EENIGE UREN TE BÉNARES.

De groote weg lag nu voor het Stoomhuis open, de weg, die over

Sasserâm, naar den rechter oever van den Ganges tegenover Bénares liep.

Een mijl voorbij het kamp, nam de machine een meer gematigden gang aan,

zoo omstreeks twee en een halve mijl per uur. Het plan van Banks was,

dien zelfden avond op vijf en twintig mijlen van Gaya te kampeeren

en den nacht rustig door te brengen in de omstreken van de kleine

stad Sasserâm.

In het algemeen vermijden de Indische wegen zooveel mogelijk de

stroomen, die bruggen noodzakelijk maken, daar het leggen van dezen

op die alluviale gronden zeer kostbaar is. Ook moeten ze op vele

plaatsen, waar het niet mogelijk geweest is een rivier of een stroom

te beletten den weg te versperren, nog gelegd worden. Wel is waar is

de oude, primitieve pont nog in werking, die evenwel om onzen trein

over te brengen zonder twijfel onvoldoende zoude geweest zijn. Zeer

gelukkig konden wij er buiten.

Juist moesten wij dien dag een belangrijke rivier oversteken, de

Sône. Deze rivier boven Rhotas gevoed door twee andere, den Coput en

den Coyle, vloeit in den Ganges, nagenoeg tusschen Arrah en Dinapore.

Niets gemakkelijker dan deze overtocht. De olifant daalde langs een

zachte helling den steilen oever af, trad in den stroom, bleef op de

oppervlakte en trok, het water met zijn dikke pooten als de schoepen

van een drijfrad slaande, den trein zacht voort.

Kapitein Hod gaf luide zijne verrukking te kennen.

»Een rollend huis!" riep hij uit, »een huis dat tegelijk een rijtuig

en een stoomboot is. De vleugels ontbreken er nog maar aan om zich

in een vliegtoestel te herscheppen en de ruimte te doorklieven!"

»Dat zal den een of anderen dag ook nog wel eens gebeuren, vriend Hod,"

antwoordde de ingenieur ernstig.

»Ik weet het, vriend Banks," antwoordde niet minder ernstig de

kapitein. »Alles zal gebeuren! Maar wat toch niet gebeuren zal,

is, dat we over twee honderd jaar in leven zijn om die wonderen te

zien! Het leven is alle dag wel niet even vroolijk en toch zou ik

gaarne tien eeuwen wenschen te leven, enkel uit nieuwsgierigheid!"

Dien avond kampeerden wij, na onder de prachtige brug, die den spoorweg

draagt, gegaan te zijn, op tachtig voet boven de bedding van de Sône,

op twaalf uren afstand van Gaya, in de omstreken van Sasserâm. We

zouden ons hier slechts een nacht ophouden om ons van hout en water

te voorzien en met den dageraad weder vertrekken.

Dit programma werd in alle deelen gevolgd en den volgenden morgen 22

Mei, vóór de brandende uren, die de gloeiende middagzon ons bezorgde,

waren wij weder op reis.

Het land was overal hetzelfde, namelijk zeer rijk, zeer

bebouwd. Zoodanig doet het zich voor bij het naderen van de

prachtige vallei van den Ganges. Ik zal hier niet spreken van de

talrijke dorpen, die zich verliezen te midden van de onmetelijke

rijstvelden, tusschen de groepen van tara-palmboomen met hun dicht

gewelfd bladerdak, in de schaduw der mangoboomen en ander weelderig

opschietend geboomte. Overigens hielden wij ons niet op en indien

somtijds de weg door een wagen, langzaam door zebus voortgetrokken,

gestremd werd, deed een twee of driemalig fluiten hem op zijde gaan,

waarna dan onze trein tot groote verbazing der raïots doorging.

Op dien dag, had ik het pleizier een groot aantal rozenvelden te

zien. En geen wonder, want wij waren niet ver verwijderd van Ghazipore,

het groote middelpunt der fabricatie van het water of liever van de

olie, uit deze bloemen vervaardigd.

Ik vroeg Banks of hij mij eenige inlichtingen betreffende dit zoo

gezochte voortbrengsel kon geven, dat het toppunt schijnt te zijn

der kunst op het stuk van parfumerie.

»Hier zijn cijfers, waarde vriend," gaf Banks mij ten antwoord,

»en ze zullen u toonen hoe kostbaar deze bereiding is. Veertig pond

rozen worden vooraf aan een soort van langzame distillatie over een

zacht vuur onderworpen en geven ongeveer dertig pond rozenwater. Dit

water wordt op een nieuw pak bloemen van veertig pond gegoten,

waarvan men de distillatie voortzet totdat het mengsel twintig pond

bedraagt. Men stelt dit mengsel gedurende twaalf uren bloot aan de

frissche nachtlucht en den volgenden dag vindt men de oppervlakte

van het mengsel bedekt met hoeveel? een ons welriekende olie. Dus

heeft men uit tachtig pond rozen--eene hoeveelheid die niet minder

dan twee honderd duizend bloemen telt,--ten slotte slechts een ons

vocht getrokken. Het is een wezenlijke moord! Het is dan ook niet

te verwonderen, dat zelfs in het land der bewerking, de rozenolie

veertig ropijen of honderd franken het ons kost.

»Nu," antwoordde kapitein Hod, »als men om een ons brandewijn te

fabriceeren, tachtig pond druiven noodig had, zouden de grogjes fameus

duur worden!"

Op dien dag, moesten we ook de Karamnaca, een der takken van den Ganges

nog overtrekken. De Hindoes hebben van die onschuldige rivier een soort

van Styx gemaakt, waarop het niet goed is te varen. Hare oevers zijn

niet minder vervloekt dan de oevers van den Jordaan of van de Doode

Zee. De lijken, die men haar toevertrouwt, brengt zij regelrecht naar

de Brahmaansche hel. Ik wil over deze geloofsleer niet redetwisten,

doch ik protesteer tegen de algemeen verspreide meening dat het water

dezer diabolische rivier onaangenaam smaakt en slecht voor de maag

zou zijn. Het is overheerlijk.

Na een weinig heuvelachtig land te zijn doorgetrokken, tusschen de

onmetelijke velden met slaapbollen en het uitgestrekte dambord der

rijstvelden, kampeerden wij op den rechteroever van den Ganges,

tegenover het antieke Jeruzalem der Hindoes, de heilige stad Bénares.

»Vierentwintig uren halt!" zei Banks.

»Hoever zijn we nu nog van Calcutta?" vroeg ik den ingenieur.

»Nog driehonderdvijftig mijlen ongeveer," antwoordde hij mij, »en

ge zult me moeten bekennen, waarde vriend, dat we tot nog toe niet

den minsten last gehad hebben noch van den langen weg, noch van de

vermoeienissen der reis!"

De Ganges! Is er een stroom waarvan de naam dichterlijker legendes

voor onze verbeelding toovert en is het niet alsof gansch Indië in hem

opgaat? Bestaat er op de wereld een vallei, te vergelijken met die,

welke tot richting van zijn trotschen loop, zich vijfhonderd mijlen ver

uitstrekt en niet minder telt dan honderd millioen bewoners? Is er een

plek op den aardbol waar sedert de verschijning der Aziatische rassen

meer wonderen zijn opgehoopt? Wat zou Victor Hugo, die zoo trotsch

den Donau bezongen heeft, wel van den Ganges gezegd hebben! Want even

als de zee heeft de Ganges zijn deining, zijne cyclonen, vreeselijker

dan de orkanen van den Europeeschen stroom! Als een slang ontrolt hij

zich in de meest dichterlijke streken der wereld! Ook hij stroomt van

het westen naar het oosten! Doch aan geen onaanzienlijke heuvelreeks

ontleent hij zijn oorsprong! Neen, van de hoogste bergketen des

aardbols, van de bergen van Thibet stort hij naar beneden en neemt

onderweg al de schatplichtige stroomen op. Zijn plaats van oorsprong

is het Himalaya gebergte!

Den volgenden dag, 23 Mei, bij het opgaan der zon, lag het zich in

hare stralen afspiegelende watervlak voor onze blikken uitgespreid. Op

het witte zand schenen eenige troepen krokodillen, groot van stuk,

het eerste daglicht met volle teugen in te zwelgen. Zij lagen daar

onbeweeglijk, naar de zon gekeerd, alsof zij de getrouwste aanhangers

van de leer van Brahma geweest waren. Maar eenige voorbij drijvende

lijken ontrukten hen aan hunne aanbidding. Men heeft wel eens beweerd,

dat de lijken, door den stroom medegevoerd, op den rug drijven als

het mannen zijn en op den buik van vrouwen. Ik kon mij nu verzekeren,

dat er niets waar is van deze opmerking. Een oogenblik later wierpen

de monsters zich op hun prooi, die hun dagelijks door de rivieren van

het schiereiland verschaft wordt en oogenblikkelijk door hen naar de

diepte wordt gesleurd.

De spoorweg van Calcutta volgt, alvorens zich te Allahabad te vertakken

om naar Delhi ten noordwesten en naar Bombay ten zuidwesten te loopen,

voortdurend den rechter oever van den Ganges, waarvan hij door zijn

rechtlijnige richting de talrijke bochten bespaart. Aan het station

van Mogul-Seraï, waarvan wij slechts eenige mijlen verwijderd waren,

scheidt zich een kleine tak af, die over den stroom naar Bénares

loopt en door de vallei van de Goûmti een zestig mijlen ver naar

Jaunpore gaat.

Bénares is dus aan den linkeroever gelegen. Doch op deze plaats

zouden wij den Ganges niet oversteken, dat zou eerst te Allahabad

geschieden. De IJzeren Reus bleef dus in het kamp, dat den vorigen

avond, 22 Mei gekozen was. Er lagen gondels aan den oever gereed

om ons naar de heilige stad over te brengen, die ik met eenige zorg

wenschte te bezoeken.

Wat kolonel Munro betreft, voor hem had het bezoek dezer steden, waar

hij zoo vaak geweest was, niets vreemds of verrassends en toch dacht

hij er dien dag een oogenblik over ons te vergezellen; doch, na rijpe

overweging besloot hij een tocht langs de oevers van den stroom te

maken, in gezelschap van sergeant Mac Niel. Werkelijk verlieten beiden

het Stoomhuis, zelfs voordat wij nog vertrokken waren. Kapitein Hod,

die reeds in garnizoen te Bénares geweest was, had het plan gevormd

eenigen zijner kameraden te gaan zien. Banks en ik dus,--de ingenieur

had mij tot gids willen verstrekken,--wij waren de eenigen, die uit

een gevoel van belangstelling de stad wilden bezoeken.

Als ik zeg, dat kapitein Hod te Bénares in garnizoen geweest was,

moet men weten, dat de troepen der koninklijke armée gewoonlijk

niet in de Hindoesche steden wonen. Hunne kazernen zijn te midden

van »kantonnementen" gelegen, die inderdaad echte Engelsche steden

worden. Dit is met Allahabad, met Bénares het geval, evenals op

andere punten van het grondgebied, waar niet alleen de soldaten,

maar de ambtenaren, de kooplieden, de renteniers zich bij voorkeur

groepsgewijze vereenigen. Ieder dezer groote steden is in tweeën

verdeeld, het eene gedeelte met al het comfort van het moderne Europa,

terwijl het andere de gewoonten van het land en de Hindoesche gebruiken

in al hunne oorspronkelijkheid bewaard heeft!

De Engelsche stad, met Bénares vereenigd, is Sécrole waarvan de

bungalows, de wandeldreven, de christelijke kerken zeer weinig

belangstelling inboezemen. Daar bevonden zich ook de voornaamste

hôtels, door toeristen bezocht. Sécrole is een van die steden, gereed

om door de toeristen van het Vereenigd Koninkrijk ingepakt en verzonden

te worden en die men dadelijk weer kan opslaan. Zij bieden dus niets

bijzonders ter bezichtiging aan. Nadat Banks en ik dus in een gondel

plaats hadden genomen, staken wij den Ganges schuins over, teneinde

eerst het prachtige schouwspel, dat Bénares, amphiteatersgewijze

tegen den steilen oever gelegen, aanbiedt, in zijn geheel te overzien.

»Bénares," zeide mij Banks, »is bij uitnemendheid de heilige stad

van Indië. Het is het Hindostansche Mecca en iedereen, die er,

al is het slechts vierentwintig uren, gewoond heeft, is verzekerd

de eeuwige zaligheid deelachtig te worden. Men begrijpt dus welk

een toevloed van bedevaartgangers zulk een geloof kan uitlokken, en

welk een aantal inwoners een stad moet tellen waaraan Brahma zulke

belangrijke voorrechten verleend heeft."

Men kent aan Bénares meer dan dertig eeuwen bestaan toe. Zij zou

dus gesticht zijn geworden nagenoeg ten tijde van de verwoesting van

Troje. Na altijd een grooten, geen staatkundigen, maar geestelijken

invloed op Hindostan gehad te hebben, was zij het meest bekende centrum

van den bouddhistischen godsdienst tot de negende eeuw. Er had toen

een godsdienstige omwenteling plaats. Het Brahmanisme vernietigde

den ouden eeredienst. Bénares werd de hoofdstad der brahmanen,

het middelpunt van aantrekking voor de geloovigen en men verzekert,

dat driehonderdduizend bedevaartgangers haar jaarlijks bezoeken.

De metropolitaansche overheid heeft voor de heilige stad haar

rajah weten te bewaren. Deze vorst, die vrij zuinig door Engeland

bezoldigd werd, bewoont een prachtige residentie te Ramnagur, aan

den Ganges. Hij is een wettige afstammeling van de koningen van Kaci,

den ouden naam van Bénares, maar hij heeft niet den minsten invloed

meer en zou zich dit laten welgevallen, indien zijn pensioen niet een

lakh ropyen--honderdduizend ropyen, of honderd vijfentwintig duizend

gulden ongeveer verminderd was, een som, die nauwlijks het zakgeld

van een nabob van weleer bedroeg.

Ook Bénares deelde, zooals bijna al de steden van de vallei van

den Ganges, een oogenblik in den grooten opstand van 1857. Destijds

bestond haar garnizoen uit het 37e regiment inlandsche infanterie,

een corps ongeregelde kavallerie en een half regiment sikhs. Van

koninklijke troepen bezat zij slechts een halve batterij Europeesche

artillerie. Men kon niet verwachten, dat deze handvol mannen

de inlandsche soldaten zou ontwapenen. Ook wachtte de overheid,

niet zonder ongeduld, de aankomst af van kolonel Neil, die zich

met het 10e regiment van de koninklijke armée naar Allahabad op

weg had begeven. Kolonel Neil trad Bénares binnen met slechts twee

honderd vijftig man en gaf bevel tot het houden eener parade op het

exercitieveld.

Toen de Sipayers vereenigd waren, gelastte men hun de wapenen neder te

leggen. Zij weigerden en dadelijk begon er een worsteling tusschen hen

en de infanterie van kolonel Neil. Bijna onmiddellijk daarop voegden

zich de ongeregelde kavallerie en daarna de sikhs, die zich verraden

waanden, bij de opstandelingen. Doch toen opende de halve batterij

haar vuur, beschoot de opstandelingen met schroot en niettegenstaande

hunne dapperheid, niettegenstaande hunne verwoedheid, werden allen

op de vlucht gedreven.

Dit gevecht werd buiten de stad geleverd. Binnen had er slechts een

eenvoudige poging tot opstand der muzelmannen plaats, die de groene

vaan opstaken--eene poging, die dadelijk mislukte. Sedert dien dag

werd Bénares, zelfs ten tijde toen de opstand in de provincies van

het Westen scheen te zullen zegevieren, niet meer verontrust.

Banks had mij deze bijzonderheden medegedeeld, terwijl onze gondel

langzaam over de wateren van den Ganges gleed.

»Mijn waarde vriend," zei hij, »we gaan Bénares opzoeken, goed! Maar,

hoe oud deze hoofdstad ook zij, zult ge er geen enkel monument vinden,

dat meer dan drie honderd jaren oud is. Verwonder er u niet over. Dat

is het gevolg der godsdienstige worstelingen, waarbij het vuur en het

zwaard een maar al te treurige rol hebben gespeeld. Toch is Bénares

een merkwaardige stad en ge zult u uw wandeling niet berouwen!"

Weldra hield onze gondel op zekeren afstand stil, teneinde op

den achtergrond eener baai, blauw als de golf van Napels, de

schilderachtige, amphiteatersgewijze tegen den heuvel oploopende

huizen en de opeenstapeling van paleizen te bewonderen, waarvan een

groot blok dreigt in te storten ten gevolge van een verzakking van den

grond, ondermijnd door het water der rivier. Een nepaulsche pagode,

van Chineeschen bouw, gewijd aan Bouddha, een woud van torens,

spitsen, minarets, kleine piramiden, die zich van de moskeeën en

tempels verheffen, beheerscht door de gouden naald van den lingam

van Çiva en de twee magere torenspitsen van de moskee van Aureng-Zeb,

bekroont dit bewonderenswaardig panorama.

Inplaats van onmiddellijk aan een der »ghâts" of trappen, die de

boorden in gemeenschap stellen met het bovenvlak der steile oevers,

af te stappen, liet Banks den gondel bij de kaden aanleggen, waarvan

de grondlagen door den stroom bespoeld worden.

Ik vond daar het tooneel van Gaya terug, maar in een ander

landschap. In plaats van de groene wouden van den Phalgou, werd nu

de achtergrond der schilderij ingenomen door de heilige stad. Wat

het onderwerp betreft, het was nagenoeg hetzelfde.

Werkelijk bedekten duizenden bedevaartgangers den steilen oever, de

terrassen, de trappen en kwamen zich in drie- of vierdubbele rijen

in den stroom dompelen. Men meene daarom niet dat dit bad kosteloos

genoten werd. Bewaarders met rooden tulband op het hoofd, de sabel op

zijde, namen de onderste treden der ghâts in, vorderden de schatting,

in gezelschap van nijvere brahmanen, die rozenkransen, amuletten of

andere vroomheidsmiddelen verkochten.

Bovendien waren er niet alleen bedevaartgangers, die voor eigen

rekening baadden, maar ook handelaars, die niets anders deden dan het

heilige water in flesschen te putten om het tot in de meest verwijderde

streken van het schiereiland rond te venten. Als bewijs van echtheid

wordt elke flesch met het zegel der brahmanen verzegeld. Men moet

evenwel aannemen, dat op uitgebreide schaal bedrog hiermede gepleegd

wordt, zoo aanzienlijk is de uitvoer van deze wonderdadige vloeistof

geworden.

»Misschien wel," zei Banks, »zou al het water van den Ganges niet

aan de behoeften der geloovigen voldoen!"

Ik vroeg hem toen of die badkuren niet dikwijls ongelukken

veroorzaakten, die men volstrekt niet trachtte te voorkomen. Er waren

toch geen zwemmeesters tegenwoordig om over de onvoorzichtigen te

waken, die zich in den snellen stroom der rivier waagden.

»Ongelukken komen dan ook veel voor," antwoordde mij Banks, »maar al

is het lichaam van den vrome verloren gegaan, zijn ziel is gered. Ook

ziet men zoo nauw niet."

»En de krokodillen?" liet ik er op volgen.

»De krokodillen," antwoordde mij Banks, »houden zich gewoonlijk

op een afstand. Al dat geraas verschrikt ze. Deze monsters zijn

niet het meest te vreezen, maar meer de boosdoeners, die duiken,

onder het water voortsluipen, de vrouwen en kinderen beetpakken,

ze medenemen en ze van hunne kostbaarheden berooven. Men vertelt

zelfs van een dezer schurken, die door middel van een kunstkop lang

de rol van een valschen krokodil speelde en een aardig fortuintje met

dit winstgevend en tegelijk gevaarlijk bedrijf gewonnen heeft, want

werkelijk is deze gauwdief op zekeren dag door een echten krokodil

verslonden geworden en men heeft niets meer van hem gevonden dan zijn

lederen kop, die aan de oppervlakte der rivier dreef."

Dan zijn er eindelijk ook nog van die dolle dweepers, die uit

eigen beweging den dood in de golven van den Ganges komen zoeken

en dit zelfs met een berekende, verfijnde barbaarschheid doen. Zij

binden zich om het lichaam een rozenkrans van ledige urnen met open

monden. Langzamerhand dringt het water in die urnen en doet ze allengs

onderdompelen onder de uitbundige toejuichingen der geloovige menigte.

Onze gondel had ons weldra voor de Mânmênka Ghât gebracht, alwaar

de brandstapels waaraan men de lijken heeft toevertrouwd van al de

dooden, die bij hun leven eenige zorg voor een toekomstig leven gehad

hebben, amphiteatersgewijze boven elkander gesteld zijn. Gretig wordt

de lijkverbranding op deze heilige plaats door de geloovigen gezocht

en de brandstapels branden dag en nacht. De rijke baboes laten zich

uit verre oorden naar Bénares brengen zoodra ze zich door een ziekte

voelen aangedaan, waaraan zij bezwijken zullen. Want Bénares is

ontegenzeggelijk het beste uitgangspunt voor »de reis naar de andere

wereld." Indien de overledene slechts lichte zonden op zijn geweten

heeft, zal zijn ziel, met den rook der brandstapels medegevoerd,

rechtstreeks naar het verblijf der eeuwige gelukzaligheid gaan. Is hij

daarentegen een groot zondaar geweest, dan zal zijn ziel integendeel

vooraf wedergeboren worden in het lichaam van een brahmaan, die nog

geboren moet worden. Het is dus te hopen, dat gedurende deze tweede

incarnatie, als zijn leven nu voorbeeldig geweest is, hem geen tweede

avatar zal opgelegd worden, alvorens hij ten slotte toegelaten wordt

tot de genietingen van den hemel van Brahma.

Wij besteedden het overige van den dag aan het bezoeken der stad,

hare voornaamste monumenten, hare bazars, naar Arabische mode, met

sombere winkels bezet. Daar worden voornamelijk fijne mousselinen van

kostbaar weefsel verkocht, alsmede de »kinkôb", een soort van zijden

stof met goud bewerkt, een van de voornaamste nijverheidsproducten

van Bénares. De straten waren zindelijk onderhouden, maar nauw,

zooals noodzakelijk is voor de steden, die bijna altijd beschenen

worden door de stralen eener tropische zon. Maar zelfs in de schaduw,

was de warmte nog om te stikken. Ik beklaagde de dragers van onzen

palankijn, die evenwel zich zelve niet zeer schenen te beklagen.

Trouwens, de arme duivels waren in de gelegenheid eenige ropyen te

verdienen en dat was genoeg om hun moed en kracht te geven. Doch

dat was het geval niet met een zekeren Hindoe, of liever Bengali,

met een levendig oog en listige gelaatstrekken, die, zonder juist te

trachten het te verbergen, ons gedurende onzen geheelen tocht volgde.

Toen wij op de kaai van de Mânmênka Ghât aan land stapten, had ik, met

Banks sprekende, hardop den naam van kolonel Munro genoemd. De Bengali,

die onzen gondel had zien aanleggen, ontstelde onwillekeurig. Ik had

daar wel niet zoo bijzonder op gelet, maar toch herinnerde ik het

mij, toen ik zag, dat die soort van spion zich hardnekkig aan onze

schreden vasthechtte. Hij verliet ons slechts om eenige oogenblikken

later voor of achter ons op nieuw voor den dag te komen. Was het een

vriend of een vijand? Ik wist het niet, maar het was een man wien de

naam van kolonel Munro stellig niet onverschillig was.

Onze palankijn hield weldra stil onder aan den grooten trap van

honderd treden, die van de kaai naar de moskee van Aureng-Zeb voert.

Voorheen beklommen de vromen slechts geknield deze soort van Santa

Scala, in navolging van de geloovigen van Rome. Destijds was het de

tempel van Vishnoe, die zich op deze plek verhief en nu vervangen is

door de moskee van den veroveraar.

Ik zou gaarne Bénares aanschouwd hebben van den top van een

der minarets dezer moskee, welker bouworde voor een meesterstuk

van architectuur gehouden werd. Deze minarets zijn honderd twee

en dertig voet hoog, zijn nauwlijks zoo dik als een eenvoudige

fabrieksschoorsteen en toch bevatten zij inwendig een wenteltrap;

maar het is niet meer veroorloofd dezen te beklimmen, hetgeen ook

niet geraden zou zijn, daar deze twee minarets aanmerkelijk van de

loodlijn afwijken en minder levenskracht schijnen te bezitten dan de

toren van Pisa.

Bij het verlaten van de moskee van Aureng-Zeb, vond ik den Bengali

terug, die ons aan de poort afwachtte. Ditmaal keek ik hem strak

aan en hij sloeg de oogen neder. Alvorens de aandacht van Banks

op dit voorval te vestigen, wilde ik zien of het individu in zijne

dubbelzinnige houding zou volharden, en zei daarom niets.

Bij honderden worden de pagoden en de moskeeën in de

bewonderenswaardige stad van Bénares geteld. Dit is ook het geval

met de prachtige paleizen, waarvan het schoonste ontegenzeglijk aan

den koning van Nagpore behoort. Weinige rajahs verzuimen inderdaad

een te huis in de heilige stad te hebben, en komen er ten tijde der

groote godsdienstige feesten van Méla.

Het zou mij moeilijk geweest zijn, in den korten tijd waarover wij te

beschikken hadden, al die tempels te bezoeken. Ik bepaalde mij dus

tot een bezoek van den tempel van Bichêshwar, alwaar de lingam van

Çiva zich verheft. Deze wanstaltige steen, die als een gedeelte van

het lichaam van den wreedsten der Goden van de Hindoesche godenleer

beschouwd wordt, bedekt een put, welks stilstaand, groenachtig,

stinkend water wonderbaarlijke krachten bezit. Ik zag ook de

Mankarnika-tempel met de heilige fontein, waarin de geloovigen zich

baden ten profijte der Brahmanen, vervolgens den Mân-Mundir, een

sterretoren voor twee honderd jaar gebouwd door den keizer Akbar en

waarvan al de instrumenten, onbeweeglijk als marmer, slechts in steen

zijn voorgesteld.

Ik had ook hooren spreken van een apenpaleis, dat de toeristen niet

in gebreke blijven te Bénares te bezoeken. Een Parijzenaar moest

natuurlijk gelooven, dat hij zich voor de beroemde kooi van den

Plantentuin zou bevinden. Dit was echter geenszins het geval.

Dit paleis is slechts een tempel, de Dourga-Khound, even buiten de

voorsteden gelegen. Hij dagteekent van de IXe eeuw, en is een van

de oudste monumenten der stad. De apen zijn er niet in een traliehok

opgesloten. Zij loopen vrij op de binnenplaats rond, springen van den

eenen muur op den anderen, klimmen naar den top van énorme mangoboomen,

betwisten elkander de geroosterde graankorrels waarop zij zeer verzot

zijn en die de bezoekers hun brengen. Daar, gelijk overal, heffen de

brahmanen, de bewaarders van den Dourga-Khound, een kleine vergoeding,

die van dit ambt een der meest winstgevende van Indië maakt.

Het spreekt van zelf, dat we tamelijk afgemat waren van de hitte,

toen wij tegen den avond er over dachten naar het Stoomhuis terug te

keeren. We hadden te Secrole in een der beste hôtels der Engelsche

stad ontbeten en gedineerd en toch moet ik zeggen, dat deze keuken

ons die van »monsieur Parazard" deed betreuren.

Toen de gondel onder aan de Gâth kwam aanleggen om ons naar den

rechteroever van den Ganges terug te brengen, ontmoette ik voor de

laatste maal den Bengali, dicht bij het vaartuig. Een boot, door een

Hindoe bestuurd, wachtte hem op en stak dadelijk af. Wilde hij ons

ook op de rivier volgen, tot het kampement? Dat werd zeer verdacht.

»Banks," zeide ik toen zacht, hem op den Bengali wijzende, »daar is

een spion, die ons geen oogenblik uit het gezicht verloren heeft...."

»'k Heb hem wel gezien," antwoordde Banks, »en 'k heb opgemerkt, dat

de naam van den kolonel, door u uitgesproken, hem opmerkzaam maakte."

»Zou er geen reden zijn, om....?" zei ik toen.

»Neen! Laat hem begaan," antwoordde Banks. »Het is beter, dat hij

zich niet verdacht weet.... Trouwens, hij is al weg."

En inderdaad was de boot van den Bengali reeds te midden der talrijke

vaartuigen van allerlei vormen, die toen de sombere wateren van den

Ganges kliefden, verdwenen.

Daarop vroeg Banks, zich tot onzen schipper wendende, op een toon,

die onverschilligheid voorgaf:

»Ken je dien man?"

»Neen, 't is de eerste keer dat ik hem zie," antwoordde de schipper.

Het was nu avond geworden. Honderden met vlaggen en wimpels versierde

vaartuigen, door veelkleurige lantarens verlicht, opgevuld met zangers

en muzikanten, kruisten elkander op den feestelijken stroom in alle

richtingen. Aan den linkeroever vertoonde zich allerlei soort van

vuurwerk, mij herinnerende, dat we ons niet ver van het Hemelsche

Rijk bevonden, waar men altijd zooveel met vuurwerk opheeft. Het

zou moeielijk zijn een beschrijving van dit schouwspel te geven,

dat waarlijk onbeschrijfelijk schoon was. Tot mijn spijt kon ik niet

te weten komen welk geïmproviseerd nachtfeest, waaraan Hindoes van

allerlei klassen deelnamen, er gevierd werd. Op het oogenblik dat

het eindigde, lag de gondel reeds aan den anderen oever aan.

Het was dus als een visioen, en duurde niet langer dan de kortstondige,

schitterende meteoren, die slechts een oogenblik het luchtruim in vuur

en vlam zetten, om in het volgende oogenblik de nachtelijke duisternis

nog dieper te doen schijnen. Doch Indië, ik zeide het reeds, vereert

drie honderd millioen goden, mindere goden, heiligen en halve heiligen

van allerlei soorten en het jaar telt zelfs niet genoeg uren, minuten

en seconden om ieder dezer godheden de noodige eer te bewijzen.

In het kampement teruggekomen, vonden wij er reeds kolonel Munro en

Mac Neil. Banks vroeg den sergeant of er gedurende onze afwezigheid

niets nieuws gebeurd was.

»Niets," antwoordde Mac Neil.

»Heb je geen verdacht persoon zien rondwaren?"

»Neen, mijnheer Banks. Hebt u eenige reden te vermoeden..."

»We zijn op onzen tocht naar Bénares gespionneerd," antwoordde de

ingenieur, »en 'k heb liever niet dat men ons spionneert!"

»En wie was die spion?"

»Een Bengali, die bij het hooren van den naam van kolonel Munro de

ooren spitste."

»Wat kan die man van ons willen?"

»Dat weet ik niet, Mac Neil. We moeten oppassen!"

»Men zal oppassen," antwoordde de sergeant.

Het Stoomhuis: De IJzeren Reus (1/2) · 第 16 / 38 题