Béhar vormde in vroegere eeuwen het rijk van Magadha. Het was een soort
van heilig grondgebied ten tijde der Bouddhisten en nog heden is het
bedekt met tempels en kloosters. Doch sedert lang hebben de brahmanen
de priesters van Bouddha opgevolgd. Zij hebben zich meester gemaakt
van de »viharas," zij exploiteeren ze, zij leven van de opbrengst
van den eeredienst; van alle kanten stroomen de geloovigen naar hen
toe; zij concurreeren met de heilige wateren van den Ganges, met de
pelgrimstochten van Bénares, met de plechtigheden van Jaggernaut,
in een woord, men kan gerust zeggen, dat het land hun toebehoort.
Het is een rijk land met zijn onmetelijke smaragd-groene rijstvelden en
zijn uitgestrekte vlakten met maankop, met zijn talrijke gehuchten,
verloren in het groen, beschaduwd door palmboomen, mangoboomen,
dadels, taras, waarover de natuur een niet te ontwarren net van lianen
geworpen heeft. De wegen, door het Stoomhuis bereden, vormen zoovele
dichte, overdekte lanen, waarvan de vochtige bodem de frischheid
onderhoudt. Wij gaan vooruit met de kaart voor ons, zonder ooit te
vreezen te verdwalen. Het gebriesch van onzen olifant vermengt zich
met de oorverdoovende concerten van het gevogelte en het wanluidende
geschreeuw der talrijke apensoorten. Zijn rook verliest zich in het
dichte gebladerte dier feniksen der velden, de bananen, waarvan
de gouden vruchten nedervallen als sterren te midden van lichte
wolkjes. Bij zijn passage vliegen troepen teere rijstvogeltjes op,
wier wit gevederte zich vermengt met de witte stoomspiralen. Hier
en daar teekenen zich groepen vijgeboomen, boschjes pampelmoezen,
bedden met »dalhs," een soort van boomvormige erwten, gedragen door
een steel van een el hoog, scherp tegen den wolkeloozen hemel af en
vormen den voorgrond van het onvergelijkelijk schoone landschap.
Maar welk een hitte! Nauwlijks dringt een weinig vochtige lucht door de
lichtschermen van rietgras onzer vensters. De heete winden, bezwangerd
met de warmtestof der uitgestrekte pleinen van het westen, strijken
met hun vurigen adem over de velden. Het is tijd, dat de moesson van
Juni den toestand van den dampkring komt veranderen. Niemand zou die
gloeiende zonnestralen kunnen verdragen, zonder met een doodelijke
stikking bedreigd te worden.
Het landschap is dan ook verlaten. Zelfs de »raïots," hoe gehard ook
tegen deze brandende zon, zouden zich niet met den veldarbeid kunnen
bezighouden. Alleen de schaduwrijke weg is begaanbaar en dan nog alleen
in onzen rollenden bungalow. De stoker Kâlouth moet wel, 'k zal niet
zeggen van platina zijn, want platina zou smelten, maar van zuiver
koolstof, om de brandende hitte van het vuur te kunnen weerstaan. Maar
de brave Hindoe biedt krachtig weerstand. Hij heeft het zich bij
zijn leven op de locomotieven der spoortreinen van Centraal-Indië,
tot een tweede natuur gemaakt, zulk een temperatuur te verdragen!
De thermometer, aan den wand der eetzaal, staat den 19n Mei op
honderd zes graden Fahrenheit (41,11° C.) Dien avond, hebben we onze
hygiénische wandeling om na de verstikkende hitte van een tropischen
dag een weinig lauwe en zuivere lucht in te ademen, niet kunnen
maken. Dezen keer was de dampkring werkelijk verschroeiend.
»Mijnheer Maucler," richtte zich de sergeant Mac Neil tot mij, »dat
doet me denken aan de laatste dagen van Maart, toen sir Hugh Rose,
met een batterij van slechts 2 stukken, bres trachtte te schieten in
de omheining van Lucknow. Er waren zestien dagen verloopen, sedert we
de Betwa waren overgestoken en sedert zestien dagen waren de paarden
geen enkele maal onttoomd geweest. We streden tusschen énorme muren
van graniet, dat zooveel beteekende als tusschen de steenen wanden
van een hoogoven. »Chitsis" met emmers water, doorliepen onze rangen
en terwijl we onze geweren afschoten, goten ze water op onze hoofden,
daar we anders neergevallen zouden zijn. 'k Zal 't nooit vergeten. Ik
kon niet meer, mijn hoofd zou bersten en 'k was op het punt neer te
slaan.... Kolonel Munro ziet het en den emmer uit de handen van een
chitsi rukkende, stort hij hem over mij uit.... 't was de laatste,
dien de dragers zich hadden kunnen verschaffen!.... Ziet u, dat zal
ik niet licht vergeten! Neen! een druppel bloed voor een druppel
water! Al had ik al het mijne voor mijn kolonel gestort, zou ik nog
zijn schuldenaar zijn!"
»Sergeant," vroeg ik, »vindt ge niet dat de kolonel sedert ons vertrek
er bezorgder uitziet dan gewoonlijk? Hij schijnt elken dag...."
»Ja, mijnheer," antwoordde Mac Neil, die me vrij driftig in de rede
viel, »maar dat is zeer natuurlijk! De kolonel komt elken dag dichter
bij Lucknow, bij Cawnpore, waar Nana Sahib zijn vrouw.... O! ik kan
er niet van spreken of het bloed stijgt me naar 't hoofd! Misschien
zou 't beter geweest zijn onze reis anders te nemen en de provincies
niet door te trekken, die door den opstand verwoest zijn! 't Is nog
te kort geleden, dat die vreeselijke gebeurtenissen plaats hadden en
ze zijn nog te versch in 't geheugen!"
»Waarom zouden we onzen weg dan niet veranderen!" zei ik daarop. »Als
ge wilt, Mac Neil, zal ik er met Banks, met kapitein Hod over
spreken...."
»'t Is te laat," antwoordde de sergeant. »'k Heb alle reden, trouwens,
om te gelooven, dat de kolonel misschien een laatste maal, het tooneel
van dien vreeselijken oorlog wil weerzien, dat hij de plek wil bezoeken
waar lady Munro den dood en welken dood, gevonden heeft!"
»Als ge dat denkt, Mac Neil," antwoordde ik, »is het beter kolonel
Munro te laten begaan en niets aan onze plannen te veranderen. 't Is
dikwijls een troost en een verzachting voor onze smart, hen die we
liefhebben op hun graf te gaan beweenen...."
»Op het graf, ja!" riep Mac Neil uit. »Maar is dat dan een graf,
die put van Cawnpore, waar zoovele slachtoffers op en onder elkander
zijn neergesmeten! Is dat een graftombe, die te midden van bloemen,
in de schaduw van statig geboomte, met een enkelen naam, den naam
van hem, die niet meer is, en dien we zoo innig lief hadden, de
herinnering levendig houdt! O mijnheer! ik vrees maar al te zeer,
dat de smart van mijn kolonel onherstelbaar is! Maar, nogmaals,
het is nu te laat om hem een anderen weg te doen inslaan. Wie weet
of hij dan niet weigeren zou ons te volgen! Kom! laten we de zaken
haar loop hebben en dat God ons geleide!"
Blijkbaar wist Mac Neil, toen hij zoo sprak, waaraan zich te houden
ten opzichte van de plannen van Sir Edward Munro. Doch, zeide hij
mij wel alles en was het slechts het plan Cawnpore weder te zien,
dat den kolonel had doen besluiten Calcutta te verlaten? Wat er van
zij, het was nu alsof een zeilsteen hem naar de plek trok waar de
ontknooping van dit noodlottige treurspel had plaats gehad!.... Men
moest hem zijn gang laten gaan!
Ik kwam toen op het denkbeeld den sergeant te vragen of hij voor zich
alle idée van wraak had opgegeven, in een woord, of hij meende dat
Nana Sahib werkelijk dood was.
»Neen," antwoordde Mac Neil mij onbewimpeld. »Ofschoon ik geen
enkel bewijs voor mijne meening heb, geloof ik niet en kan ik
niet gelooven, dat Nana Sahib gestorven is zonder gestraft
te zijn voor zooveel misdaden! Neen! En toch, ik weet niets
en heb ook niets vernomen!... Het is alsof een instinct mij
drijft!.... O! mijnheer! zich tot doel een wettige wraak te stellen,
zou iets zijn in het leven! Geve de hemel dat mijne voorgevoelens
mij niet bedriegen en dat eenmaal...."
De sergeant eindigde niet.... Een gebaar gaf te kennen, wat zijn mond
niet had willen zeggen. De dienaar was het eens met den meester!
Toen ik Banks en kapitein Hod den inhoud van dit gesprek mededeelde,
waren beiden het er over eens, dat het reisplan niet mocht en kon
veranderd worden. Trouwens was er nooit sprake van geweest de reis over
Cawnpore te nemen en na eenmaal den Ganges te Bénares overgestoken
te zijn, zouden we ons rechtstreeks naar het noorden richten door
het oostelijk gedeelte van de koninkrijken Oude en Rohilkhande. Wat
ook Mac Neil mocht denken, het was niet zeker dat Sir Edward Munro
Lucknow of Cawnpore wilde terug zien, plaatsen, die hem zoovele
vreeselijke herinneringen in het geheugen zouden terug roepen; maar,
als hij het wilde, zoude men hem op dit punt niet tegenwerken.
Wat Nana Sahib betreft, hij was zoo bekend, dat, indien de afkondiging,
die zijne wederverschijning in het presidentschap van Bombay, waarheid
sprak, wij er op nieuw iets van hadden moeten vernemen. Maar, bij ons
vertrek van Calcutta was er reeds geen sprake meer van den nabob en
de onderweg verkregen inlichtingen gaven aanleiding tot het vermoeden,
dat de overheid op een dwaalspoor gebracht was.
In alle geval, indien er mogelijk iets van aan ware, indien kolonel
Munro een geheim plan had, dan mocht het werkelijk verwonderlijk
schijnen dat Banks, zijn intiemste vriend, niet in zijn vertrouwen
deelde, eerder dan de sergeant Mac Neil. Doch dit kwam zeker
daarvandaan, zooals Banks zeide, dat hij alles gedaan had om den
kolonel terug te houden zich in gevaarlijke en nuttelooze nasporingen
te begeven, terwijl de sergeant hem er zeker toe aanzette!
Den 19n Mei, tegen twaalf uren hadden wij het gehucht Chittra achter
den rug. Het Stoomhuis bevond zich nu honderdvijftig kilometers van
zijn punt van uitgang verwijderd.
Den volgenden dag, 20 Mei, kwam de IJzeren Reus, bij het vallen van
den nacht, na een buitengewoon heeten dag, in de omstreken van Gaya
aan. Aan den oever eener heilige rivier, de Phalgou, zeer bekend bij
de bedevaartgangers, werd halt gehouden. De twee huizen hielden stand
op een fraaie plek, aan den steilen oever, beschaduwd door schoone
boomen, op twee mijlen ongeveer van de stad af.
Ons voornemen was zesendertig uren op deze plaats te vertoeven,
namelijk twee nachten en een dag, want de plek bood veel
bezienswaardigs aan, zooals ik reeds vroeger gezegd heb.
Den volgenden dag begaven Banks, kapitein Hod en ik te vier uur
's morgens, teneinde de middaghitte te vermijden, na afscheid van
kolonel Munro genomen te hebben, zich naar Gaya.
Men verzekert dat jaarlijks honderdvijftig duizend geloovigen naar dit
middelpunt der Brahmaansche vestigingen stroomden. En inderdaad waren
bij de toegangen tot de stad de wegen bezaaid met een ontelbaren stoet
mannen, vrouwen, grijsaards en kinderen. Al die menschen gingen bij
wijze eener processie door het veld, na de duizend vermoeienissen van
een langen pelgrimstocht getrotseerd te hebben ter vervulling hunner
godsdienstige plichten.
Banks had reeds vroeger dit grondgebied van Béhar bezocht tijdens
hij opmetingen deed voor een spoorweg, die nog niet tot uitvoering
gekomen was. Hij kende dus het land en we konden geen beteren gids
hebben. Hij had overigens kapitein Hod verplicht al zijn jachttuig
in het kamp te laten en men had dus niet te vreezen, dat onze Nimrod
ons onderweg verlaten zou.
Even voor in de stad aan te komen, waaraan men met recht den naam van
heilige stad kan geven, deed Banks ons stil houden voor een heiligen
boom, waaromheen pelgrims van allerlei leeftijd en van beide seksen
in aanbidding waren neergezonken.
Deze boom was een »pipala," met een énormen stam; maar, hoewel de
meeste takken reeds van ouderdom waren afgevallen, kon hij toch
niet meer dan twee of driehonderd jaren levens tellen. Dit zou ook
twee jaren later bevestigd worden door Louis Rousselet, op zijn
belangwekkende reis door het Indië der Rajahs.
De boom Boddhi, was de godsdienstige naam van dezen laatsten
vertegenwoordiger van het geslacht van pipala's, die gedurende
een lange reeks van eeuwen deze plek beschaduwden en waarvan de
eerste vijf honderd jaar voor de christelijke jaartelling gepoot
werd. Waarschijnlijk was het voor de geknielde dweepers aan zijn voet,
de boom zelf, door Bouddha op deze plaats gewijd. Hij verheft zich
nu op een bouwvallig terras, zeer nabij een steenen tempel, welks
oorsprong blijkbaar zeer oud is.
De tegenwoordigheid van drie Europeanen, te midden dier duizenden
Hindoes, werd met geen goede oogen aangezien. Men sprak echter niet
tot ons, doch we konden niet bij het terras komen, noch doordringen
tot de bouwvallen van den tempel. Overigens werden wij zoo dicht door
de bedevaartgangers omringd, dat het moeielijk geweest zou zijn zich
een weg tusschen hen door te banen.
»Zoo daar een Brahmaan geweest was," zei Banks, »zouden we meer
pleizier van ons bezoek gehad hebben en het gebouw misschien tot in
zijn diepste schuilhoeken hebben kunnen bezoeken."
»Wat!" antwoordde ik, »zou een priester minder streng geweest zijn
dan zijn eigen geloovigen?"
»Mijn waarde Maucler," antwoordde Banks, »er is geen gestrengheid
bestand tegen het aanbod van eenige ropyen en de brahmanen moeten
immers toch ook leven!"
»'k Zie er de noodzakelijkheid niet van in," antwoordde kapitein
Hod, die het zwak had voor de Hindoes, hunne zeden, vooroordeelen,
gewoonten en de voorwerpen hunner vereering, de verdraagzaamheid te
gevoelen, die zijne landgenooten hun met alle recht verleenen.
Voor het oogenblik was Indië voor hem slechts een uitgestrekt
jachtgebied en gaf hij onbetwistbaar boven de bevolking van de steden
en het land de voorkeur aan de woeste roofdieren der jungles.
Na een behoorlijk poosje aan den voet van den heiligen boom
vertoefd te hebben, geleidde Banks ons op den weg in de richting
van Gaya. Naargelang wij de heilige stad naderden, nam de toevloed
der pelgrims steeds toe. Weldra deed zich door een open plek in het
groen Gaya aan ons voor op den top van de rots, die zij met hare
schilderachtige bouwwerken bekroont.
Wat vooral de aandacht der toeristen op deze plaats wekt, is de tempel
van Vishnoe in eigen persoon achtergelaten, toen hij zich verwaardigde
op de aarde neder te dalen om met den demon Maya te worstelen. Nu kon
de worsteling tusschen een god en een duivel niet lang twijfelachtig
zijn. De duivel delfde het onderspit en een steenen blok, zichtbaar in
de omheining zelve van Vishnoe-Pad, getuigt door de diepe indrukselen
van de voeten zijns tegenstanders, dat de duivel het hard genoeg te
verantwoorden had.
Ik zeg »een blok van steen, dat zichtbaar was," en ik haast mij er
bij te voegen »zichtbaar alleen voor de Hindoes," want geen Europeaan
is het vergund deze goddelijke voetstappen te aanschouwen. Misschien
moet men, om ze goed op den wonderdadigen steen te onderscheiden, een
sterk geloof hebben, dat men niet meer aantreft bij de geloovigen der
westelijke volkeren. Hoe dit zij, Banks bood dezen keer te vergeefs
zijne ropijen aan. Geen priester wilde aannemen wat de prijs van een
heiligschennis zou geweest zijn. Ik zou niet durven beslissen of de
som niet groot genoeg was voor het geweten van een brahmaan. Zeker
is het, dat we niet tot in den tempel konden doordringen en ik heb er
niet achter kunnen komen, wat er eigenlijk van is, van dat zachte en
schoone jonge mensch, hemelsblauw gekleurd, gekleed als een koning
uit ver vervlogen tijden, beroemd door zijne tien incarnaties [6],
die het behoudend beginsel vertegenwoordigt, in tegenoverstelling met
Çiva, het woeste zinnebeeld van het vernietigend beginsel en dien de
Vaichnavas, de aanbidders van Vishnoe erkennen als den eerste der
drie honderd dertig millioenen goden, die hunne bij uitnemendheid
polytheïstische mythologie bevolken.
Toch hadden wij geen reden spijt te gevoelen over onzen tocht naar
de heilige stad, noch over dien naar Vishnoe-Pad. Het zou onmogelijk
zijn den verwarden hoop tempels, de reeks pleinen, de ophooping van
viharas, die we moesten omgaan of doorkruisen om tot hem te komen,
te beschrijven. Theseus zelf met den draad van Ariadne in de hand,
zou verdwaald zijn in dien doolhof! Wij daalden dus van de rots van
Gaya weder naar omlaag.
Kapitein Hod was woedend en had den Brahmaan, die ons den toegang
tot Vishnoe-Pad weigerde, wel te lijf gewild.
»Ben je niet wijs, Hod?" zei Banks tot hem, hem terughoudende. »Weet
je niet dat de Hindoes hunne priesters de brahmanen niet alleen
beschouwen als wezens van aanzienlijken bloede, maar ook als wezens
van een hoogeren oorsprong?"
Toen wij bij dat gedeelte der Phalgou-rivier aangekomen waren, dat
de rots van Gaya bespoelt, breidde zich de verbazende ophooping van
bedevaartgangers voor onze blikken uit. Daar verdrongen zich in een
verward mengelmoes door elkander, mannen en vrouwen, grijsaards en
kinderen, stad- en landbewoners, rijke Bengaalsche burgers en arme
mannen van het volk, van de minste soort, Vaïchyas, kooplieden
en boeren, Kchatryas, fiere krijgslieden, Sudras, armzalige
handwerkslieden van verschillende secten, parias, die buiten de
wet gesteld zijn en wier oogen de voorwerpen bezoedelen, die ze
beschouwen,--in een woord alle klassen of alle kasten van Indië,
de krachtige Radsjpoet den zwakkelijken Bengali op zijde dringende,
de lieden van Pendjab tegenover de mohamedanen van Scinde. Dezen
zijn in palankijns gekomen, genen in rijtuigen, getrokken door
groote bultossen. Dezen liggen uitgestrekt bij hunne kameelen, genen
hebben den weg te voet afgelegd en nog altijd stroomt het toe van alle
gedeelten van het schiereiland. Hier en daar worden tenten opgeslagen,
hier en daar ziet men uitgespannen karren, hier en daar hutten van
takken, die tot voorloopige woning van al die menschen dienen.
»Welk een gedrang!" zei kapitein Hod.
»Het water van den Phalgou zal van avond niet lekker zijn!" deed
Banks opmerken.
»En waarom niet?" vroeg ik.
»Omdat dat water heilig is en die heele verdachte troep er zich in
gaat baden, zooals de Gangisten in de wateren van den Ganges."
»Zijn we dan hier benedenwaarts van den stroom?" riep Hod uit, de
hand naar ons kamp uitstrekkende.
»Neen, kapitein, wees gerust," antwoordde de ingenieur, »we zijn
stroomopwaarts."
»Opperbest, Banks, want we moeten onzen IJzeren Reus zijn dorst aan
deze onzuivere bron niet laten lesschen!"
Intusschen vervolgden wij onzen weg te midden van die duizenden
Hindoes, in een betrekkelijk kleine ruimte opgehoopt.
Het oor werd getroffen door een wanluidenden klank van kettingen
en schelletjes. Het waren bedelaars, die de openbare liefdadigheid
inriepen.
Het wemelde namelijk van allerlei soorten van dat landloopers
gilde, over het geheele Indische schiereiland verspreid. De meesten
vertoonden valsche wonden en gebreken, als de Clopin-Trouillefous der
middeleeuwen. Doch, mogen de bedelaars van bedrijf meestal voorgewende
gebrekkigen zijn, met de dweepers is dit niet het geval. En inderdaad
zou het moeielijk geweest zijn voorbeelden te vinden van inniger
overtuiging.
Er bevonden zich daar fakirs, goussaïns, bijna naakt, met asch bedekt;
hier een met een stijven arm door hem voortdurend uitgestrekt gehouden
te hebben, daar een ander de hand doorboord met de nagels zijner
eigen vingers.
Anderen hadden zich tot voorwaarde gesteld den geheelen door
hen afgelegden weg met hun lichaam te meten. Zich op den grond
uitstrekkende, zich weder oprichtende, zich opnieuw uitstrekkende,
hadden zij op deze wijze honderden mijlen afgelegd, alsof zij tot
meetketting van een landmeter gediend hadden.
Hier waren geloovigen, bedwelmd door het gebruik van »bâng,"--een
drank van opium met een infusie van hennip gemengd,--met boomtakken
verbonden door in hunne schouders geslagen ijzeren haken. Op deze
wijze opgehangen zwaaiden zij zoolang heen en weder, tot eindelijk
hun vleesch begon mede te geven en zij in de wateren van den Phalgou
vielen.
Daar waren nog anderen, die ter eere van Çiva, de beenen doorboord, met
doorstoken tong, en pijlen, die hen eveneens het lichaam doorboorden,
het bloed, dat uit hunne wonden vloeide, door slangen lieten oplikken.
Dit geheele schouwspel moest voor een Europeaan iets terugstootends
hebben en daarom haastte ik mij ook het te ontvlieden toen Banks mij
tegenhield en zeide:
»Het biduur!"
Op dit oogenblik verscheen een Brahmaan te midden der menigte. Hij
hield de rechterhand opgeheven en richtte haar naar de zon, die tot
nog toe door de rots van Gaya verborgen was gehouden.
De eerste straal der dagvorstin was het teeken. De genoegzaam naakte
menigte trad in het heilige water. Vooreerst waren het eenvoudige
indompelingen, zooals in de eerste tijden van den doop; doch weldra
ging dit over in werkelijke onderdompelingen, waarvan het godsdienstig
karakter moeielijk te vatten was. Ik weet niet of de ingewijden,
bij het reciteeren der »slocas" of verzen, die de priesters hun
tegen een vastgestelden prijs vóórzeiden, er meer aan dachten hun
lichaam dan wel hun ziel te wasschen. Zeker is het dat, na water in
het holle van de hand geschept te hebben, na er de vier hoofdstreken
mede besproeid te hebben, zij er zich eenige druppels van in het
gelaat wierpen, evenals baders die zich in de eerste golven van een
zeebadstrand verlustigen. Ik moet er overigens nog bijvoegen, dat zij
niet vergaten zich althans één haar uit te trekken voor elke zonde,
die zij bedreven hadden. Hoevelen waren er onder hen, die verdiend
hadden kaal uit de wateren van den Phalgou te treden!
En zulk een beweging maakten die geloovigen, nu eens plotseling
onderduikende, dan het water pijlsnel doorklievende, dat de verschrikte
krokodillen naar den tegenovergestelden oever vluchtten. Van daar
keken zij met hunne groene oogen, op een rij geschaard, naar die
luidruchtige menigte, de lucht met het geklapper hunner geduchte
kakebeenen doende weergalmen. De pelgrims stoorden er zich trouwens
niet meer aan, dan of het onschadelijke hagedissen waren.
Het was tijd deze zonderlinge vromen zich in staat te laten stellen
in den Kaïlas te komen, die het paradijs van Brahma is. Wij begaven
ons dus langs het strand van den Phalgou naar het kamp terug.
Het ontbijt vereenigde ons allen aan tafel en het overige van dien dag,
die buitengewoon warm geweest was, ging zonder bijzondere toevallen
voorbij. Kapitein Hod doorkruiste tegen den avond de omringende vlakte
en bracht eenig klein wild mede. In dien tijd hernieuwden Storr,
Kâlouth en Goûmi den voorraad water en brandstof want het plan bestond
om den volgenden morgen met het krieken van den dag te vertrekken.
Ten negen ure 's avonds hadden wij allen onze kamers bereikt. Een
zeer kalme, maar vrij donkere nacht was in aantocht. Dikke wolken
hielden de sterren verborgen, en maakten den dampkring zwaar. Het
was nog even warm, zelfs met het ondergaan der zon.
De temperatuur was zoo drukkend, dat ik eenige moeite had om in te
slapen. Door mijn opengelaten venster drong een heete lucht naar
binnen, die mij zeer ongeschikt toescheen voor de geregelde werking
der longen.
Het was middernacht en ik had nog geen oogenblik rust genoten; toch
had ik het stellige plan gemaakt drie of vier uren voor ons vertrek te
slapen, maar ik was ook zoo dwaas den slaap te willen dwingen en juist
daarom ontvlood hij mij. De wil kan er niets aan doen, integendeel.
Het zal omstreeks één uur van den morgen geweest zijn, toen ik een
dof geruisch meende te hooren, dat zich langs de oevers van den
Phalgou verspreidde.
Eerst kwam de gedachte bij mij op dat, onder den invloed van een zeer
met electriciteit verzadigden dampkring, een stormwind in het westen
begon op te steken. Ook deze wind zou zeker wel brandend zijn, maar
hij zou misschien toch de luchtlagen verplaatsen en misschien eenige
koelte verspreiden.
Ik bedroog mij. De takken der boomen, die het kamp beschutten, bleven
volkomen onbeweeglijk.
Ik stak het hoofd buiten mijn venster en luisterde. Het verre
geruisch deed zich opnieuw hooren, maar ik zag niets. Het watervlak
van den Phalgou was volkomen duister, zonder een van die trillende
lichtpuntjes, die de minste beweging aan de oppervlakte gewoonlijk
doet ontstaan. Het geruisch kwam noch van het water noch uit de lucht.
Intusschen merkte ik niets verdachts op. Ik ging dus weder naar bed en
door vermoeienis overmand, viel ik in een lichte sluimering. In zekere
tusschenpoozen kwamen nog eenige windvlaagjes met dat onverklaarbaar
geruisch tot mij, maar eindelijk sliep ik voor goed in.
Twee uren later, op het oogenblik dat de eerste lichtflikkering van
den aanbrekenden dageraad zich een weg baande door de duisternis,
werd ik eensklaps wakker.
Men riep den ingenieur.
»Mijnheer Banks?"
»Wat is er?"
»Kom eens hier."
Ik had de stem van Banks en die van den machinist herkend, die zooeven
den gang was binnengetreden.
Ik stond dadelijk op en ging mijn kamer uit. Banks en Storr waren
reeds onder de voorste veranda. Kolonel Munro was er mij voorgegaan
en weldra voegde ook kapitein Hod zich bij ons.
»Wat gebeurt er?" vroeg de ingenieur.
»Zie eens, mijnheer," antwoordde Storr.
Bij het eerste licht van den aanbrekenden dag kon ik de oevers van
den Phalgou en een gedeelte van den weg, die zich verscheidene mijlen
voor ons uitstrekte, onderscheiden. Hoe groot was onze verbazing,
toen wij verscheidene honderden Hindoes bij groepen aan den kant van
den weg zagen liggen.
»Dat zijn onze bedevaartgangers van gisteren," zei kapitein Hod.
»Wat doen ze daar?" vroeg ik.
»Ze wachten zeker tot de zon opkomt," antwoordde de kapitein, »om
zich in de gewijde wateren te storten!"
»Neen," antwoordde Banks. »Kunnen ze hunne reiniging niet te Gaya
zelve volbrengen? De reden waarom ze hier gekomen zijn, is om...."
»Omdat onze IJzeren Reus zijn gewone uitwerking heeft gedaan!" riep
kapitein Hod uit. »Ze zullen teweten gekomen zijn, dat een reusachtige
olifant, een kolos, zooals zij er nooit een gezien hebben, in de
nabuurschap was, en ze komen hem nu bewonderen!"
»Als het maar bij bewonderen blijft!" antwoordde de ingenieur, het
hoofd schuddende.
»Wat vrees je dan toch, Banks?" vroeg kolonel Munro.
»Wel, 'k vrees, dat die dweepers ons den weg zullen versperren!"
»Wees in alle geval voorzichtig! Met zulke vromen kan men niet te
veel voorzorgen nemen."
»Inderdaad," antwoordde Banks.
Daarna riep hij den stoker en vroeg dezen of alles gereed was.
»Ja, mijnheer."
»Welnu, steek aan."
»Ja, steek aan, Kâlouth!" riep kapitein Hod. »En stook op, Kâlouth,
laat onzen olifant zijn rook en stoom in het gelaat van al die
pelgrims spuwen!"
Het was toen drie en een half uur 's morgens. Hoogstens over een
half uur, kon de machine de noodige drukking hebben. De vuren werden
dadelijk aangestoken, het hout knapte in den vuurhaard en weldra
ontsnapte een zwarte rook uit den reusachtigen snuit van den olifant,
waarvan het uiteinde zich in de takken der hooge boomen verloor.
Op dit oogenblik kwamen eenige groepen Hindoes naderbij. Er had een
algemeene beweging in de menigte plaats. Men verdrong zich om onzen
trein. In de eerste rangen dezer pelgrims, lichtte men de armen in
de hoogte, men strekte ze naar den olifant uit, men bukte zich, men
knielde neder, men kroop tot in het stof. Het was duidelijk aanbidding
tot haar hoogste punt gevoerd.
Wij zagen van onder de veranda dat schouwspel aan, kolonel Munro,
kapitein Hod en ik, niet zonder bezorgdheid waarop deze dweeperij zou
uitloopen. Mac Neil had zich bij ons vervoegd en zag in stilte toe. Wat
Banks aangaat, hij was met Storr in den toren, dien het enorme dier
droeg, gaan staan en van waar hij het naar goedvinden kon besturen.
Te vier uur bromde de stoomketel reeds. Dit helderklinkend gesnor
moest door de Hindoes gehouden worden voor het vertoornde gebrom van
een bovennatuurlijken olifant. Op dit oogenblik wees de manometer
een drukking aan van vijf atmosferen, en Storr liet den stoom door
de veiligheidskleppen ontsnappen, alsof hij door de huid van het
reusachtige dikhuidige dier uitzweette.
»We zijn gereed, Munro!" riep Banks.
»Vooruit, Banks," antwoordde de kolonel, »maar voorzichtig en laten
we niemand verpletteren!"
Het was toen bijna dag. De weg langs den oever van den Phalgou was
geheel bedekt met geloovigen, weinig geneigd, naar het scheen, om
plaats te maken. In die omstandigheid was het geen gemakkelijke zaak
voorwaarts te gaan en niemand te verpletteren.
Banks liet twee- of driemalen fluiten, hetgeen door de bedevaartgangers
met een uitzinnig gehuil beantwoord werd.
»Op zij! Op zij!" riep de ingenieur, den machinist bevelende den
regulateur een weinig te openen.
Het geloei van den stoom, die zich in de cilinders stortte, deed zich
hooren. De machine stelde zich langzaam in beweging. Een machtige
kolom van witten rook werd met kracht uit den snuit gestooten.
De menigte was in een oogenblik uiteengeweken. De regulateur werd
toen half geopend. Het gebriesch van den IJzeren Reus nam toe en onze
trein begon zich tusschen de dichte rangen der Hindoes te bewegen,
die geen plaats schenen te willen maken.
»Banks, pas op!" riep ik eensklaps uit.
Toen ik mij voorover buiten de veranda boog, had ik gezien dat er
zich een twaalftal van die dweepers op den weg geworpen hadden,
met den vasten wil zich onder de raderen van het zware gevaarte te
laten verpletteren.
»Geeft acht! geeft acht! Terug," riep kolonel Munro, die hen beduidde
zich op te richten.
»Die onnozelen!" riep op zijn beurt kapitein Hod. »Zij houden ons
voertuig voor de kar van Jaggernaut! Zij willen zich onder de pooten
van den heiligen olifant laten verpletteren!"
Op een teeken van Banks, sloot de machinist den stoom af. De
bedevaartgangers, dwars over den weg uitgestrekt, schenen besloten
niet op te staan. Om hen heen gilde de dweepende menigte het uit en
moedigde ze met gebaren aan.
De machine stond stil. Banks was ten einde raad en wist wezenlijk
niet wat te doen.
Plotseling komt er een idée bij hem op.
»We zullen eens zien!" zeide hij.
Hij opende oogenblikkelijk de stoomkraan en krachtige stoomstralen
sisten langs den grond, terwijl de lucht van een scherp gefluit
weerklonk.
»Hoera! hoera! hoera!" riep kapitein Hod uit.
»Geesel ze, vriend Banks, geesel ze!"
Dit middel baatte. De dweepers, door de stoomstralen getroffen,
vlogen op onder een oorverdoovend geschreeuw. Zij konden zich wel
laten verpletteren, maar zich te laten verbranden, dat nooit!
De menigte week terug en de weg was open. Nu werd de regulateur geheel
geopend en sloegen de wielen diep in den grond.
»Vooruit! vooruit!" riep kapitein Hod uit, die in de handen klapte
en hartelijk lachte.
En nu ijlde de IJzeren Reus, het midden van den weg houdende, snel
voort en was weldra uit het oog der verbaasde menigte verdwenen,
als een fantastisch dier in een wolk van stoom.