VIA DOLOROSA.

Het koninkrijk Oude was vroeger een der belangrijkste gedeelten van het

schiereiland en ook heden nog is het een der rijkste van Indië. Het

had vorsten waarvan deze sterk, geene zwak waren. Door de zwakheid

van een hunner, Wajad-Ali-Schah, werd 6 Februari 1857, zijn koninkrijk

bij het domein der Compagnie geannexeerd. Dit was dus nauwlijks eenige

maanden voor het begin van den opstand en juist op dit gebied werden

de vreeselijkste moorden, gevolgd door de felste weerwraak gepleegd.

Twee namen van steden, Lucknow en Cawnpore, hebben sedert dien tijd

een treurige vermaardheid verworven.

Lucknow is de hoofdstad, Cawnpore een van de voornaamste steden van

het oude koninkrijk.

Kolonel Munro wilde naar Cawnpore gaan, alwaar wij dan ook in den

morgen van den 29n Mei aankwamen, na den rechteroever van den Ganges

gevolgd te zijn, door een vlakte waar zich onmetelijke met indigo

beplante velden uitstrekten. Twee dagen achtereen had de IJzeren

Reus met een gemiddelde snelheid van drie mijlen per uur geloopen,

en waren dus op die wijze de twee honderd vijftig kilometers tusschen

Cawnpore en Allahabad afgelegd.

Wij bevonden ons toen nagenoeg duizend kilometers van Calcutta,

ons punt van uitgang, verwijderd.

Cawnpore is een stad van ongeveer zestigduizend zielen. Zij neemt op

den rechter oever van den Ganges een strook grond in van vijf mijlen

lang. Er bevindt zich een militair kantonnement, waarin zeven duizend

man gekazerneerd zijn.

De toerist zou in deze stad te vergeefs een monument vinden, dat

waardig is zijn aandacht te trekken, ofschoon zij van zeer ouden

oorsprong is en, naar men zegt, reeds van voor de christelijke

jaartelling dateert.

Het was dus geenszins een gevoel van nieuwsgierigheid, dat ons naar

Cawnpore gevoerd had. Alleen de wil van Sir Edward Munro had er

ons gebracht.

's Morgens van den 30n Mei hadden wij ons kamp verlaten. Banks,

kapitein Hod en ik, we vergezelden den kolonel en sergeant Mac Neil

bij dien smartelijken gang, dien Sir Edward Munro voor het laatst

doen wilde.

Het volgende is het verkorte verhaal van hetgeen Banks mij omtrent

die vreeselijke gebeurtenissen mededeelde.

»Cawnpore, dat op het oogenblik van de annexatie van het Koninkrijk

Oude van zeer vertrouwde troepen voorzien was, telde in den aanvang

van den opstand slechts tweehonderdvijftig soldaten van het koninklijke

leger tegenover drie inlandsche regimenten infanterie, het 1e, 53e en

56e, twee regimenten kavallerie en een batterij artillerie van het

leger van Bengalen. Bovendien bevonden er zich een vrij aanzienlijk

getal Europeanen, bedienden, ambtenaren, kooplieden, enz., verder,

achthonderdvijftig vrouwen en kinderen van het 32e regiment der

koninklijke armée, in garnizoen te Lucknow.

»Sedert vele jaren, bewoonde kolonel Munro Cawnpore. Daar was het

dat hij het jonge meisje, later zijne vrouw, leerde kennen.

»Miss Honlay was een jong, bekoorlijk, verstandig Engelsch meisje,

met een verheven karakter, een edel hart, een heldennatuur, waardig

bemind te worden door een man als den kolonel, die haar bewonderde

en aanbad. Zij bewoonde met haar moeder een bungalow in de omstreken

der stad, alwaar Edward Munro haar in 1855 huwde.

»Twee jaar na zijn huwelijk, in 1857, toen zich de eerste

verschijnselen van den opstand te Mirat vertoonden, moest kolonel

Munro zich zonder een dag te verliezen, weder bij zijn regiment

bevinden. Hij was dus verplicht zijn vrouw en zijn schoonmoeder te

Cawnpore te laten, haar evenwel op het hart drukkende onmiddellijk

aanstalten te maken voor hun vertrek naar Calcutta. Kolonel Munro

meende, dat Cawnpore niet veilig was en de feiten hebben later zijne

voorgevoelens maar al te zeer gerechtvaardigd.

»De afdeeling werd toen gekommandeerd door den generaal Sir Hugh

Wheeler, een rond en braaf soldaat, die weldra het slachtoffer der

listige handelingen van Nana Sahib moest worden.

»De nabob bewoonde toen, op tien mijlen van Cawnpore, zijn kasteel

van Bilhour en sedert lang veinsde hij in de beste termen met de

Europeanen te leven.

»Ge weet, waarde Maucler, dat de eerste beginselen der omwenteling

zich te Mirat en te Delhi voordeden. De tijding er van kwam den 14n

Mei te Cawnpore aan. Dienzelfden dag toonde het 1e regiment Sipayers

vijandige neigingen.

»Toen bood Nana Sahib de regeering zijne goede diensten aan. Generaal

Wheeler was onvoorzichtig genoeg om aan de goede trouw van dien

bedrieger geloof te slaan, wiens eigen soldaten dadelijk de gebouwen

der schatkamer bezetten.

»Dienzelfden dag vermoordde een ongeregeld regiment Sipayers,

dat Cawnpore passeerde, aan de poorten der stad zijne Europeesche

officieren.

»Het gevaar deed zich toen voor zooals het was, ontzettend. Generaal

Wheeler gaf bevel aan al de Europeanen in de kazerne de wijk te

nemen, waar de vrouwen en kinderen van het 32e regiment van Lucknow

woonden,--eene kazerne op het dichtst bijzijnde punt van den weg naar

Allahabad gelegen, die de eenige weg was waarlangs hulp kon komen.

»Daar was het waar lady Munro en hare moeder zich moesten

opsluiten. Tijdens den geheelen duur dezer gevangenschap, wijdde de

jonge vrouw zich geheel aan hare lotgenooten toe. Zij verzorgde hen met

hare eigen handen, zij hielp hen met haar beurs, zij moedigde hen aan

door haar voorbeeld en hare woorden, zij toonde zich zooals zij was,

een edel hart, en zooals ik u gezegd heb, een heldhaftige vrouw.

»Het duurde niet lang of ook het arsenaal werd aan de bewaking der

soldaten van Nana Sahib toevertrouwd.

»De verrader ontrolde toen de vaan des opstands en op zijn bevel,

tastten de Sipayers den 7n Juni de kazerne aan, die geen driehonderd

soldaten telde in staat de wapenen te dragen.

»Deze dapperen verdedigden zich evenwel onder het vuur der belegeraars,

te midden van een kogelregen en van ziekten van allerlei aard,

stervende van honger en dorst, zonder levensmiddelen, want de voorraad

was onvoldoende, zonder water, want de putten waren spoedig opgedroogd.

»Deze weerstand duurde tot den 27n Juni.

»Nana Sahib stelde toen een capitulatie voor, waarin de generaal

Wheeler de onvergeeflijke fout beging toe te stemmen, niettegenstaande

lady Munro hem smeekte en zelfs bezwoer den strijd voort te zetten.

»Tengevolge dezer capitulatie werden de mannen, vrouwen en kinderen,

vijfhonderd personen ongeveer,--lady Munro en hare moeder behoorden

tot deze,--ingescheept op vaartuigen, die den Ganges moesten afzakken

en hen naar Allahabad zouden brengen.

»Nauwelijks zijn deze vaartuigen van den oever losgemaakt, of

de Sipayers openen er hun vuur op. Een hagelbui van kogels en

schroot! Eenigen zinken, anderen worden in brand geschoten. Een der

vaartuigen evenwel mocht het gelukken, eenige mijlen ver den stroom

af te zakken.

»Lady Munro en haar moeder bevonden zich op dit vaartuig. Een oogenblik

mochten zij de hoop voeden, dat zij gered waren, doch de soldaten van

den Nana vervolgden hen, en namen hen weder naar de kantonnementen

terug.

»Daar verdeelde men de gevangenen. Al de mannen werden over de kling

gejaagd. Wat de vrouwen en kinderen aangaat, men vereenigde ze met

de andere kinderen en vrouwen, die den 27n Juni niet vermoord waren

geworden.

»Het was een totaal van twee honderd slachtoffers wien een lange

doodstrijd was voorbehouden en die opgesloten werden in den bungalow,

waarvan de naam Bibi-Ghar een treurige vermaardheid heeft behouden."

»Maar hoe heb je die vreeselijke bijzonderheden vernomen?" vroeg

ik Banks.

»Door een oud sergeant van het 32e regiment van het koninklijk leger,"

antwoordde de ingenieur. »Die man, als door een wonder ontkomen,

werd opgenomen door den rajah van Raïschwarah, een der provinciën

van het koninkrijk Oude, die hem en eenige andere vluchtelingen met

de grootste liefderijkheid ontving."

»En wat werd er van lady Munro en haar moeder?"

»Mijn waarde vriend," antwoordde Banks mij, »we hebben geen

rechtstreeksche getuigenis meer van 't geen er sedert dien

datum is voorgevallen, maar 't is maar al te gemakkelijk het te

gissen. Inderdaad, de Sipayers waren meester van Cawnpore. Zij waren

het tot den 15n Juli en die negentien dagen waren negentien eeuwen! De

ongelukkige slachtoffers wachtten elk oogenblik hulp, die slechts te

laat zou komen.

»Reeds sedert eenigen tijd was generaal Havelock uit Calcutta

vertrokken op marsch, tot ontzet van Cawnpore, en na de opstandelingen

herhaalde malen geslagen te hebben, hield hij er den 17n Juli zijn

intocht."

»Maar, twee dagen te voren, toen Nana Sahib vernam, dat de koninklijke

troepen de rivier Pandou-Naddi waren overgestoken, besloot hij de

laatste uren zijner heerschappij door gruwelijke moordtooneelen voor

eeuwig in het geheugen te griffelen. Tegenover de veroveraars van

Indië scheen hem alles veroorloofd!"

»Eenige mannelijke gevangenen, die de gevangenschap der vrouwen in

Bibi-Ghar gedeeld hadden, werden voor hem gebracht en onder zijne

oogen geworgd."

»De menigte vrouwen en kinderen bleef nog over en onder dezen,

lady Munro en haar moeder. Een peloton van het 6e regiment Sipayers

kreeg order ze te fusilleeren door de vensters van Bibi-Ghar heen. De

terechtstelling of liever de moord begon, maar daar het naar den zin

van Nana, verplicht weldra te wijken, niet snel genoeg ging, voegde

deze bloeddorstige vorst muzelmansche slagers bij de soldaten zijner

garde en nu werd het een ware slachting!"

»Den volgenden dag werden dooden en levenden, vrouwen en kinderen,

in een naburige put gestort, en toen de soldaten van Havelock te hulp

snelden, rookte deze put, tot den rand toe gevuld, nog!"

»Toen begon de wederwraak. Een zeker aantal opstandelingen,

medeplichtigen van Nana Sahib, waren in de handen van generaal Havelock

gevallen. Nu vaardigde deze de volgende vreeselijke dagorder uit,

waarvan ik de bewoordingen nooit vergeten, zal:

»De put waarin de stoffelijke overblijfselen rusten der arme

vrouwen en kinderen, vermoord op last van den snoodaard Nana Sahib,

zal gedempt en met zorg bedekt worden in den vorm van een graf. Een

detachement Europeesche soldaten, aangevoerd door een officier, zal

zich heden avond van die vrome taak kwijten. Het huis en de kamers

waar de moord heeft plaatsgehad zullen door de landgenooten der

slachtoffers niet schoongemaakt en gewit worden. De generaal wil,

dat elke druppel onschuldig bloed, door de veroordeelden met de

tong schoongemaakt of afgelikt worde, voordat zij terechtstaan,

en dat, naargelang van hun kastenrang en het deel, dat zij in

den moord genomen hebben. Bij gevolg zal iedere veroordeelde,

na de lezing van het doodvonnis gehoord te hebben, naar het huis

gevoerd worden waar de moord gepleegd is en gedwongen worden een

zeker gedeelte van den vloer schoon te likken. Men drage zorg

de taak zoo stuitend mogelijk te maken voor de godsdienstige

gevoelens van den veroordeelde en de provoost-geweldige spare

zijne roede niet. Nadat de taak verricht is, worde het vonnis

tenuitvoergebracht aan de galg, bij het huis opgericht."

»Dit was," hernam Banks, die zeer ontroerd was, »deze dagorder. Zij

werd letterlijk opgevolgd. Maar de slachtoffers waren niet meer. Zij

waren vermoord, verminkt, verscheurd! Toen kolonel Munro, twee dagen

later aangekomen, wilde beproeven, eenige overblijfselen van lady

Munro en haar moeder op te sporen, vond hij niets.... niets!"

Dit was het wat Banks mij, vóór onze komst te Cawnpore had medegedeeld

en nu was het diezelfde plek waar de afgrijslijke moord gepleegd was,

die de kolonel wilde bezoeken.

Maar vooraf wilde hij den bungalow terugzien waar lady Munro gewoond

had, waar zij haar jeugd had doorgebracht, de woning waar hij haar

het laatst gezien had, den drempel waarop hij hare laatste omhelzingen

genoten had.

Deze bungalow was een klein eind buiten de voorsteden der stad gelegen,

niet ver van de lijn der militaire kantonnementen. Bouwvallen, stukken

zwarte muren, eenige omgevallen, verdorde boomen, was alles wat er

van de woning was overgebleven. De kolonel had niet gewild dat iets

hersteld werd. De bungalow verkeerde na zes jaren nog in denzelfden

toestand als de hand der brandstichters hem gebracht had.

Wij brachten een uur op die verwoeste plek door. Sir Edward Munro

waarde zwijgend onder die bouwvallen rond, waaruit zich zooveel

herinneringen voor hem opdeden. Zijne gedachten waren geheel vervuld

met dat gelukkige leven, dat niets hem voortaan kon teruggeven. Hij

zag het jonge meisje weder, gelukkig in het huis waar zij geboren was,

waar hij haar gekend had en somtijds sloot hij de oogen als om zich

haar nog beter te kunnen voorstellen.

Doch eindelijk, plotseling, alsof hij zich zelven geweld had moeten

aandoen, voerde hij ons met zich naar buiten.

Banks had gehoopt dat de kolonel zich alleen tot het bezoeken van dezen

bungalow bepalen zou.... Maar neen! Sir Edward Munro had besloten

tot de laatste toe de bitterheden uitteputten, die deze noodlottige

stad voor hem bewaard had! Na de woning van lady Munro, wilde hij de

kazerne wederzien waar zoovele slachtoffers, waaraan de krachtvolle

vrouw zich zoo heldhaftig had toegewijd, al de verschrikkingen van

een beleg hadden doorgestaan.

De kazerne was op de vlakte buiten de stad gelegen en men bouwde toen

een kerk op de plek waar de bevolking van Cawnpore een schuilplaats

had moeten zoeken. De weg daarheen was een macadamweg, beschaduwd

door fraaie boomen.

Daar was het eerste bedrijf van het vreeselijk treurspel

afgespeeld. Daar hadden lady Munro en hare moeder geleefd, geleden,

met den dood geworsteld tot het oogenblik dat de capitulatie in de

handen van Nana Sahib den troep slachtoffers stelde, reeds tot een

afgrijslijken moord gedoemd en dien de verrader beloofd had behouden

te Allahabad te zullen brengen.

Te midden van den onvoltooiden bouw, onderscheidde men nog

overblijfselen van steenen muren, sporen der verdedigingswerken,

die door generaal Wheeler [7] waren opgericht.

Kolonel Munro bleef langen tijd onbeweeglijk en zwijgend voor

deze overblijfselen. In zijne herinnering kwamen de afschuwelijke

voorvallen waarvan zij het tooneel geweest waren, levendiger terug. Na

den bungalow, waar lady Munro gelukkig geleefd had, de kazerne waarin

zij meer geleden had dan alles wat men zich kan voorstellen!

Nog bleef het bezoek over van den Bibi-Ghar, de woning waarvan de

Nana een gevangenis maakte, waar zich de put bevond op welks bodem

de slachtoffers in den dood vermengd waren geworden.

Toen Banks den kolonel zich naar deze zijde zag wenden, greep hij

hem bij den arm als om hem terug te houden.

Sir Edward Munro zag hem vlak in het gelaat en zeide op vreeselijk

kalmen toon:

»Kom, laat ons gaan!"

»Munro! ik bid je!...."

»Dan zal ik alleen gaan."

Er bleek niets aan te doen.

Wij hebben ons toen naar den Bibi-Ghar gewend, waaraan prachtig

aangelegde tuinen, beplant met fraaie boomen voorafgingen.

Er verheft zich daar een zuilengang in Gothischen stijl, van

octogonalen vorm. Hij omgeeft de plek waar de put zich bevindt,

welks opening nu met een bekleeding van steenen gesloten is. Het is

een soort van voetstuk, dat een standbeeld van wit marmer draagt, den

Engel van het Medelijden, een der laatste werken van den beeldhouwer

Marocchette voorstellende.

Het was lord Canning, gouverneur-generaal van Indië gedurende den

grooten opstand van 1857, die dit monument van boete en rouw deed

oprichten; het was vervaardigd naar de teekeningen van den kolonel

der genie Yule en lord Canning verkoos het uit zijne eigene middelen

te betalen.

Voor dezen put waarin de beide vrouwen, de moeder en de dochter, na

door de slachters van Nana getroffen te zijn, misschien nog levend

waren geworden, kon Sir Edward Munro zijne tranen niet inhouden. Hij

viel op zijne knieën op de steenen van het monument neder.

Sergeant Mac Neil weende naast hem in stilte.

Het hart ontzonk ons en woorden ontbraken ons om deze ontroostbare

smart te lenigen, hopende dat Sir Edward Munro daar zijne laatste

tranen zou weenen!

O! als hij een der eerste soldaten van het koninklijk leger geweest

was, die te Cawnpore binnenkwamen en die na den gruwzamen moord in

dat Bibi-Ghar doordrongen, zou hij van smart gestorven zijn!

En wat wonder als men het verslag leest van een der Engelsche

officieren,--een verhaal door den reiziger Rousselet medegedeeld.

»Nauwlijks te Cawnpore binnengekomen, haastten we ons om de ongelukkige

vrouwen op te sporen, die wij wisten, dat zich in de handen bevonden

van den verfoeilijken Nana, doch weldra vernamen wij de afschuwelijke

terdoodbrenging. Gekweld door een verschrikkelijken dorst naar wraak en

doordrongen van het gevoel der ontzettende smarten, die de ongelukkige

slachtoffers hadden moeten verduren, gevoelden wij zonderlinge

en woeste ideeën in ons wakker worden. Half krankzinnig van drift,

loopen wij naar de droevige plek van het martelaarschap. Gestold bloed,

vermengd met overblijfselen, waaraan men geen naam kon geven, bedekte

den grond van het kleine vertrek waar zij opgesloten waren en reikte

ons tot de enkels. Lange, zijdeachtige haarvlechten, brokstukken van

vrouwenkleederen, kleine kinderschoentjes, speelgoed, lagen op den

vochtigen grond verspreid. De met bloed besmeerde muren, droegen de

sporen van den vreeselijken doodstrijd. Ik raapte een klein gebedenboek

op, waarvan op de eerste bladzijde deze treffende woorden geschreven

stonden: »27 Juni, de vaartuigen verlaten.... 7 Juli, gevangenen van

den Nana.... noodlottige dag." Maar dit waren niet de eenige gruwelen,

die ons wachtten. Veel verschrikkelijker nog was het gezicht van den

diepen en nauwen put waar de verminkte overblijfselen van die teere

schepselen waren opgehoopt!...."

Sir Edward Munro was in de eerste uren dat de soldaten van Havelock

zich van de stad meester maakten, niet tegenwoordig. Hij kwam slechts

twee dagen na de verfoeielijke slachting! En nu had hij niets anders

voor oogen dan de plek waar de noodlottige put zich opende, het

vreeselijke graf der twee honderd slachtoffers van Nana Sahib!

Ditmaal gelukte het Banks, geholpen door den sergeant, hem met geweld

weg te voeren.

Kolonel Munro zou nooit de twee woorden vergeten, die een der soldaten

van Havelock met zijn bajonet op den rand van den put geschreven had:

»Remember Cawnpore!"

»Herinner u Cawnpore."

Het Stoomhuis: De IJzeren Reus (1/2) · 第 20 / 38 题