De afstand tusschen Bénares en Allahabad bedraagt ongeveer
honderddertig kilometers. De weg loopt bijna gestadig langs
den rechteroever van den Ganges, tusschen den spoorweg en den
stroom. Storr had zich steenkolen in briquetten verschaft en hij had
er den tender mede beladen. De olifant was dus voor verscheidene dagen
van voedsel verzekerd. Zorgvuldig schoongemaakt,--ik had haast gezegd
geroskamd,--opgepoetst alsof hij zoo pas uit de werkplaats kwam,
wachtte hij ongeduldig op het oogenblik van vertrek. Hij trappelde
wel niet, maar eenige trillingen zijner raderen bewezen de spankracht
van den stoom, die zijne ijzeren longen vulde.
Onze trein vertrok dus 's morgens vroeg, den 24n, met een snelheid
van 3 à vier mijlen per uur.
De nacht was zonder bijzondere voorvallen verloopen en wij hadden
den Bengali niet teruggezien.
Wij moeten hier eens vooral vermelden, dat het programma van iederen
dag, bevattende de uren van het opstaan en het naar bed gaan, het
ontbijt, de lunch, diners, de siesta, met militaire nauwkeurigheid werd
in acht genomen. Het leven in het Stoomhuis verliep even geregeld als
in den bungalow van Calcutta. Het landschap wisselde onophoudelijk af,
zonder dat onze woning zich scheen te verplaatsen. Wij waren geheel
gewoon geraakt aan dit nieuwe leven, evenals een passagier aan het
leven aan boord van een transatlantische stoomboot,--op de eentonigheid
na, want wij hadden niet altijd den zelfden horizont voor ons.
Ten elf ure, dien dag, deed zich in de vlakte een zonderling praalgraf
voor, van Mongoolsche bouwkunde, dat opgericht is ter eere van twee
heilige personages van den Islam, Kassim-Soliman, vader en zoon. Een
half uur later zagen wij de belangrijke vesting van Chunar, welker
schilderachtige bolwerken een onneembare rots bekronen, die zich
honderdvijftig voet loodrecht boven den Ganges verheft.
Er was geen sprake van halt te houden om deze vesting te bezoeken,
een der belangrijkste van de vallei van den Ganges, zoodanig gelegen,
dat men in geval van een aanval kruit en kogel kan besparen. Inderdaad
zou de aanvalskolonne, die het wagen dorst de muren te bereiken,
door een stortbui van rotssteenen, met opzet daartoe gereed gehouden,
verpletterd worden.
Aan den voet breidt zich de stad uit, die haar naam draagt en welker
lieve woningen zich tusschen het groen verschuilen.
Te Bénares hebben wij gezien, dat er verscheidene bevoorrechte plaatsen
bestaan, die door de Hindoes beschouwd worden als de heiligste der
wereld. Als men goed telde, zou men er op het gansche schiereiland
honderden van die soort vinden. Ook de vesting Chunar bezit een
dezer wonderdadige plekken. Daar vertoont men u een marmeren plaat,
waarop de een of andere god geregeld zijn dagelijksche siesta komt
nemen. Weliswaar is die god onzichtbaar en hebben wij dan ook niet
getracht hem te zien.
Des avonds hield de IJzeren Reus bij Mirzapore halt om er den nacht
door te brengen. Niet alleen bezit de stad een aantal tempels, maar
zij heeft ook fabrieken en een haven ter inscheping van het katoen, dat
aldaar veel gebouwd wordt. Eens zal het een rijke handelsstad worden.
Den volgenden dag, 25 Mei, tegen twee uren 's namiddags doorwaadden
wij de kleine rivier de Tonsa, die op dat tijdstip geen voet water
had. Ten vijf ure, waren wij het punt voorbij, waar zich de groote tak
van Bombay met dien naar Calcutta verbindt. Nagenoeg op de plek waar de
Jumna in den Ganges valt, bewonderden wij den ijzeren viaduct, die haar
zestien pijlers, zestig voet hoog, in de wateren van dien trotschen
stroom dompelt. Aan de een kilometer lange schipbrug aangekomen,
die den rechter- met den linkeroever van den stroom verbindt, gingen
wij deze zonder veel moeite over en sloegen wij 's avonds ons kamp
op aan het einde van een der voorsteden van Allahabad.
De 26e zou gewijd worden aan het bezoeken dezer belangrijke stad,
het middelpunt waar al de spoorwegen van het groote Indische vasteland
samenloopen. Zij heeft eene heerlijke ligging, te midden der rijkste
landouwen, tusschen de twee armen van de Jumna en den Ganges.
De natuur heeft voorzeker alles gedaan ons Allahabad tot hoofdstad te
maken van Engelsch-Indië, het middelpunt der regeering, de residentie
van den onderkoning. Het is daarom niet onmogelijk dat, als de cyclonen
Calcutta, de tegenwoordige hoofdstad, eenige slechte streken spelen,
zij het eenmaal worde. Het is zeker, dat eenige goede geesten deze
mogelijkheid reeds ingezien en voorzien hebben. In het groote lichaam,
Indië genoemd, wordt de plaats van het hart door Allahabad ingenomen,
evenals Parijs het hart van Frankrijk is. Londen bevindt zich wel niet
in het middelpunt van het Vereenigd Koninkrijk, doch heeft ook Londen
op de groote Engelsche steden, Liverpool, Manchester, Birmingham niet
denzelfden voorrang als Parijs op al de andere steden van Frankrijk.
»En gaan we nu van dit punt af," vroeg ik Banks, »rechtstreeks naar
het noorden?"
»Ja," antwoordde Banks, »of althans bijna rechtstreeks. Allahabad is
in het westen de grens van dit eerste gedeelte van onzen tocht."
»Nu!" riep kapitein Hod uit, »de groote steden, goed, maar de groote
vlakten, de groote jungles, beter! Als we zoo voortgaan met langs
de spoorwegen te reizen, zullen we eindigen met er op te reizen en
zou onze IJzeren Reus tot een eenvoudige locomotief gedegradeerd
worden! Welk een achteruitgang!"
»Stel je gerust, Hod," antwoordde de ingenieur, »dat zal niet
gebeuren. We zullen ons weldra in je geliefkoosde streken wagen."
»Dus, Banks, gaan we rechtuit naar de Indisch-Chineesche grens,
zonder Lucknow door te gaan?"
»Ik zou er voor zijn deze stad te vermijden, en vooral Cawnpore,
zoo vol noodlottige herinneringen voor kolonel Munro."
»Je hebt gelijk," hernam ik, »en we kunnen er ons nooit ver genoeg
van verwijderd houden!"
»Zeg eens, Banks," vroeg kapitein Hod, »heb je tijdens je bezoek van
Bénares, niets bijzonders van Nana Sahib vernomen?"
»Niets," antwoordde de ingenieur. »Waarschijnlijk zal de gouverneur
van Bombay nogmaals op een dwaalspoor gebracht en Nana nooit weder
in het presidentschap van Bombay verschenen zijn."
»Werkelijk, zeer waarschijnlijk," antwoordde de kapitein, »want anders
zou de oude opstandeling zeker al van zich hebben doen spreken?"
»Hoe het zij," zeide Banks, »gaarne zou ik zoo spoedig mogelijk die
vallei van den Ganges, die van Allahabad af tot Cawnpore toe, tijdens
den opstand der Sipayers, het tooneel van zooveel onheilen geweest is,
willen verlaten. Maar laten we vooral zorgen, dat de naam van die
stad, even als die van Nana Sahib, nooit meer in tegenwoordigheid
van den kolonel worde uitgesproken!"
Den volgenden dag wilde Banks mij wederom vergezellen tijdens
de weinige uren, die ik nog aan een bezoek van Allahabad zou
wijden. Misschien zouden er drie dagen noodig geweest zijn om de drie
steden, waaruit Allahabad eigenlijk bestaat, goed te zien. En toch
biedt zij over het geheel niet zooveel bijzonderheden aan als Bénares,
alhoewel ook zij onder de heilige steden telt.
Van de Hindoesche stad valt niets te zeggen. Het is een ophooping
van lage huizen, gescheiden door nauwe straten, beschaduwd hier en
daar door prachtige tamarindeboomen.
Ook van de Engelsche stad en de kantonnementen zullen we niets
zeggen. Goed beplante, fraaie lanen, rijke woningen, groote pleinen,
al de elementen eener stad, eenmaal bestemd om een groote hoofdstad
te worden.
Het geheel is gelegen in een uitgestrekte vlakte, begrensd ten noorden
en ten zuiden door de Jumna (Djoemna) en den Ganges. Men noemt het de
»vlakte der Aalmoezen," omdat de Hindoesche vorsten zich ten allen
tijde derwaarts begaven om weldaden te bewijzen en aalmoezen uit te
reiken, terwijl de overlevering beweert, »dat het verdienstelijker
is één stuk geld op deze plaats te geven, dan honderdduizend stuks
elders."
De God der christenen geeft slechts honderdvoudig. Dat is voorzeker
honderdmaal minder, doch Hij boezemt mij meer vertrouwen in.
Een woord slechts van de citadel van Allahabad, die der moeite waard
is om te bezoeken. Zij is gebouwd ten westen van de groote vlakte
der Aalmoezen en hare hooge muren van rooden zandsteen beheerschen
de beide stroomen. Binnen de wallen van de vesting bevindt zich een
paleis, vroeger de geliefkoosde residentie van den sultan Akbar, later
tot arsenaal ingericht. In een der hoeken is een zeer fraaie zuil
of lât van Féroze-Schachs, een prachtige, cylindervormige monolith,
zesendertig voet hoog, een leeuw dragende, terwijl niet ver vandaar een
kleine tempel wordt aangetroffen, dien de Hindoes, wien men den toegang
tot het fort weigert, niet bezoeken kunnen, ofschoon het een der
heiligste punten der vesting is, die de aandacht der toeristen trekken.
Banks deelde mij mede, dat het fort van Allahabad ook zijn legende had,
die aan de bijbelsche legende herinnert betreffende den wederopbouw
van den tempel van Salomon te Jeruzalem.
Toen de sultan de citadel van Allahabad wilde bouwen, schijnt het
dat de steenen zich zeer wederspannig toonden. Nauwlijks was een muur
opgebouwd, of hij stortte weder in. Men raadpleegde het orakel en dit
antwoordde als altijd, dat er een gewillig slachtoffer noodig was om
de betoovering te bezweren. Een Hindoe bood zich aan, werd geofferd
en het fort kon nu voltooid worden. Deze Hindoe noemde zich Brog en
daarom wordt nog heden ten dage de stad aangeduid onder den dubbelen
naam van Brog-Allahabad.
Banks geleidde mij vervolgens naar de tuinen van Khousrou, die beroemd
zijn en hunne beroemdheid werkelijk verdienen. Daar, in de schaduw
der schoonste tamarinden van de wereld, verheffen zich verscheidene
Mohamedaansche praalgraven. Een van deze is de laatste woning van den
sultan, wiens naam deze tempels dragen. Op een der muren in wit marmer
is de palm eener énorme hand ingedrukt. Men toonde haar ons met een
bereidwilligheid, die wij misten bij de heilige indrukselen van Gaya.
Weliswaar was het niet het spoor van den voet eens gods, maar het
teeken van de hand eens eenvoudigen stervelings, naneef van Mahomet.
Tijdens den opstand van 1857, werd er niet minder bloed vergoten te
Allahabad dan in de andere steden van de vallei van den Ganges. De
strijd der opstandelingen op het exercitieveld van Bénares
geleverd, lokte de omwenteling uit van de inlandsche troepen, en,
in het bijzonder, den opstand van het 6e regiment van het leger van
Bengalen. Al dadelijk werden acht vaandrigs vermoord, doch dank zij
de krachtige houding van eenige Europeesche artilleristen, die tot
het corps der invaliden van Chounar behoorden, eindigden de Sipayers
met de wapenen neer te leggen.
In de kantonnementen ging het erger toe. De inlanders stonden op,
de gevangenissen werden geopend, de dokken geplunderd, de Europeesche
woningen in brand gestoken. Middelerwijl kwam kolonel Neil, na de orde
te Bénares hersteld te hebben, met zijn regiment en honderd fusiliers
van het regiment van Madras aan. Hij heroverde de schipbrug op de
opstandelingen, nam den 18n Juni de voorsteden in, joeg de leden
eener voorloopige regeering, door een muzelman ingesteld, uiteen en
werd opnieuw het hoofd der provincie.
Gedurende dit uitstapje naar Allahabad letten Banks en ik zorgvuldig
op of we ook gevolgd werden zooals dit te Bénares het geval was
geweest. Doch ditmaal zagen wij niets verdachts.
»Om 't even," zei de ingenieur, »we kunnen niet te voorzichtig zijn! 'k
Was gaarne incognito gebleven, want de naam van kolonel Munro is maar
al te zeer bekend bij de inboorlingen dezer provincie!"
Wij waren te zes uur terug voor het diner. Sir Edward Munro, die
gedurende een paar uren het kampement had verlaten, was terug en
wachtte ons. Wat kapitein Hod aangaat, die eenigen zijner kameraden
in de kantonnementen in garnizoen was op gaan zoeken, hij kwam bijna
tegelijk met ons terug.
Ik merkte toen op en deed Banks opmerken, dat kolonel Munro er niet
zoo zeer meer bedroefd, dan wel meer bezorgd dan gewoonlijk uitzag. Ik
meende in zijne blikken een zeker vuur op te merken, dat de tranen
er sedert lang moesten hebben uitgedoofd!
»Je hebt gelijk," antwoordde Banks mij, »er is iets! wat zou er
voorgevallen zijn?"
»Als je 't Mac Neil eens vroegt?" zei ik.
»Ja, Mac Neil zal er misschien meer van weten."
Dit zeggende verliet de ingenieur het salon en opende de deur van
het kamertje van den sergeant.
De sergeant was er niet.
»Waar is Mac Neil?" vroeg Banks aan Goûmi, die ons aan tafel zou
bedienen.
»Hij heeft het kampement verlaten," antwoordde Goûmi.
»Sedert wanneer?"
»Sedert ongeveer een uur en op bevel van kolonel Munro."
»Je weet niet waarheen hij gegaan is?"
»Neen, mijnheer Banks, en 'k weet ook niet waarom hij gegaan is."
»Er is toch sedert ons vertrek niets bijzonders voorgevallen?"
»Niets."
Banks kwam terug, deelde mij de afwezigheid van den sergeant mede
waarvan niemand de reden wist, en herhaalde:
»'k Weet niet wat er is, maar zeer zeker is er iets! We dienen wat
geduld te hebben."
Men zette zich aan tafel. Gewoonlijk nam kolonel Munro onder den
maaltijd deel aan het gesprek. Hij hoorde gaarne wat we op onze
uitstapjes gezien en ondervonden hadden. Ik vermeed steeds snaren aan
te roeren, die hem zelfs van verre den opstand der Sipayers konden
herinneren. Ik geloof dat hij het opmerkte, maar, zou hij mij dank
weten voor mijne discretie? Daarbij kwam dat het soms vrij moeielijk
was, als er gesproken werd over steden als Bénares of Allahabad,
die het tooneel van oproerige bewegingen geweest waren.
Heden en onder het diner mocht ik dus terecht vreezen, verplicht
te zijn om over Allahabad te spreken. IJdele vrees. Kolonel Munro
ondervroeg noch Banks, noch mij, hoe we onzen dag besteed hadden. Hij
bleef zwijgen, tijdens den geheelen duur van onzen maaltijd. Zijne
afgetrokkenheid scheen zelfs van uur tot uur toe te nemen. Hij keek
dikwijls naar den weg, die naar de kantonnementen voerde en ik geloof
zelfs, dat hij verscheidene malen op het punt was van tafel op te staan
om beter in deze richting te kunnen zien. Sir Edward Munro wachtte
blijkbaar met ongeduld op de terugkomst van den sergeant Mac Neil.
Het diner ging dus vrij vervelend voorbij. Kapitein Hod keek Banks
aan, om hem stilzwijgend te vragen wat er toch aan scheelde, maar
Banks wist het evenmin als hij.
Toen het diner was afgeloopen, stapte kolonel Munro, in plaats van
zijn gewoon middagdutje te doen, de trede van de veranda af, deed
eenige schreden op den weg, sloeg er een laatste maal een langen blik
op en zeide, zich naar ons omkeerende:
»Banks, Hod en gij ook Maucler, zoudt gij me willen vergezellen tot
de eerste huizen van de kantonnementen?"
Wij verlieten onmiddellijk de tafel en volgden den kolonel, die
langzaam zonder een woord te spreken, voortstapte.
Na een honderd schreden afgelegd te hebben, bleef sir Edward Munro
staan voor een paal, die aan den rechterkant van den weg was opgericht
en waaraan een aankondiging was aangeplakt.
»Lees," zeide hij.
Het was de afkondiging, nu reeds meer dan twee maanden oud, die
een prijs stelde op het hoofd van den nabob Nana Sahib en zijne
tegenwoordigheid in het presidentschap van Bombay bekend maakte.
Banks en Hod maakten onwillekeurig een gebaar van teleurstelling. Tot
nog toe was het hun gelukt zoowel te Calcutta als onder de reis,
te beletten dat deze afkondiging onder de oogen van den kolonel
kwam. Een noodlottig toeval had hunne voorzorgen verijdeld!
»Banks," zeide sir Edward Munro, de hand van den ingenieur grijpende,
»je kende deze afkondiging?"
Banks antwoordde niet.
»Je wist, nu al voor twee maanden," hernam de kolonel, »dat de
tegenwoordigheid van Nana Sahib in het presidentschap van Bombay was
aangegeven en je hebt er me niets van gezegd!"
Banks bleef zwijgen, niet wetende wat te antwoorden.
»Welnu, ja, kolonel," riep kapitein Hod uit, »ja, we wisten het,
maar waarom zouden we 't u gezegd hebben? Wie bewijst dat het feit,
door deze afkondiging aangeduid, waar is en waartoe herinneringen
bij u opgewekt, die u zoo smartelijk aandoen?"
»Banks," riep Kolonel Munro uit, wiens gelaat plotseling een geheel
andere uitdrukking aannam, »heb je dan vergeten, dat het mij, mij meer
dan iemand anders, toekomt, dien man te rechten! Weet, dat, zoo ik er
in toegestemd heb Calcutta te verlaten, deze reis mij naar het noorden
van Indië moest terugvoeren, dat ik geen enkelen dag aan den dood van
Nana Sahib geloofd heb, dat ik nooit mijn plicht als handhaver van het
recht vergeten heb! Met u vertrekkende, heb ik slechts één denkbeeld,
één hoop gehad! 'k Heb, om me mijn doel te doen bereiken, gerekend
op de toevalligheden der reis en op de hulp van God! 'k Heb gelijk
gehad! God heeft me voor deze aankondiging geleid! In het noorden
moeten we Nana Sahib niet meer zoeken, maar in het zuiden! Welnu! 'k
Zal naar het zuiden gaan!"
Onze voorgevoelens hadden ons dus niet bedrogen! Het was maar al te
waar! Meer dan ooit werd kolonel Munro beheerscht door een geheime
gedachte of liever een idée fixe. Hij had zich nu geheel aan ons
blootgegeven.
»Munro," antwoordde Banks, »'k heb je wel nergens over gesproken, maar
'k dacht ook volstrekt niet dat Nana Sahib zich in het presidentschap
van Bombay zou ophouden. Het blijkt maar al te zeer, dat de overheid
nogmaals bedrogen is. Inderdaad, de afkondiging is den 6n Maart
gedateerd en sedert dat tijdstip heeft niets de tijding van de
verschijning des nabobs bevestigd."
Kolonel Munro gaf niet dadelijk antwoord op de opmerking van den
ingenieur. Hij wierp nog een laatsten blik op den weg en zeide toen:
»Mijne vrienden, 'k zal trachten te vernemen wat er van de zaak is. Mac
Neil is met een brief voor den gouverneur naar Allahabad vertrokken. In
een oogenblik zal ik weten of Nana Sahib zich werkelijk in een van
de provincies van het westen heeft laten zien, of hij er nog of reeds
verdwenen is."
»En zoo hij er gezien is, zoo het feit niet te betwijfelen valt,
Munro, wat denk je dan te doen?" vroeg Banks, die de hand van den
kolonel greep.
»'k Zal vertrekken!" antwoordde sir Edward Munro. »'k Zal overal gaan
waar het in den naam van de opperste gerechtigheid, mijn plicht is
te gaan!"
»Is dat vast beslist, Munro?"
»Ja, Banks, vast. Gij, mijne vrienden, zult uw reis zonder mij
voortzetten.... Heden avond nog ga ik met den trein van Bombay."
»Goed, maar je zult niet alleen gaan!" antwoordde de ingenieur,
zich tot ons wendende. »We vergezellen je, Munro!"
»Ja, ja, kolonel!" riep kapitein Hod uit. »We laten u niet zonder
ons vertrekken! In plaats van op wilde beesten te jagen, zullen we
op schurken jagen!"
»Kolonel Munro," liet ik er op volgen, »u zult me toestaan me bij
den kapitein en uwe vrienden te voegen!"
»Ja, Maucler," antwoordde Banks, »en van avond nog, zullen we allen
Allahabad verlaten hebben...."
»Onnoodig!" sprak een ernstige stem.
We keerden ons om. Sergeant Mac Neil stond voor ons, met een dagblad
in de hand.
»Lees, kolonel," zeide hij. »Dit heeft de gouverneur me verzocht u
te laten lezen."
En sir Edward Munro las het volgende:
»De gouverneur van het presidentschap van Bombay brengt ter
kennisse van het publiek, dat de afkondiging van den 6n Maart
ll., ter zake van den nabob Dandou-Pant, voortaan als nutteloos
moet beschouwd worden. Gisteren is Nana Sahib aangetast in de
bergpassen van Sauptourra, alwaar hij met zijn troep de wijk
genomen had en is in het gevecht gedood. Er valt niet te twijfelen
aan zijn identiteit. Hij is herkend door de inwoners van Cawnpore
en Lucknow. Er ontbrak hem een vinger aan de linkerhand en men
weet, dat Nana Sahib een zijner vingers had afgesneden op het
oogenblik dat hij door een valsche begrafenis aan zijn dood wilde
doen gelooven. Het koninkrijk van Indië heeft dus niets meer te
vreezen van den wreeden nabob, die het zooveel bloed gekost heeft."
Kolonel Munro had deze regels op doffen toon voorgelezen en legde
het dagblad uit de hand.
Wij zwegen. De dood van Nana Sahib, ontwijfelbaar zeker dezen keer,
verloste ons van alle vrees voor de toekomst.
Na eenige minuten van stilte, streek kolonel Munro de hand over zijne
oogen als om vreeselijke herinneringen weg te wisschen. Vervolgens
vroeg hij:
»Wanneer moeten we Allahabad verlaten?"
»Morgen, met het krieken van den dag," antwoordde de ingenieur.
»Banks," hernam kolonel Munro, »kunnen we ons niet eenige uren te
Cawnpore ophouden?"
»Wil je?...."
»Ja, Banks, gaarne.... 'k zou voor een laatste maal Cawnpore nog eens
willen terugzien!"
»Welnu, we zijn er binnen twee dagen!" antwoordde de ingenieur
eenvoudig.
»En dan?" hernam kolonel Munro.
»Dan?...." antwoordde Banks, »zullen we onzen tocht naar het noorden
van Indië voortzetten!"
»Ja!.... naar het noorden! naar het noorden!...." zei de kolonel op
een toon, die me tot in de ziel trof.
Inderdaad was het niet onwaarschijnlijk, dat sir Edward Munro nog
eenigen twijfel koesterde omtrent den uitslag dezer laatste worsteling
tusschen Nana Sahib en de agenten der Engelsche overheid. Had hij
gelijk tegenover hetgeen overtuigend bewezen scheen?
De toekomst zal het ons leeren.