Eenige weinige woorden zullen voldoende zijn om den toestand van
Indië te doen kennen ten tijde van de voorvallen, die in dit verhaal
voorkomen en meer bijzonder van het geduchte oproer der Sipayers,
waarvan we hier de voornaamste feiten in het geheugen willen
terugbrengen.
Het was in 1600, onder de regeering van Elisabeth, op den gewijden
grond van Aryavarta, te midden eener bevolking van twee honderd
millioen bewoners, waarvan honderd twaalf millioen den Hindoeschen
godsdienst beleden, dat de zeer achtbare Oost-Indische Compagnie
gesticht werd, bekend onder den echt Engelschen bijnaam van »Old
John Company."
Het was in het begin een eenvoudige »vereeniging van kooplieden,
die handel op Oost-Indië dreven" en aan welker hoofd de hertog van
Cumberland geplaatst werd.
Omstreeks dezen tijd was de Portugeesche macht, die groot in Indië
geweest was, reeds aan het afnemen. Ook namen de Engelschen, van dezen
toestand gebruik makende, een eerste proef van politiek en militair
bestuur in het presidentschap van Bengalen, waarvan de hoofdstad,
Calcutta, weldra het middelpunt der nieuwe regeering zou worden. Al
dadelijk kwam het 39e regiment der koninklijke armée, uit Engeland
afgezonden, de provincie bezetten. Van daar de zinspreuk, die het
nog altijd in zijn vaandel draagt: Primus in Indiïs.
Intusschen had zich ongeveer terzelfder tijd, onder bescherming van
Colbert een Fransche Compagnie gevestigd. Zij had hetzelfde doel
als de Compagnie van de Londensche kooplieden. Wat wonder dat uit
die mededinging een strijd van belangen geboren werd. Er volgde een
langdurige met afwisselend geluk gevoerde worsteling uit, die de
namen van Dupleix, Labourdonnais en Lally-Tollendal beroemd maakte.
Eindelijk moesten de Franschen voor de overmacht bukken en Carnatië,
dat gedeelte van het schiereiland, dat een gedeelte van zijn oostelijke
grens bevat, verlaten.
Lord Clive, zonder concurrenten voortaan, niets meer van Portugal
noch van Frankrijk te vreezen hebbende, ondernam toen de verovering
van Bengalen, waarvan lord Hastings tot Gouverneur-generaal
benoemd werd. Door een bekwaam en volhardend bestuur kwamen
heilzame hervormingen tot stand. Maar van dien tijd af aan werd
de Oost-Indische Compagnie, eens zoo machtig, rechtstreeks in hare
dierbaarste belangen getroffen. Eenige jaren later, in 1784, bracht
Pitt nogmaals wijzigingen in de oorspronkelijke oorkonde. Haar schepter
moest overgaan in de handen van de raadslieden der Kroon. Het gevolg
van dezen stand van zaken was, dat in 1813 de Compagnie het monopolie
van den Indischen handel en in 1833 het monopolie van den handel met
China ging verliezen.
Al had nu evenwel Engeland niet meer te strijden tegen de vreemde
maatschappijen op het schiereiland, moest het toch moeielijke oorlogen
voeren, hetzij tegen de oude bezitters van den grond, hetzij tegen
de laatste Aziatische veroveraars van dit rijke grondgebied.
Onder lord Cornwallis, in 1784, was het de strijd met Tippo Sahib,
gedood den 4n Mei 1799, bij de laatste bestorming van Seringapatam
door generaal Harris. Het was de oorlog met de Mahratten, dat volk
van voornaam ras, zeer machtig in de XVIIIe eeuw, en de oorlog
met de Pindaris, die zich zoo moedig verdedigden. Het was nog de
oorlog met de Gourgkhas van Népaul, de stoutmoedige bergbewoners,
die in de gevaarlijke beproeving van 1857 de getrouwe bondgenooten
der Engelschen zouden blijven. Eindelijk was het de oorlog tegen de
Birmanen, van 1823 tot 1824.
In 1828 waren de Engelschen meester, direct of indirect, van een
groot gedeelte van het grondgebied. Met lord William Bentinck begon
een nieuw tijdperk van bestuur.
Sedert de regeling der militaire macht in Indië, had het leger altijd
twee zeer onderscheiden contingenten geteld, het Europeesche en het
inlandsche contingent. Het eerste vormde het koninklijke leger,
samengesteld uit regimenten cavalerie, bataillons infanterie en
bataillons Europeesche infanterie in dienst van de Oost-Indische
Compagnie; het tweede vormde het inlandsche leger, bevattende
bataillons infanterie en bataillons geregelde, maar inlandsche
cavalerie, gekommandeerd door Engelsche officieren. Daarbij kwam
een artillerie, waarvan het personeel, tot de Compagnie behoorende,
met uitzondering van eenige batterijen, uit Europeanen bestond.
Welk was het effectief dezer regimenten of bataillons, die
onverschillig op deze wijze in het koninklijk leger genoemd worden? Wat
de infanterie aangaat, elfhonderd man per bataillon in het leger van
Bengalen en acht à negen honderd in de legers van Bombay en Madras;
wat de cavalerie betreft, zeshonderd paarden in ieder regiment der
twee legers.
In het geheel kon men in 1837, zooals het door de Valbezen in zijne
Nieuwe studieën over de Engelschen en Indië, een zeer merkwaardig werk,
met groote nauwkeurigheid wordt vastgesteld, de gansche macht der
drie presidentschappen, schatten op twee honderd duizend inlandsche
troepen en op vijf en veertig duizend Europeesche.
Nu maakten de Sipayers wel is waar een geregeld corps uit, door
Engelsche officieren gekommandeerd, maar zij koesterden toch altijd een
stille neiging om het harde juk der Europeesche discipline, hun door
de veroveraars opgelegd, af te schudden. Reeds had in 1806, misschien
zelfs op aanstoken van den zoon van Tippo Sahib, het garnizoen van het
inlandsche leger van Madras, gekantonneerd te Vellore, de hoofdwacht
van het 69e regiment der koninklijke armee vermoord, de kazernen in
brand gestoken, de officieren en hunne families omgebracht en de zieke
soldaten tot in het hospitaal doodgeschoten. Wat was de oorzaak van
dezen opstand geweest,--de schijnbare oorzaak, althans? Een voorgewende
quaestie van knevels, van kapsel en oorringen, maar eigenlijk was
het de haat der veroverden tegen de veroveraars.
Deze eerste opstand werd spoedig in de geboorte gestikt door de
koninklijke troepen, die te Ascot gekantonneerd waren.
Een dergelijke reden,--ook een voorwendsel,--was evenzeer de aanleiding
tot de eerste oproerige beweging van 1857,--een nog veel geduchter
opstand, die voor altijd de Engelsche macht in Indië zou vernietigd
hebben, indien de inlandsche troepen van de presidentschappen van
Madras en Bombay er aan deel hadden genomen.
Alvorens evenwel verder te gaan, moet vermeld worden, dat deze
opstand niet nationaal was. De Hindoes van het land en der steden,
dat is zeker, stelden er niet het minste belang in. Bovendien bepaalde
hij zich tot de half onafhankelijke Staten van Centraal-Indië, tot
de provincies van het noordwesten en het koninkrijk Oude. Pendjab
bleef den Engelschen getrouw met zijn regiment van drie escadrons
uit den Indischen Caucasus. Ook de Sikhs, deze werklieden van lagere
kaste, die zich inzonderheid bij het beleg van Delhi onderscheidden;
getrouw ook de Gourgkhas, ten getale van twaalfduizend naar het beleg
van Lucknow gevoerd door den rajah van Nepaul, getrouw eindelijk
de Maharajahs van Gwalior en van Pattyalah, de rajah van Rampore,
de Rani van Bhopal, getrouw aan de wetten van de militaire eer en
om de gewone uitdrukking, in zwang onder de inboorlingen van Indië,
te gebruiken »getrouw aan het zout."
Bij den aanvang van den opstand, bevond lord Canning zich aan het hoofd
van het bestuur in hoedanigheid van gouverneur-generaal. Misschien
had die staatsman zich verkeerde voorstellingen gevormd aangaande de
strekking der beweging. Reeds sedert eenige jaren was de ster van
het Vereenigde Koninkrijk zichtbaar verbleekt aan den Hindoeschen
hemel. In 1842 had de terugtocht van Kaboel het prestige der
Europeesche veroveraars doen afnemen. De houding van het Engelsche
leger gedurende den Krimoorlog was in sommige opzichten beneden de
militaire faam gebleven. Ook was er een oogenblik dat de Sipayers,
die zeer op de hoogte waren van hetgeen er voorviel op de oevers
van de Zwarte zee, dachten dat een opstand der inlandsche troepen
misschien zou gelukken. Er was trouwens slechts een vonk noodig om
de behoorlijk voorbereide gemoederen, die de barden, de Brahmanen,
de »moulvis" door hunne redevoeringen en gezangen aanvuurden, in
lichtelaaie vlam te brengen.
Deze gelegenheid bood zich aan in het jaar 1857, toen, tengevolge
van buitenlandsche aangelegenheden, het contingent van het koninklijk
leger noodzakelijk had moeten verminderd worden.
In het begin van dit jaar had Nana Sahib, anders genoemd de nabob
Dandou-Pant, die bij Cawnpore zijn verblijf hield, zich naar Delhi
en daarna naar Lucknow begeven, met het doel ongetwijfeld de sedert
lang voorbereide omwenteling te bevorderen.
En werkelijk barstte korten tijd na het vertrek van den Nana de
oproerige beweging los.
Het Engelsche gouvernement had voor korten tijd in het inlandsche leger
de Enfield-karabijn ingevoerd, die het gebruik noodzakelijk maakt van
met vet bestreken patronen. Zekeren dag verspreidde zich het gerucht,
dat dit vet of rundervet of varkensvet was, al naardat de patronen
bestemd waren voor de Hindoesche of Mohamedaansche soldaten van het
inlandsche leger.
In een land nu waar zelfs het volk weigert zeep te gebruiken, omdat
zij kan vervaardigd zijn van het vet van een heilig of onrein dier,
moest het gebruik van patronen met deze stof besmeerd,--patronen die
met de tanden moeten afgebeten worden en met de lippen in aanraking
komen,--de algemeene ontevredenheid opwekken. Het gouvernement gaf
gedeeltelijk toe aan de bezwaren, die hiertegen gemaakt werden, maar
het mocht de behandeling der karabijn al wijzigen, verzekeren dat
het vet in quaestie niet diende tot de vervaardiging der patronen,
toch bevredigde en overtuigde het niemand in het leger der Sipayers.
Den 24n Februari, te Berampore, weigert het 34e regiment de
patronen. In het midden van Maart wordt een adjudant vermoord en zal
weldra het afgedankte regiment, na de straf der moordenaars, in de
naburige provincies nog vruchtbaarder zaden van muiterij verspreiden.
Den 10n Mei komen te Mirat, iets ten noorden van Delhi, het 3e, 11e
en 20e regiment in opstand, dooden hunne kolonels en verscheidene
officieren van den grooten staf, geven de stad aan plundering over
en trekken naar Delhi terug. Daar voegt de rajah, een afstammeling
van Timour, zich bij hen. Het arsenaal valt in hunne handen, en de
officieren van het 54e regiment worden omgebracht.
Den 11n Mei, te Delhi, worden majoor Fraser en zijne officieren
meedoogenloos vermoord door de opstandelingen van Mirat tot in
het paleis van den Europeeschen kommandant en den 16n Mei vallen
negen-en-veertig gevangenen, mannen, vrouwen en kinderen onder de
bijl der moordenaars.
Den 20n Mei doodt het 26e regiment, bij Lahore gekantonneerd, den
havenkommandant en den Europeeschen sergeant-majoor.
De eerste stoot was nu eenmaal tot die afschuwelijke slachterijen
gegeven.
Den 28n Mei, te Nourabad, nieuwe slachtoffers onder de
Engelsch-Indische officieren.
Den 30n Mei, in de kantonnementen van Lucknow, moord van den
brigadier-kommandant, van zijn adjudant en van verscheidene andere
officieren.
Den 31n Mei, te Barreilli in Rohilkhande, moord van eenige officieren,
die overvallen werden en zich zelfs niet kunnen verdedigen.
Op denzelfden datum, te Schajahanpore, moord van den ontvanger en van
een zeker aantal officieren door de Sipayers van het 38e regiment,
en den volgenden dag, aan de andere zijde van Barwar, dood van de
officieren, vrouwen en kinderen, die op weg waren gegaan om het
station van Sivapore, op een mijl van Anrungabad te bereiken.
In de eerste dagen van Juni, te Bhopal, moord van een gedeelte van de
Europeesche bevolking en te Jansi, op aanstoken van de vreeselijke,
afgezette Rani, een bloedbad, met verfijnde wreedheid aangericht,
onder de op het fort gevluchte vrouwen en kinderen.
Den 6n Juni, vallen te Allahabad acht jonge vaandrigs onder het lood
der Sipayers.
Den 14n Juni, te Gwalior, muiterij van twee inlandsche regimenten en
moord der officieren.
Den 27n Juni, te Cawnpore, eerste hecatombe van slachtoffers van
iederen leeftijd en sekse, doodgeschoten of verdronken,--voorspel van
het afschuwelijk treurspel, dat eenige weken later zou plaats hebben.
Te Holkar, den 1n Juli, moord van vier-en-dertig Europeanen,
officieren, vrouwen en kinderen, plundering, brandstichting, en te
Ugow, denzelfden dag, moord van den kolonel en den adjudant van het
23e regiment der koninklijke armée.
Den 15n Juli, tweede moord te Cawnpore. Dien dag, worden vele honderden
kinderen en vrouwen,--en onder deze lady Munro,--met ongehoorde
wreedheid op bevel van den Nana zelven omgebracht, die de muzelmansche
slachters der openbare slachtplaatsen te hulp riep. Verschrikkelijke
slachting, na welke de lijken in een put geworpen werden, die voor
altijd berucht gebleven is.
Den 26n September, worden op een plein van Lucknow, tegenwoordig
»square der draagbaren" genoemd, talrijke gewonden neergesabeld en
nog levend in de vlammen geworpen.
En eindelijk nog zooveel andere afzonderlijke moorden in de steden
en op het land, die aan dezen opstand een karakter van gruwzame
wreedheid verleenden.
De Engelsche generaals beantwoordden trouwens deze moorden dadelijk
met weerwraak, die wel is waar noodzakelijk, omdat zij een heilzame
vrees onder de opstandelingen verspreidde, maar die niettemin
verschrikkelijk was.
In het begin van den opstand hadden de opperrechter Montgomery en
de brigade-generaal Corbett, te Lahore, zonder bloed te vergieten,
voor den mond van twaalf stukken geschut, met brandende lont, het 8e,
16e, 26e en 49e regiment van het inlandsche leger kunnen ontwapenen. Te
Moulton hadden het 62e en 29e inlandsche regiment ook de wapenen moeten
nederleggen, zonder ernstigen tegenstand te kunnen bieden. Evenzeer
werden te Peschawar het 24e, 27e en 51e regiment ontwapend door den
brigade-generaal S. Colton en den kolonel Nicholson op het oogenblik
dat het oproer zou uitbarsten. Maar toen eenige officieren van het
51e regiment in de bergen gevlucht waren, werd een som op hun hoofd
gezet en werden weldra allen door de bergbewoners teruggebracht.
Dit was het begin der wederwraak.
Nu werd een legerafdeeling, onder kolonel Nicholson, tegen een
inlandsch regiment aangevoerd, dat naar Delhi marcheerde. De
opstandelingen werden weldra bereikt, geslagen, verspreid en honderd
twintig man gevangen genomen en te Peschawar binnengebracht. Allen
werden ter dood veroordeeld, maar een op de drie man zou werkelijk
ter dood gebracht worden. Tien kanonnen werden op het exercitieveld
in slagorde gesteld, een gevangene voor elk hunner monden gebonden
en vijfmaal gaven de tien kanonnen vuur, het plein met vormlooze
overblijfselen bedekkende, te midden van een ondraaglijke lucht van
verbrand vleesch.
Deze slachtoffers stierven, volgens de Valbezen, bijna allen met
de heldhaftige onverschilligheid, die de Indianen met den dood voor
oogen, zoo goed weten te bewaren. »Mijnheer de kapitein," sprak tot
een der officieren, die de terechtstelling kommandeerden, een schoone
Sipayer van twintig jaar, in een bevallige houding tegen het moordtuig
aangeleund, »mijnheer de kapitein, 't is niet noodig me vast te binden,
'k ben niet van plan te vluchten."
Dit was de eerste van een talrijke reeks van vreeselijke
terechtstellingen.
Ziehier overigens de dagorder, die op dienzelfden datum te Lahore de
brigade-generaal Chamberlain, na de terechtstelling van twee Sipayers
van het 55e regiment, ter kennisse bracht van de inlandsche troepen.
»Gij hebt twee uwer kameraden levend voor den mond der kanonnen zien
vastbinden en in stukken schieten; deze kastijding zal het lot zijn
van alle verraders. Uw geweten zal u zeggen welke straffen zij in de
andere wereld zullen ondergaan. De twee soldaten zijn door het kanon
en niet aan de galg ter dood gebracht, omdat ik hun de bezoedeling
van de aanraking des beuls heb willen besparen en daardoor heb willen
bewijzen dat het gouvernement, in deze dagen van spanning, niets wil
doen om hen in hun godsdienst of kaste te krenken."
Den 30n Juli vielen twaalfhonderd zeven en dertig gevangenen
achtereenvolgens voor het peleton, dat met de terechtstelling belast
was en vijfhonderd anderen ontsnapten slechts aan de uitvoering van
het doodvonnis om van honger en gebrek aan lucht te sterven in de
gevangenis waar men hen had opgesloten.
Den 28n Augustus werden van de achthonderd zeventig Sipayers, die
Lahore ontvluchtten, zeshonderd negen en vijftig meedoogenloos door
de soldaten van het koninklijk leger vermoord.
Den 23n September, na de inneming van Delhi, gaven zich drie prinsen
van de familie des konings, de vermoedelijke erfprins en zijne twee
neven, onvoorwaardelijk aan generaal Hodson over, die hen medevoerde
met een geleide van slechts vijf man te midden van een dreigenden
hoop van vijfduizend Hindoes,--een tegen duizend. En evenwel liet
Hodson halfweg de kar met de gevangenen stilhouden, klom bij hen,
beval hun zich de borst te ontblooten en doodde hen alle drie met
revolverschoten. »Deze bloedige terechtstelling, door de hand van een
Engelsch officier," zei de Valbezen, »moest in Pendjab de grootste
bewondering wekken."
Na de inneming van Delhi, kwamen drieduizend gevangenen door het kanon
of de galg om, waaronder negenentwintig leden van de koninklijke
familie. Het beleg van Delhi, wel is waar, had den belegeraars
tweeduizend eenenvijftig Europeanen en zestienhonderd zesentachtig
inboorlingen gekost.
Te Allahabad hadden vreeselijke menschenslachtingen plaats, niet
alleen onder de Sipayers, maar in de rangen van de lagere volksklasse,
die door de dweepers bijna onwetend tot plundering waren medegesleept.
Te Lucknow bedekten twee duizend gedoode Sipayers met hunne lijken
een oppervlakte van honderdtwintig vierkante meters.
Te Cawnpore verplichtte kolonel Neil de veroordeelden, alvorens hen
aan de galg over te leveren, naar gelang van hun kasterang, met de
tong alle bloedvlekken af te likken en schoon te maken, die in het
huis waar men de slachtoffers had omgebracht, waren overgebleven. Dit
was voor deze Hindoes den dood door de schande doen voorafgaan.
Gedurende den tocht door Centraal-Indië, hielden de terechtstellingen
der gevangenen aanhoudend aan, en werden »muren van menschenvleesch
door geweervuur omvergeworpen!"
Den 9n Maart 1858, bij den aanval van het Gele Huis, ten tijde van
het tweede beleg van Lucknow, na een vreeselijke slachting onder de
Sipayers, schijnt het boven allen twijfel verheven, dat een dezer
ongelukkigen, onder de oogen der Engelsche officieren zèlven, levend
door de Sikhs gebraden werd.
Den 11n vulden vijftig lijken van Sipayers de grachten om het paleis
der Begoem te Lucknow, zonder dat een enkele gewonde was gespaard
geworden door soldaten, die geen meester van zich zelven meer waren.
Eindelijk stierven in twaalf dagen van strijd, drie duizend
inboorlingen door het koord of door den kogel en onder hen, drie
honderd tachtig vluchtelingen, opgehoopt op het eiland Hydaspes,
die zich tot in Kasjmir gered hadden.
Om kort te gaan, zonder het aantal Sipayers mede te rekenen, die
gedurende deze meedoogenlooze fnuiking van den opstand,--eene fnuiking,
die geen gevangenen duldde omkwamen, telt men alleen in den veldtocht
van Pendjab, niet minder dan zes honderd acht en twintig op bevel
der militaire autoriteit doodgeschoten of voor den mond der kanonnen
vastgebonden inboorlingen, dertien honderd zeventig op bevel van de
burgerlijke autoriteit, drie honderd zes en tachtig gehangen op bevel
der beide autoriteiten.
In het geheel dus schatte men in het begin van het jaar 1859 op meer
dan honderd twintig duizend het aantal officieren en inlandsche
soldaten die omkwamen, en op meer dan twee honderd duizend dat
der burgerlijke inboorlingen, die met hun leven hunne dikwijls
twijfelachtige deelneming aan dezen opstand boetten. Verschrikkelijke
weerwraak, waartegen Gladstone, misschien niet zonder reden in het
Engelsche parlement, met kracht opkwam.
Het was voor het verhaal dat volgt, van belang van weerszijden de
balans van dit doodregister vast te stellen. Dit moest, om den lezer
te doen begrijpen, welk een onvoldane haat, zoowel in het hart der
naar wraak dorstende overwonnelingen, als in dat der overwinnaars,
die tien jaar later rouwden over de slachtoffers van Cawnpore en
Lucknow, moest zijn overgebleven.
Wat de zuiver militaire feiten van den geheelen veldtocht tegen de
oproerlingen betreft, zij bestaan uit de volgende expedities, die
hier kortelijk vermeld zullen worden.
Het is vooreerst de eerste veldtocht van Pendjab, die aan sir John
Laurence het leven kostte.
Daarna volgt het beleg van Delhi, de hoofdstad van den opstand,
versterkt door duizenden vluchtelingen en gedurende welk Mohammed
Schah Bahadour tot keizer van Hindostan werd uitgeroepen. »Maak het
uit met Delhi!" had de gouverneur-generaal in een laatste dépêche aan
den opperbevelhebber verordend en het beleg, in den nacht van 13 Juni
begonnen, eindigde den 19n September, na het leven gekost te hebben
aan de generaals sir Harry Barnard en John Nicholson.
Ter zelfder tijd, nadat Nana Sahib zich tot Peïschwah had laten
benoemen en in het versterkte kasteel Bilhour had laten kronen,
marcheerde generaal Havelock naar Cawnpore. Hij kwam er den 17n Juli
binnen, maar te laat om den laatsten moord te beletten en zich van
den Nana meester te maken, die met vijf duizend man en veertig stukken
geschut kon ontvluchten.
Daarna ondernam Havelock een eersten veldtocht in het koninkrijk Oude,
en trok den 28n den Ganges over met slechts zeventien honderd man en
tien kanonnen, zich naar Lucknow richtende.
Nu verschenen sir Colin Campbell en de generaal-majoor sir James
Outram op het tooneel. Het beleg van Lucknow zou zeven en tachtig
dagen duren en het leven kosten aan sir Henri Lawrence en generaal
Havelock. Vervolgens maakte Colin Campbell de toebereidselen voor
een tweeden veldtocht, na gedwongen te zijn zich op Cawnpore terug
te trekken, waarvan hij zich eindelijk meester maakte.
Gedurende dien tijd ontzetten andere troepen Mohir, een stad van
Centraal-Indië en maakten een expeditie door Malwa, waardoor het
Engelsche gezag in dit koninkrijk hersteld werd.
In het begin van het jaar 1858, ondernamen Campbell en Outram
een tweeden veldtocht in Oude, met vier divisies infanterie,
aangevoerd door de generaals sir James Outram, sir Edward Lugar en
de brigade-generaals Walpole en Franks. De kavalerie stond onder de
bevelen van sir Hope Grant, de andere wapens onder Wilson en Robert
Napier,--uitmakende ongeveer vijf en twintig duizend strijders, die de
maharajah van Nepaul met twaalf duizend Gourgkhas ging versterken. Doch
het oproerige leger van de Begoem telde niet minder dan honderd
twintig duizend man, en de stad Lucknow zeven- à acht honderd duizend
inwoners. De eerste aanval had plaats den 6n Maart. Den 16n Maart, na
een reeks van gevechten, waarin de kapitein ter zee sir William Peel
en majoor Hodson sneuvelden, kwamen de Engelschen in bezit van het aan
de Goumti gelegen gedeelte der stad. Niettegenstaande deze voordeelen,
boden de Begoem en haar zoon nog wederstand in het paleis van Mousa
Bagh, aan het noord-westelijk uiteinde van Lucknow en de Moulvi,
een muzelmansch opperhoofd van den opstand, die in het midden der
stad zelve de wijk genomen had, weigerde zich over te geven. Den 19n
verzekerde een aanval van Outram en den 21n, een gelukkig gevecht,
den Engelschen eindelijk het volle bezit van dit geduchte bolwerk
van den opstand der Sipayers.
Met de maand April trad de opstand in zijn laatste tijdperk. Er
werd een veldtocht beraamd en uitgevoerd in Rohilkhande, waarheen
voortvluchtige opstandelingen zich in grooten getale begeven
hadden. Bareilli, de hoofdstad van het koninkrijk, was het
punt waarheen de opperhoofden der Engelsche armee zich het eerst
richtten. Het begin was niet gelukkig. De Engelschen leden een soort
van nederlaag te Judgespore. De brigade-generaal Adrien Hope werd
gedood. Doch, tegen het einde van de maand snelde Campbell te hulp,
hernam Schah-Jahanpore, schoot, den 5n Mei Bareilli aanvallende,
de stad in brand en nam haar in, zonder te kunnen beletten, dat de
opstandelingen haar eerst ontruimden.
Gedurende dien tijd werd in Centraal-Indië de veldtocht van sir
Hugh Rose geopend. Deze generaal marcheerde in de eerste dagen van
Januari 1858 op Saungor, door het koninkrijk Bhopal, ontzette er het
garnizoen den 3n Februari, nam tien dagen later het fort Gurakota,
maakte zich met geweld meester van den Mandapore-pas van de keten der
Vindhyas, stak de Betwa over, verscheen voor Jansi, verdedigd door
elf duizend opstandelingen, onder bevel der woeste Rani, sloot de
stad den 22n Maart onder een verzengende hitte in, detacheerde twee
duizend man van zijn leger om twintig duizend man van het contingent
van Gwalior af te snijden, aangevoerd door den befaamden Tantia-Topi,
wierp dit oproerige opperhoofd overhoop, bestormde de stad den 2n
April, overweldigde den muur, nam de citadel, waaruit het de Rani
gelukte te ontsnappen, hernam de operaties tegen het fort Calpi,
waar de Rani en Tantia-Topi besloten hadden te sterven, bemachtigde
het den 22n Mei, na een heldhaftige bestorming, zette den veldtocht
voort met de vervolging van de Rani en haren metgezel, die zich
in Gwalior geworpen hadden, vereenigde er den 16n Juni zijne beide
brigades, versterkt door een macht onder den brigade-generaal Napier,
verpletterde de opstandelingen te Morar, veroverde de plaats den 18n
en kwam na een zegevierenden veldtocht te Bombay terug.
Het was in een voorposten-gevecht, voor Gwalior, dat de Rani
sneuvelde. Deze geduchte koningin, met hart en ziel gehecht aan den
nabob, wiens getrouwe gezellin zij gedurende den opstand geweest
was, werd gedood door de eigen hand van sir Edward Munro. Nana Sahib
over het lijk van lady Munro te Cawnpore, de kolonel over het lijk
van de Rani te Gwalior, waren twee mannen die den opstand en zijne
onderdrukking vertegenwoordigden, wier bittere haat jegens elkander
vreeselijke gevolgen zoude hebben, indien zij elkander ooit van
aangezicht tot aangezicht weder mochten ontmoeten!
Op dit oogenblik kon men den opstand als bedwongen beschouwen,
uitgenomen misschien in eenige gedeelten van het koninkrijk
Oude. Campbell opent dus den 2n November een nieuwen veldtocht,
maakt zich van de laatste stellingen der opstandelingen meester en
verplicht eenige voorname opperhoofden zich te onderwerpen. Evenwel is
er een van hen, Beni Madho, die nog altijd niet gevat is. Men verneemt
in December, dat hij in een aangrenzend distrikt van Nepaul de wijk
genomen heeft. Men verzekert dat Nana Sahib, Balao Rao, zijn broeder,
en de Begoem van Oude met hem zijn. Later, gedurende de laatste dagen
van het jaar, loopt er een gerucht, dat zij een schuilplaats gezocht
hebben aan de grens der koninkrijken Nepaul en Oude. Campbell zit hen
dicht op de hielen, maar zij gaan over de grens. Het was eerst in de
eerste dagen van Februari 1859, dat een Engelsche brigade, waarvan
een der regimenten onder bevel stond van den kolonel Munro, hen tot
in Népaul kon vervolgen. Beni Madho wordt gedood, de Begoem van Oude
en haar zoon worden gevangen genomen en verkrijgen vergunning in de
hoofdstad van Nepaul te wonen. Wat Nana Sahib en Balao Rao betreft,
geruimen tijd meende men dat zij dood waren en toch was dit niet
het geval.
Hoe het zij, de geduchte opstand was gefnuikt. Tantia-Topi,
overgeleverd door zijn luitenant Man-Singh en ter dood veroordeeld,
stond den 15n April te Sipri te recht. Deze oproerling, »deze inderdaad
merkwaardige figuur uit het groote treurspel van den Indischen
opstand," zegt de Valbezen, »en die bewijzen gaf van een staatkundig
genie vol berekening en overleg," stierf moedig op het schavot.
Toch moest het einde van dezen opstand der Sipayers, die den Engelschen
misschien Indië zou gekost hebben, indien hij zich over het geheele
schiereiland had uitgestrekt, en vooral indien de beweging nationaal
geweest was, den val van de achtbare Indische Compagnie na zich
sleepen.
Inderdaad werd met het einde van het jaar 1857 het Hof der Direkteurs
door lord Palmerston met ondergang bedreigd.
Den 1n November 1858, verkondigde een proclamatie, in twintig talen
uitgevaardigd, dat Haar Majesteit Victoria Beatrix, koningin van
Engeland, den schepter van Indië in handen nam, waarvan zij eenige
jaren later tot keizerin zou gekroond worden.
Dit was het werk van lord Stanley. De titel van gouverneur,
vervangen door dien van onderkoning, een secretaris van Staat en
vijftien leden, de centrale regeering uitmakende, de leden van den
raad van Indië buiten den Indischen dienst benoemd, de gouverneurs
der presidentschappen van Madras en Bombay, door de koningin gekozen,
de leden van den Indischen dienst en de hoofdkommandanten gekozen door
den secretaris van Staat, zoodanig waren de voornaamste beschikkingen
van het nieuwe gouvernement.
Wat de militaire macht betreft, het koninklijk leger telt tegenwoordig
zeventien duizend man meer dan voor den opstand der Sipayers,
namelijk twee en vijftig regimenten infanterie, negen regimenten
fuziliers en een aanzienlijke artillerie, met vijf honderd man per
kavallerie-regiment en zeven honderd man per infanterie-regiment.
Het inlandsche leger bestaat uit honderd zeven en dertig regimenten
infanterie en veertig regimenten kavalerie; maar de artillerie is
Europeesch, bijna zonder uitzondering.
Zoodanig is tegenwoordig de toestand van het schiereiland uit een
administratief en militair oogpunt, zoodanig is het effectief der
gewapende macht, die een grondgebied moet beschermen van vier honderd
duizend vierkante mijlen.
»De Engelschen," zegt terecht Grandidier, »zijn gelukkig geweest in
dit groote en prachtige land een zacht, schrander, beschaafd volk
aan te treffen, dat van ouds geleerd heeft zich te onderwerpen. Doch,
zij mogen op hun hoede zijn, de zachtheid heeft hare grenzen en moge
het juk niet te zwaar zijn, of eenmaal richten de hoofden zich op en
verbreken het."