanten dwarrelden de door
den hagel verscheurde bladeren der vijgeboomen rond.
Banks kon zich te midden van dat oorverdoovend geraas niet doen
hooren en strekte toen den arm uit om ons opmerkzaam te maken op de
hagelsteenen, die tegen de zijden van de IJzeren Reus aansloegen.
Het was ongeloofelijk. Alles flikkerde bij de aanraking met die
harde lichamen. Men zou gezegd hebben, dat wat uit de wolken viel,
werkelijke druppels waren van een in smelting verkeerend metaal,
die het plaatijzer treffende, een lichtstraal terugwierpen. Dit
natuurverschijnsel toonde hoe sterk de atmosfeer met electriciteit
verzadigd was. Onophoudelijk werd de dampkring door den bliksem
doorkruist, zoodat alles in vuur en vlam scheen te staan.
Banks gaf ons met een gebaar te verstaan, dat we in het salon zouden
gaan en sloot de deur, die op de veranda uitkwam. Het was toch hoogst
gevaarlijk zich in de open lucht aan den schok der electrische stroomen
bloot te stellen.
Wij waren nu binnen in diepe duisternis gehuld, die door het
onophoudelijk weerlichten buiten, nog dieper gemaakt werd. Hoe
groot was niet onze verbazing toen we zagen, dat zelfs ons speeksel
lichtend was! Het bleek dat we door en door met de omringende vloeistof
verzadigd waren.
»We spogen vuur," om de uitdrukking te gebruiken, die gediend heeft om
dit zeldzaam voorkomend, maar altijd ontzettend natuurverschijnsel
te kenmerken. En waarlijk, te midden van al die vlammen, zoowel
van binnen als van buiten, te midden van het woeste geweld dier
vreeselijke donderslagen, altijd vergezeld van felle bliksemstralen,
moest wel den koelbloedigste onder ons het hart sneller kloppen.
»En zij!" sprak kolonel Munro.
»Zij!.... zij!.... zij!" antwoordde Banks.
We maakten ons nu zeer ongerust en konden niets doen om kapitein Hod
en zijne metgezellen te hulp te komen.
Indien zij werkelijk een schuilplaats gevonden hadden, dan kon het
slechts onder de boomen zijn en men weet welke gevaren men onder
dergelijke omstandigheden gedurende het onweer loopt. Hoe zouden ze
zich in dat dichte bosch op vijf of zes meters van de loodlijn af
hebben kunnen plaatsen, die door het uiteinde van de langste takken
gaat,--zooals dit den personen, die in de nabijheid van boomen door
het onweêr verrast worden, wordt aanbevolen?
Dit alles kwam mij in de gedachte, toen een donderslag, korter
afgebroken dan een der anderen, plotseling losbarstte. Een tusschenpoos
van nauwlijks een seconde was er tusschen den slag en den bliksem
verloopen.
Het Stoomhuis trilde er van en werd als van den grond opgelicht. Ik
dacht niet anders of de trein zou omvervallen.
Op hetzelfde oogenblik verspreidde er zich een sterke lucht,--de
doordringende lucht van salpeterdamp,--en ongetwijfeld zou het
regenwater, gedurende dit onweer verzameld, een groote hoeveelheid
salpeterzuur bevat hebben.
»De bliksem is ergens ingeslagen...." zei Mac Neil.
»Storr! Kâlouth! Parazard!" schreeuwde Banks.
De drie mannen stormden de zaal binnen. Gelukkig was niemand getroffen.
De ingenieur opende toen de deur der veranda en begaf zich op het
balkon.
»Daar!.... kijk!...." riep hij.
Op tien passen afstand, links van den weg, was een énorme vijgeboom
door den bliksem getroffen. Bij het onophoudelijk lichten, kon men
zien als op klaarlichten dag. De ontzaglijke stam, die door zijne
uitspruitsels niet meer kon gedragen worden, was dwars over de naburige
boomen heen gevallen. Hij was in zijn geheele lengte netjes van den
bast ontdaan en een lange reep schors, door de rukwinden als een slang
heen en weder bewogen, zweepte al draaiende de lucht. Dit afscheuren
van den bast moest zeker van onderen naar boven geschied zijn, onder
de werking van een buitengewoon hevigen, opstijgenden bliksemstraal.
»'t Scheelde weinig of het Stoomhuis was getroffen!" zei de
ingenieur. »Toch moeten we blijven, want 't is hier nog veiliger
schuilplaats dan die der boomen!"
»Laat ons dus blijven," antwoordde kolonel Munro.
Op dit oogenblik deed zich een geschreeuw hooren. Waren het onze
metgezellen, die eindelijk terug kwamen?
»'t Is de stem van Parazard," zei Storr.
En werkelijk was het de kok, die, onder de achterste veranda staande,
ons luidkeels riep.
We ijlden onmiddellijk naar hem toe.
Op minder dan honderd meters afstand, achter en aan de rechterzijde van
het kamp, stond het vijgeboomenbosch in brand. De hoogste toppen der
boomen verdwenen reeds in de vlammen. De brand nam met ongeloofelijke
hevigheid toe in de richting van het Stoomhuis, dat dus in het grootste
gevaar verkeerde.
Een langdurige gebrek aan regen, de hooge temperatuur gedurende de
drie maanden van het heete jaargetijde, hadden boomen, struiken,
kruiden en planten verdroogd. De brand voedde zich met al die licht
ontvlambare brandstoffen en, zooals het menigmaal in Indië gebeurt,
dreigde het geheele bosch verteerd te worden.
En werkelijk zag men dat het vuur al grootere kringen beschreef
en hoe langer hoe dichter naderde. Indien het de plek van het kamp
bereikte, zouden binnen weinige minuten de twee wagens vernield zijn,
want hunne dunne paneelen konden ze niet voor het vuur beschermen,
als de dikke wanden van plaatijzer van een koffer dit kunnen.
Zwijgend stonden wij dit gevaar aan te zien. Kolonel Munro kruiste
zich de armen en zeide eenvoudig:
»Banks, jij bent de man om ons hieruit te helpen!"
»Ja, Munro," antwoordde de ingenieur, »en daar we geen enkel middel
hebben, om den brand te blusschen, moeten we hem ontvluchten!"
»Te voet?" riep ik uit.
»Neen, met onzen trein."
»En kapitein Hod en zijn metgezellen?" zei Mac Neil.
»We kunnen hen niet helpen! als ze vóór ons vertrek niet terug zijn,
vertrekken we toch!"
»We kunnen ze toch niet aan hun lot overlaten!" zei de kolonel.
»Munro," antwoordde Banks, »als de trein in veiligheid zal zijn,
buiten het bereik van het vuur, zullen we terugkomen en het bosch
doorzoeken totdat we ze gevonden hebben!"
»Ga je gang dan maar, Banks," antwoordde kolonel Munro, die zich naar
de meening van den ingenieur moest schikken, omdat zij werkelijk de
eenige geschikte bleek.
»Storr," zei Banks, »naar je machine! Kâlouth, naar je stoomketel,
en stook de vuren op! Welke drukking op den manometer?"
»Twee atmosfeeren," antwoordde de machinist.
»Binnen tien minuten moeten we er vier hebben! Komt, mijne vrienden,
komt!"
De machinist en de stoker lieten geen oogenblik verloren gaan. Het
duurde niet lang of een stortvloed van zwarten rook ontwrong zich aan
de tromp van den olifant en vermengde zich met de stroomen regen, die
de reus scheen te trotseeren. De bliksemstralen, die het luchtruim
doorkliefden, beantwoordde hij met een dichten vonkenregen. Een
straal van stoom floot in den schoorsteen en de kunstmatige trekking
verhaastte de verbranding van het hout, dat Kâlouth in zijn oven
ophoopte.
Sir Edward Munro, Banks en ik, wij waren onder de achterste veranda
gebleven, van waar wij de vorderingen van den brand in het bosch
konden waarnemen. Zij waren snel en vreeselijk om aan te zien. De
groote boomen stortten in den onmetelijken vuurhaard, de takken
knapten met een geluid als van revolverschoten, de lianen wrongen
zich van den eenen stam naar den anderen en het vuur deelde zich
bijna onmiddellijk aan nieuwe brandstof mede. Binnen vijf minuten
was de verbranding vijftig meters vooruit gegaan, terwijl de vlammen,
verdeeld en verscheurd door den stormwind, zich tot zulk een hoogte
verhieven, dat de bliksemstralen ze in alle richtingen doorploegden!
»Binnen vijf minuten moeten we de plek verlaten hebben!" zei Banks,
»of alles vliegt in den brand!"
»Hij gaat snel, die brand!" antwoordde ik.
»We zullen sneller gaan dan hij!"
»Als Hod en zijn metgezellen maar terug waren!" zei sir Edward Munro.
»Gefloten, gefloten!" riep Banks uit. »Ze zullen 't misschien hooren!"
En, op het torentje toesnellende, deed hij dadelijk de lucht van de
schrille tonen der stoomfluit weergalmen, die scherp tegen het diepe
gerommel van den donder uitkwamen en ver moesten gehoord worden.
Men kan zich dezen toestand voorstellen, men kan hem niet beschrijven.
Van den eenen kant was men genoodzaakt zoo snel mogelijk te vluchten,
van den anderen kant verplicht op hen, die nog niet terug waren,
te wachten!
Banks was naar de achter veranda teruggekeerd. De zoom van den brand
was nu tot minstens vijftig voet van het stoomhuis voortgeschreden. Een
ondraaglijke hitte kwam tot ons over en de brandende lucht zou ons
weldra de ademhaling beletten. Talrijke vuurspranken vielen reeds
op onzen trein neder, die evenwel, zeer gelukkig, in zekere mate
door de stortvloeden beschermd werd, doch blijkbaar niet tegen den
rechtstreekschen aanval van het vuur bestand zou zijn.
De machine deed steeds haar schel gefluit hooren, doch noch Hod,
noch Fox, noch Goûmi kwamen voor den dag.
Op dit oogenblik vervoegde de machinist zich bij Banks en zeide hem
dat alles gereed was.
»Welnu, op marsch dan, Storr!" antwoordde Banks, »maar niet al te
snel vooruit!.... Juist snel genoeg om ons buiten het bereik van den
brand te houden!"
»Wacht nog wat, Banks!" zei kolonel Munro, die niet kon besluiten
het kamp te verlaten.
»Nog drie minuten, Munro," antwoordde Banks koel, »maar niet
langer. Over drie minuten zal de trein van achteren vuur vatten!"
Er verliepen twee minuten. Het was nu onmogelijk langer onder de
veranda te blijven. Het plaatijzer begon te blakeren en was zoo heet,
dat men het niet kon aanraken. Het was hoogst onvoorzichtig slechts
eenige oogenblikken langer te blijven!
»Op marsch, Storr!" riep Banks.
»Daar zijn ze!" riep de sergeant uit.
Kapitein Hod en Fox vertoonden zich rechts van den weg, Goûmi als
een onbezield lichaam in de armen dragende en kwamen met hem aan de
voettrede van achteren.
»Dood!" riep Banks uit.
»Neen, door den bliksem getroffen, die zijn geweer in de hand
verbrijzeld heeft," antwoordde kapitein Hod, »en alleen aan het
linkerbeen verlamd!"
»God zij geloofd!" zei kolonel Munro.
»Dank, Banks!" voegde de kapitein er bij. »Zonder je gefluit, zouden
we het kamp nooit hebben kunnen terugvinden!"
»Op marsch!" riep Banks, »op marsch!"
Hod en Fox waren in den trein gesprongen, en Goûmi, die het gebruik
zijner zintuigen niet verloren had, werd in zijn kamertje neergelegd.
»Welke drukking hebben we nu?" vroeg Banks, die even naar den machinist
gegaan was.
»Bijna vijf atmosfeeren," antwoordde Storr.
»Op marsch!" herhaalde Banks.
Het was half elf uur. Banks en Storr plaatsten zich in het torentje. De
regulateur werd geopend, de stoom stortte zich in de cilinders,
het eerste gebriesch deed zich hooren en de trein ging te midden van
het driesoortige licht, voortgebracht door den brand van het bosch,
de electrische vuren en den bliksem in het eerst langzaam voorwaarts.
Met weinige woorden vertelde kapitein Hod ons de lotgevallen van
zijn tocht. Zijne metgezellen en hij hadden geen spoor van dieren
ontmoet. Met het opkomende onweer kwam de duisternis sneller en
vooral dieper dan ze zich hadden voorgesteld. De eerste donderslag
verraste hen dus toen ze zich reeds meer dan drie mijlen van het kamp
af bevonden. Toen wilden ze op hunne schreden terugkeeren, maar wat ze
ook deden om zich te orienteeren, waren ze al spoedig te midden van
de groepen vijgeboomen, die allen op elkander gelijken, verdwaald,
terwijl geen enkel pad hun de goede richting aanwees.
Het onweer barstte nu met buitengewone hevigheid los. Op dit
oogenblik bevonden ze zich alle drie buiten het bereik van het
electrische licht en konden ze zich dus niet in rechte lijn naar het
Stoomhuis richten. De hagel en de regen vielen in stroomen neder en
geen schuilplaats behalve het onvoldoende bladerendak, dat weldra
doorboord was, beschutte hen.
Eensklaps barstte een donderslag los op hetzelfde oogenblik dat een
felle bliksemstraal nederschoot. Goûmi viel door den bliksem getroffen
bij kapitein Hod, aan de voeten van Fox neder. Van het geweer, dat
hij in de hand hield, bleef niets dan de kolf over. In een oogwenk
was het beroofd van loop, slot, trekker, van alles in één woord wat
er van metaal aan het geweer wordt aangetroffen.
Zijne metgezellen dachten dat hij dood was. Gelukkig evenwel was dit
zoo niet, maar zijn linkerbeen was, hoewel niet rechtstreeks, door
den bliksem getroffen, verlamd. Het was den armen Goûmi onmogelijk
een voet te verzetten. Men moest hem dus dragen. Tevergeefs drong
hij er op aan hem te laten waar hij was, men kon hem dan later wel
komen halen. Zijne metgezellen wilden dit volstrekt niet, de een
nam hem bij de schouders op, de andere aan de voeten en goed schiks,
kwaad schiks, namen zij den tocht door het donkere bosch aan.
Twee uren achtereen dwaalden Hod en Fox op goed geluk rond, nu eens
stilhoudende, dan hun marsch weder hervattende, zonder een enkel
teeken, dat hun de richting naar het Stoomhuis aanwees.
Gelukkig drong eindelijk het schrille geluid van de stoomfluit,
duidelijker hoorbaar dan wanneer het geweerschoten geweest waren,
boven het geraas der elementen, tot hen door. Het was de stem van
den IJzeren Reus.
Een kwartier later, kwamen zij juist aan op het oogenblik dat de halt
weldra zou verlaten zijn. Het was meer dan tijd!
Mocht evenwel de trein zich op den breeden en effen weg van het bosch
voortspoeden, de brand ging even spoedig als hij. Wat het gevaar
dreigender maakte, was dat de wind veranderd was, wat meermalen bij
onweer plaatsheeft. Inplaats van ter zijde, waaide hij nu van achteren
en blies door zijn hevigheid het vuur nog meer aan. Het vuur maakte
zichtbaar vorderingen. Het regende brandende takken en gloeiende
spranken te midden van een wolk heete asch, van den grond opgewaaid,
alsof een krater allerlei brandbare voorwerpen in het luchtruim had
uitgebraakt. En werkelijk kon men dezen boschbrand nergens beter bij
vergelijken dan bij den loop van een stroom lava, zich een weg door
de vlakte banende en alles op zijn weg vernietigende.
Banks had het oog op dit alles en, al had hij het niet gezien, zou hij
het gemerkt hebben aan den verschroeienden wind, die den adem beklemde.
Men ging dus sneller voorwaarts, alhoewel dit op dien onbekenden
weg niet zonder gevaar was. Doch de weg was door den regen zoo diep
uitgehold, dat de machine niet zoo hard kon werken als de ingenieur
het wel gewenscht had.
Tegen half twaalf uur was er een nieuwe donderslag en was de bliksem
opnieuw ingeslagen! We uitten een kreet van ontzetting en dachten
dat Banks en Storr beiden getroffen waren in het torentje van waaruit
zij den trein bestuurden.
Dit ongeluk was ons evenwel bespaard geworden. Het was onze olifant,
die door de electrische ontlading aan de punt van een zijner lange
hangende ooren getroffen was.
Gelukkig was de machine er volstrekt niet door beschadigd, en het
scheen dat de IJzeren Reus de donderslagen wilde beantwoorden door
zijn sneller brieschend geluid.
»Hoera!" schreeuwde kapitein Hod, »hoera! Een olifant van vleesch
en been zou stellig gevallen zijn! Gij, gij trotseert den bliksem en
niets kan je tegenhouden! Hoera, IJzeren Reus, hoera!"
Nog een half uur lang bleef de trein denzelfden afstand bewaren. Uit
vreeze al te hard ergens tegen aan te stooten, gaf Banks hem slechts
de noodige snelheid om niet door het vuur bereikt te worden.
Van de veranda waar kolonel Munro, Hod en ik plaats genomen hadden,
zagen wij bij het licht door den brand en den bliksem verspreid,
groote schaduwen voorbijgaan. Het waren eindelijk roofdieren!
Uit voorzorg greep kapitein Hod zijn geweer, want het was mogelijk,
dat de door den schrik waanzinnige dieren zich op den trein wilden
werpen om er een schuilplaats te zoeken.
En werkelijk wilde een reusachtige tijger dit beproeven, doch een
ontzettenden sprong nemende, bleef hij met den nek tusschen twee
uitspruitsels van een vijgeboom vastzitten. Toen deze zich nu onder
den storm boog, spande hij zijne loten als twee énorme koorden,
die het dier verworgden.
»Arm dier!" zei Fox.
»Die wilde dieren," antwoordde kapitein Hod, »zijn geschapen om
behoorlijk door een karabijnkogel gedood te worden en niet op zulk
een ellendige manier! Jawel, arm dier!"
Waarlijk, het liep den kapitein niet mede! Toen hij tijgers zocht,
zag hij ze niet en toen hij ze niet meer zocht, gingen ze hem in de
vlucht voorbij, zonder dat hij ze kon schieten, of ze kwamen om als
een muis in den val!
Ten een ure 's morgens verdubbelde het gevaar nog, hoe groot het tot
nog toe ook geweest ware.
Onder den invloed van de ongestadige winden, die al de streken van
het kompas doorliepen, had de brand den weg voor ons bereikt en waren
we nu van alle kanten ingesloten.
Intusschen was het onweer nu zeer in hevigheid afgenomen, zooals
dit bijna onveranderlijk gebeurt, als deze luchtverschijnselen boven
een bosch heen gaan, waarvan de boomen allengs de electrische stof
onttrekken en uitputten. Doch zoo de bliksemstralen zeldzamer waren
en de donderslagen zich in langere tusschenpoozen lieten hooren,
zoo de regen met minder hevigheid nederviel, streek daarentegen de
wind steeds met eene ongeloofelijke woede langs den grond.
Het kostte wat het wilde, men moest den gang van den trein verhaasten,
op het gevaar af in onzachte aanraking met eenig voorwerp te komen
of hem in een diepen kuil te storten.
Banks ging er dan ook toe over, maar hij deed het met een
verwonderlijke koelbloedigheid, den blik gevestigd houdende door
de lensvormige glazen van het torentje, de hand aan den regulateur,
dien zij niet meer verliet.
De weg scheen nog slechts half open tusschen twee rijen vuur. Het
was dus noodzakelijk tusschen deze twee rijen door te gaan.
Banks aarzelde niet en stuurde den trein er tusschen door met een
snelheid van zes à zeven mijlen per uur.
Ik dacht dat wij er zouden blijven, vooral toen men een vijftig
meters ver, een zeer nauwe plaats van den oven moest passeeren. De
wielen van den trein knarsten over de gloeiende kolen, die den grond
bedekten en een brandende atmosfeer omgaf hem geheel!....
Gelukkig waren wij er door!
Eindelijk deed zich te twee uur 's morgens de uiterste zoom van het
bosch in het licht der nu zeldzame bliksemstralen voor. Achter ons
ontvouwde zich een uitgestrekt panorama van vlammen. De brand zou
niet eerder gebluscht zijn, dan na den laatsten vijgeboom van het
onmetelijk woud verteerd te hebben.
Toen het dag was, hield de trein eindelijk op; het onweer was geheel
geweken en men richtte een voorloopig kamp in.
Onze olifant werd met zorg onderzocht en nu bleek het, dat de punt
van het rechteroor door verscheidene gaatjes doorboord was.
Ongetwijfeld ware onder zulk een bliksemstraal ieder ander dier dan
een dier van ijzer, gevallen om zich niet weder op te richten en zou
de trein in nood snel door het vuur verslonden zijn!
Ten zes ure 's morgens, werd de reis na een korte rust voortgezet en
ten twaalf ure kampeerden wij in de omstreken van Rewah.