DE IJZEREN REUS.

Wie beschrijft de verbazing der mannen, vrouwen en kinderen, van

Hindoes zoowel als van Engelschen, op den grooten weg van Calcutta

naar Chandernagor, toen zij in den vroegen morgen van den 6n Mei uit

een der laatste voorsteden van de hoofdstad van Indië, tusschen twee

dichte rijen nieuwsgierigen een vreemde equipage zagen te voorschijn

komen,--indien men althans dien naam kan geven aan den zonderlingen

toestel, die zich langs den oever der Hoogly voortbewoog.

Aan het hoofd en als de eenige beweegkracht van den trein, stapte

een reusachtige olifant, van twintig voet hoog, dertig lang en breed

naar evenredigheid, bedaard en geheimzinnig voort. Zijn snuit was half

omgebogen, als een énorme hoorn van overvloed, met het uiteinde in de

lucht. Zijne vergulde slagtanden staken buiten zijn ontzaglijk kakebeen

uit, gelijk aan twee dreigende zeisen. Over zijn donkergroen lichaam,

zonderling gevlekt, was een in ruime plooien afhangend kleed van

schitterende kleuren geslagen, afgezet met goud- en zilverdraadwerk,

omgeven door groote eikels van gedraaide franje. Zijn rug torste

een soort van prachtig versierd torentje, bekroond met een op de

Indische wijze rond koepeldak en welks wanden voorzien waren van

groote lensvormige glazen, veel gelijkende op de patrijspoorten

eener scheepskajuit.

Wat nu die olifant voorttrok, was een trein van twee énorme wagens,

of liever twee werkelijke huizen, een soort van rollende bungalows,

elk op vier raderen met sierlijk gebeeldhouwde naven, speken en

velgen. Deze wielen, waarvan men slechts het onderste segment zag,

bewogen zich in kasten, die half door het onderstel dezer énorme

bewegingstoestellen verborgen waren. Een van scharnieren voorzien

smal brugje, dat zich naar de beweging der wielen schikte, verbond

het eerste voertuig met het tweede.

Hoe kon nu een enkele olifant, hoe sterk ook, schijnbaar zonder

de minste moeite, deze twee zware gevaarten trekken? Hij deed het

evenwel, het wonderdier! Zijne dikke pooten lichtten zich op en

daalden automatisch neder met een echt mechanische regelmaat en hij

ging onmiddellijk van den stap in den draf over, zonder dat noch de

stem, noch de hand van een »mahout" zich deed hooren of zien.

Dat was voorzeker iets waarover de nieuwsgierigen zich moesten

verwonderen, indien zij zich althans op eenigen afstand hielden,

want, als zij dichter bij den kolos kwamen, ontdekten zij het geheim

en week hunne verbazing voor bewondering.

En inderdaad werd het oor onmiddellijk getroffen door een soort van

op de maat afgepast geloei, dat zeer veel overeenkomst had met het

eigenaardig geschreeuw van die reuzen der Indische fauna. Daarenboven

ontsnapte er in kleine tusschenpoozen uit de naar den hemel gerichte

tromp een schitterende rookwolk.

En toch was het zeer zeker een olifant! Zijn met vouwen en rimpels

bedekte, zwartachtig groene huid hield ongetwijfeld een dier machtige

beenderengestellen verborgen, waarmede de natuur de dikhuidigen

begiftigd heeft! Zijne oogen schitterden met een levendigen glans! Zijn

leden waren met beweging begaafd!

Doch, zoo de een of andere nieuwsgierige het gewaagd had de hand op het

ontzaglijke dier te leggen, was alles helder voor hem geworden. Het

was slechts een bewonderenswaardige oogbedrieger, een verrassende

navolging, met al de uiterlijke kenteekenen van het leven, zelfs

van dichtbij.

Werkelijk was die olifant van plaatijzer en hield inwendig een

weglocomotief verborgen, en wat den trein, het »Stoomhuis" betreft,

om de benaming te gebruiken, die hem toekomt, het was de door den

ingenieur beloofde rollende woning.

De eerste wagen of liever het eerste huis, diende tot woning voor

kolonel Munro, kapitein Hod, Banks en mij.

Het tweede huisvestte sergeant Mac Neil en de lieden, die het personeel

van den tocht uitmaakten.

Banks had zijne belofte gehouden, kolonel Munro de zijne en ziedaar

hoe men in den morgen van den 6n Mei, in die buitengewone equipage

vertrokken was om de noordelijke streken van het Indische schiereiland

te bezoeken.

Doch waartoe zulk een kunstmatige olifant? Waarom die fantasie,

in strijd met den praktischen geest der Engelschen? Tot nog toe was

het nooit bij iemand opgekomen om aan een locomotief, bestemd om,

hetzij op de groote straatwegen of op de rails der spoorbanen, te

circuleeren, de gedaante van een viervoetig dier te geven!

Het valt niet te ontkennen, dat we, voor 't eerst de wonderlijke

machine ziende, ten hoogste verbaasd stonden te kijken. Er kwam geen

einde aan de vragen, die onzen vriend Banks ten opzichte der machine

gedaan werden. Volgens zijne plannen toch en onder zijne leiding was

deze weglocomotief vervaardigd. Wie had hem de zonderlinge gedachte

ingeblazen haar tusschen de ijzeren wanden van een mechanischen

olifant te verbergen?

»Mijne vrienden," vergenoegde Banks zich zeer ernstig te antwoorden,

»kent ge den rajah van Bouthan?"

»Ik ken hem," antwoordde kapitein Hod, »of liever, ik kende hem,

want hij is nu sedert drie maanden overleden."

»Welnu, voor hij stierf," antwoordde de ingenieur, »was de rajah

van Bouthan niet alleen in leven, maar hij leefde heel anders

dan een ander. Hij was zeer op pracht gesteld, onder welken vorm

ook. Hij weigerde zich niets, niets namelijk van 't geen hem in

zijn hoofd opkwam. Hij bedacht het onmogelijke en indien zijn

beurs niet onuitputtelijk geweest ware, had zij werkelijk kans

gehad uitgeput te worden in de verwezenlijking zijner weelderige

fantasie. Hij was rijk als de nabobs van vroegere tijden. Zoo hij

ooit door eenige zorg gekweld werd, dan was het door de zorg hoe

zijne schatten iets minder alledaags te verteren dan zijne millioenen

rijke medebroeders. Nu kwam er eens een gedachte bij hem op, die zich

zoodanig van hem meester maakte, dat hij er niet meer van kon slapen,

een gedachte waarop Salomo trotsch zou geweest zijn, en die hij zeker

verwezenlijkt zou hebben, als hij den stoom gekend had: de gedachte

namelijk om op eene tot nog toe geheel nieuwe wijze te reizen, met

een equipage zooals nooit iemand er een had kunnen droomen. Hij

kende mij, liet mij aan zijn hof komen en teekende mij zelf het

plan van zijn voertuig. En als ge nu denkt, mijne vrienden, dat ik

in lachen uitbarstte bij het voorstel van den rajah, dan bedriegt ge

u! Ik begreep volkomen dat dit grootsche idée slechts in de hersenen

van een Hindoeschen souverein had kunnen opkomen, en 'k had van dat

oogenblik af slechts ééne begeerte, het zoodra mogelijk uit te voeren

op eene wijze, die mijn dichterlijken cliënt en mij zelven het best

kon bevredigen. Een ingenieur is niet alle dag in de gelegenheid

zijne krachten aan fantastische voorstellingen te beproeven en de

fauna der Apocalypsis of de schepping der Duizend en een Nacht met

een dier van eigen vinding te verrijken. En toch, de fantasie van den

rajah was uitvoerbaar. Ge weet wat men in werktuigkunde al doet, wat

men al kan doen en wat men eenmaal zal doen. Ik zette mij dus aan den

arbeid en in dit omhulsel van plaatijzer, dat een olifant voorstelt,

gelukte het mij den stoomketel, met het mechanisme en den tender van

een weglocomotief met zijn geheele toebehooren in te sluiten. De

gelede tromp, die naar goedvinden kan opgeheven en neergedrukt

worden, diende mij tot schoorsteen; door middel van een excentriek [5]

kon ik de beenen van mijn dier aan de wielen van mijn toestel

spannen; ik richtte de oogen in als de lensglazen van een vuurtoren,

teneinde op die wijze twee stralen electrisch licht te verspreiden

en daarmede was de kunstmatige olifant voltooid. Ik had meer dan eene

moeielijkheid moeten overwinnen, die niet dadelijk was opgelost. Het

gevaarte kostte mij vrij wat slapelooze nachten, zoodat mijn rajah,

die hoogst ongeduldig was en den meesten tijd van zijn leven in mijn

werkplaats doorbracht, kwam te sterven, voordat mijn olifant zijne

wandeling op de groote wegen van Indië kon beginnen. De ongelukkige

had den tijd niet gehad de proef van zijn rollend huis te nemen. Maar

zijn erfgenamen, minder fantastisch dan hij, beschouwden den toestel

met schrik en bijgeloof, als het werk van een krankzinnige. Zij

haastten zich dus er zich tegen een lagen prijs van te ontdoen en

daarom kocht ik alles voor rekening van den kolonel. Ge weet nu, mijne

vrienden, hoe en waarom wij alleen op de wereld, ik sta er voor in,

kunnen beschikken over een stoomolifant van tachtig paardenkracht,

of liever van tachtig olifanten van drie honderd kilogrammeters!"

»Bravo! Banks, bravo!" riep kapitein Hod uit. »Een ingenieur, die

daarenboven kunstenaar is, een dichter in ijzer en staal, dat mag

een witte raaf genoemd worden!"

»Toen nu de rajah dood was," antwoordde Banks, »en zijn equipage

teruggekocht, had ik den moed niet mijn olifant te vernietigen en

den locomotief zijn gewonen vorm terug te geven!"

»En je hebt volmaakt goed gehandeld!" hernam de kapitein. »Onze olifant

is prachtig! En wat zullen we een effect met dat reusachtige dier

maken, als het ons over de vlakten en door de jungles van Hindostan

voert! Een dergelijk denkbeeld kon alleen bij een rajah opkomen! Welnu,

wij zullen dat idée in praktijk brengen, niet waar, kolonel?"

Kolonel Munro had bijna geglimlacht. Dat stond gelijk met een volslagen

goedkeuring van de woorden des kapiteins. De reis werd dus vastgesteld

en dat was de reden, waarom een ijzeren olifant, eenig in zijn soort,

een kunstmatige Leviathan er toe gebracht werd de rollende woning te

trekken van vier Engelschen, inplaats van in groote staatsie een der

rijkste rajahs van het Indische schiereiland rond te leiden.

En hoe is nu deze weglocomotief ingericht, waaraan Banks vernuftig

al de verbeteringen der moderne wetenschap had aangebracht?

Tusschen de vier wielen strekt zich het geheele mechanisme,

cilinders, stangen, stoomschuiven, voedingspomp, excentrieken,

in het lichaam van den stoomketel geborgen, uit. Deze pijpketel

heeft zestig vierkante meters verwarmend oppervlak. Hij is geheel

bevat in het voorste gedeelte van het lichaam des olifants, welks

achterste gedeelte den tender verbergt, bestemd om het water en

de brandstof mede te voeren. De stoomketel en de tender, beiden op

hetzelfde gestel geplaatst, zijn alleen van elkander gescheiden door

een tusschenruimte voor den stoker. De machinist houdt zijn verblijf

in den toren, bestand tegen de kogels, welke toren boven het lichaam

van het dier uitkomt en waarin, in geval van een ernstigen aanval,

al onze manschappen zich zullen kunnen verschuilen. Onder de oogen van

den machinist bevinden zich de veiligheidskleppen en de manometer, die

de spanning van den stoom aangeven; binnen zijn bereik de regulator en

de gangkruk die hem dienen, de een om den aanvoer van stoom, de andere

om de beweging der stoomschuiven te regelen en bijgevolg den gang naar

voren of achteren van den toestel te bepalen. Uit dit torentje kan

hij door dikke lensvormige glazen den weg waarnemen, dien zij gaan,

terwijl een pedaal, die met de voorwielen in verband staat, deze

verstelt en het gevaarte de scherpste bochten en krommingen doet maken.

Veeren van het beste staal, aan de assen bevestigd, torsen den ketel

en den tender, om de schokken door de ongelijkheden van den grond

teweeggebracht, te temperen. Wat de wielen betreft, van beproefde

sterkte, zij zijn aan den omtrek van tanden voorzien, die in den

grond ingrijpen, hetgeen het slijten of doorslaan belet.

Zooals Banks ons mededeelde, is de nominale kracht der machine

tachtig paarden, die men evenwel tot honderd vijftig effectieve

kracht kan opvoeren, zonder vrees voor ontploffing. Deze machine,

samengesteld volgens de beginselen van het »stelsel Field," is

met dubbelen cilinder en veranderlijke uitzetting. Een hermetisch

gesloten omhulsel beveiligt het geheele mechanisme voor het stof der

wegen, dat het anders spoedig zou bederven. De voortreffelijkheid

dezer machine bestaat vooral hierin, dat zij weinig verbruikt en veel

voortbrengt. Inderdaad is het gemiddelde verbruik, in verhouding tot de

verkregen trekkracht, even voordeelig, hetzij men kool of hout stoke,

want de rooster van den vuurhaard is zoo ingericht, dat alle soorten

van brandstof kunnen gebruikt worden. Wat de normale snelheid van

dezen weglocomotief betreft, deze wordt door den ingenieur geschat

op vijf en twintig kilometers per uur, maar op een gunstig terrein,

zal hij het tot veertig brengen. De wielen kunnen, zooals wij zeiden,

niet gemakkelijk doorslaan, niet alleen door het ingrijpen hunner

vellingen in den grond, doch ook omdat de ophanging van den toestel

op veeren van uitstekende hoedanigheid, volkomen is en het gewicht,

dat door de schokken telkens ongelijk zou worden, daardoor overal

gelijkelijk verdeeld blijft. Daarenboven kunnen deze wielen gemakkelijk

vastgezet worden door een remtoestel met samengeperste lucht, die

het voertuig òf langzamerhand, òf bijna plotseling doet stilstaan.

Wat het vermogen der machine aangaat om tegen hellingen op te gaan,

dit is werkelijk merkwaardig. Banks heeft inderdaad de schoonste

resultaten verkregen door rekening te houden met het gewicht en het

voortdrijvend vermogen, op elken zuiger van zijn locomotief. Ook kan

hij gemakkelijk hellingen bestijgen van tien à twaalf centimeters

per meter,--'t geen aanzienlijk is.

Overigens zijn de wegen, door de Engelschen in Indië aangelegd en

die een net uitmaken van verscheidene duizenden mijlen, wezenlijk

prachtig. Zij leenen zich uitstekend voor deze soort van vervoer. Om

van geen anderen weg te spreken dan van den »Great Trunk Road", die

het geheele schiereiland doorsnijdt, deze strekt zich onafgebroken

twaalf honderd mijlen, of bij de twee duizend kilometers ver uit.

En nu, laat ons een en ander vertellen van het Stoomhuis, dat de

kunstmatige olifant voorttrok.

Banks toch had van de erfgenamen van den nabob, voor rekening van

kolonel Munro niet alleen den weglocomotief gekocht, maar ook den

trein, dien hij voorttrok. Wien zal het verwonderen, dat de rajah

van Bouthan hem geheel naar eigen vinding en in Hindoeschen trant had

laten vervaardigen? Ik noemde hem reeds een rollenden bungalow; hij

verdient dien naam ten volle en inderdaad mogen de twee wagens, waaruit

de trein bestaat, een wonder van de bouwkunst des lands genoemd worden.

Men stelle zich twee soorten van pagoden zonder minarets voor, met hare

dubbele, dikbuikige, ronde koepeldaken, hare uitstekende vensters, door

vierkante, platte, gebeeldhouwde zuilen gedragen, haar versiering in

veelkleurig lofwerk van kostbare houtsoorten, hare bevallig geteekende,

sierlijk gebogen omtrekken, de rijk aangebrachte veranda's, waarin

zij van voren en achteren uitloopen. Men zou gezegd hebben, dat het

twee aan den heiligen heuvel van Sonnaghur ontleende pagoden waren,

die, met elkander verbonden, door dien ijzeren olifant op sleeptouw

genomen, de groote wegen van Indië gingen bewandelen!

En, opdat er toch niets aan dit wonderbaarlijke voertuig zou ontbreken,

moet nog vermeld worden, dat het drijven kon. Het benedengedeelte toch

van het lichaam des olifants, de buik in een woord, die de machine

bevat, zoowel als het onderstel der twee rollende huizen, vormden

vaartuigen van licht plaatijzer. Deed er zich nu een stroom op zijn

weg voor, dan trad de olifant er in, de trein volgde hem en de pooten

van het dier, door de drijfstangen als schoepen in beweging gebracht,

sleepte het geheele stoomhuis over de rivieren en stroomen voort. Een

onschatbaar voordeel voorzeker in het uitgestrekte land van Indië,

door zooveel stroomen doorsneden, waarover de bruggen nog moeten

gelegd worden.

Zoodanig was dus die trein, eenig in zijn soort en zoodanig had de

zonderlinge rajah van Bouthan hem gewild. Maar, mocht Banks al aan de

fantasie van den rajah hebben toegegeven, die aan de beweegkracht den

vorm van een olifant en aan de rijtuigen de gedaante van pagoden gaf,

het inwendige had hij gemeend naar den Engelschen smaak te moeten

inrichten en daarbij in het oog gehouden, dat het een reis van langen

duur zou zijn. En hierin was hij volkomen geslaagd.

Het Stoomhuis bestond, zooals ik gezegd heb, uit twee wagens, die

inwendig niet minder dan zes meters breed waren. Zij overschreden

bijgevolg de assen der wielen, die slechts vijf meters breed waren. Op

zeer lange en buitengewoon buigzame veeren rustende, hadden zij evenmin

van schokken te lijden als de wagens op een goed aangelegden spoorweg.

De eerste wagen had een lengte van vijftien meters. Van voren

overschaduwde een sierlijke veranda, op lichte zuilen rustende, een

ruim balkon, dat gemakkelijk een tiental personen kon bevatten. Twee

vensters en een deur kwamen op het salon uit, daarenboven verlicht

door twee zijvensters. Dit salon, gemeubeld met een tafel en een

bibliotheek, in zijn geheele breedte voorzien van zachte divans, was

smaakvol versierd en met rijke stoffen behangen. Een dik Smyrna's

tapijt bedekte den vloer. »Tatti's," een soort van lichtschermen

van met bloemen versierd rietgras, voor de vensters gehangen en

onophoudelijk met welriekend water besproeid, onderhielden een

aangename frischheid, zoowel in het salon als in de kleinere

vertrekken. Aan de zoldering hing een »punka," die, terwijl de

trein op weg was, automatisch bewogen of gedurende de halten door

een dienaar heen en weder gezwaaid werd. Moest men niet met alle

mogelijke middelen het onaangename bestrijden eener temperatuur,

die gedurende zekere maanden van het jaar, in de schaduw boven vijf

en veertig graden C. rijst?

Achter in de zaal verleende een tweede deur, van kostbaar hout,

tegenover de deur der veranda, toegang tot de eetzaal, die haar licht

niet alleen ontving van de zijvensters, maar ook van een plafond

van mat glas. Rondom de in het midden geplaatste tafel, konden acht

gasten plaats nemen. Wij waren slechts met ons vieren en zouden het

dus ruim genoeg hebben. Buffetten en kredenstafeltjes, beladen met al

de weelde van zilverwerk, glazen en porceleinen voorwerpen, door het

Engelsche comfort vereischt, meubelden deze eetzaal. Het spreekt van

zelf, dat al de licht breekbare voorwerpen, half in bijzonder daartoe

vervaardigde inkervingen gevat, evenals dit aan boord van schepen

geschiedt, voor de schokken bewaard bleven, zelfs op de slechtste

wegen, ingeval onze trein ooit genoodzaakt werd zich op dezen te wagen.

De deur, achter in de eetzaal, kwam uit op een gang, die uitliep

op een achterbalkon, mede bedekt door een veranda. Langs dezen gang

bevonden zich vier kamers, zijdelings verlicht, een bed, een toilet,

een kleerkast, een divan bevattende en ingericht als de kajuiten van

de rijkste transatlantische paketbooten. De eerste kamer links werd

bewoond door kolonel Munro, de tweede rechts, door den ingenieur

Banks. Dan volgde rechts, op de kamer van den ingenieur, die van

kapitein Hod en de mijne links op die van kolonel Munro.

De tweede wagen, twaalf meters lang, bezat evenals de eerste, een

balkon met veranda, dat uitkwam op een groote keuken, aan iedere zijde

geflankeerd door twee provisiekamers, en natuurlijk voorzien van de

noodige keukengereedschappen. Deze keuken stond in verbinding met een

gang, die zich in het midden tot een vierkant vertrek verwijdde en

voor het personeel der expeditie een tweede eetzaal vormde, verlicht

door een vallicht in de zoldering. Aan de vier hoeken bevonden zich

vier kleine vertrekken, bewoond door sergeant Mac Neil, den machinist,

den stoker en den ordonnans van kolonel Munro; vervolgens waren er van

achteren nog twee andere vertrekjes, het eene bestemd voor den kok,

het andere voor den oppasser van kapitein Hod; eindelijk nog andere

vertrekken, die dienden tot berging van wapenen, tot ijskelder,

bagagekamer, enz., en allen uitkwamen op het verandabalkon van

achteren.

Men ziet dat Banks de twee rollende woningen van het Stoomhuis

doelmatig en gemakkelijk had ingericht. Zij konden 's winters

verwarmd worden door een toestel, waarvan de verwarmde lucht, door de

machine verschaft, door de kamers circuleerde, behalve twee kleine

schoorsteenen, die in het salon en de eetzaal geplaatst waren. Wij

waren dus in staat het barre jaargetijde te trotseeren, zelfs aan

den voet van de bergen van Thibet.

De belangrijke vraag der levensmiddelen was natuurlijk niet verzuimd en

we namen zooveel fijne verduurzaamde spijzen van allerlei aard mede,

dat het geheele personeel der expeditie er een jaar lang genoeg aan

zou gehad hebben. Het overvloedigst waren wij voorzien van vleesch

in blikken bussen van de beste merken, vooral gekookt en gestoofd

ossenvleesch, en van kippenpasteiën, waarvan het gebruik in Indië

zoo algemeen verspreid is.

Ook aan melk zou het ons niet ontbreken voor het ontbijt in den

vroegen morgen, dat het eigenlijke ontbijt voorafgaat, ook niet

aan bouillon voor de »tiffin," (het tweede ontbijt) die het diner

des avonds voorafgaat, dank zij de nieuwe toebereidingen, die het

mogelijk maken, dat men ze geconcentreerd op reis medeneemt.

Na de melk tot deegachtige consistentie uitgedampt te hebben,

wordt zij in hermetisch dichte bussen gesloten van vier honderd

vijftig gram inhoud, die drie kan vloeistof kunnen opleveren

door de bijvoeging van het vijfvoudig gewicht aan water. In dezen

toestand komt zij in samenstelling overeen met normale melk van goede

hoedanigheid. Hetzelfde resultaat wordt verkregen met den bouillon,

die, na op dezelfde wijze geconserveerd en tot tabletjes gevormd te

zijn, opgelost uitmuntende soepen geeft.

Wat het ijs aangaat, zoo nuttig in die heete luchtstreek, het was

ons gemakkelijk het in weinige oogenblikken te maken, door middel

van den toestel van Carré, die de verlaging der temperatuur door

de verdamping van vloeibaar ammoniakgas bewerkt. Een der kleinere

vertrekken van achteren was zelfs tot ijskelder ingericht en hetzij

door de verdamping van den ammoniak, hetzij door de vervluchtiging van

den methylether, kon de opbrengst onzer jachten onbepaald geconserveerd

worden, dank zij de toepassing der methode van een Franschman,

mijn landgenoot Ch. Tellier. Men zal moeten toestemmen, dat dit een

kostbare hulpbron was, die in alle omstandigheden levensmiddelen van

de beste hoedanigheid ter onzer beschikking stelde.

Wat de dranken betreft, ook hiervan was de kelder goed

voorzien. Fransche wijnen, verschillende soorten van bier, brandewijn,

arak, hadden allen afzonderlijke plaatsen en waren in voldoende

hoeveelheid voorhanden voor de eerste behoeften.

Wij moeten overigens opmerken, dat onze reisweg ons niet belangrijk van

de bewoonde provinciën van het schiereiland zou verwijderen. Men stelle

zich ook vooral Indië niet als een woestijn voor. Mits men de ropijen

niet spaart, kan men er zich niet alleen het noodige, maar meer dan

dat verschaffen. Het zou kunnen zijn dat, als wij in de noordelijke

streken, aan den voet van het Himalaya-gebergte overwinteren, we aan

onze eigen hulpmiddelen zullen overgeleverd zijn. Doch ook in dat

geval zouden we aan al de behoeften van een comfortable levenswijze

kunnen voldoen. De praktische geest van onzen vriend Banks had alles

voorzien, en men kon zich voor de zorg ons onder weg te proviandeeren,

gerust op hem verlaten.

Ziehier nu het plan dezer reis,--een plan, dat in beginsel werd

vastgesteld, uitgenomen de weinige wijzigingen, die onvoorziene

omstandigheden er in konden brengen:

Te vertrekken van Calcutta langs de vallei van den Ganges naar

Allahabad; door het koninkrijk Oude in de richting van het noorden

verder te gaan, teneinde de eerste berghellingen van Thibet te

bereiken, gedurende eenige maanden nu eens hier, dan weder daar te

kampeeren, het daarbij kapitein Hod gemakkelijk makende zijne jachten

te organiseeren, om vervolgens weder naar Bombay af te zakken.

Dat was bijna negen honderd mijlen af te leggen. Doch ons huis en

zijn geheele personeel reisden met ons. Wie zou er iets tegen hebben

om onder dergelijke omstandigheden meermalen de reis om de wereld

te maken?

Het Stoomhuis: De IJzeren Reus (1/2) · 第 10 / 38 题