Het was maar al te waar. De mahratten-prins Dandou-Pant, de aangenomen
zoon van Baji-Rao, Peïschwah van Pounah, in een woord Nana-Sahib,--op
dit oogenblik misschien de eenige overlevende van de hoofden der
omwenteling der Sipayers,--had zijne ongenaakbare schuilhoeken in
Nepaul kunnen verlaten. Dapper, stoutmoedig, gewoon allerlei gevaren
te trotseeren, bekwaam in de kunst zijn vervolgers het spoor bijster
te doen worden, buitengewoon listig, had hij zich tot in de provincie
van Dekan gewaagd, onder de nooit sluimerende inblazingen van een
haat, dien de vreeselijke weerwraak van den opstand van 1857 slechts
vertienvoudigd had.
Ja! het was een doodelijke haat, dien de Nana den bezitters van
Indië gezworen had. Hij was de erfgenaam van Baji-Rao en, toen de
Peïschwah in 1851 stierf, weigerde de Compagnie hem voortaan het
pensioen van acht lakhs ropyen (een millioen gulden) uit te keeren,
waarop hij recht had. Dit was een der oorzaken van dien haat, die
tot de grootste buitensporigheden zou leiden.
Maar wat hoopte Nana Sahib dan? Sedert acht jaren was de opstand der
Sipayers volkomen gedempt. Het Engelsche gouvernement was allengs in
de plaats getreden van de achtbare Indische Compagnie en hield het
gansche schiereiland onder vrij wat strenger bestuur dan dat van de
vereeniging der kooplieden. Er was geen spoor van den opstand meer
overgebleven, zelfs niet in de rangen van het inlandsche leger, dat
ook geheel gereorganiseerd was. Had de Nana dan kans van slagen in
zijne pogingen om onder de lagere klassen van Hindostan een nieuwe
beweging aan te stoken? Zijne plannen zullen weldra bekend zijn. Eene
zaak wist hij, dat namelijk zijne tegenwoordigheid in de provincie
Aurungabad gesignaleerd was geworden, dat de gouverneur-generaal er
de onderkoning te Calcutta van verwittigd had en dat er een prijs op
zijn hoofd gesteld was. Zeker was het dat hij overijld op de vlucht had
moeten gaan en zich op nieuw in zulk een goed verborgen schuilplaats
had moeten verbergen, dat hij aan de nasporingen van de agenten der
Engelsch-Indische politie kon ontsnappen.
De Nana verloor in den nacht van den 6n op den 7n Maart geen uur. Hij
kende het land volkomen en besloot Ellora te bereiken, gelegen op
vijf en twintig mijlen van Aurungabad, om zich daar bij een zijner
medeplichtigen te voegen.
De nacht was donker. De gewaande fakir richtte zich, na zich
overtuigd te hebben dat hij niet vervolgd werd, naar het praalgraf,
op eenigen afstand van de stad opgericht ter eere van den mohamedaan
Sha-Soufi, een heilige wiens reliquiën den naam hebben genezingen
te volbrengen. Maar alles sliep toen in het praalgraf, priesters en
bedevaartgangers, en de Nana kon zich bewegen zonder door lastige
vragen verontrust te worden.
Evenwel was het niet zoo duister, dat dit granietblok, het onneembare
fort van Daoulutabad dragende en zich midden in eene vlakte tot eene
hoogte van twee honderd veertig voet verheffende, zijn ontzaglijk
schaduwbeeld aan de blikken kon onttrekken. Toen de nabob het
zag, herinnerde hij zich dat een der keizers van Dekan, een zijner
voorouders, zijn hoofdstad had willen maken van de uitgestrekte stad,
die vroeger aan den voet van het fort gebouwd was. En werkelijk
zou het een onverwinlijke positie geweest zijn, zeer geschikt om in
dit gedeelte van Indië het middelpunt eener oproerige beweging te
worden. Doch Nana Sahib wendde het hoofd om en had slechts een blik
vol haat over voor die sterkte, nu in de handen zijner vijanden.
Op deze vlakte volgde een meer afwisselend terrein. Het waren de eerste
oneffenheden van den bodem, die weldra bergachtig zou worden. De Nana,
nog in de volle kracht des levens, vertraagde zijne schreden niet,
toen hij reeds vrij steile hellingen moest beklimmen. Hij wilde dien
nacht vijf en twintig mijlen maken, dat is den afstand afleggen,
die Ellora van Aurungabad scheidt. Eenmaal daar, hoopte hij in
veiligheid te kunnen uitrusten. Ook hield hij zich niet op, noch in
een karavansera, voor iedereen open, die men op weg ontmoette, noch
in een half vervallen bungalow, waar hij in een afgezonderd gedeelte
van den berg een paar uur had kunnen slapen.
Bij het opgaan der zon ging de vluchteling om het dorp Ranzah heen,
dat het zeer eenvoudige graf bezit van den grootsten Mongoolschen
keizer, Aureng-Zeb. Eindelijk had hij de beroemde groep holen bereikt,
die hun naam ontleend hebben aan het kleine dorp bij Ellora.
De heuvel, waarin die holen ten getale van een dertigtal gegraven
zijn, heeft de gedaante van een halve maan. Vier tempels, vier en
twintig bouddhisten-kloosters, eenige minder belangrijke grotten,
zijn de monumenten van de groep. De basaltgroeve is rijkelijk
door menschenhanden geëxploiteerd. Maar niet om de kunststukken,
hier en daar over de onmetelijke oppervlakte van het schiereiland
verspreid, hebben de hindostansche bouwkundigen in de eerste eeuwen der
christelijke jaartelling er de steenen uitgegraven. Neen! die steenen
zijn alleen daarom weggenomen om ledige ruimten in de hoofdmassa
te maken en het zijn deze ruimten, die, al naar hunne bestemming,
»chaityas" of »viharas" geworden zijn.
De zonderlingste dezer tempels is voorzeker die der Kaïlas. Men stelle
zich een blok voor van honderd twintig voet hoog, bij een omtrek
van zes honderd voet. Dit blok heeft men stoutweg in den berg zelven
uitgesneden en te midden van een plein van drie honderd zestig voet
lang en honderd zes en tachtig breed afgezonderd,--een plein, verkregen
ten koste van de basaltmassa. Toen nu eenmaal dit blok op deze wijze
was vrijgemaakt, hebben de architecten het uitgehouwen, evenals een
beeldhouwer een stuk ivoor. Uitwendig hebben zij kolommen uitgesneden,
kleine pyramiden gebeeldhouwd, koepels vervaardigd, zooveel van de
rots gespaard als noodig was om de bas-reliefs goed te doen uitkomen,
meer dan levensgroote olifanten voorstellende, die het geheele gebouw
schijnen te dragen; inwendig hebben zij een groote zaal uitgehouwen,
omgeven met kapellen en waarvan het gewelf op kolommen rust, die
van de geheele massa zijn afgezonderd. Eindelijk hebben zij van dit
uit één steen gemaakte kunstwerk een tempel vervaardigd, die in de
eigenlijke beteekenis van het woord niet »gebouwd" is geworden, maar
een tempel eenig op de wereld en die waardig is mede te dingen met de
bewonderenswaardigste gebouwen van Indië en zeer goed de vergelijking
kan doorstaan met de onderaardsche begraafplaatsen van het oude Egypte.
Deze tempel, nu bijna verlaten, is als alle aardsche dingen, niet
door den tijd gespaard. In sommige gedeelten begint hij reeds
te vervallen. Zijne bas-reliefs slijten af als de wanden van de
steenen massa, waaruit men ze vervaardigd heeft en toch bestaat dit
kunstgewrocht nog slechts duizend jaren. Maar wat in de werken der
natuur nog nieuw is, is dikwijls reeds oud en vervallen in den arbeid
der menschen. In den zijdelingschen grondmuur links waren eenige diepe
scheuren gekomen, en het is door een dezer openingen, die half door het
kruis van een der torschende olifanten verborgen waren, dat Nana Sahib
weg sloop, zonder dat iemand zijn komst te Ellora had kunnen vermoeden.
De scheur kwam uit in een donkeren gang, die door den grondmuur liep en
zich in de diepte tot onder den bodem des tempels uitstrekte. Daar had
men een soort van onderaardsche kapel of put, nu droog, uitgegraven,
die tot vergaarbak van het regenwater diende.
Zoodra de Nana in den gang was gekomen, deed hij een zeker gefluit
hooren, dat door een gelijk gefluit beantwoord werd. Het was geen
echo. Weldra werd de duisternis verlicht door een Hindoe, die een
kleinen lantaren in de hand droeg.
»Geen licht!" zei de Nana.
»Ben jij het, Dandou-Pant?" antwoordde de Hindoe, die dadelijk zijn
lantaren uitdoofde.
»Ik, broeder!"
»Is.....?"
»Eerst iets te eten," antwoordde de Nana, »dan zullen we praten. Maar
noch om te praten, noch om te eten heb ik licht noodig. Neem mijn
hand en geleid me."
De Hindoe greep de hand van den Nana, nam hem mede naar de enge
kapel en liet hem zich uitstrekken op een hoop drooge kruiden, dien
hij zooeven verlaten had. Het fluiten van den fakir had hem uit zijn
laatsten slaap gewekt.
Deze man, gewoon zich in deze donkere schuilplaats te bewegen, had
spoedig eenig voedsel gevonden, brood, een soort van pastei, bereid van
kippenvleesch, dat veel in Indië gegeten wordt, en een kalbasflesch
met een halve pint met die sterke likeur, bekend onder den naam van
»arak," verkregen door de distillatie van het sap van den kokosnoot.
De Nana at en dronk zonder een woord te spreken. Hij bezweek bijna
van honger en vermoeienis. Zijn geheele leven concentreerde zich
toen in zijne oogen, die in de duisternis vuur schoten als de oogen
eens tijgers.
De Hindoe wachtte zonder zich te bewegen totdat de nabob goedvond om
te spreken.
Die man was Balao Rao, de eigen broeder van Nana Sahib.
Balao Rao, oudere broeder van Dandou-Pant, doch nauwlijks een jaar,
geleek hem lichamelijk sprekend, maar ook geestelijk was het Nana Sahib
volkomen. Dezelfde haat jegens de Engelschen, dezelfde sluwheid in
zijne plannen, dezelfde wreedheid in de uitvoering, dezelfde ziel in
twee lichamen. Gedurende den geheelen opstand hadden de twee broeders
elkander niet verlaten. Na de nederlaag had hetzelfde kampement
aan de grenzen van Nepaul hun een schuilplaats verleend. En nu,
door een zelfde gedachte bezield de worsteling op nieuw te beginnen,
waren zij beiden gereed te handelen.
Toen de Nana, door den haastig verslonden maaltijd verkwikt, zijne
krachten had terug erlangd, bleef hij eenigen tijd met het hoofd
in de handen geleund zitten. Balao Rao, meenende dat hij zich door
eenige uren slaap wilde versterken, bewaarde altijd het stilzwijgen.
Doch Dandou-Pant, het hoofd oprichtende, vatte de hand van zijn
broeder en zeide met doffe stem:
»'k Ben gesignaleerd in het presidentschap van Bombay! De gouverneur
van het presidentschap heeft een prijs op mijn hoofd gesteld! Hij heeft
duizend gulden uitgeloofd aan hen, die hem Nana Sahib zal overleveren!"
»Dandou-Pant!" riep Balao Rao uit, »je hoofd is meer waard! Dat zou
nauwlijks de prijs van het mijne zijn en na drie maanden zouden ze
maar al te gelukkig zijn ze beiden voor tien duizend gulden te hebben!"
»Ja," antwoordde de Nana, »over drie maanden, den 23n Juni, is het
de verjaardag van den veldslag van Plassey waarvan de honderdste
verjaardag, in 1857, het eind van de Engelsche heerschappij en de
vrijmaking van het zonneras moest zien! Onze profeten hadden het
voorzegd! Onze barden hadden het bezongen! Binnen drie maanden,
broeder, zullen honderd negen jaren verloopen zijn en nog altijd is
de vreemdeling heer en meester over Indië!"
»Dandou-Pant," antwoordde Balao Rao, »wat in 1857 niet gelukt is,
kan en moet tien jaren later gelukken. In 1827, in 1737, in 1847
hebben er oproeren in Indië plaats gehad! Om de tien jaar worden de
Hindoes door de omwentelingskoorts aangetast! welnu, dit jaar zullen
ze zich genezen door zich in golven Europeesch bloed te baden!"
»Dat Brahma ons geleide," zeide Nana zacht, »en dan oog om oog, tand
om tand! Wee den aanvoerders van het koninklijke leger, die onder de
slagen onzer Sipayers niet gevallen zijn! Laurence is dood, Barnard
is dood, Hope is dood, Napier is dood, Hodson is dood, Havelock is
dood! Maar eenigen hebben het overleefd! Campbell, Rose leven nog,
en onder hen hij, dien ik het meest van allen haat, die kolonel Munro,
die afstammeling van den beul, hij, die met eigen hand mijn gezellin,
de Rani van Jansi gedood heeft! Als hij in mijn handen valt, zal hij
zien of ik de gruwelen van den kolonel Neil, de moorden van Sekander
Bagh, de slachtingen van het paleis der Begoem, van Bareilli, van
Jansi en van Morar, van het eiland Hydaspes en van Delhi vergeet! Hij
zal zien of ik vergeten heb, dat wij elkander's dood gezworen hebben!"
»Heeft hij zijn ontslag niet uit den dienst genomen?" vroeg Balao Rao.
»O! wat dat aangaat!" antwoordde Nana Sahib, »bij de eerste beweging
treedt hij weder in dienst! Maar wordt ook deze opstand onderdrukt,
dan zal ik hem opsporen tot in zijn bungalow van Calcutta en hem
daar dooden!"
»Goed, maar nu?...."
»Nu, het eenmaal begonnen werk moet voortgezet worden. De beweging
zal dezen keer nationaal zijn. Als in de steden en buiten op het
land de Hindoes opstaan, zullen de Sipayers spoedig gemeene zaak
met hen maken. Ik heb het midden en noorden van Dekan doorgetrokken
en overal heb ik de gemoederen geneigd tot den opstand gevonden. Er
zijn geen steden, noch gehuchten, waar we geen aanvoerders hebben,
gereed om dadelijk te handelen. De Brahmanen zullen het volk
opwinden. De godsdienst zal ditmaal de volgelingen van Çiva en van
Vishnoe medesleepen. Op het vooraf beraamde tijdstip, zullen bij het
overeengekomen signaal, millioenen Hindoes opstaan, en de koninklijke
armee zal vernietigd worden!"
»En Dandou-Pant?...." vroeg Balao Rao, de hand van zijn broeder
grijpende.
»Dandou-Pant," antwoordde de Nana, »zal niet slechts zijn de op
het sterke kasteel Bilhour bekroonde Peïschwah! Hij zal dan zijn de
souverein van het heilige land der Indiën!"
Na deze woorden gesproken te hebben, bleef Nana Sahib, de armen
gekruist, met den droomenden blik van hen, die niet het verledene of
het tegenwoordige, maar de toekomst gadeslaan, in stilte verzonken.
Balao Rao wachtte zich wel hem te storen. Liever liet hij deze
ongetemde ziel zich door haar eigen vuur ontvlammen en des
noods was hij immers daar om het vuur dat in hem smeulde, aan te
blazen. Nana Sahib kon geen medeplichtige hebben, inniger aan zijn
persoon verbonden, geen vuriger raadsman om hem zijn doel te doen
bereiken. Het is reeds gezegd, het was zijn ander ik.
Na eenige minuten van stilte, richtte de Nana het hoofd op en kwam
tot den tegenwoordigen toestand terug.
»Waar zijn onze metgezellen?" vroeg hij.
»In de grotten van Adjuntah, waar ze ons volgens afspraak zouden
wachten," antwoordde Balao Rao.
»En onze paarden?"
»'k Heb ze een eind van hier op den weg van Ellora naar Boregami in
bewaring gegeven."
»Bij Kâlagani immers?"
»Juist, broeder. Ze worden daar goed verzorgd en staan gereed om
te vertrekken."
»Laten we dan vertrekken," antwoordde de Nana. »We moeten voor het
aanbreken van den dag te Adjuntah zijn."
»En waarheen dan verder?" vroeg Balao Rao. »Heeft deze overhaaste
vlucht je plannen niet tegengewerkt?"
»Neen," antwoordde Nana Sahib. »We zullen de Sautpourrabergen bereiken,
waarvan ik al de passen ken en waar ik de nasporingen van de Engelsche
politie kan trotseeren. Daar ook zullen we op het grondgebied zijn
der Bhîls en der Gounds, die onze zaak getrouw zijn gebleven. Daar
zal ik dan het gunstige oogenblik kunnen afwachten, te midden van
de bergachtige streek der Vindhyas, waar de gemoederen altijd in
gisting verkeeren!
»Op marsch!" antwoordde Balao Rao. »Welnu, ze hebben duizend gulden
uitgeloofd aan hem, die je vangt. Maar, 't is niet voldoende om een
prijs op je hoofd te stellen, 't moet genomen worden ook!"
»Ze krijgen 't niet," antwoordde Nana Sahib. »Kom, zonder een oogenblik
te verliezen, broeder, kom!"
Balao Rao liep met zekeren tred door den nauwen gang, die naar deze
donkere schuilplaats, onder den vloer van den tempel gegraven,
geleidde. Aan de opening gekomen, door het kruis van den steenen
olifant verborgen, stak hij voorzichtig het hoofd naar buiten, keek
rechts en links, verzekerde zich dat de toegangen vrij waren en waagde
zich buiten. Uit overmaat van voorzorg, liep hij een twintig schreden
ver in de laan, die de richting volgde van de as des tempels, doch
niets verdachts opmerkende, liet hij een gefluit hooren, om Nana te
waarschuwen dat de weg vrij was.
Eenige oogenblikken later, verlieten de beide broeders de een halve
mijl lange, kunstmatige vallei, waarin een menigte galerijen, gewelven,
uitdiepingen, op zekere plaatsen tot een groote hoogte trapsgewijze
boven elkander zijn uitgehouwen. Zij vermeden het mohamedaansche
praalgraf, dat tot bungalow dient voor de bedevaartsgangers of de
nieuwsgierigen van allerlei landaard, aangetrokken door de wonderen
van Ellora; eindelijk, na het dorp Ranzah te zijn omgegaan, bevonden
zij zich op den weg, die Adjuntah met Boregami verbindt.
De afstand van Ellora naar Adjuntah bedroeg vijftig mijlen (80
kilometers ongeveer); doch de Nana was nu niet meer de vluchteling, die
te voet en zonder middel van vervoer uit Aurungabad ontsnapte. Zooals
Balao Rao gezegd had, wachtten hun drie paarden op den weg op,
onder de hoede van den Hindoe Kâlagani, een getrouwen dienaar
van Dandou-Pant. Deze paarden waren verborgen geweest in een dicht
bosch, een mijl van het dorp af. Het eene was bestemd voor den Nana,
het andere voor Balao Rao, het derde voor Kâlagani en even daarna
galoppeerden alle drie in de richting van Adjuntah. Niemand trouwens
zou er zich over verwonderd hebben een fakir te paard te zien, want
inderdaad vragen deze brutale bedelaars dikwijls te paard zittende
een aalmoes.
Daarenboven was de weg in dezen voor de bedevaarten minder gunstigen
tijd van het jaar, niet druk bezocht. De Nana en zijne beide
metgezellen reden dus snel, zonder vrees dat iets hen kon hinderen
of ophouden. Zij namen er den tijd van af om hunne dieren te laten
uitblazen, en op deze korte halten, putten zij uit den voorraad, dien
Kâlagani aan den zadelknop had opgehangen. Zij vermeden zoodoende de
meer bezochte gedeelten der provincie, de bungalows en de dorpen, onder
anderen het gehucht Roja, een ellendige hoop zwarte huizen, zooals
de door den rook zwart geworden sombere woningen van Cornonailles en
Pulmary, een klein, verlaten gehucht in een woeste landstreek.
De bodem was gelijk en vlak. In alle richtingen strekten zich
heidevelden uit, overal met dichte jungles bezet. Doch in de nabijheid
van Adjuntah werd de landstreek meer oneffen.
De prachtige grotten van dien naam, mededingsters der wondervolle
grotten van Ellora, en in hun geheel misschien schooner, nemen het
lagere gedeelte eener kleine vallei in, een halve mijl ongeveer van
de stad af.
Nana Sahib behoefde dus niet door Adjuntah te gaan, waar de afkondiging
van den gouverneur reeds aangeplakt moest zijn. Bijgevolg bestond er
voor hem geen vrees herkend te worden.
Vijftien uren dus na Ellora verlaten te hebben, drong hij met zijne
metgezellen door een nauwen bergpas, die naar de beroemde vallei
geleidde, waarvan de zeven en twintig tempels, in de rotsachtige
massa zelve uitgehouwen, over duizelingwekkende afgronden hangen.
Het was een prachtige nacht, met een schitterenden sterrenhemel,
doch zonder maan. Hooge vijgeboomen en eenige »bars," die onder
de reuzen der Indische flora geteld worden, teekenden zich zwart
tegen den met sterren bezaaiden hemel af. Geen windje verstoorde de
kalmte van den dampkring, geen blaadje bewoog zich, niet het minste
geluid deed zich hooren, of het moest het zacht geruisch zijn van
een bergstroom, die eenige honderden schreden verder in een diepe
kloof vloeide. Doch dit geruisch nam toe en werd een waar geloei,
toen de paarden den waterval van den Satkhound bereikt hadden, die
van een hoogte van vijftig vademen valt, gebroken en verscheurd door
de scherpe rotsen van kwarts en basalt. Vloeibaar stof dwarrelde in
den bergpas rond en zou, zoo de maan in dien schoonen lentenacht den
horizont verlicht had, het prachtige schouwspel hebben opgeleverd
van de zeven kleuren van den regenboog.
De Nana, Balao Rao en Kâlagani vertoonden zich nu in den bergpas,
die op deze plaats een scherpe kromming maakt en een prachtig uitzicht
geeft op de vallei, verrijkt door de meesterstukken der boeddhistische
bouwkunst. Daar, op de muren dier tempels, rijkelijk met zuilen,
rozetten, arabesken, veranda's versierd, bevolkt met kolossale
figuren van fantastisch gevormde dieren, voorzien van in de rotsmassa
uitgeholde sombere cellen, eertijds door priesters, de bewaarders
dezer heilige verblijfplaatsen bewoond, kan de kunstenaar ook nog
eenige fresco's bewonderen, die eerst gisteren geschilderd schijnen
te zijn en die koninklijke plechtigheden, godsdienstige processies,
veldslagen voorstellen waarin al de wapenen van dien tijd voorkomen,
zooals ze in de eerste tijden van de christelijke jaartelling in het
prachtige land van Indië in zwang waren.
Nana Sahib kende al de geheimen dezer onderaardsche verblijven. Meer
dan eens hadden zijne metgezellen en hij, door de koninklijke
troepen in 't nauw gebracht, er in de kwade dagen van den opstand
een schuilplaats gevonden. De onderaardsche galerijen, die ze met
elkander verbonden, de nauwste tunnels in de kwartsachtige rotsmassa
uitgegraven, de bochtige gangen, die elkaar in alle richtingen
kruisten, de duizend vertakkingen van dien doolhof, die den geduldigste
wanhopend zouden gemaakt hebben, alles was hem gemeenzaam. Hij kon er
niet verdwalen, zelfs al verlichtte geen fakkel hunne donkerste hoeken.
De Nana ging als iemand, volkomen zeker van zich zelven, recht naar
een van de minst belangrijke holen der groep. De opening was verborgen
door dicht struikgewas en een hoop groote steenen, afkomstig van een
oude instorting, tusschen de struiken van den bodem en de planten,
die tusschen de spleten van de rots groeiden.
Een licht tikje op den wand was den nabob voldoende om zijne
tegenwoordigheid aan de opening van het hol te kennen te geven.
Dadelijk kwamen twee of drie hoofden van Hindoes tusschen de takken
te voorschijn, daarna tien, twintig en weldra vormden die hoofden,
door lichamen gevolgd, als slangen tusschen de steenen doorkruipende,
een groep van een veertigtal goed gewapende mannen.
»Op marsch!" zeide Nana Sahib.
En zonder eenige verklaring te vragen, zonder te weten waarheen
hij hen leidde, volgden hem de getrouwe metgezellen van den nabob,
gereed zich op een teeken van hem te laten dooden. Zij waren te voet,
maar hunne beenen konden in snelheid wedijveren met die van een paard.
De kleine troep drong door den bergpas, die langs den rand van den
afgrond in de richting van het noorden liep en ging om den top van den
berg heen. Een uur later had hij den weg van den Kandeisch bereikt,
die zich verliest in de bergpassen der Sautpourrabergen.
Met het aanbreken van den dag passeerden zij den tak op Nagpore van
den spoorweg van Bombay op Allahabad en even later den weg zelven,
die naar het noordoosten loopt.
Op dit oogenblik bruiste de sneltrein van Calcutta voorbij, en
liet zijn witten rook in de toppen der trotsche vijgeboomen langs
den weg hangen, terwijl de roofdieren der jungles verschrikt op de
vlucht joegen.
De nabob hield zijn paard in en riep met luide stem, de hand naar
den voortsnellenden trein uitgestrekt:
»Ga en zeg den onderkoning van Indië, dat Nana Sahib nog altijd in
leven is en dat hij dezen spoorweg, dat vervloekte gewrocht hunner
handen, in het bloed der veroveraars zal verdrinken!"